Levend Geloof 31e jaargang nummer 337 mei 1992

Hessel Hoefnagel

De komst van de Zoon des mensen

Wat is de basis van onze verwachting?

Het belangrijkste heilsfeit, dat ons als christenen staat te wachten, betreft de komst of openbaring van Jezus Christus. Niet als 'kind in de kribbe', maar in en met zijn 'heiligen'. Deze komst betreft de hele schepping, met centraal daarin de mens.

Niet iedereen, ook niet het gros van de christenen, is zich daarvan bewust, al moet dit eigenlijk wel voor de hand liggen. In de loop van de vele eeuwen christendom is ten aanzien van de komst van de Heer een ontstellend gebrek aan inzicht opgetreden. Voornamelijk is dit het gevolg van de misleidingen door de duivel, die de uitstrooier is van het veelsoortige onkruid tussen het goede zaad, zodat dit niet optimaal tot ontwikkeling komt (Matt.13:24 e.v.).

Veel, doorgaans, goedwillende en oprechte mensen, zitten gevangen in één van de vele systemen van godsdienst. De noodzaak van persoonlijke bekering, wedergeboorte, vervulling met en leiding door de Geest van God, worden daarin niet benadrukt of als onmogelijkheid weergegeven.

Het is een grote noodzaak, dat iedere christen weet wat de uitgangspunten en het doel van het leven zijn. Het is eveneens noodzakelijk, dat men persoonlijk zuiver gebaseerd is op deze uitgangspunten en gericht op de juiste doelstelling. Het gaat niet om het 'gelijk' tegenover het 'ongelijk', zoals dat in een wederzijdse discussie naar voren kan komen, maar het gaat er om dat de 'mens Gods', dus de mens, zoals de Schepper die van oorsprong af bedoelt en waarvan onze Heer Jezus het 'prototype' is, openbaar komt.

De mens naar Gods beeld

De best bedachte benaming van kerk of groep dekt niet als vanzelfsprekend de hoogte van het geestelijke peil van de persoonlijke gelovige daarin. Het is een absolute noodzaak, dat de mens een radikale, persoonlijke beslissing neemt ten aanzien van zijn godsdienstig leven. Deze beslissing moet erop gericht zijn, dat er een ontwikkeling plaatsvindt naar het niveau waarop God de mens wil hebben. Het begin van deze ontwikkeling ligt bij de reeds genoemde wedergeboorte, welke een innerlijke verandering betekent, een totale 'vernieuwing van denkpatroon'.

De Bijbel noemt als aanduiding van deze verandering tegengestelde uitersten als dood en leven, duisternis en licht. Een bekende tekst die de noodzaak van wedergeboorte aangeeft, is Efeziërs 5 vers 14: 'Ontwaak, gij die slaapt en sta op uit de doden (letterlijk: van tussen de doden uit!) en Christus zal over u lichten'. Dit geeft de mens weer, die na de bekering in het proces van de wedergeboorte wordt 'vernieuwd' door de Geest van Christus. Een andere weg om het 'beeld van de Zoon' gelijkvormig te worden is er niet.

'Ontwaken uit de slaap' doet de mens op het horen van 'het Woord van Christus'. Dat is niet zomaar één van de vele interpretaties van de bijbelse boodschap, maar de verkondiging van datgene waar de innerlijke mens naar hunkert, namelijk 'vrede met God', dat wil zeggen: komen en blijven in de lijn van de ontwikkeling die de 'eeuwige Schepper' voor de mens heeft bedacht.

