kvomens(1) kvo 48e jaargang nummer 1 januari 1984 J.E.v.d.Brink 


		m e n s e n  e n  E N G E L E N 


		I N  S E M S  T E N T E N 


			God der ganse aarde



Toen God zijn verbond met Abraham sloot, brak er een tijdperk aan, waarin Hij zich van de 

overige mensen afwendde.Hij bemoeide Zich niet langer met de volken, zoals Paulus tot de 

Lycaoniërs sprak: 'Hij heeft ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volken op 

hun eigen wegen laten gaan' (Hand.14:16). Zij waren tot weduwen geworden en God had 

geen gemeenschap meer met hen. Voor hen waren de tijden der onwetendheid en 

verlatenheid gekomen. Ze waren overgegeven aan een verwerpelijk denken. Zij vormden 'de 

onvruchtbare, die niet gebaard had' (Jes.54:1). Ook Israël en Juda waren vol schuld 

tegenover de Heilige Israëls, maar ze werden niet in weduwschap gelaten (Jer.51:5). De 

vernedering en de smaad van de volken worden in het nieuwe verbond uitgewist. Paulus 

schreef: 'Ter plaatse waar tot hen gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen ze genoemd 

worden zonen van de levende God' (Rom.9:26). Het bijwoord 'daar' wijst op de plaats waar 

God zijn besluiten neemt, op 'de heilige berg der goden', waar alle zonen Gods of 

aartsengelen, tezamen komen voor zijn troon, om 'zich voor de Heer te stellen' (Job 1:6). 

God zou immers zelf de mens lossen of vrijkopen door zijn Zoon, want deze is een verzoening 

voor de zonden der gehele wereld (1 Joh.2:2). 'Want alzo lief heeft God de wereld gehad - en 

niet alleen Israël - dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, - uit Sem, 

Cham en Jafeth - die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe' (Joh.3:16). 

Jezus heeft een claim op het ganse mensdom verworven en dus het recht ontvangen om uit 

alle natiën en talen zijn gemeente te winnen en te verzamelen. Het volk Israël naar het vlees 

had slechts voorbijgaande byzondere betekenis. Het was een schaduw van de werkelijkheid 

en het is geen volk van de toekomst. Mozes wist dat de maquette van de hemelse tabernakel, 

die hij in de woestijn plaatste, van vergankelijke en tijdelijke constructie was. Er is sprake 

van een 'meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze 

schepping' (Hebr.9:11, vergelijk Ex.25:40). Zoals Abraham de hemelse stad met 

fundamenten verwachtte, waarvan God zelf de ontwerper en bouwmeester is, zo zag Mozes de 

realiteit van de hemelse tabernakel, waarvan gezegd wordt: 'Zie, de tent van God is bij de 

mensen' (Openb.21:3). Deze tent is de gemeente van Jezus Christus, ook genoemd een 

woonstede Gods in de geestelijke wereld (Ef.2:22). Daarom profeteerde ook Mozes van de 

voor ons bestemde genade, toen hij zei: 'Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals 

ik ben, zal de Here, uw God, u verwekken; naar Hem zult gij luisteren' (Deut.18:15, 

vergelijk Hand. 3:22 en 7:37). De begrenzing en bekrompenheid van het natuurlijke volk 

heeft voorgoed plaats moeten maken voor het geestelijk Israël. 'Want niet hij is een Jood, 

die het uiterlijk is, en niet dát is besnijdenis, wat uiterlijk, aan het vlees geschiedt, maar híj 

is een Jood, die het in het verborgene is, en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de 

geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God' (Rom.2:28,29). 

De belofte is: 'Zie, Ik heb hem tot een getuige voor de volken gesteld, tot een vorst en 

gebieder der natiën. Zie, een volk dat gij niet kendet, zult gij roepen, en een volk dat u niet 

kende, zal tot u snellen ter wille van de Here, uw God, en van de Heilige Israëls, omdat Hij u 

verheerlijkt heeft'. De 'Heilige Israels' zal niet langer de God van het natuurlijk Israël 

heten, maar 'God der ganse aarde zal Hij genoemd worden' (Jes.55:4,5 en 54:5). De 

middelmuur van de afscheiding is weggebroken, en zowel Semieten, Jafethieten als 

Chamieten kunnen wonen in Sems tenten. Op de Pinksterdag werden in de talen van al deze 

volken de grote daden van God verkondigd. Jezus schept door de prediking over het 

Koninkrijk der hemelen en door de kracht van zijn Geest al deze volken 'tot een nieuwe 

mens(heid)' (Ef.2:15,16). Wanneer allen zijn bevrijd van de inwerking der wereldbeheersers, 

van de streekgeesten, van de familiemachten, van gebondenheden, is er geen onderscheid 

meer tussen 'Griek en Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar 

alles en in allen is Christus' (Col.3:11). Ze zullen allen als broeders van hetzelfde huis in 

Sems tenten wonen. In 2 Corinthiërs 3:7-11 schrijft Paulus dat de bediening des doods - 

welke dus niet kon beletten dat allen in het oude verbond naar het dodenrijk gingen - met 

heerlijkheid gepaard ging. De glans van het oude verbond was dat het verdwijnen moest om 

plaats te maken voor het nieuwe. De heerlijkheid van het voorbijgaande was dat zij 

voortdurend heenwees naar hetgeen zou komen. Zo vindt bijvoorbeeld de aan de aarde 

gebonden rups haar heerlijke bestemming in de verwachting dat zij vlinder zal worden. Zo 

zongen de Korachieten: 'k Zie Rahab, ik zie Babel tot uw eer (namelijk van de stad Gods) bij 

hen geteld, die mijne (Gods) grootheid zingen. De Filistijn, de Tyriër, de Moren zijn binnen 

u, o Godsstad, voortgebracht. Van Sion zal het blijde nageslacht haast zeggen: Dee'z en die is 

daar geboren. God zal hen zelf bevestigen en schragen en op zijn rol, waar Hij de volken 

schrijft, hen tellen als in Israël ingelijfd, en doen de naam van Sions kind'ren dragen' (Ps.87 

:2-4 berijmd). Rahab is een natuurmonster in de zee. In Job 26:12,13 staat: 'God stilde de zee 

door zijn kracht en verpletterde Rahab door zijn beleid. Door zijn adem werd de hemel 

helder, zijn hand doorboorde de snelle slang'. Deze mysterieuze draak is het embleem van 

Egypte en beeld van de hemelvorst van dit land (Verg.Jes.30:7;51:9). De stamvader van de 

Egyptenaren was Mizraïm, een der zonen van Cham. Het woord Mizraïm komt 87 maal in de 

bijbel voor en is vertaald door het Griekse woord Egypte. De enige uitzondering vindt men 

in 1 Samuel 30:13, waar in het Hebreeuws staat: 'Een jonge man, een Egyptenaar'. Mizraïm 

was ook de stamvader van de Filistijnen. Het merkwaardige is dus dat Psalm 87 de 

heilsbeloften verbindt aan het nageslacht van Cham. Niet met Jafeth had het volk Gods te 

strijden, maar met de zonen van Cham en de profetieën getuigen van de heerlijke 

overwinning op de machten der duisternis, die met de Chamitische volken zijn verbonden. 

De profeet Jesaja zegt aangaande dit heil: 'Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt 

zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden van Israël terug te 

brengen; Ik stel u tot een licht der volken, opdat mijn heil reike tot de uiteinden der aarde' 

en 'de een zal zeggen: ik ben des Heren, een ander zal zich noemen met de naam Jakob, en een 

derde zal op zijn hand schrijven: van de Here, en de naam Israël aannemen' (Jes.49:6;44:5). 


			De Kananese vrouw 


Het verging Jezus als 900 jaar tevoren Elia. Hij moest de wijk nemen naar het heidense 

Fenicië vanwege de afkeer van zijn landgenoten. Nadat dezen aanvankelijk zijn boodschap 

over het Koninkrijk der hemelen met blijdschap ontvangen hadden, keerden velen van zijn 

discipelen terug en gingen niet langer met Hem mee (Joh.6:66). Zij begonnen zich vijandig 

op te stellen tegen zijn woorden, die geest en leven waren. In het byzonder vermeed de Heer 

de omgeving van het Galilese meer, waar Herodes Antipas, de moordenaar van Johannes de 

Doper, in Tiberias, dichtbij Kapernaüm, resideerde. Ook moest Hij 'in het verborgen' naar 

Jeruzalem reizen, teneinde niet in moeilijkheden te geraken. Hij ging langs sluipwegen zoals 

die door Samaria (Joh.7:10). In de synagoge te Nazareth had Jezus er al op gewezen, dat Elia 

door God was gezonden naar Sarepte, tussen Sidon en Tyrus gelegen. Daar kreeg de profeet 

onderdak bij een weduwe. Hij vond dus een schuilplaats in het land waar de vader van Izébel 

koning der Sidoniërs was. In dit bolwerk van de duivel met zijn afschuwelijke Baälsdienst 

bouwde de profeet een egelstelling (versterkte stelling midden in vijandig gebied), voor 

Jahweh in het huis van de weduwe van Sarfath. Door het geloof had zij een koek voor Elia 

bereid, daarmee getuigende dat het werk der wet in haar hart was geschreven. Dit wonder 

en de opwekking van haar kind uit de doden waren aanwijzingen, dat de tijd zou komen dat 

ook de Kanaänieten uit de hand van al hun onzichtbare vijanden zouden worden verlost. Ook 

dit volk dat in dichte duisternis wandelde, zou een groot licht zien. In Sarfath bereidde Elia 

zich voor op het grote treffen met de vijanden des Heren op de Karmel, waar hij het altaar 

des Heren dat omver gehaald was, zou herstellen. Daar zou hij tonen dat hem macht was 

gegeven om in de hemelse gewesten de overwinning te behalen. Indien het waar is wat de 

kerkvader Hiëronymus - de eerste christen uit het Westen die het Hebreeuws kende en de 

bijbel in het Latijn vertaalde, een werk dat als de Vulgata algemeen werd gebruikt - schreef, 

dat de profeet Obadja dezelfde persoon was die ten tijde van Achab honderd profeten voor de 

koning verborgen hield, was hij op de hoogte van hetgeen zich in Sarfath had afgespeeld. De 

laatste verzen van zijn korte profetie wijzen erop, dat eenmaal 'in de dag des Heren' 

'verlossers de berg Sion zullen bestijgen' om ook het land der Kanaänieten tot Sarfath toe, te 

bevrijden. In Mattheüs 15:21-28 en in Marcus 7:24-30 wordt verhaald dat Jezus uitweek 

naar het gebied van Tyrus. Dit vormde het zuidelijk deel van de Romeinse provincie Syrië en 

grensde in het zuiden aan Galiléa. Wij wezen er al op dat Tyrus in het byzonder onder de 

heerschappij van de overste dezer wereld stond. De koning van Tyrus wordt toch in Ezechiël 

28 met de duivel zelf geassocieerd. Jezus 'wens om bij het betreden van een huis onbekend te 

blijven werd niet vervuld. Het gerucht over Hem was tot in geheel Syrië doorgedrongen 

(Matth.4:24). Een vrouw die over zijn wondermacht had horen spreken, vernam dat Hij in de 

nabijheid was. In groot geloof komt zij onmiddellijk op de Heiland af. Marcus noemt haar 

een 'Helleense', een woord dat door `Griekse' is vertaald. Hierdoor werd zij als heidense 

aangeduid, omdat het oosterse heidendom met al zijn religies door de Griekse cultuur tot 

één internationaal veelgodendom was samengebracht. De evangelist gebruikt het woord 

'Syro-Fenicische' om haar nationaliteit aan te duiden. Zijn evangelie werd waarschijnlijk in 

Italië geschreven en hij kon deze vrouw niet enkel als Fenicische aanduiden, want dan dacht 

iedere Romein aan de streek van Carthago in Noord-Afrika. In de derde Punische of 

Fenicische oorlog was immers Carthago in 146 voor Christus door de Romeinen verwoest. 

Daarom spreekt Marcus hier over een 'Syro-Fenicische', dit wil zeggen , een inwoonster uit 

de kuststreek van Tyrus en Sidon. Het doet daarom vreemd aan, dat Mattheüs het heeft over 

'een Kananese vrouw uit dat gebied'. Dit was een verouderde uitdrukking en werd niet meer 

gebruikt, evenmin als wij zeggen bij een bezoek aan Twente, dat wij daar een vrouw uit 

Tubantia - een Germaans woord voor Twente - hadden ontmoet. Bij Mattheüs gaat het 

evenwel om aan te geven, dat Jezus hier contact kreeg met een Kanaänitische vrouw wier 

volk tot in het verste geslacht vervloekt was. Deze evangelist beschrijft hier de strijd van 

Jezus in de hemelse gewesten op het terrein, dat specifiek aan de duivel toebehoorde. Let er 

ook op dat uitdrukkingen als 'hemelse Vader', 'kinderen des Koninkrijks', 'Koninkrijk der 

hemelen' kenmerkend voor deze evangelist zijn. Van de twaalf gelijkenissen die hij 

opgetekend heeft, handelt er slechts één niet over het Koninkrijk der hemelen. In Mattheüs 

13:52 ontmoeten wij een 'schriftgeleerde', onderwezen in het Koninkrijk der hemelen. Het 

gaat er bij hem om, 'dat de schrift vervuld zou worden', dus om aan te tonen dat de profeten 

zonder uitzondering over de voor ons bestemde genade hebben geprofeteerd. In het 

specifieke domein van de vijand zal Jezus tonen dat ook Kanaän mag wonen in Sems tenten. 

Hier komt dan ook een grote keer in zijn prediking. Hij kwam eerst tot het zijne, maar de 

zijnen namen Hem niet aan. Toen dit openbaar geworden was, werd bewaarheid: 'Doch allen, 

die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, 

hun die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil 

eens mans, doch uit God geboren zijn' (Joh.1:11-13). In Mattheüs 10:5-8 gebood Jezus nog 

zijn discipelen: 'Wijkt niet af op een weg der heidenen, gaat geen stad van Samaritanen 

binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. Gaat en predikt en zegt: 

Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt 

melaatsen, drijft boze geesten uit'. Nu komt Jezus wél op de weg der heidenen en daar drijft 

Hij boze geesten uit. Nu gaat Jezus wél naar Samaria om in die streek 'velen' tot het geloof te 

brengen, want de 'velden' (meervoud) waren wit om te oogsten (Joh.4). Openlijk zou Hij 

verder de Joden erop wijzen, dat Hij nog andere schapen had, die van hun stal niet waren. 

Deze zouden naar zijn stem horen en het zou worden één kudde en één herder. De religieuze 

geesten reageerden hierop in grote vijandschap met de opmerking: 'Hij is bezeten en 

waanzinnig' (Joh.10:16-21). De Kananese vrouw sprak de Heer aan met de titel 'Zoon van 

David'. Zij erkende hiermee dat Jezus 'het koningschap over Israël zou oprichten' 

(Hand.1:6). In de onzienlijke wereld betekende dit dat Jezus na zijn opstanding de troon van 

zijn vader David zou bestijgen, die identiek was met de troon van God (Hand.2:30,31;1 

Kron.29:23). Zo kwam immers de troon van de koning van Tyrus overeen met die van de 

overste dezer wereld (Ez.28:11-19). De vrouw doet een beroep op Jezus, die rondging om de 

werken des duivels te verbreken, want haar dochtertje was 'deerlijk bezeten door een boze 

geest'. Let erop dat het Koninkrijk Gods niet vanzelf over deze vrouw komt, omdat er nu 

eenmaal in het optreden van Jezus een nieuwe situatie was ontstaan. Er staat immers: 

zovelen Hem áángenomen hebben. Jezus stelt deze vrouw op de proef met de woorden: Ik ben 

slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls, dat was tot de brede massa van 

het volk dat zonder ware herders was, en zuchtte onder het wettische juk van de Farizeeën en 

schriftgeleerden. 'En Hij zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden, want het 

is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen'. De 

Statenvertaling heeft het verkleinwoord 'hondekens' en een van deze zou dan het bezeten 

dochtertje van de Kananese vrouw zijn. Let op het woordje 'eerst'. De bedoeling is immers: 

eerst de Jood en via hem ook de heiden. Zo is het ook gebeurd. De eerste groep waarover 

Jezus koning zou worden en over wie Hij vanuit zijn hemelse troon regeren zou, bestond uit 

Joden. het ging niet over het hele volk, maar er was geprofeteerd: 'Al was het getal der 

kinderen Israël als het zand der zee, het overschot zal behouden worden (Jes.10:22; 

Rom.9:27,28). Deze rest ontstond op de Pinksterdag, toen 3000 Joden en Jodengenoten zich 

bekeerden en zich lieten dopen op de naam van Christus tot vergeving van hun zonden en zij 

de gave van de Heilige Geest ontvingen. Later is er sprake van een getal van ongeveer 5000 

mannen. In Handelingen 6:7) staat: 'En het woord Gods wies en het getal der discipelen te 

Jeruzalem nam zeer toe en een talrijke schare van priesters gaf gehoor aan het geloof'. 

Verder ontstonden er vele gemeenten in Judéa, die het zeer moeilijk hadden vanwege de 

vervolgingen door hun volksgenoten (Gal.1:22; 1 Thess.2:14). Jezus Christus vestigde zijn 

gemeente op het woord van Joodse apostelen en profeten, die 'het heil dat allereerst door de 

Heer verkondigd was, op betrouwbare wijze' aan de wereld hebben overgeleverd door hun 

geschriften (Hebr.2:3). In Handelingen 15:16,17 wijst de broeder des Heren naar de 

profetieën, waarin de bekering der heidenen werd voorspeld. Eerst zou de vervallen en de 

ineengestorte tent van David weer overeind worden gezet. Dit gebeurde op de Pinksterdag. 

Daarna zouden de overige mensen en alle volken de Heer zoeken. Daarom zingen wij: 

'Hetgeen Davids huis was toegezegd, dat wil Hij óns nú schenken' De Kananese vrouw kan 

echter niet op een toekomende tijd wachten. Wie zo'n beschadigd kind heeft, begrijpt dat 

deze vrouw niet gebaat was met wat later zou worden geopenbaard. De Hebreeënschrijver 

heeft het over een rij van geloofsgetuigen, die getuigenissen ontvingen dat zij God 

behaagden, omdat zij de hand legden op iets dat komen zou. Onder hen was de Kanaänitische 

vrouw Rachab. Zij verkreeg de beloften die eigenlijk niet voor haar tijdsbedeling waren 

bestemd. Ook de weduwe te Sarfath was haar tijd vooruit. Nu doorbreekt deze Kananese 

vrouw de vervloeking die op haar geslacht rustte. Zij zegt: 'Ja, maar eer de maaltijd van de 

kinderen is afgelopen, eten de honden al mee van de afval van de tafel'. In een gelijkenis had 

Jezus haar uiteengezet, dat haar dochtertje nog geen recht had op verlossing. Dit zou pas 

later gebeuren. De vrouw vangt nu Jezus vrijmoedig in zijn eigen woorden. Met haar 

geloofsoog en gedreven door moederliefde ziet zij de mazen, waardoor zij zich kan 

heendringen. De vrouw heeft niet te doen met een systematicus, die de regels consequent en 

onwrikbaar hanteert, niet met een Farizeeër en schriftgeleerde die het voornaamste van de 

wet, het oordeel en de barmhartigheid, nalieten. Zij ziet voor haar de goede Herder die met 

barmhartigheid is bewogen. Jezus verheugde Zich over haar antwoord, zoals Hij dit ook 

deed met dat van de hoofdman te Kapernaüm. Beiden hadden een geloof zoals Jezus in Israël 

niet had gevonden. De Heer hoefde zelfs hun huizen niet meer in te gaan om persoonlijk 

contact met de zieken te krijgen. De kracht van de wetteloze geesten was reeds verbroken en 

zowel de knecht van de centurio als het dochtertje van de Kananese vrouw waren terstond 

genezen. Het boek der Handelingen vermeldt dat de eerste bekeerling uit de heidenen een 

Moorman was uit Ethiopië. Ook hij was een nakomeling van Cham, want Ethiopië is in het 

Hebreeuws 'Koesj' ,welke naam men tegenkomt in vers 6 van de volkenlijst in Genesis 10. 

Zo kwam het heil van Christus tot alle volken in het begin van het nieuwe verbond.


kvomens(2) kvo 48e jaargang nummer 2 februari 1984 J.E.v.d.Brink 

			m e n s e n  e n  E N G E L E N

	HET MYSTERIE DER MORGENSTERREN 

Door de prediking van het Koninkrijk de hemelen worden wij er ons van bewust, dat wij 

geestelijke wezens moeten worden. Om een voorbeeld te geven uit de natuur: het bestaan van 

de rups is de voorbereiding van haar leven als vlinder. Daar is haar levenspatroon op 

ingesteld. Tijdens ons omvormingsproces nemen wij in ons denken reeds nu onze plaats in 

als inwoner van het hemelse Jeruzalem. De apostel stelde de vraag: waartoe laat gij u 

vanwege u oude, godsdienstige inzichten, nog geboden opleggen, 'alsof gij in de wereld 

leefdet'? Wij zijn immers van 'boven'. Wie naar de innerlijke mens naar de wetten van de 

Geest leeft, zal zijn hemelse wandel ook op aarde openbaren. Zijn omgang met God en met 

Christus, zijn gemeenschap met de Heilige Geest, en zijn contact met de heilige engelen 

maken hem tot een vreemdeling en bijwoner op aarde die immers onder de heerschappij van 

de overste dezer wereld staat. De plaats waar de mens zich begint te ontwikkelen is 

aanvankelijk nog de aarde. Zijn wedergeboorte wijst echter op een metamorfose die in het 

hart van de mens aanvangt. Er zijn tijden en gelegenheden die de Vader in zijn eigen hand 

heeft. Dit zijn de perioden waarin Hij de mens telkens verder naar diens bestemming als 

geestelijk wezen voert, en wel naar het beeld dat Hij van eeuwigheid van de mens voor Zich 

zag. God heeft deze mens boven alles lief en bemint hem als Zichzelf, want hij is het 

schoonste en mooiste dat de schepper gemaakt heeft. De geestelijke mens is de afstraling van 

Gods heerlijkheid en de afdruk van diens goddelijk wezen. Wij willen ons bezig houden met 

de wijze waarop God zijn schepselen in hemel en aarde tezamen voegt, zodat het stoffelijke en 

zichtbare volkomen is onderworpen aan de wetten van de geest. 

			De dag van de engelen

Allereerst schiep God als onderdeel van zijn raadsplan met de mens, de engelen. Zij waren 

allen bestemd tot dienende geesten ten behoeve van hen die naar Gods beeld waren gemaakt 

en zich tot zijn gelijkenis zouden ontwikkelen. Daarom wordt gezegd, dat de mens boven de 

engelen verheven is: Gij hebt hem bijna goddelijk gemaakt (Ps.8:6). Op een ander niveau zou 

hij dan in de zichtbare wereld de aarde onderwerpen en heersen over de dieren. Zo zou dan 

de mensheid eenmaal een koningschap vormen in hemel en op aarde. Bij de engelen missen 

wij een geleidelijke ontwikkeling of een groeiproces. Zij werden kant en klaar geschapen en 

van een metamorfose is bij hen geen sprake. Teneinde de onzienlijke wereld der engelen in 

haar bestaansvormen aan ons duidelijk te maken, vergelijkt de bijbel haar met de 

sterrenhemel. In Genesis 1:14 staat in de Staten- en ook in de Transcriptievertaling dat de 

sterren 'tot tekenen zijn'. Zo waren de engelen in geestelijke zin eenmaal allen lichtdragers, 

want zij waren geest en leven. Ook worden de engelen in groepen ingedeeld zoals de 

bijelkaar horende hemellichamen de sterrenbeelden vormen. De plaats der sterren aan het 

firmament wijst op de verheven positie der hemelbewoners. De bijbel gebruikt het woord 

sterren ook voor engelen. Zo staat in Openbaring 6:13 dat de sterren des hemels op aarde 

vielen als onrijpe vijgen, die door een harde wind werden geschud. Dit wijst op een grote 

beroering in de geestenwereld. In Openbaring 9:1 wordt meegedeeld, dat een ster uit de 

hemel valt om de put van de afgrond te openen. Ook hier hebben we met een engel te doen. 

De allereerste en voornaamste engelen werden morgensterren genoemd. In de natuurlijke 

wereld is de morgenster een planeet die zeer veel licht uitstraalt juist voor zonsopgang. Zij 

werd naar de Romeinse godin der liefde, Venus genoemd. Een oude naam voor Venus is 

Lucifer, de Latijnse vertaling van het Griekse woord 'phosphores' wat lichtbrenger 

betekent (zie 2 Petr.1:19). Wanneer in de vroege ochtend de duisternis nog dicht is, 

weerkaatst de morgenster het licht van de opkomende zon. Zij geeft dan het eerste schijnsel 

van de nieuwe dag. Als beeld kondigden de morgensterren - de eerstgeschapenen der engelen 

- een nieuw tijdperk of een nieuwe dag aan. God die geest is, was voortaan niet meer alleen, 

maar omringd door geesten. Toen Lucifer, de eerste en verhevenste van alle morgensterren 

of aartsengelen, geschapen werd, was hij een 'beschuttende cherub', een bewaker en drager 

van de troon van God, een representant van diens heerlijkheid in de hemelse hof van Eden. 

Hij was volmaakt van gestalte, vol van wijsheid en volkomen schoon. Hij was de 

verantwoordelijke leider der hemelingen (Ez.28:11-19). Hij was echter onbekend met het 

eeuwige raadsbesluit van God, dat de schepping der engelen slechts het voorspel van een nog 

heerlijker creatie was, namelijk van die der mensheid. 

			De dag van de mens

 Na de schepping van de hemel volgde die van de aarde. De dageraad van de mens brak aan. 

Bij de voorbereidingen van de Schepper om de mens een goede woonplaats te verschaffen, 

'juichten de morgensterren tezamen en jubelden de zonen Gods' (Job 38:7). De uitdrukking 

'zonen Gods' wijst erop dat God 'de Vader der geesten is' (Hebr.12:9). Alle engelen 

bewonderden dus dit begin van de realisering der gedachten en plannen van God in diens 

schepping. Met hun verstand doorzagen zij zijn eeuwige kracht en goddelijkheid (Rom.1:20). 

Alles was voor hen heerlijk, totdat openbaar werd wat de nieuwe dag tevoorschijn zou 

brengen, namelijk de geestelijke mens. Er staat: 'Voorts plantte de Here God een hof van 

Eden, in het Oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij geformeerd had' (Gen.1:8). Hij 

bracht toen Adam in deze tuin, die een beeld was van de hemelse hof van Eden of van het 

Koninkrijk Gods. Door het eten van de vruchten van de boom des levens en door de 

inspiratie van zijn Schepper zou de mens in het paradijs tot hemelburger worden opgevoed. 