Het wezen van de mens is 'van nature' gericht op het tot ontplooiing komen van kind tot volwassene met de mogelijkheden die het leven te bieden heeft. Dit geldt niet slechts het uiterlijke leven, maar veel meer het innerlijke, dat de grenzen van het waarneembare en tastbare overschrijdt. De mens is een geestelijk wezen en hierin afgestemd op het doel van zijn Schepper, wiens beeld hij draagt. 'Beeld van God' zijn houdt in dat de mens uitdrukking geeft aan het wezen van God, die zelf geest is en een 'lichaam' zoekt in de mens. Deze waarheid is bij vele gelovigen nog geheel of gedeeltelijk bedekt, vanwege ongeïnteresseerdheid of verblinding door de vele zorgen van het aardse leven en het bedrog van aardse rijkdom (vgl.Matt.13:22 en Luk.21:34).

Het doel van de Schepper

Het doel van de Schepper is dat de mens volkomen zal zijn en tot alle goed werk volkomen toegerust (2 Tim.3:17). 'Alle goed werk' is invulling geven aan de onbegrensde potenties van God. Dat begint in het persoonlijke leven, maar zet zich voort in het volkomen 'medearbeider Gods' zijn in het tot ontwikkeling en volheid brengen van de totale schepping, inklusief alles wat nog tot openbaring moet komen. Dit geldt niet slechts de gelovige, maar is feitelijk de bestemming van ieder mens. Deze bestemming kan de mens echter alleen bereiken door vrij te komen uit de klemmende greep van innerlijke dood en onvruchtbaarheid. Dit kan alleen het evangelie ván (niet slechts óver) Jezus Christus bewerken. Daarom is het noodzakelijk dat dit gepredikt wordt, op wat voor manier dan ook.

Wanneer de mens ingaat op de roep van dit evangelie, zal hij opstaan van tussen de doden uit. Net als een pasgeboren kind zal hij intuïtief honger krijgen naar het geschikte voedsel om te groeien. Naar de mate waarin hij dit vindt, zal hij ontwikkelen tot het menszijn, zoals de Schepper dat voor ogen heeft. Over deze mens zal 'Christus' gaan 'lichten', dat wil zeggen: hij wordt als gevolg van geloof en gebed vervuld met het wezen van God. Hij is dan 'mens Gods' en bruikbaar voor het doel van God.

Enkele belangrijke aanwijzingen uit de Bijbel die in dit verband gelden, zijn:

a) Romeinen 5 vers 14: De eerste Adam (mens) is een beeld van de komende.

b) Romeinen 8 vers 29: Wie God liefhebben, zijn tevoren bestemd om het beeld van de Zoon gelijkvormig te zijn, om samen met Hem één lichaam te vormen, waarin God kan 'wonen'.

c) 1 Korinthiërs 15 vers 49: Zoals de mens in natuurlijke zin het 'beeld van de stoffelijke' Adam draagt, zo zal deze door het proces van de wedergeboorte het 'beeld van de hemelse' Adam dragen.

d) 1 Korinthiërs 11 vers 7: In het beeld van het huwelijk is de man (mens) het 'beeld van de heerlijkheid' van God en de vrouw het 'beeld en de heerlijkheid' van de ware mens, zoals God bedoelt.

e) Kolossenzen 3 vers 10: De nieuwe mens (vanwege de wedergeboorte) moet worden 'aangedaan' (verantwoordelijkheid van de mens) en 'wordt vernieuwd' (verantwoordelijkheid van God) tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper.

Vanaf de wedergeboorte moet de innerlijke mens dus als gevolg van een persoonlijke honger naar en regelmatige voeding door het Woord van God (waarbij de Bijbel een richtinggevend hulpmiddel is), opgroeien tot volwassenheid en bruikbaarheid voor het plan van God.

De schepping zucht

De apostel en profeet Paulus van Tarsen heeft een groot deel van het Nieuwe Testament van de Bijbel op zijn naam staan. Hij sprak onder andere over het zuchten en de barensnood van de hele schepping, de mens voorop (Rom.8). Dit al of niet in woorden uitgesproken verlangen naar echte vrede, dat diep verborgen in de mens aanwezig is, is ook na deze konstatering door de apostel alleen maar sterker geworden.