Dit wekte de afgunst van Lucifer op. Het bleek hem dat op aarde een komende morgenster 

was verschenen, waarvan het licht eenmaal dat van alle engelen zou overtreffen. De mens was 

niet alleen bestemd om als aardbewoner te fungeren, maar zou bovendien ook een 

koninklijke plaats in de hemel gaan innemen. Ook hij zou - na een ontwikkelingsproces - 

volmaakt zijn van gedachten, vol van wijsheid en zeer schoon. Ook hij was 'overdekt met 

allerhande edelgesteente', dus met enorme geestelijke begaafdheden toegerust, die zelfs 

heerlijker zouden zijn dan die van de aartsengelen. De mens zou 'op de heilige berg der 

goden' de hoogste plaats gaan innemen, want God zou eenmaal zijn 'alles in allen'. Deze 

ontwikkeling wilde Lucifer verhinderen en daarmee verzette hij zich nadrukkelijk tegen de 

eeuwige raad en wil van God. Hij keerde zich tegen de mens en een vreselijk intermezzo brak 

aan. Hij wist de mens te verleiden en tot zonde te brengen, die een scheiding teweegbracht 

tussen God en de mens. Hij werd toen 'de goddeloze, die in verbolgenheid zonder ophouden 

natiën sloeg, die in toorn volken vertrad in meedogenloze vervolging' (Jes. 14:6). Lucifer 

verloor zijn licht en zijn wijsheid en werd tot duisternis en dwaasheid. Met zijn afgevallen 

engelen trachtte hij voortaan alles wat tot het domein van de mens behoort, te vernielen en 

te verwoesten, opdat de ganse mensheid 'onnut' zou worden voor haar uitzonderlijke hoge 

functie in de hemelse gewesten. Toen liet God verder 'alle volken op hun eigen wegen gaan' 

(Hand.13:16).

			De dag van de zoon des mensen

God laat evenwel zijn plan met de mens niet los. De aarde gaat nooit onder maar wordt 

hersteld met de zuchtende schepping die erop vertoeft. God beloofde weer een nieuwe dag, 

een dag des Heren in de volheid des tijds. Er verscheen weer een morgenster op aarde. De 

goddeloze ziener Bileam, wiens ogen voor de geestelijke wereld geopend waren, had deze 

dag gezien. Hij profeteerde dat er een (morgen)ster zou opgaan in Jakob (Num.24:17). Bij de 

geboorte van Izak zag ook Abraham van verre 'de dag van Christus, zijn Zaad, en verblijdde 

zich (Joh.8:56). Bij de aanvang van de nieuwe bedeling werd de gehele onzienlijke wereld 

actief. De rechtvaardige Zacharias zong door de Heilige Geest gedreven in zijn lofzang: 'Om 

ons van zond' en ongeval t' ontslaan, een ster in Jakob op doet gaan'. In de velden van Efratha 

jubelden en juichten als 'een grote hemelse legermacht' de morgensterren en de zonen Gods 

opnieuw. Zij verwelkomden de opkomende Morgenster. Boze engelen namen deze 

manifestatie waar en onderscheidden het vleesgeworden Woord Gods in de kribbe van 

Bethlehem. Zij kwamen in het geweer en inspireerden de magiërs uit het Oosten aangaande 

de ster, die uit Jakob was verrezen. Deze 'wijzen' wisten immers niet door wie ze bij hun 

astrologische praktijken werden geleid. Met hun verhaal wekten zij de jaloersheid van 

Herodes op, welke overeenkwam met die van Lucifer zelf. Het gevolg van de komst van deze 

goedwillende maar blinde astrologen te Jeruzalem was de kindermoord te Bethlehem. Op 

aarde werd onze Heer omringd en beschermd door een kleine groep rechtvaardigen en in de 

onzienlijke wereld werd Hij geheiligd door zijn hemelse Vader en gediend door de heilige 

engelen. Na zijn doop in de Heilige Geest ging Hij als geestelijk mens de hemelse gewesten 

binnen om daar de strijd aan te binden met de tegenstander teneinde de werken des duivels 

te verbreken. In openbaring 22:16 betuigt Jezus dat Hij de wortel en het geslacht van David 

is, de blinkende Morgenster. Wanneer Hij zegt: 'Ik ben het geslacht van David' of diens 

nakomeling, komt dit overeen met wat in Galaten 3:16 staat, dat Hij ook het geestelijk zaad 

van Abraham is en daarom erfgenaam van alle beloften. De troon van David was verbonden 

met de troon van God (1 Kron.29:23). God was koning over Israël, en niet Saul maar David 

bezette de troon van Israël in de naam des Heren. Het koningschap van Saul wortelde niet in 

de eeuwigheid, maar wel dat van David (2 Sam.7:13,16). De onzichtbare wortel van het 

koningschap van David, waaraan deze zijn recht en kracht ontleende, was het koningschap 

van God. Daar Christus als gedachte en Woord Gods van eeuwigheid in de Vader verborgen 

was, bezette Hij deze troon in de onzienlijke wereld. Als zoon van David is Hij nu koning over 

het Israël Gods, de gemeente. Hij noemt Zichzelf de blinkende Morgenster, omdat zijn komst 

een nieuw tijdperk aankondigde, want Hij beweegt Zich nu als volmaakt geestelijk mens 

door de hemelse gewesten. Hij kreeg de naam boven alle naam en 'Hem moeten alle engelen 

Gods huldigen' (Hebr.1:6). De uitdrukking 'blinkende' Morgenster wijst erop dat Hij boven 

alle morgensterren verheven is. Wij zien Hem daarom met eer en heerlijkheid gekroond.

			De dag van de zonen Gods 

Ook wij bevinden ons in de dageraad van een nieuwe dag. Geeft daarom acht op het 

profetische woord als op een lamp, die nu nog schijnt in een duistere nacht, 'totdat de dag 

aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten' (2 Petr.1:19). Dit wijst op een innerlijke 

ervaring, wanneer de gelovigen in de eindtijd bewust hun plaats innemen in de hemel. De 

Geest Gods getuigt met kracht: 'De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij' (Rom. 13:12). 

Daarom schenkt de Heer ons de genade dat wij de geheimenissen van het Koninkrijk der 

hemelen en die van de morgensterren mogen ontsluieren. Wij ontvangen gedachten 

hierover, die eeuwenoude bedekkingen wegnemen. Wij ontwikkelen - ons aan de waarheid 

en gerechtigheid vasthoudende - tot morgensterren die hun plaats boven innemen. Daar 

zullen wij schitteren als sterren voor eeuwig en altoos, wanneer wij velen tot gerechtigheid 

zullen hebben gebracht (Dan.12:3). We hebben een weg gezien die was afgesloten en nu weer 

wordt geopend. De belofte luidt voor ons op wie de late regen gevallen is: 'Wie overwint en 

mijn werken tot het einde toe bewaart,... hem zal Ik de morgenster geven' (Openb.2:27,28). 

Laten wij er dan goed van doordrongen zijn, dat morgensterren en zonen Gods alleen in de 

hemelse gewesten functioneren. In Jesaja 14:12 staat dat Lucifer, de morgenster van de 

eerste schepping, uit de hemel zal vallen. Hoe gebeurt dit? Wanneer de morgensterren uit de 

mensen onder leiding van de blinkende Morgenster hun plaats in de geestelijke wereld 

hebben ingenomen. De oude morgenster wordt dan verdreven door de rijzende 

morgensterren van de eindtijd, want hun namen zijn opgetekend in de hemel. Jezus spreekt 

ook tot ons: 'Ik zag de satan uit de hemel vallen. Zie, Ik heb u macht gegeven op slangen en 

schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand, en niets zal u enig 

kwaad doen' (Luc. 10:18-20).

			Het gemengde hemelkoor

In openbaring 14:1-5 wordt de apostel Johannes verplaatst naar 'Sions God gewijde top', 

waar hij zich bevindt te midden van de 144.000 ware volgelingen van Jezus Christus. De berg 

Sion is symbool van de macht en kracht van de Heilige Geest in de kinderen Gods. Hier 

bevindt zich de woonstede van God in de geestelijke wereld (Ef.2:22). Deze berg is ook dan 

'de heilige berg der goden', dus van mensen en engelen die in onmiddellijke nabijheid van 

het Lam vertoeven. In Jesaja 14:13 wordt de zondige begeerte van de eerste morgenster 

uitgedrukt met de woorden: 'Gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de 

sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het 

noorden'.In de natuurlijke wereld lag de stad van de grote Koning in het land van Juda 'ver 

in het noorden'. In de geestelijke wereld is de berg Sion de plaats waar de Allerhoogste de 

engelen rondom Zich vergadert en hun zijn wil kenbaar maakt (Job 1:6). In Romeinen 9:26 

schrijft Paulus dat op deze 'plaats' ook de zonen Gods uit de heidenen en Joden hun intrede 

hebben gedaan. Het zou vreemd zijn als dit heuglijk feit niet op deze berg zou worden 

gevierd. De Hebreeën-brief spreekt van het hemelse Jeruzalem, van tienduizendtallen van 

engelen en van een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die 

ingeschreven zijn in de hemelen. (Hebr. 12:22,23). Vóór de aanvang van het duizendjarig 

vrederijk waarin het herstel wereldwijd is, zal eerst het engelenkoor weer bijeenkomen, 

maar versterkt met de stemmen der gezaligden. Opnieuw zullen de morgensterren jubelen 

en al de zonen Gods juichen, omdat de voleinding weer een tijdperk dichterbij is gekomen. 

Bij hen bevinden zich nu ook de morgensterren en de zonen Gods uit de mensen. De 144.000 

hebben de Naam van het Lam en de naam zijns Vaders op hun voorhoofden geschreven. Zij 

vormen als levende stenen de tempel Gods. Zij zijn de jongelingen of zonen, van wie 

geschreven is: 'Gij zijt sterk en het woord Gods blijft in u en gij hebt de boze overwonnen'. 

Zij zullen dan ook verder de zuchtende schepping herstellen. Onder hen zijn ook de 'vaders, 

want die hebben Hem gekend, die van de beginne is' (1 Joh.2:13). Hun ganse wezen is 

vervuld met de gedachten aangaande het eeuwige raadsplan van God. Deze 'vaders' zijn de 

morgensterren van wie gezegd wordt: 'Ik zal u maken tot een zuil in de tempel mijn Gods' 

(Openb.3:12). In geestverrukking hoort Johannes nu een geluid als het geruis van talrijke 

wateren, als van een machtige waterval die zich in een diepe ravijn stort. Hij hoort de 

engelenkoren die vergeleken worden met harp- of citerspelers, wier krachtig gezang 

overeenkwam met het daveren van een geweldige donder. Zij verheerlijken in nieuwe 

geestesliederen de realisering van de gedachten Gods met de mens. Zij hebben nu gezien wat 

zijn eeuwige kracht en goddelijkheid in de herschepping teweeg heeft gebracht. Wanneer dit 

engelenkoor begint, vallen de 144.000 onmiddellijk in. Zij zijn immers de losgekochten van 

de aarde, dit wil zeggen dat zij tijdens hun verblijf aldaar reeds hun wandel in de hemel 

hadden. Ze zijn de morgensterren en de zonen Gods uit de mensen als eerstelingen voor God 

en het Lam. Zij beheersen de talen der engelen en daarom kunnen zij spontaan dit loflied, dat 

in geen zangbundel voorkwam en ook niet zal voorkomen, overnemen. Met elkaar 

verwoorden zij in menigerlei talen de zegepraal van het Lam op zijn troon. Heeft de apostel 

Paulus hier reeds iets van gehoord en gesmaakt, toen hij weggevoerd werd naar het hemelse 

paradijs en daar onuitsprekelijke woorden hoorde? Het is werkelijk de moeite waard om nu 

reeds de Heer te loven en te prijzen wanneer de geheimenissen van het Koninkrijk der 

hemelen aan ons worden geopenbaard, van 'wat geen oog heeft gezien en geen oor gehoord 

en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God bereid heeft voor degenen, die Hem 

liefhebben' (1 Cor.2:9). Daarom verheugen wij ons in de toekomende tijden en bidden dat 

wij ook gerekend mogen worden tot die hemelse parlementariërs met wie onze Heer Jezus 

over hemel en aarde zal regeren, teneinde alles tot volheid te brengen.


kvomens(3) kvo 48e jaargang nummer 3 maart 1984 J.E.v.d.Brink 			

			m e n s e n  e n  E N G E L E N 

DE  C A M O U F L A G E  V A N D E  D U I V E L 

Het was Augustinus die ooit schreef, dat het Oude Testament in het Nieuwe is geopend en het 

Nieuwe in het Oude was verborgen . De christen die daarom het Oude Testament leest 

zonder de leer van het Koninkrijk der hemelen te kennen, zal veelvuldig bij de aarde worden 

bepaald en zelden bij de onzienlijke wereld. Schreef Mozes niet: 'De verborgen dingen - die 

van het Koninkrijk der hemelen - zijn voor de Here, onze God, maar de geopenbaarde - die 

van de zintuiglijke waarneembare wereld - zijn voor ons en onze kinderen voor altijd'? 