In de snel voortgaande tijd waarin we leven is het 'zuchten' van de schepping, niet alleen van de mens, maar ook van de dieren- en wellicht zelfs de plantenwereld, steeds meer 'hoorbaar'.

Het 'lijden van de tegenwoordige tijd' krijgt, mede door de moderne media zoals radio en televisie, een door ieder te konstateren aanzien. Dit geldt niet slechts het door oorlogen, hongersnood, verdrukking en openlijke vernedering geknechte deel van de mensheid, maar ook in de zogenoemde 'vrije' en 'rijke' wereld met haar ongekende mogelijkheden, wordt het 'zuchten' van de schepping steeds meer gehoord. Dit betreft dan niet in de eerste plaats de uiterlijke, maar veel meer de innerlijke mens.

In Lukas 21 onder andere lezen we de voorspelling van de Heer Jezus over de tijd, waarin we steeds sneller terecht komen. Hij sprak over 'radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding', ziekten, aardbevingen, hongersnoden en andere vreselijke dingen en grote tekenen van de hemel.

Dit zijn alle aanduidingen van de enorme beroering in de geestelijke wereld vanwege de toenemende invloed van duistere machten op het denken en handelen van de mens.

Omdat de mens echter als 'hoofd' van de schepping geldt, gaat deze invloed ook door naar de overige biotische en zelfs abiotische schepping, want de 'aardbodem' is als gevolg van de zondeval van de eerste mens 'vervloekt', dat wil zeggen: onder de 'leugen'-heerschappij van de duivel gekomen en daardoor aan verderf (de klaim van de Dood als 'engel van de afgrond' - Openb.9:11) onderhevig (Gen.3:17-19).

Met betrekking tot de mens sprak de Heer ook over het 'bezwijmen van vrees en angst voor de dingen die over de wereld komen', omdat de 'machten der hemelen zullen wankelen'. Dit geldt dan met name de mens, die niet geborgen is in het geloof in Jezus Christus.

De komst van de Zoon des mensen

Direkt met deze dingen samenhangend sprak de Heer Jezus over de Zoon des mensen welke diegenen, die feitelijk geen rekening houden met de Heer, zullen zien komen op, of beter gezegd in, een 'wolk, met grote macht en heerlijkheid'.

Bij het lezen over de komst van de 'Zoon des mensen' denken velen uitsluitend aan de Heer Jezus als individu. Ook denkt men dan doorgaans aan een wolk van waterdamp in de atmosfeer, waarop deze 'Zoon' dan zou komen aandrijven, alhoewel men dit niet goed kan verklaren vanwege de strijdigheden met de scheppingsorde. Dit wereldomvattend gebeuren zou dan bovendien nog opgemerkt worden door de van angst en radeloosheid verteerde ongelovige mensen, die totaal niet georiënteerd zijn op deze dingen (Luk.21:27).

De komst of openbaring van de Heer zal inderdaad 'in een wolk van getuigen' (vgl.Hebr.12:1) wereldwijd gezien worden, ook door degenen die 'Hem hebben doorstoken' en nog 'doorsteken' dus als waardeloos voor God en mensen beschouwen. De aan de (ondergaande) aarde gekluisterde mensen bedrijven vreugde over hun dood, omdat deze schijnbaar een einde brengt aan de 'pijniging' die hun waarschuwend getuigenis teweeg brengt.

In deze 'wolk' zal echter vanwege de weerkaatsing van het licht van de 'Zon der gerechtigheid' de veelkleurige 'regenboog' gezien worden als symbool van vrede, harmonie, waarheid en trouw.

Op deze wijze zal 'aller oog Hem (Jezus Christus als Hoofd van zijn totale 'Lichaam') zien'. Over de hele aarde zal deze openbaring plaatsvinden en de vijanden van God en Jezus Christus zullen haar met grote vrees en schrik zien voltrekken (vgl. Openb.1:7 en 11:12).

Tegen de ware gelovigen (en dit geldt zeker voor onze tijd) zei de Heer dat ze bij het zien (=opmerken) van de vreselijke 'tekenen der tijden', al vanaf het begin, dus wellicht nog niet in details al volop duidelijk, hun hoofden moeten 'opheffen', omdat de verlossing 'nabij' is.

Enerzijds lijden de ware gelovigen mee met de medemensen, maar tegelijkertijd verkondigen zij het Evangelie van de verlossing, dat voor alle mensen is bereid.

Als de Heer Jezus, de Christus, dus gezalfd met de Heilige Geest en met kracht, Zich openbaart, is dat nooit los van zijn 'Lichaam'. Deze 'feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen', die in de hemelen zijn 'ingeschreven' in het 'Boek des levens' en ook haar wandel 'in de hemelen' heeft, wordt op duidelijke wijze openbaar als het 'Lichaam' van God, tegelijkertijd met het Hoofd van dit Lichaam, Jezus Christus (Hebr.12:5-11,23). In dit 'Lichaam' wil de eeuwige God woning maken en zijn heerlijkheid zal in deze 'tempel' over de gehele aarde gezien worden.

De meest efficiënte manier om dit geestelijk lichaam te vormen, is de 'plaatselijke' gemeentestruktuur, waarin de mensen met elkaar optrekken. Ze zijn aan elkaar gegeven tot een 'hand en een voet', in staat elkaar te helpen en zo nodig te korrigeren of bij te sturen.

Horen en zien

De innerlijke mens, die door geloof en bekering tot nieuwe geboorte gekomen is, heeft als een pasgeboren kind behoefte aan 'redelijke, onvervalste melk' om op te groeien tot het doel van het (geestelijke) leven (1 Petr.2:2-3). Met deze 'melk' wordt het Woord van God bedoeld. Dit is redelijk dat wil zeggen: direkt aansluitend bij de innerlijke struktuur van de mens en met het verstand (rede) ook als zodanig te onderkennen. Deze 'melk' is ook onvervalst, dus zonder enige bijmenging van allerlei ge- en verboden en menselijke redeneringen, hoe goed ze ook bedoeld zijn.

De innerlijke mens is met zijn ingeschapen verstandelijke vermogens in staat informatie te ontvangen en te onderkennen als al of niet bevorderlijk voor zijn ontwikkeling. De belangrijkste ingangen om deze informatie te ontvangen, zijn het gehoor en het gezicht. Deze beide zintuigen werken sturend in de 'overleggingen van het hart'. 'Hart' is een synoniem voor 'ziel' en duidt het centrum van het mens-zijn aan. In dit centrum wordt het geloof ontwikkeld. Geloof is daarom een volkomen bij het wezen 'mens' passende eigenschap. Deze kan zowel positief als negatief tot uiting komen. In negatieve zin spreken we dan over 'ongeloof'. Dit kan ook worden weergegeven als geloven, dat iets niet waar is.

Met betrekking tot de zintuigen horen en zien in relatie met geloof lezen we in de Bijbel onder andere:

a) Wie oren heeft, die hore (o.a.Matt.11:15).

b) Ziende niet zien en horende niet horen (Matt.13:13).

c) Zie toe, wat gij hoort (o.a.Mark.4:24).

d) Het geloof is uit het gehoor en het horen door het 'Woord van Christus' (Rom.10:17).

De natuurlijke innerlijke mens, die door de zonde nog in de macht van de Dood is, heeft door deze verstandelijke vermogens dus de fundamentele mogelijkheden om tot het doel van God te komen. Voor deze mens geldt de oproep:

* 'Bekeert u', dat wil zeggen: breek radikaal met zonde en ongerechtigheid.

* 'Geloof in Jezus Christus', die de macht (klaim) van de Dood (ook over uw leven) heeft verbroken.

* 'Ontwaak, gij die slaapt en sta op van tussen de doden uit', (zoals Efeziërs 5 vers 14 gelezen kan worden vanuit de Griekse vertaling).