(Deut. 29:29). Alles wat dan verder op natuurlijke wijze niet verklaard worden kon, werd 

aan Jahweh toegeschreven. Zo zijn dood en leven zaken uit de onzichtbare wereld en daarom 

sprak Hanna, de moeder van Samuël, in haar lofzang: 'De Here doodt en doet herleven, Hij 

doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen' (1 Sam.2:6). Aldus sprak ook de 

engel des Heren tot Mozes: 'Wie heeft de mens een mond gegeven, wie maakt stom of doof, 

ziende of blind; ben Ik het niet, de Here?' (Ex.4:11). Het woord duivel, beschuldiger, 

aanklager, lasteraar en verleider, komt in het Oude Testament niet voor daar het van het 

Griekse woord diabolos afkomstig is, terwijl het Oude Testament in het Hebreeuws is 

geschreven. De seirum of veldgeesten uit Leviticus 17:7, 2 Kronieken 11:15, Jesaja 13:21 en 

34:14 zijn de demonen of duivelen. Dit woord heeft te maken met 'harig' en komt 

bijvoorbeeld ook voor in Genesis 27:11 waar Jakob zegt: 'Zie, mijn broeder Esau is een ruig 

man, en ik ben een onbehaard man'. Bij 'harig' dacht men in het byzonder aan geitebokken. 

Bij de afgodsbeelden werden de demonen voorgesteld als half mens half bok met horens op 

het hoofd van de man. Het lichaam is dan geheel behaard, en de poten en de staart lijken op 

die van een bok. Deze veldgeesten dansen in de puinhopen van Babel en bevinden zich tussen 

de restanten van de verwoeste steden in Edom (Jes.13:21;34:14). Het woord bok (harig) 

werd dus vertaald door veldgeesten. In de Griekse vertaling van het Oude Testament, de 

Septuaginta, wordt hiervoor het woord daimonia of demonen gebruikt.In Openbaring 18:2 

waar uit de Septuaginta geciteerd wordt, staat dan niet veldgeesten maar duivelen of 

demonen, die de grote stad Babylon bevolken. De Grieken spraken van Satyrs, veld- of 

bosgoden met bokspoten, zinnebeeld van de grof zinnelijke demonen. Ook de Egyptenaars 

dienden deze bokken, waarvan de dienst ervan overgenomen werd door de Israëlieten. 

Daarom staat er: 'Doet weg de goden (bokken) die uw vaderen gediend hebben' of 

'verontreinig u niet met de afgoden van Egypte' (Joz.24:14 en Ez. 20:7). Wij begrijpen nu ook 

dat een wereldbeheerser dezer duisternis, de vorst van Griekenland, in Daniël 10:20 als een 

harige geitebok werd voorgesteld. Deze engelenvorst is daar identiek met de koning van 

Griekenland (Dan.8:21). Gezien deze associatie tussen bokken en demonen sprak onze Heer 

dat Hij op de oordeelsdag de volken zal vaneen scheiden zoals de herder de schapen scheidt 

van de stotende en woeste bokken (Matth.25:32, 33, vergelijk hiermee Ez.34:17). In 

Deutoronomium 32:17 en in Psalm 106:37 staan de 'shedhim', de onzichtbare 'schimmen' of 

'schaduwen', achter de zichtbare afgoden waaraan men offerde. Paulus schreef over de 

heidenen: 'Hun offeren aan de afgoden is een offeren aan boze geesten en niet aan God' (1 

Cor.10:20). Begrijpelijk wordt nu wat in Jesaja 14:9 staat: 'Het dodenrijk beneden is over u 

in beroering om u bij uw komst - die van de koning van Babel als beeld van Lucifer, de 

gevallen aartsengel - te ontmoeten; het wekt de 'schimmen' voor u op, al de 'bokken' der 

aarde; het doet alle koningen der volken - de wereldbeheersers dezer duisternis - van hun 

tronen opstaan'. Opmerkelijk is dat de boze geesten in het Oude Testament wel gediend en 

geëerd worden, maar dat hun daden niet worden vermeld. De duivel en zijn demonen 

schuilen in hun destructief werk weg achter de Here God of achter de mens. Die worden 

beschouwd als de verwekkers van het kwade. De vijanden des Heren zijn daarom niet de boze 

geesten, maar de heidense volken, dus vlees en bloed. Zij moeten verdreven en uitgeroeid 

worden en 'gelukkig is hij, die uw kinderen zal grijpen en tegen de rots verpletteren' 

(Ps.137:9). Van koning Saul staat dat 'een boze geest, die van de Here kwam, hem angst 

aanjoeg' (1 Sam.16:14,15). Bij Farao wordt er niet opgewezen dat de duivel hem verhardde, 

maar hijzelf was hiervan de oorzaak of ook wel 'de Here verstokte het hart van Farao'. In het 

licht van het Nieuwe Testament zouden wij schrijven, dat een demon de inwendige mens van 

Farao ontoegankelijk maakte voor de woorden van Mozes. Liet deze boze geest hem een 

ogenblik los, dan kwam Farao weer tot zichzelf en was hij geneigd het volk te laten trekken. 

Greep de macht hem weer aan, dan trok hij zijn toestemming weer in. Het woord satan is 

wél een Hebreeuws woord, dat in het Grieks satanas is. Het betekent tegenstander of 

opponent. In de eigenlijke betekenis wordt het bijvoorbeeld gebruikt in 1 Koningen 11:14, 

waar staat: 'En de Here deed een tegenstander tegen Salomo opstaan, de Edomiet Hadad'. 

Van de engel des Heren wordt gezegd, dat hij zich op de weg als de 'satan' van de valse 

profeet Bileam stelde (Num.22:22). In de Statenvertaling staat in 2 Samuel 19:22 dat de 

zonen van Seruja David ten satan zijn. In de Nieuwe Vertaling wordt het woord tegenstanders 

gebruikt. In Psalm 109:6 lezen we in de Statenvertaling: 'Stel een goddeloze over hem, en de 

satan aan zijn rechterhand'. De Nieuwe Vertaling heeft: 'Stel een goddeloze als rechter over 

hem, een aanklager staat aan zijn rechterhand'. Geen enkele overzetting in de 'Zes 

Vertalingen' heeft echter in Mattheüs 16:23 voor satan het woord tegenstander. Daar zegt de 

Heer tot Petrus: 'Ga weg, achter Mij, satan; gij zijt Mij een aanstoot'. Jezus zag hoe de boze 

zijn discipel inspireerde. In 2 Samuel 24:1 wordt verhaald dat Jahweh David tegen Israël 

opzette om het volk te tellen. Een latere auteur corrigeert in 1 Kronieken 21:1 deze 

voorstelling van zaken en schrijft, dat de satan dit deed. Hij stelde dus hier de bedrijver van 

het kwade ten toon. Zijn inzicht sloot zich aan bij de leer die Jezus later zou verkondigen. 

Wel een bewijs dat men in het algemeen het kwade ook aan de Here toeschreef en hoe zelden 

de waarheid en realiteit in het Oude Verbond werden geopenbaard. Opmerkelijk is de keuze 

die David moet maken bij het strafgericht dat vanwege deze ongehoorzaamheid over het volk 

zal komen. Het gaat dan om zeven jaar hongersnood, drie maanden vluchten voor zijn 

tegenstanders of drie dagen pest in zijn land. Het antwoord van David is dat hij met zijn volk 

in de hand des Heren wil vallen, want diens barmhartigheid is groot. De tegenstanders 

waren de zichtbare vijanden, de hongersnood vond zijn oorzaak in de natuurlijke 

omstandigheden, waarachter men slechts indirect het bestuur van God zag, maar de 

pestziekte werd als een rechtstreeks ingrijpen beschouwd van de slaande hand van God. In 

diens handen wilde de koning vallen. Sprak men in de middeleeuwen niet van de pest als 'de 

gave Gods', omdat men uit bijgelovige vrees deze gevreesde ziekte niet bij haar naam dorst 

te noemen, zoals velen dit tegenwoordig ook niet durven doen bij kanker. Tegelijkertijd 

dreunden evenwel de klokken de ganse dag, omdat hun gelui de boze geesten zou verjagen en 

het tevens een voortdurend roepen en smeken tot God uitbeeldde. In het Oude Testament 

verschijnt de satan nooit als de eigenlijke tegenstander van God. Hoewel hij bepaalde 

voornemens en doelstellingen heeft, wordt hij voorgesteld als dienstknecht van God om te 

straffen en te verzoeken. Hij is dan de uitvoerder van de negatieve zijde van de goddelijke 

gerechtigheid. In het paradijs werd de mens als God gelijk gesteld 'kennende' het goede en 

het kwade, maar in de theologie is God als de mens 'doende' het goede en het kwade. Als 

actief deelnemer in het zondeproces wordt hij in het Oude Testament niet genoemd. Schoof 

ook niet Eva alle schuld op de natuurlijke slang, terwijl de duivel zelf buiten schot bleef? 

Wanneer de duivel buiten schot blijft, kan hij des te beter de mens aanklagen! In het verhaal 

over Job mengt de satan zich onder de zonen Gods. Bij Job wordt tijdelijk de omtuining 

weggenomen en hij wordt overgeleverd in de handen van de tegenstander, waarmee Job type 

wordt van Christus, op wie alle machten der duisternis losstormden. Job was in zijn tijd een 

man van wie werd gezegd, dat niemand op aarde was als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend 

en wijkende van het kwade. Jezus was evenwel de absolute rechtvaardige en Hij werd geacht 

'een door God geslagene en verdrukte te zijn' (Jes.53:4). Job was onbekend met hetgeen in 

het begin van zijn boek was beschreven. Hij hield geen rekening met het werk van de satan in 

zijn leven, maar zei: 'De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam des Heren zij 

geloofd'. Zijn innerlijk conflict was dat hij toch aan God niets ongerijmds kon toeschrijven. 

Daarom begreep hij de zin van zijn lijden niet (Job 1:21,22). Aan het einde van zijn 

beproeving maakte de Heer hem evenwel duidelijk dat hij niet in staat was een strijd met de 

Leviathan of draak aan te gaan. 'Zult gij de Leviathan met de angel trekken... zult gij met hem 

spelen gelijk met een vogeltje? (Job 40:20-28 St.Vert.). Probeer eens de hand op hem te 

leggen. Maar denk aan de strijd; gij doet het zeker niet weer' (Can.vert.). Pas nadat onze 

Here Jezus Christus de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen ontsluierde, zien wij 

dat de mens Gods, die gedoopt en vervuld is met Gods Geest, de worsteling met de boze kan 

winnen. Vanaf de grondlegging der wereld ligt het vast dat niet God de vijand zal verdoen, 

maar de mens Gods wordt verhoogd en hij behaalt de overwinning. Hij ontvangt de 

autoriteit om de gehele legermacht van de vijand te onderwerpen en door openbaring van de 

zonen Gods wordt realiteit: 'Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen' (Luc.10:17-

20). In Zacharia 3:1 wordt er tenslotte melding van gemaakt dat de satan de persoonlijke 

tegenstander van de mens is. Na de ballingschap wilde hij het herstel van de eredienst in de 

tempel tegen gaan door te beweren, dat door het rechtvaardig oordeel van God Israël niet 

waardig was het priesterschap te herstellen. De vuile kleren van de hogepriester Jozua 

werden evenwel verwisseld voor een feestgewaad. De verklaring werd er bijgevoegd, dat de 

ongerechtigheden waren weggenomen. God is immers goed en genadig. Ook Zacharias 

profeteerde hier 'van de voor ons bestemde genade' in Christus Jezus geschonken (1 Petr. 

1:10). Toen Mozes bij Meriba zondigde en zijn mond en handen instrumenten van de satan 

werden en hij de Here ten aanschouwe van de Israëlieten niet geheiligd had, was daar ook de 

satan aanwezig. In de brief van Judas krijgen we een doorkijkje in de hemelse gewesten van 

wat in Numeri gebeurde. Michaël, de Engel des Heren, is daar met de duivel in twist geraakt 

over het lichaam van Mozes. In wiens dienst stond Mozes op dit ogenblik? Dan spreekt de 

engel dezelfde woorden als hij later doet bij de hogepriester Jozua, namelijk: 'De Here 

straffe u'. Dan blijkt dat God alleen goed is, want Hij schenkt zijn Zoon om de zondeschuld 

van de gehele mensheid aan het kruis van Golgotha weg te nemen. Dit is dan het glorieuze 

begin van de strijd van het zaad der vrouw tegen dat van de slang. De straf over de duivel 

wordt eigenlijk voltrokken als zijn kop wordt vermorzeld en hij voor eeuwig aan de poel des 

vuurs wordt prijsgegeven.   


kvomens(4) kvo 48e jaargang nummer 4 april 1984 J.E.v.d.Brink 			

			m e n s e n  e n  E N G E L E N 

	d e  s l a n g  i n  h e t  p a r a d ij s 			

			Hemels en aards paradijs

Bij een poging om het paradijsverhaal te reconstrueren is het nodig om bekend te zijn met 

het evangelie van het Koninkrijk der hemelen dat Jezus predikte. In deze onzichtbare 

regionen bevinden zich de heilige en de afvallige engelen en hier treedt ook de mens binnen, 

die zich bewust met de onzienlijke wereld bezighoudt, het zij op occulte wijze, hetzij op basis 

van wedergeboorte en doop in de Heilige Geest. Onder de groeperingen van engelen zijn er 

twee die de bijbel met name noemt, namelijk de cherubs en de serafs. Ook onder hen zijn 

reine en onreine engelen. De eerste geschapen seraf was Lucifer, de morgenster. Van hem 

werd gezegd: 'In Eden waart gij, Gods hof; allerhande edelgesteente - beeld van geestelijke 

begaafdheden - overdekte u... Gij waart een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels' 

(Ez.28:13,14). Het hemelse Eden is de naam van het Koninkrijk der hemelen en de hof erin, 

het paradijs, is de naam van het Koninkrijk Gods. Het kenmerkende van het aardse leven is, 

dat de levend makende geest met de stof is verbonden. Dit leven met zijn 

voortplantingsvermogen en ontwikkelingsmogelijkheden begon in het aardse landschap 

Eden, dat een beeld was van het hemelse Eden. Daar kwamen planten om de aarde vruchtbaar 

te maken. Zij verspreidden zaad en vruchten om haar leefbaar te doen zijn voor vogels, 

vissen, landdieren en voor de mens. Het woord Eden is wellicht ontleend aan het 

Babylonisch en betekent dan steppe of vlakte. Dit gebied was zo groot, dat het gesitueerd 

werd tussen de latere gebieden als Havila in het tegenwoordige Saoudië-Arabië en Ethiopië 

(Gen.2:11-13). Verder wordt de naam Eden nog vermeld in een gebied bij Damascus 

(Ez.27:23, Jes.37: 11,13 en 2 Kon.19:12). In de Septuaginta staat in Genesis 2:8 dat God een 

'paradijs' plantte in het oosten van Eden. Dat woord heeft de betekenis van park of bos. Zo 

staat in Nehemia 2:8 dat Asaf de opziener was van het koninklijke park of paradijs 

(vert.Obbink, zie verder Pred.2:5 en Hoogl.4:13). Vanaf de hoogvlakte stroomde een rivier 

door de hof van Eden, die zich splitste in 4 bijrivieren, die Eden tot aan de grensgebieden 

bevloeiden. Ze heetten de Pison, de Gihon, de Hiddekel - een oude naam voor de Tigris - en 

de Eufraat. In die regio lokaliseert het boek Genesis het begin van het menselijk leven. Dit 

stemt overeen met de wetenschap en archeologie, die daar ook de wieg van de mensheid 

aanwijzen.

			Aantasting van het leven

Het aardse paradijs was beeld van het hemelse. God reserveerde deze lusthof voor Adam, 

nadat deze reeds als natuurlijk mens een ontwikkelingsproces achter de rug had. Hij werd 

van de rest van de aarde afgezonderd teneinde hem bij de boom des levens die in het midden 

van de hof stond, te brengen. In dit verrukkelijke park met zijn vele vruchtbomen zou Adam 

tot een geestelijk mens worden omgevormd. De val van de engelen zal wellicht in de tijd zijn 

geweest, dat dit eeuwig voornemen van God met de mens onder hen bekend werd. Lucifer 

stemde niet in met het eeuwige raadsplan van de Schepper om de mens tot een machtig 

hemelwezen te verheffen, aan wie alle engelen onderworpen zijn. Hij was de eerste van de 

schepping en wilde deze voornaamste plaats blijven behouden. Daarom werd hij de grote 

tegenstander van de mens en tevens ook van God, die zijn plan ondanks vele weerstanden ten 

uitvoer zou brengen. De satan of tegenstander was erop uit om de schepping op aarde te 

overweldigen en aan te tasten. Hij begon met het leven te verzieken. In de buurt van de boom 

des levens stond nog een schone boom, die een lust was voor de ogen. Hij tastte deze boom op 

occulte wijze in haar vrucht aan. Wanneer de mens van de vrucht van de boom des levens at, 

sprak God op een byzondere wijze tot hem. In Adam kwamen dan gedachten van eeuwig en 

onzienlijk leven op, want God had immers 'de eeuwigheidsbehoefte in zijn hart gelegd' 

(Pred. 3:11 vert.Obbink). Bij het eten van de boom der kennis van goed en kwaad opende de 

mens echter zijn hart voor de influisteringen en misleidende leugens van de boze. Alleen het 

zien van deze boom kon de mens niet tot zonde brengen. Hoever de aanraking ervan 

catastrofale gevolgen had, hing af van de overleggingen van het hart van Adam en zijn 

intenties. Om zijn doel te berijken tastte de duivel ook de dierenwereld aan, waarbij met 

name de slang wordt genoemd. Hij maakte zich meester van het 'slimste', 'schranderste', 

'sluwste' of 'listigste' - zoals de verschillende vertalingen luiden - van alle dieren des velds; 

dus van de vlakten in het land Eden. De levensgeest der slang was niet opgewassen tegen deze 

overweldiging. Dit dier werd volkomen gedemoniseerd, evenals later de kudde zwijnen 

waar het legioen duivelen indrong. Op deze wijze werd de slang door de satan 'verhoogd', 

dat wil zeggen dat zij woorden ging spreken, die niet bij haar pasten, want God had 'de eeuw 

niet in haar hart gelegd'. De boze schoof dus dit intelligente dier naar voren, terwijl hijzelf 

zich achter de slang verschool. Hij dirigeerde haar naar de boom der kennis van goed en 

kwaad. Adam en Eva hadden dus door deze infiltratie van de duivel in de boom en in de slang 

hun vijanden niet alleen in de hemelse gewesten, maar ook op de aarde in de planten- en 

dierenwereld gekregen. Na de val van Adam en Eva heeft dit verwordingsproces zich 

uiteraard versneld, daar de noodzakelijke afweer aan de zijde van de mens ontbrak. Er komen 

dan doornen, distels, gifplanten en verscheurende, giftige, onreine dieren en de 

schrikaanjagende en wetteloos uitziende monsters van de voortijd. De schepping begon al te 

zuchten voordat Adam viel, want hij moest de hof niet alleen bewerken maar ook 'bewaken'. 

			Vrienden en vijanden

Wanneer Adam vanwege een geestelijk ontwikkelingsproces zich in de hemelse gewesten 

verheffen zou, moest hij wel onderscheiding van geesten krijgen, teneinde de boze engelen te 

kunnen herkennen en te bestrijden. Hij moest weten wie daar zijn vrienden en helpers en wie 

zijn tegenstanders waren. Eden en het paradijs waren voor hem de uitbeelding van 

geestelijke realiteiten. Het hoeft ons niet te bevreemden dat de boom der kennis van goed en 

kwaad zich in de buurt van de levensboom bevond. Het spreekwoord werd ook hier 

bewaarheid, dat wanneer God een kerk bouwt, de duivel er een kapel naast zet. Na zijn val 

bleef Lucifer, de beschuttende cherub van de troon van God, zich nog in de nabijheid ervan 

ophouden. Het begin van het boek Job wijst erop dat de satan zich nog tussen 'de zonen 

Gods', de aartsengelen, bevindt om zich voor de Here te stellen. Hij was daar ook de 

tegenstander van de mens, die onder meer de godvruchtige Job verdacht maakte met de 

woorden: 'Is het om niet, dat Job God vreest?' Hij blijft dicht bij de hemelse troon tot de 

tijd aanbreekt, dat de geopenbaarde 'zonen Gods' uit de mensen hem daar weg drijven, 'want 

de aanklager van onze broeders die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is 

neergeworpen. En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het 

woord van hun getuigenis' (Openb.12:10,11). In het hemelse Eden is verder nog 'het wild 

gediert, dat niets in woen ontziet'. Deze machten der duisternis worden uitgebeeld als 

hyena's, uilen, struisvogels, 'harige bokken' of veldgeesten, wilde honden, jakhalzen, en 

verder als slangen, schorpioenen en als onrein verfoeid gevogelte (Jes. 13:21,22 en 

Openb.18:2). Zijn kennis van de hemelse gewesten had Adam moeten gebruiken om bepaalde 

dieren en planten op aarde die onder een vloek liggen, te bevrijden van de benvloeding der 

demonen. Zoals Lucifer, de hemelse cherub, zijn beschuttende taak verzaakte, zo deed Adam 

dit in het paradijs. Hoe kan de bevrijding van de zuchtende schepping plaatsvinden? Alleen 

wanneer er een scheiding gemaakt wordt tussen wat bij de schepping hoort en er niet bij 

hoort, maar deze aantast. Daarom bracht de Here God ook de dieren tot Adam, opdat hij deze 

schepselen goed zou leren kennen en hen dan zou kunnen bewaren voor de binnendringende 

vijanden. Adam kende de ware aard van de dieren, want hij gaf ze namen die bij hen pasten. 

Daarom had hij ook de afwijking die de slang vertoonde, onmiddellijk moeten herkennen. In 

het vrederijk zullen de zonen Gods de zuchtende en gedemoniseerde schepping herstellen, 

omdat zij de juiste scheiding aanbrengen en mens en dier losmaken van de macht der boze 

geesten. Dan komt de schepping door genezing en herstel in de oorspronkelijke staat, zoals 

de Schepper dit heeft bedoeld. 'Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich 

nederleggen bij het bokje... en de leeuw zal stro eten als het rund' (Jes.11:6,7). De val van 

Lucifer, de hemelvorst, was een eeuwige zaak, maar die van Adam in de natuurlijke wereld 

een tijdelijke. Daarom ontfermt God zich niet over de engelen, maar wel over het nageslacht 

van de gelovige Abraham. In het Koninkrijk der hemelen bewegen zich de goede en kwade 

engelen dooreen, evenals we dit op aarde waarnemen tussen goede en kwade mensen, of 

tussen de dieren des velds. De goede engelen hebben echter niet het minste contact met het 

kwade. De heilige engelen wachten echter op de grote zuivering in het laatste der dagen, 

wanneer na de verwijdering der onreine geesten, de vernieuwde of tweede hemel komt en zo 

de eerste hemel is voorbij gegaan. Dit gebeurt wanneer de mens Gods de hemelse gewesten 

binnentreedt. Dan ontstaat er oorlog in de hemel. Vanwege de komst van de mens wordt op 

de hemelse berg Sion de bazuin geblazen en op de heilige berg alarm gemaakt (Joël 2:1). Dan 

worden ook de heilige engelen tot de strijd opgeroepen en deze scharen zich om een 

dienstknecht van God en om het volk van God. Zo lezen we ook dat aan het einde van onze 

bedéling in een tijd van grote benauwdheid Michaël zal opstaan, de grote vorst, die de zonen 

of de leiders van het volk van God terzijde staat (Dan.12:1). Verder worden nu reeds de 

kinderen Gods die verspreid wonen, bij elkaar geroepen om als gemeente zich bewust te 

worden van hun hoge roeping in Christus. Dan worden ze tezamen aangesproken als 'heilige 

broeders, deelgenoten der hemelse roeping, en op deze wijze toegerust voor hun hemelse 

taak' (Hebr.3:1). Wanneer de zonen Gods geopenbaard worden, zullen zij tezamen met de 

heilige engelen en onder hun Hoofd Jezus Christus, zich in de strijd werpen in het hemelse 

Harmàgedon. Opnieuw zal dan de trompet worden gestoken en het krijgsgeroep van de 

aartsengel Michaël worden gehoord, opdat de verbonden legerscharen de beslissende slag 

tegen de antichrist en het beest zullen winnen. 		

			duivelse sluwheid

De voorbereidingen van de satan tot de val van de mens ging als volgt: eerst een boom, dan 

een dier en daarna de vrouw en tenslotte Adam als de verst ontwikkelde van allen en het 

verantwoordelijke hoofd van de schepping. Langs deze weg wilde hij de troon bezetten. Zoals 

God wachtte op de ontwikkeling van zijn vrouw, dus de mensheid met wie Hij gemeenschap 

hebben kon, wachtte Adam op de emancipatie van Eva. In 1 Timótheüs 2:13 staat: 'Eerst is 

Adam geformeerd', een woord dat 'kneden' ,'modelleren' of 'gestalte geven' betekent. Toen 

de vrouw er nog niet was, had Adam al een vormingsproces achter de rug. Daarom staat er: 

eerst Adam, dan Eva. ook zij moest een emancipatieproces meemaken. In het paradijs was zij 

geestelijk nog een kind-vrouw. Zij werd verleid, omdat de vrucht van de boom der kennis 

van goed en kwaad 'begeerlijk was om daardoor verstandig te worden', of 'verleidelijk om 

inzicht te verkrijgen', zodat haar ontwikkelingsproces sneller zou plaatsvinden. Zij werd een 

te vroeg rijpe vrouw. Zij meende aan Adam gelijk te worden en samen dan weer aan God. 

Inderdaad zou langs een geleidelijke ontwikkeling de mens een partner worden van God 

waarbij dan de geestelijke verschillen tussen man en vrouw volkomen wegvallen, maar dit 

zou nooit op een geforceerde wijze plaatsvinden. Om de slang hing de mysterieuze sfeer van 

de occulte aantrekkingskracht en beklemming van het dodenrijk, zoals men die bijvoorbeeld 

ook aantreft bij waarzeggerij en spiritisme. De onschuldige mens wordt door de 

bovennatuurlijke dingen gehypnotiseerd, terwijl tegelijkertijd de stem van het geweten hem 

waarschuwt dat hij de grenzen gaat overschrijden, waardoor hij het natuurlijke, spontane en 

blijde leven gaat verliezen. In dit verband spreekt Jesaja 25:7 over een sluier die alle natiën 

bedekt. De profeet Samuël noemde ongehoorzaamheid de zonde der toverij of betovering, 

waardoor men geen duidelijk zicht meer heeft op de dingen waarmee men bezig is. Het 

kennen van goed en kwaad, en het zijn als God, zal de geestelijke, gerijpte mens bereiken door zijn kennis van het goddelijke woord, door zijn liefde tot God en door de doop in diens 

Geest. Daarom waarschuwde de Here Adam ernstig: wanneer je langs een andere weg dan 

die van de boom des levens - waarvan men voortdurend eten moet - het doel wilt bereiken, 

wanneer je van elders tracht in te klimmen, wanneer je naar de stem van de vreemde 

luistert, zal je in aanraking komen met het dodenrijk. Uit de natuur van de planten en de 

dieren wist Adam wel wat sterven en dood betekende, maar dit was een biologisch 

verschijnsel. Wanneer hij echter met de duivel contact opnam, zou hij naar de innerlijke 

mens in de dood zijn en bij zijn sterven geheel in het dodenrijk worden opgenomen. Zijn ziel 

zou een wintertijd ingaan, waarbij het leven tot stilstand komt. Zo weinig kennis had de 

mens nog van de geestelijke wereld, dat Adam na de val zijn vrouw de schuld geeft en 

zijdelings ook God en niet de duivel. Eva wentelt de verantwoordelijkheid af op de slang, 

terwijl de werkelijke, onzichtbare verleider buiten schot blijft. God vernedert de slang door 

haar te bepalen bij haar natuurlijke plaats in de schepping. zonder ledematen zal zij zich al 

'kronkelende' over de grond voortbewegen. Zij zal zich nimmer meer kunnen verheffen om 

geestelijk bezig te zijn: 'Op uw buik zult gij gaan'. Ook zal zij zich met geestelijke spijze niet 

meer inlaten, maar alleen 'stof - dat is aards voedsel - zult gij eten'. Dit zal zo blijven 'zolang 

gij leeft'. Daarna houdt haar bestaan op en keert zij terug tot de aarde waaruit zij genomen 

is, zonder ooit deel te krijgen aan een onvergankelijk geestelijk leven. Dit is geen straf, want 

ook in het vrederijk zal de slang stof tot spijze hebben. Ook zij zal dan geen kwaad meer doen 

noch verderf stichten (Jes.65.25). Voortaan is echter de gevallen aartsengel met de slang 

geindentificeerd. Tot het einde toe is hij 'de draak, de oude slang, dat is de duivel en de 

satan' (Openb.20:2).