* 'Laat u dopen' als getuigenis van de 'wedergeboorte' van uw innerlijke mens.

* Bidt om de vervulling met de Geest van God, die de Vader geeft aan ieder, die Hem daarom vraagt.

Bij al deze van de mens uitgaande aktiviteiten staat een persoonlijk geloof centraal, terwijl de genoemde zintuigen de noodzakelijke hulpmiddelen zijn. Het gevolg van het gelovig gebed zal zijn, dat de innerlijke mens loskomt uit de 'gevangenis' en gaat leven, zoals hierboven omschreven, dagelijks zich voedend met het 'Woord van God'. Hierbij is de Bijbel een belangrijk hulpmiddel, maar de Geest van God zal ook op andere manieren tot de 'nieuwe mens' kunnen spreken. Hierbij fungeren 'gehoor' en 'gezicht', als ingangen voor het 'hart'.

Volharden

Naarmate de tijd en de ontwikkelingen daarin voortgaan, zal het belang van deze goddelijke opdracht zich meer doen gelden. Om vast te houden aan de uitgangspunten van het evangelie is daarbij allereerst nodig, dat men in het persoonlijk leven deze uitgangspunten terdege kent. Zonder bewuste daadstelling in persoonlijke bekering en breuk met uiterlijke godsdienstpatronen, die als noodzakelijk ceremonieel worden gehanteerd, is het niet mogelijk stand te houden in de 'hitte van de dag' of de 'dreiging van de nacht'.

Slechts het in de Bijbel en boven omschreven 'fundament' is de basis, van waaruit standhouden in de geestelijke strijd mogelijk is. De apostel Paulus benadrukte daarom het belang van dit fundament, zoals dit onder andere beschreven is in zijn brief aan de gemeente te Efeze (hoofdstuk 5 en 6).

Volharden is vooral van belang in geval van voortdurende tegenwerking bij het wandelen in het goede spoor. De christen zal zich bewust moeten zijn, waar deze tegenwerking vandaan komt. Heel vaak zijn hier namelijk mensen bij betrokken; mensen die soms (vaak) heel dicht bij je 'in de buurt' leven. Het kunnen mogelijk mensen zijn die deel uitmaken van je gezin, familie, werkkring of gemeente. We kunnen van onze vijand, de duivel, verwachten, dat hij juist deze mensen tracht in te schakelen voor zijn doelstelling, namelijk het verhinderen van de openbaring van het 'Lichaam van Jezus Christus'. Niet voor niets waarschuwde de apostel Petrus, dat de duivel rondgaat als een 'briesende leeuw', die zoekt om te kunnen 'verslinden' (1 Petr.5:8).

Overwinnen

Overwinnen houdt niet zozeer een prestatie in met betrekking tot de voortdurende strijd tegen de 'boze geesten in de hemelse gewesten', als wel het in volharding rekening houden met de belofte van de Heer aan zijn eerste discipelen gedaan. Hij zei tegen hen alvorens Hij van hen scheidde: 'Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld (Matt.28:20).

Deze belofte heeft alles te maken met de uitstorting van de Heilige Geest in ieder die dat gelooft en daar in vrijmoedigheid om vraagt. Alleen door deze Geest is overwinnen mogelijk. Naarmate de tijd verstrijkt en de 'voleinding der wereld' dichterbij komt, wordt ook het geloof op de proef gesteld. Hoezeer is het nodig, dat de 'lendenen omgord zijn en de lampen brandende' ook in de 'tweede en derde nachtwake' als de Heer schijnbaar vertoeft te komen (Luk.12:35 e.v.).

De 'komst des Heren is nabij!', schreef de apostel Jakobus al (5:8). Dit geldt dus zeker voor ons. En er is alle reden voor om je daarover te verblijden en met des te meer ijver voort te gaan en te overwinnen. Jezus Christus is Heer, tot eer van onze God en Vader!