			De weg tot herstel

God spreekt tot de onzienlijke slang, de duivel, en verwittigt deze dat Hij de mens nimmer 

zou loslaten. Er is een Zaad der vrouw dat de slang de kop zal vermorzelen. In een langdurige 

strijd zal de duivel echter de hielbijter blijken, die de mens het voortgaan naar omhoog zal 

bemoeilijken. Paulus schreef het zo duidelijk: 'Opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, is mij 

een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik 

mij niet te zeer zou verheffen'. Uiteindelijk zal de duivel toch niet kunnen beletten dat de 

mens het hoge doel bereikt. Deze is van nature niet slecht, want uit hem zal het goede te 

voorschijn komen. Uit een vrouw zou een rechtvaardige en onbevlekte Zoon worden geboren 

als het Zaad der vrouw. Daarna komen nog de zonen Gods, die het hoge doel dat God met de 

mens heeft, zullen realiseren. Zij zullen met Jezus Christus in het midden des hemels op de 

troon van God zitten en als koningen met Hem regeren. Tezamen met de Boom des levens 

vormen zij het geboomte des levens aan weerszijden van de rivier van het water des levens. 

Met dit zaad der vrouw zullen deze overwinnaars zeggen: 'Wij zijn dood geweest, en zie wij 

zijn levend tot in alle eeuwigheden, en ook wij bezitten de (verdeel)sleutels van de dood en 

het dodenrijk'. Wat is de mens dat Gij hem op zulk een wijze gedenkt! De uitspraak van 

Paulus in Romeinen 5:12, dat door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door 

de zonde de dood, ziet natuurlijk niet op het sterven van dieren en planten, maar wel op de 

geestelijke dood van mensen. Daarom voegt de apostel er aan toe: 'zo is óók de dood tot alle 

mensen doorgegaan'. Het tegenhouden van de natuurlijke ontplooiing en vooral van de 

geestelijke ontwikkeling ging naar het woord des Heren direct in. God sprak dat de vrouw 

uiting zou geven aan het zuchten der schepping, wanneer zij onder smart kinderen het leven 

zou schenken. De man die altijd met vreugde de hof had bebouwd en de volle vrucht ervan 

genoten had, zou bemerken dat het leven op de aardbodem ter wille van zijn 

ongehoorzaamheid vervloekt zou zijn; dus was prijsgegeven aan de satan, de overste dezer 

wereld. Die zou hem bij het bewerken van de bodem tegenstaan, zodat de aarde doornen en 

distels zou voortbrengen en hij voor zijn moeitevolle arbeid slechts een gedeeltelijke oogst 

zou binnenhalen. In plaats van een vreugdevol leven zou de mens een moeitevol bestaan 

hebben vol kommer en kwel. Ook in de geestelijke wereld werd de ontwikkeling van de 

aangetaste en beschadigde mens onderbroken, want hij zou zijn leven, waarover de boze 

medezeggenschap had, niet eeuwig kunnen voortzetten. Daarom werd de weg naar de boom 

des levens, waar God zijn volk wilde onderwijzen, afgesloten. De heilige, beschuttende 

cherubs zouden de toegang tot het paradijs bewaken, totdat het Zaad der vrouw de claim van 

de duivel op de mens zou wegnemen, en genezing en herstel volledig hun intrede zouden doen 

in het leven van alle mensen.


kvomens(5) kvo 48e jaargang nummer 5 mei 1984 J.E.v.d.Brink 		

			mensen en ENGELEN 

		M O Z E S  e n   d e  s l a n g 	

			Vergelijkingen

Het is merkwaardig hoe de levensloop van Mozes, de middelaar van het oude verbond, 

parallel loopt met die van Jezus, de middelaar van het nieuwe verbond. Flavius Josephus 

verhaalt hoe een Egyptische waarzegger de komst van een Hebreeuwse knaap voorspelde, die 

bij het volwassen worden ver boven de Farao zou uitsteken en Egypte tot schande zou maken. 

Om dit onheil te voorkomen zou dan de vorst bevel hebben gegeven om alle Hebreeuwse 

jongetjes ogenblikkelijk na hun geboorte in de Nijl te werpen. De Joodse geschiedschrijver 

maakt onbewust deze massale uitroeiing van de Hebreeën tot een tegenhanger van de 

kindermoord in Bethlehem. In beide gevallen ging het om het ene kind, dat dan op 

wonderbare wijze wordt gered en ontkomt. Het is trouwens een typisch verschijnsel dat 

kinderen die door de Heer bestemd zijn om een leidende plaats in zijn Koninkrijk in te 

nemen, vanaf hun prille jeugd dikwijls door demonische aanvallen worden bedreigd. 

Daarom neemt God ze zo vaak uit gelovige ouders, die kennis hebben van de strijd in de 

hemelse gewesten. In Numeri 12 zegt God volgens de Septuaginta: 'Mozes is trouw in heel 

mijn huis', dus in de leiding van het volk Israël. Van Christus is geschreven dat Hij als Zoon 

trouw was over zijn huis, en dat huis zijn wij (Hebr.3:6). Door de dienst in de tabernakel 

werd uitgebeeld dat Jahweh onder zijn volk woonde. In de samenkomsten van onze 

gemeenten getuigen wij dat Christus in zijn eigen huis woont. Tezamen vormen de gelovigen 

de hemelse of onzienlijke tabernakel. De Hebreeënschrijver wijst erop dat de eer van een 

architect afhankelijk is van het bouwwerk dat hij gemaakt heeft. Zo werd bijvoorbeeld 

Michel Angelo als bouwmeester beroemd, omdat hij de maker van de Sint Pieterskerk te 

Rome was. Wij interpreteren Hebreeën 3:3 dan als volgt: omdat de hemelse tabernakel 

oneindig veel heerlijker en schoner is dan de aardse, is Christus zoveel groter dan Mozes. 

Zowel Mozes als Jezus hadden grote macht in de hemelse gewesten. Beide konden daar de 

boze geesten met autoriteit gebieden, terwijl zij terzijde werden gestaan door Michaël, de 

engel des Heren met zijn dienende geesten.
 
			De strijd van Mozes

 Achter de persoon van de Farao stond de voornaamste wereldbeheerser dezer duisternis, 

namelijk de satan. Dit wordt ons duidelijk als wij zien met welke namen Egypte en Farao in 

de geestelijke wereld waren verbonden. Egypte wordt gesymboliseerd door Rahab, een 

mythisch natuurmonster. Zijn naam betekent: onbeschaamdheid, trots of geweld. Zoals wij 

spreken over de Duitse adelaar, de Hollandse leeuw, zo was dit watermonster de dichterlijke 

naam voor Egypte. Wij vinden deze aanduiding bijvoorbeeld in Psalm 87:4 en 89:11. In 

Jesaja 30:6,7 staat een godsspraak over 'de dieren in het Zuiderland', letterlijk over Rahab, 

dat is het gruwelijke monster. Ook wordt Egypte aangeduid onder de naam leviathan, de 

snelle, kronkelende slang, het monster in de zee, waarover Jesaja 27:1 spreekt. In Ezechiël 

32:2 wordt Farao aangesproken als een zeemonster dat met zijn poten het water - in het 

Nieuwe Testament beeld van de geestelijke wereld - in beweging brengt. In hoofdstuk 29:3 

wordt Farao door deze profeet vergeleken met een machtig monster, een zeedraak, liggend 

in het midden van de Nijlarmen. Uit de religieuze inscripties te Oegarit in Noord-Syrië 

weten we hoe men zich dit monster voorstelde: 'De kronkelende slang, de machtige, met de 

zeven koppen'. Teruggrijpend naar de grote overwinning van het volk Israël bij de doortocht 

door de Rode Zee staat in Psalm 74:13,14: Gij zijt het, die de zee hebt gekliefd door uw 

kracht, de koppen der draken in het water verbrijzeld. Gij zijt het, die de koppen van de 

leviathan hebt vermorzeld'. Ook Job had te strijden tegen de leviathan, maar was niet tegen 

hem opgewassen. De Heer sprak tot Job: 'Kunt gij de leviathan (Statenvert.) , de slang 

(Septuaginta), met een vishaak optrekken? Kunt gij met hem als een vogeltje spelen? (Job 

40:20-28). Tegen dit kronkelende, gruwelijke monster met zijn wetteloze koppen had ook 

Mozes dus ten behoeve van het volk Israël te strijden, en hij overwon. Zo heeft ook Jezus 

tegen de draak gestreden en hem overwonnen ten behoeve van zijn volk. Ook denken we aan 

Openbaring 12:3 waar de zonen Gods met dezelfde macht hebben te worstelen, want 'er 

werd een ander teken in de hemel gezien, en zie, een grote rossige draak met zeven koppen'. 

Ook de zonen Gods overwinnen, zodat door hen het welbehagen Gods ten behoeve van de 

schepping kan voortgaan. De grote zege komt uiteindelijk bij de aanvang van het 

duizendjarig rijk: 'En ik zag een engel nederdalen uit de hemel, en hij greep de draak, de 

oude slang, dat is de duivel en de satan, en hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in de 

afgrond' (Openb.20:1-3). Ook wordt Egypte Cham genoemd: 'Zij vergaten God, hun 

verlosser, die grote dingen in Egypte had gedaan, wonderen in het land van Cham' 

(Ps.106:21,22). Als vertegenwoordiger van het geslacht van Sem, de drager van de naam van 

God, had Mozes strijd tegen het vervloekte zaad van Cham. Er is een tent van Sem, het 

Koninkrijk van God, en er is een tent van Cham, het koninkrijk van de satan of de slang: Hij 

sloeg alle eerstgeborenen in Egypte, de eerstelingen van hun kracht in de tenten van Cham'. 

(Ps.58:51). Bij Mozes was de sluier over het denken in verband met het Koninkrijk der 

hemelen, die alle volken - ook de meeste christenen - bedekt, grotendeels weggenomen 

(Jes.25:7). De huid van zijn gelaat straalde, maar voor zijn volk 'placht hij een bedekking 

voor zijn gelaat te dragen, opdat de kinderen Israëls geen blik zouden slaan op het einde van 

hetgeen moest verdwijnen' (2 Cor.3:12-16). Israël had immers geen geloof genoeg om te 

verstaan, dat de openbaring van God op de Sinaï slechts een tijdelijke zaak was. De 

heerlijkheid ervan was slechts een schaduw van de toekomende werkelijkheid. Mozes zelf zag 

echter wél de Onzienlijke, zoals in Hebreeën 11:27 staat, maar waarvoor wij liever met de 

Interlinear Bible in dit verband lezen: het onzienlijke. Trouwens wie de onzienlijke ziet, 

heeft ook oog voor de ganse onzienlijke wereld. De Here had het zo geleid dat Mozes zijn 

vijanden in de hemelse gewesten goed had leren kennen, want hij was 'onderwezen in álle 

wijsheid der Egyptenaren' (Hand.7:22). Hij kende de geheimwetenschappen der Egyptische 

tovenaars in al hun facetten, maar in plaats van hierdoor meegevoerd te worden en deze 

'schatten van Egypte' te vergaderen, klemde hij zich vast aan de Onzienlijke, die hij in zijn 

prille jeugd in het ouderlijk huis had leren kennen. Hij hield al die jaren aan het hof 'zijn 

blik gericht op de vergelding' en deze kwam bij het brandende braambos. Daar werd hij 

'machtig in woorden - dat is in de gedachten van God - en in werken'. Door deze kennis was 

hij bekwaam alles te maken naar het hemelse model, dat hem op de berg was getoond 

(Ex.25:40, Hand.7:44). De tabernakel op de aarde was een afbeelding en schaduw van het 

hemelse gebeuren, waarnaar het volk moest uitzien (Hebr.8:5). Mozes streed tegen het 

embleem van Egypte, de slang of de draak, die tot het onzichtbaar 'dierlijk koninkrijk' 

behoorde. Dit land komt in het Nieuwe Testament overeen met Babylon, de grote stad, die 

geestelijk genoemd wordt Egypte, waar ook onze Heer wordt gekruisigd. De geestelijke 

leidslieden in deze afvallige stad hebben 'de duivel tot vader' en ze worden aangeduid als 

'slangen en adderengebroed' (Joh.8:44, Matth.23:33). Zij moesten het volk naar het doel 

leiden, maar zij hielden zich echter alleen bezig met de dingen van de aarde.