 

Levend Geloof 32e jaargang nummer 354 december 1993

Blijde verwachting

EEN IMPRESSIE OVER DE VERWACHTING VAN DE HEER

In het mei-nummer 1992 van 'Levend Geloof' schreef ik een artikel met als titel 'De komst van de Zoon des mensen'.

Dit is een zeer aktueel onderwerp, waar echter nog veel vragen en soms tegengestelde meningen over bestaan. Dit artikel kan als aanvullend op het voorgaande (bovenstaande) gelezen worden, maar ook als afzonderlijk artikel.

Waar richten wij ons op

In de eerste brief van de apostel Paulus aan de Thessalonicensen schrijft deze onder andere over: - het werk van uw geloof; de inspanning van uw liefde en de volharding van de hoop, welke zichtbaar zijn voor het oog van God;

- het door God uitverkoren zijn;

- de kracht van het evangelie (heilige Geest; grote volheid);

- het met blijdschap aannemen van het Woord, ondanks verdrukking ;

- het navolgers zijn van de Heer;

- een voorbeeld voor anderen zijn;

- op God gericht geloof op grond van bekering;

- het dienstbaar zijn aan en bruikbaar zijn voor zijn levende en waarachtige God;

- het getuigenis, dat anderen van u geven;

- het uit de hemelen verwachten van zijn Zoon: die is opgewekt uít de doden (van tussen de doden uit) en die ons verlost van de komende toorn (1 Thess.1:1-10).

De komst des Heren is nabij

Wij leven meer en meer in de tijd, waarin de dingen tot ontknoping gaan komen. Op meerdere plaatsen wordt in het Nieuwe Testament gesteld, dat de komst des Heren nabij is. Als de verwachting toen al zo was, dan geldt dat zeker voor onze tijd.

Het gaat in het aangehaalde bijbelgedeelte onder andere over de komst of openbaring van de Heer. Aan de ene kant een verblijdend bericht, aan de andere kant een waarschuwing: 'de Heer komt om de dingen recht te zetten; om levenden en doden te oordelen (2 Tim.4:1).

Eerst de 'levenden', want het oordeel begint bij het 'huis Gods', dus bij degenen, die tot het 'lichaam van Christus' behoren.

Als we spreken over het 'huis Gods', moeten we niet denken aan een gebouw van hout of steen, wat ergens ter wereld wordt opgericht. De gemeente van Jezus Christus immers is de 'tempel', waarin God woont. En als we spreken over de gemeente van Jezus Christus, dan spreken we over mensen. Geen groep mensen, die uiterlijk eenzelfde 'etiket' dragen (misschien wel 'Volle Evangelie Gemeente'), maar mensen, welke innerlijk iets gemeen hebben.

Zij dragen een kenmerk dat in de hemelse gewesten waarde heeft. Dat is het kenmerk van het ware fundament. Het kenmerk dat enerzijds luidt: 'De Here kent de zijnen' en anderzijds: 'Ieder, die de naam des Heren aanroept, moet breken met de ongerechtigheid' (2 Tim.2:19).

De tempel van de levende God

Deze mensen zijn de 'levenden'! Zij léven voor God, dat wil zeggen: ze stellen zichzelf beschikbaar voor het doel van God. Dat kunnen ze ook, want ze zijn ook vervuld met de Geest van God. Zij hebben werkelijk gebroken met ongerechtigheid. Als de 'koning der ongerechtigheid' ( de duivel) een beroep op hen doet, dan vangt hij bot. Ze zijn voor hun God gekocht door het leven van Jezus Christus. Deze levenden zijn de tempel van de levende God. De apostel Petrus schreef: 'Het oordeel begint bij dit 'huis Gods'. En als het oordeel bij deze rechtvaardigen begint, wat is dan het einde van degenen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie van God? Dat zijn namelijk de 'doden', ongeacht of ze godsdienstig zijn of niet (1 Petr.4:17).