			Bij het brandende braambos

Bij het brandende braambos had Mozes een ontmoeting met Michaël, de engel des Heren, de 

grote hemelvorst, die hem als grote zoon van zijn volk terzijde stond (Dan.12:1). Deze engel 

riep Mozes tot zich in de naam des Heren, want de naam van Jahweh is in hem (Ex.23:21). 

Voordat Mozes de bovennatuurlijke strijd begint te voeren, wordt hij erbij bepaald, dat hij 

zich hiervoor in het Koninkrijk Gods moet bevinden, op gewijde grond. Mozes, wiens 

geestelijke zintuigen geoefend waren, ervaart dan dat hij overgezet wordt op de grond des 

Heren, in tegenwoordigheid van Jahweh die Zich hier aan hem openbaart bij de berg Gods, 

Horeb (Ex.3:1-17, Jes.14:2). Hij is ter plaatse waar de Here God tot Egypte had gezegd: gij 

zijt mijn volk niet, terwijl Israël wel zijn volk werd genoemd (Rom.9:25). Mozes moet de 

schoenen van de voeten doen, want die wijzen slechts op een natuurlijke bescherming. Met 

zijn slavenvolk kan Mozes geen enkele overwinning op de Farao met zijn paarden en 

strijdwagens behalen. Hij mist 'de schoen die dreunend stamt' (Jes.9:4). Zijn strijd is 

evenwel geestelijk tegen Rahab, de leviathan, de draak of de oude slang, dat is de duivel en de 

satan. Deze staat achter de Farao en diens tovenaars en aan hem ontlenen zij hun kracht. God 

vraagt aan Mozes: 'Wat hebt gij daar in uw hand?' Het antwoord is: 'Een staf'. Deze houten 

staf was niet alleen een steun bij de wandeling, maar allereerst een teken van waardigheid 

en macht. Zo draagt de oudste of hoofd van het dorp, die daar de erfelijke heerser is, zulk een 

staf. Een sjeik wordt bijna altijd met zijn voorvaderlijke attribuut gezien. Gelijk de tak 

rechtstreeks afstammeling en vertegenwoordiger is van de oorspronkelijke boom, is de 

eigenaar van zo'n staf dit van zijn vaders huis of vertegenwoordiger van de God die hij dient. 

Het is niet zeker of de staf van Mozes de eigenlijke voorvaderlijke staf van het huis van Levi 

was. In het vervolg is herhaaldelijk sprake van de staf van Aäron. Aan hem behoorde als 

oudste zoon en als hogepriester de voorvaderlijke staf. We lezen dat Aäron zijn staf 

neerwierp voor het aangezicht van de Farao en zijn dienaren, en hij werd een slang 

(Verg.Ex.7:10,19 en 8:5). Wanneer later Mozes op de rots slaat in plaats van tot haar te 

spreken, doet hij dit met de staf die 'voor het aangezicht des Heren' was, dus met die van 

Aäron die gebloeid had, en die in de tent der samenkomst voor de ark lag (Num. 17:4 en 

20:9). In de geestelijke wereld vertegenwoordigde deze staf de God van Israël. Hij had aan 

Mozes autoriteit verleend en deze was weer tot 'god' van Aäron aangesteld (Ex.4:16). Ook de 

tovenaars van Egypte hadden ieder een staf, die hun occulte rang symboliseerde. 

Merkwaardig is dat later alle goochelaars dit magisch kenteken hebben overgenomen. In de 

Statenvertaling lezen we dan verder: 'Want een iegelijk der tovenaars wierp zijn staf neder 

en zij werden tot draken; maar Aärons staf verslond hun staven' (Ex.7:12). Hierdoor werd in 

de geestelijke wereld een einde gemaakt aan hun bediening door het officiële kenmerk ervan 

te vernietigen. Farao, die gezegd had: wie is Jahweh dat ik Hem zou gehoorzamen? zou in dit 

wonder hebben moeten opmerken dat de satan de strijd al verloren had (Ex.5:2). Bij het 

brandende braambos ontving Mozes macht over de gehele legermacht van de vijand. Hij 

mocht er niet voor vluchten zoals de vrouw in de woestijn voor de draak, maar hij was het 

type van de Zoon van God en de zonen Gods, die slangen opnemen en overmeesteren. Deze 

zonen hebben echter de strijd niet tegen vlees en bloed maar tegen de boze geesten. Mozes 

kon evenwel niet zo hoog in de hemel opklimmen. De vijanden des Heren waren voor hem de 

Egyptenaren. Hij deed de plagen opkomen en zond de boze geesten niet naar de afgrond, maar 

gebruikte ze om Egypte te teisteren. In Psalm 78:49 wordt dan op typisch oudtestamentische 

wijze meegedeeld: 'God zond zijn brandende toorn - de boze geesten - verbolgenheid en 

angstwekkende gramschap - een schare van verderfengelen'. De duivel werd de verliezer, 

omdat zijn instrumenten, de Egyptenaren, van hun kracht werden beroofd en vernietigd 

werden. In het begin van zijn optreden werd ook Jezus geconfronteerd met de duivel. Wij 

lezen dat Hij bij de wilde dieren was en dat de engelen Hem dienden. Na zijn doop in de 

Heilige Geest was onze Heer overgeplaatst naar de hemelse gewesten en toen kwam er 

oorlog in de hemel. Het verschil met Mozes was, dat Jezus zijn vijanden rechtstreeks aanviel 

en Mozes mensen sloeg met allerlei plagen. Beide spraken tot de boze: 'Laat mijn volk 

trekken'. De Here God wil immers zijn volk op eigen bodem doen wonen, op de grond des 

Heren (Jes.14:1,2). In het oude verbond was deze grond des Heren het beloofde land en in het 

nieuwe verbond het Koninkrijk der hemelen. De levensloop van Mozes kwam aanwijsbaar 

overeen met die van Jezus. Mozes wist echter wel dat zijn bediening minder was, want hij 

sprak: 'Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Here, uw God, u 

verwekken; naar Hem zult gij luisteren' (Deut.18:15). Daarom had Jezus het recht om in zijn 

grote bergrede te getuigen: 'Gij hebt gehoord, dat er gezegd is, maar Ik zeg u'. Hij is zoveel 

groter heerlijkheid waardig gekeurd naarmate zijn huis heerlijker is.


  kvomens(6) einde kvo 48e jaargang nummer 6 juni 1984 J.E.v.d.Brink

			mensen en ENGELEN 

		D e k o p e r e n s l a n g

		 Slangen in Egypte en in de woestijn

Niet alleen in Egypte maar ook in de woestijn had Mozes te strijden tegen het koninkrijk van 

de slang, dat van de duivel of de satan. In Egypte werd de slang als heilig dier vereerd en 

werd ze zelfs gemummificeerd. Door middel van magische spreuken wisten de tovenaars de 

natuurlijke slangen te onderwerpen en voor zich te winnen. Hiermee werd dan aangeduid 

dat zij in de onzienlijke wereld gezag hadden in het koninkrijk van de satan, waarvan de 

onderdanen zo veelvuldig met de onreine dieren werden vergeleken. De slang werd op deze 

wijze de beschermer van de Egyptenaren. Op het voorhoofd van de Farao was een afbeelding 

van een giftige cobra, die op bovennatuurlijke wijze de vijanden van de koning moest 

vernietigen. We zagen echter dat Farao met zijn magiërs niet bestand was tegen de macht die 

Mozes over de duistere geestenwereld had ontvangen. De koning moest het volk van God 

immers laten trekken, nadat op bevel van Mozes het rijk der duisternis zich tegen hem 

keerde. Farao was toen voor de boze een onbruikbaar instrument geworden en ten dode 

opgeschreven. Hetzelfde overkwam bijvoorbeeld later Herodes, toen deze tevergeefs Petrus 

getracht had te doden. Hij werd toen zelf rechtstreeks door een engel des verderfs geveld (zie 

handelingen 12). Toen Mozes zijn hand over de zee uitstrekte, werd Farao met zijn ruiters 

een prooi van de verderfengelen. In verband met Romeinen 1 zouden we kunnen zeggen, dat 

'God hen had prijsgegeven aan de machten met wie zij verbonden waren'. In de woestijn 

blijkt echter dat Israël nog niet verlost is van de slang. In Deuteronomium 8:15 staat dat het 

volk ging 'door een grote en vreselijke woestijn met vurige slangen en schorpioenen'. De 

bijbel heeft heel wat namen voor de talrijke variaties van de slangenfamilie, die alle beelden 

zijn van boze geesten. De vurige slangen in de woestijn zijn echter niet als een bepaald 

reptielensoort aan te wijzen. De woestijn kent wel een enkele giftige slangensoort, maar 

deze komt niet massaal voor, zodat ze als een sprinkhanenleger tot een plaag kan worden. 

Wat bedoelt de bijbel eigenlijk met vurige slangen? Letterlijk staat er het woord seraf 

(meervoud serafim) dat bijvoorbeeld in Jesaja 30:6 wordt vertaald door 'vliegende draak' 

(Nieuwe vert.), 'vurige, vliegende draak' (St.vert.), 'vliegende slang' (Leidse vert.) en 

'gevleugelde draak' (vert. Obbink). Uiteraard heeft dit woord niets te maken met de 

vliegende draak, een soort hagedis die in Indonesië voorkomt. Ook in Jesaja 14:29 lezen we 

over deze serafslangen. Er is daar een climax in de opvolging van woorden: adder, 

ratelslang, vliegende draak (Can.vert.). De profeet schildert daar het rijk der duisternis als 

een verzamelplaats van gruwelijke monsters, half dier, half demon. Het gaat over 

voortwiekende, vliegende, giftige slangen in de gestalte van mythische drakenfiguren.

			De zonde van het volk

In Egypte waren de Israëlieten overweldigd door de vijand, maar in de woestijn werden zij 

een prooi van verderfengelen vanwege hun ongeloof. In plaats van God te gehoorzamen, 

verzochten zij Hem, dat wil zeggen dat zij Hem eisen stelden. In Numeri 21:4,5 wordt ons 

beschreven hoe Israël na 38 jaren zwerven in de buurt van het beloofde land komt. De 

Edomieten versperren echter de toegangsweg voor het gehate broedervolk en dan wordt het 

volk opnieuw de woestijn in gejaagd. 'Toen zij van de berg Hor opgebroken waren in de 

richting van de schelfzee teneinde om het land Edom heen te trekken, werd het volk 

ongeduldig. En het volk sprak tegen God en tegen Mozes.: Waarom hebt gij ons uit Egypte 

gevoerd? om te sterven in de woestijn? Want er is geen brood en geen water en van deze 

flauwe spijs (manna) walgen wij'. Letterlijk staat er: 'de ziel van het volk werd kort', dat is 

driftig en giftig. Vroeger hadden ze hun negativisme nog wel eens bij Aäron kunnen spuien, 

maar die was er niet meer. Nu komt de climax van ongehoorzaamheid, want het gaat immers 

rechtstreeks tegen God en Mozes. De Leidse vertaling heeft: 'Het volk sprak onbeschoft 

tegen God en Mozes'. Gemis aan fijngevoeligheid ten opzichte van de stokoude leider is hier 

kenmerkend voor deze vleselijk gezinde rebellen. Deze geestesgesteldheid wordt de oorzaak 

van de plaag van de serafslangen, de vurige, vliegende draken. Eenmaal had God het volk 

gered uit de macht van de slang, die weigerde Israël uit Egypte te laten trekken. Hij had het 

op wonderbare wijze gespijzigd met het manna uit de hemel. Nu verachten zij zijn werk en 

goedheid. Van hen kon geschreven worden: 'Zij hebben hun tong gescherpt als een slang, 

addervergif is onder hun lippen' (Ps.104:4). Op zulke wijze twisten zij tegen de gezalfde 

knecht des Heren, tegen Mozes, de man Gods. Eeuwen later schreef Paulus waarschuwend 

tot de gemeente van het nieuwe verbond: 'Laten wij de Here niet verzoeken, zoals sommigen 

van hen deden en zij kwamen om door de slangen. En mort niet, zoals sommigen van hen 

deden, en zij kwamen om door de verderfengel. Dit is hun overkomen tot een voorbeeld voor 

ons en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen 

gekomen is' (1 Cor.10:9-11). Van dit opstandig en murmurerende volk, dat aan zijn door 

God gestelde leiders ongehoorzaam was, sprak de Here tot Samuël: 'Niet u hebben zij 

verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn. Juist zoals 

zij gedaan hebben van de dag af, dat Ik hen uit Egypte leidde, tot op de huidige dag, dat zij Mij 

hebben verlaten en andere goden gediend, zó doen zij nu ook tegen u' (1 Sam.8:7,8). Vanwege 

deze gezagscrisis kon toen van het volk worden gezegd: ' Noem het Lo-Ammi, want het is 

mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn' (Hos.1:9). 'Want niet alle die van Israël afstammen - 

ook nu niet - zijn Israël, en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham 

zijn (Rom.9:7). Het zondige Israël had zich op één lijn gesteld met Egypte, dat met de slang 

werd geïdentificeerd. Nu werd het stof niet tot luizen, maar het zand der woestijn scheen te 

worden veranderd in vergiftige, dood en verderf zaaiende slangen. Israël maaide wat het had 

gezaaid. Het had op de akker van het vlees gezaaid en het oogste uit zijn vlees verderf 

(Gal.6:8).

			Serafslangen

Paulus sprak over de verderfengel en over slangen. Deze prediker van het Koninkrijk der 

hemelen legde ogenblikkelijk verband tussen het zichtbare en onzichtbare. Het opmerkelijke 

van het woord 'seraf' dat ook in Numeri 21 gebruikt wordt, is, dat het ook een categorie 

engelen aanduidt. In het roepingsvisioen van Jesaja in hoofdstuk 6 lezen we over 

serafsengelen. De profeet ziet ze in de tempel op het ogenblik dat de dorpelposten beven, de 

deuren open gaan en voor het eerst in de heilsgeschiedenis mensen, die verzoend zijn door 

het bloed van het Lam, overgeplaatst worden in de hemelse gewesten. De serafs zijn daar 

heilige, gevleugelde engelen, die het toekomstige behoud verkondigen en vreugdevol 

uitroepen: 'Heilig, heilig, heilig, is de Heer der heerscharen, de ganse aarde is van zijn 

heerlijkheid vol'. Het woord 'seraf' betekent 'brandend'. De serafs verteren elke vijandige 

indringer die de troon van God wil benaderen, 'want onze God is een verterend vuur' voor 

de demonen, die zijn plan met de mens tegenwerken. Ook de cherubs zijn in de tempel en zij 

beschutten en bewaken de troon, hetgeen afgebeeld werd door de engelenfiguren wier 

vleugels boven de ark waren uitgespreid. Slechts een heilige natie, die gescheiden is van 

iedere boze geest en een koninklijk priesterdom dat door de zonen Gods gevormd wordt, zijn 

de rechtmatige troonpretendenten. Eenmaal was Lucifer het hoofd van de beschuttende 

engelen. Deze aartsengel viel en sleepte vele cherubs mee. Ook onder de serafs waren er die 

zijn zijde kozen. Zij bleven hun naam 'brandend' waarmaken, maar dan voortaan als 

verderfengelen. Zij ressorteren onder het koninkrijk van de satan. In Psalm 103:7 merkte 

David het geestelijke verschil op tussen Mozes en het volk Israël met de woorden: 'De Here 

maakte Mozes zijn wegen bekend, de kinderen Israëls zijn daden'. In de woestijn vielen velen 

van het volk door giftige slangebeten. Dit speelde zich allereerst af in de zichtbare wereld. 

Israël zag daarin de straffende hand van zijn God en diens verschrikkelijke daden. Maar 

Mozes kende de wegen en gedachten van God. Hij merkte op wat in de onzichtbare wereld 

afspeelde. Hij zag daar de aanval van de vurige vliegende draken op het zondige volk, dat het 

hart voor de vijand wijd had opengezet. Hun vleugels beeldden uit dat zij zich in de hemelse 

gewesten bewogen. Zij waren de wezenlijke vijanden van de Israëlieten en benutten hun kans 

vanwege de ongehoorzaamheid van het volk. Het waren hun zonden die scheiding hadden 

gemaakt tussen God en hen, zodat de vijand nu kon toeslaan. Indien Israël had geloofd in God 

en Mozes, had het kunnen heersen over deze vijanden, maar nu bezweek het vanwege zijn 

ongeloof. In het paradijsverhaal vinden we een parallel met deze woestijngebeurtenis. In de 

zichtbare wereld een schuifelende verleidende slang, en in de onzichtbare sferen de oude 

slang, de draak, dat is de satan en de duivel. Het is opvallend dat de vertalers het niet hebben 

aangedurfd het woord 'seraf' weer te geven door 'vliegende draken'. Wat moet trouwens de 

ongeestelijke lezer aan met de vurige beten van de 'boze machten in de hemelse gewesten'? 

Hij zal zich deze gedrochtelijke monsters toch altijd weer concreet in de natuurlijke wereld 

voorstellen. Wie evenwel het boek der Openbaring verstaat en dit geestelijk interpreteert, 

heeft beslist geen moeite zich voor te stellen hoe hemel en aarde op elkaar zijn afgestemd.

			De verhoogde slang 

Toen de gemeente te Corinthe op de verkeerde weg zat en door de onderlinge twisten 

verdeeld werd, schreef de apostel: 'Daarom zijn er onder u vele zwak en ziekelijk en er 

ontslapen niet weinigen. Indien wij echter onszelf beoordelen, zouden wij niet onder het 

oordeel komen' (1 Cor.11:30,31). De tweespalt veroorzaakt bressen in de muur van de stad 

Gods, vooral wanneer het volk zich tegen de door God gegeven leiders keert. In numeri 21:7 

staat: 'Daarop kwam het volk tot Mozes en zeide: Wij hebben gezondigd, want wij hebben 

tegen de Here en tegen u gesproken; bid tot de Here, dat Hij de slangen van ons wegdoe'. 

Israël zag toen het verband tussen zijn zonde en de slangen als symbool van de vijand. Jacobus 

schreef later tot de gemeente: 'Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, 

opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht 

aan verleend wordt' (Jac.5:16). De rechtvaardige Mozes kon zelf geen verlossing schenken, 

maar hij kon er bij zijn God om vragen. Deze verhoorde zijn gebed maar op andere wijze dan 

het volk zich had voorgesteld. Dit had immers gevraagd: neem de slangen weg. Het was 

alleen maar bang voor de gevolgen van de zonde. Mozes wilde echter Israël bevrijden van de 

verwekker van het kwaad, de onzichtbare slang, die de inwendige mens doodt met haar 

giftige beet. Israël moest genezen worden van zijn ongeloof en ongehoorzaamheid. In dit 

verband schreef de apostel, toen hij deze geschiedenis tot voorbeeld stelde: 'God zal met de 

verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt' (1 Cor.10:13). God 

neemt zijn volk niet uit de boze wereld weg, maar geeft het kracht om de boze te overwinnen. 

Zo werd de engel van satan niet van Paulus weggenomen, maar Gods genade, zijn Geest, was 

voldoende om hem te doen zegevieren. In de woestijn bleven de slangen woelen en woeden, 

maar God beval: 'Maak u een seraf en zet deze op een staak'. Mozes zag verder en hoger dan 

het volk, want hij was deelgenoot van een hemelse roeping. Hij was ziende het onzienlijke. 

Daarom vervaardigde hij een koperen of bronzen slang, een afbeelding naar het model dat de 

Here hem in de geest had getoond (Verg. Ex.25:40). Mozes verhoogde deze demonische seraf, 

dat betekent dat hij - in nieuwtestamentische bewoordingen - de slang openlijk 

tentoonstelde en zo over haar triomfeerde (Col.2:15). Wie van de gevolgen van de zonde 

bevrijd worden wil, moet allereerst zijn ware vijand leren kennen. Hij zal bidden: verlos mij 

van de boze, opdat de Here mij geve, zonder vreze, uit de hand mijner vijanden verlost, Hem 

te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al mijn dagen (Luc.1:74,75. Er 

was voor Israël maar één vijand, namelijk de duivel, de oude slang. Het volk moest 'van alle 

geweld of heerschappij des duivels verlost worden' (Heidelbergse Catechismus, zondag 13). 

Toen Mozes de staak met de slang oprichtte, deed hij dit met een profetische visie. Hij gaf 

getuigenis van al het lijden dat over christus zou komen en van al de heerlijkheid daarna. 

Hem werd geopenbaard dat hij niet zichzelf of zijn volk, maar ons diende (1 Petr.1:11,12). 

Het volk van God kan nooit de strijd winnen, als het niet weet tegen wie het strijden moet. 

Mozes verhoogde de slang als teken van vervloeking. God wees daarbij de enige vijand van 

de mens aan. Het geestelijk monster moest 'natuur' getrouw worden nagebootst: het 

gevlekte lichaam, de opengesperde kop, de giftige tong en de mysterieuze vleugels. Niets 

mocht aan de afbeelding ontbreken, zelfs niet de rode kleur van de 'rossige draak' zoals 

Johannes die later in zijn Openbaring beschreef. Dan gaan de vreugdeboden met het 

evangelie der heerlijkheid naar allen toe, die door de duivel zijn overweldigd. Ze roepen het 

uit: er is redding. Wie de koperen slang aanziet, mag leven. Waarom? Omdat deze aan een 

paal onbeweeglijk is 'gebonden'. Hij kan de mens niet meer aanvallen en bijten. Genas dan 

de slang de zieken, die het oog op haar hadden gericht? Neen, maar er staat: 'Zij waren de 

poorten des doods voorbij. Toen riepen zij tot de Here in hun benauwdheid, en Hij verloste 

hen uit hun angsten; Hij zond zijn woord, Hij genas hen en deed hen aan de groeve ontkomen' 

(Ps.107:19,20). In het apocriefe 'Boek der Wijsheid' lezen we iets soortgelijks: 'Want wie 

zich daartoe keerde, werd niet behouden door hetgeen hij aanschouwd had, maar door U, de 

Behouder van alles'. Want noch kruid noch pleister heeft hen genezen, maar Here, uw 

woord, hetwelk alle dingen heelt' (16:7,12 St.Vert.). Later identificeerde Jezus Christus, het 

Lam van God, Zich met de slang, toen Hij de zondeschuld der wereld op zich nam. 'Christus 

heeft ons (daar) vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er 

staat geschreven: Vervloekt is een ieder die aan het hout hangt' (Gal.3:13). 'Die zelf onze 

zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor 

de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen' (1 Petr.2:24). De 

vergiffenis van onze zondeschuld is een zaak in de onzienlijke wereld geweest. Wie gelooft, 

grijpt daar het heil, want het geloof is het bewijs - het zich toeëigenen der dingen - die men 

niet ziet (Hebr.11:1). Alleen door het geloof wordt de schuldvergeving realiteit, want 'gelijk 

Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd 

worden, opdat een ieder die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe' (Joh.3:14). 

			Nehustan

Naar men algemeen aanneemt, heeft men de koperen slang naar het beloofde land 

meegenomen. Daar kreeg het een plaatsje in de voorhof van het tempelgebouw of in de buurt 

ervan. Ongeveer 800 jaren later vinden wij deze slang terug als een uiterst heilig relikwie, 

waarvoor de pelgrims volgens de Septuaginta wierook brandden op een reukofferaltaar (2 

Kon.18:4). Volgens de rabbijnen maakte deze slang haar aanbidders onvatbaar voor ziekte en 

ouderdomsgebreken. Deze dienst stond dus op hetzelfde niveau als die van de Griekse 

Asclepios-tempels. Het escu-laapteken - een staf waar zich een slang om kronkelt - is nog 

steeds het zinnebeeld der geneesheren. Bij Jeruzalem was ook nog de 'slangensteen', of 'de 

steen Zohèleth die bij de fontein Rogel is'. Ook daar was een gewijde plaats waar Adonia 

met zijn helpers samenkwam om een paleisrevolutie te beramen (1 Kon.1:9). De godvrezende 

koning Hizkia zag hoe de 'oude' slang de tempelbezoekers tot afgoderij bracht (2 Kon.18:4). 

Wat eenmaal een heilzame uitwerking had, was tot een occult voorwerp geworden. Niet het 

geloof in het woord van God zou volgens deze pelgrims genezing hebben gegeven, maar het 

geloof in de bijzondere kracht van de slang. Daarom werd deze eeuwenoude relikwie ten 

tijde van Hizkia verachtelijk Nehustan genoemd, dat wellicht toverding of slangending 

betekent. De koning bewaarde deze afgod uit de oudheid niet als een kostbaar museumstuk, 

maar liet deze slang terwille van zijn geloof in de levende God, verpulveren en verstrooien. 

Wat bij Mozes een geestelijke zaak geweest was, was bij het vleselijke volk tot een fetisj, dat 

is een voorwerp van afgodische verering geworden. Ook dit gebeuren in de tijd van Hizkia is 

ons tot waarschuwing opgeschreven, opdat wij niet aan de tekenen en symbolen van het 

nieuwe verbond occulte waarde toeschrijven. We denken hierbij aan de crucifixen, die 

voorwerpen worden van magie, welke men tot op de dag van vandaag verbindt met 

bovennatuurlijke werkingen en meent de demonen ermee uit de gemeente te kunnen 

verdrijven. Welke magische krachten heeft men bijvoorbeeld ook niet aan het doopwater 

toegeschreven. Zo wordt geleerd dat voor een ongedoopt kind de hemel is toegesloten en na 

de besprenging met het doopwater is geopend. Ook geloven velen dat in het brood en in de 

wijn bij het avondmaal een paranormale kracht zou zitten, die ook zonder geloof werkzaam 

kan zijn. Veronderstel dat men eens het werkelijke kruis van Golgotha had gevonden. Het 

zou dan een centrum zijn geworden van pelgrimages. Verschijningen van hemelse wezens 

zouden er veelvuldig mee gepaard gaan, om maar niet te spreken van een verkoop van aflaten 

op grote schaal tot verzoening der zonden. Wat ook te denken van de eeuwenoude 

formulieren, de gecanoniseerde belijdenisgeschriften, het vasthouden en vereren van de 

vaderen en het beroep op hun geschriften. Wat ook te denken van een kerkbesef dat berust op 

een met elkaar verbonden zijn van ouder op ouder, ook al zijn ze eeuwen geleden gestorven. 

Als christenen die in de eindtijd leven, willen wij echter onze vastigheid bezitten in woord 

en Geest door een levende gemeenschap met onze verhoogde Meester die in de hemel is.

zie voor andere artikelen kvooverz.