De verschijning van de Heer betreft alle mensen. Daar horen wij ook bij. Ook voor ieder van ons geldt de vraag: 'Hoe besteed ik mijn leven? Wat bewerk ik daarin? Waar richt ik me op? Waar ben ik mee bezig?

Als je zo links en rechts vraagt aan gelovigen: wat is jouw verwachting ten aanzien van de komst of openbaring van de Heer, dan krijg je verschillende antwoorden. Alleen al ten aanzien van de zichtbare kant daarvan. De wijze, waaróp de Heer als afzonderlijk individu terug komt op aarde. Hoe zal Hij er uitzien? Als weldoorvoede blanke? Als een geknechte kleurling? als eskimo? Als hongerende vluchteling? Als... (noem maar op).

Daar wil ik het echter niet over hebben. Ik wil wel stellen, dat het verwachten van de Heer slechts op een uiterlijk zichtbare manier, zeer betrekkelijk en zelfs misleidend is.

Wat centraal staat in Gods schepping

Ieder mens is, hoe dan ook, betrokken bij de openbaring, de verschijning van de Heer. Dat komt omdat je mens bent en deel uitmaakt van de schepping van God. En God heeft nog altijd zijn schepping lief. En de verschijning van de Heer staat centraal in de schepping! Het is vanuit de rechte kennis van het wezen en de bedoeling van God onmogelijk te bedenken, dat Hij zijn schepping roemloos ten onder laat gaan, als prooi van zijn vijanden, de duivel en de Dood.

Maak je er als (godsdienstig) mens daarom niet te gemakkelijk vanaf met de gedachte: ik zie wel! Ik maak me niet zo druk over die dingen. Het leven is al ingewikkeld genoeg...!

Ik denk dat, in uiterlijk aanzien, de komst van de Heer altijd anders zal zijn dan wij zouden bedenken. Wat dat betreft zullen we zeker voor (blijde) verrassingen komen te staan.

Maar als het volgens de apostelen zo belangrijk is om de Heer uit de hemelen te verwachten, dan is het evenzo belangrijk om, vanuit de openbaring door de heilige Geest, jezelf bezig te houden met de vragen:

- Hóé zal de Heer dan komen?

- Wát is het 'teken' van zijn komst?

- Wáár moet ik op letten?

Toen de Heer Jezus over de laatste dingen sprak (o.a.Matt.24; Luk.21), waren daarover nog veel vragen bij zijn discipelen en in dit opzicht hoeven wij ons niet boven hen te verheffen.

De discipelen vroegen Hem:

'Heer! Wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?'

De discipelen hunkerden ernaar, bedacht te zijn op de ontwikkelingen in de 'hemel' en deze tijdig te onderkennen (Matt.24:3).

Het antwoord van de Heer op deze vragen houdt een duidelijke waarschuwing in: 'Laat niemand u misleiden!' (vs.4).

Er zullen velen komen met een mening over mijn komst. Er zullen daardoor ook velen worden misleid. Voor degenen echter die in mij geloven geldt daarom des temeer: 'Wees waakzaam!' (vs.42). Je weet nooit op welke wijze de Heer zich in uiterlijke zin zal openbaren.

Je hoeft dat ook per definitie niet te weten. Zelfs de Zoon zelf weet niet alles betreffende de ontknopingen in de laatste tijden, wanneer de huidige (eerste) aarde en hemel voorbij zullen gaan. Dat weet alleen de Vader (vs.35-36).

Hoe zal de Heer Zich openbaren?

De komst of openbaring van de Heer zal zijn als de bliksem, zei de Heer Jezus zelf. Deze licht in een oogwenk van het ene uiterste van de zichtbare hemel tot het andere.

Zo zal in de geestelijke hemel de verschijning van de Heer zijn. Zo zal de Heer Zich openbaren in zijn heerlijkheid. In de ganse 'hemel', dus in de ervaring van alle mensen, gelovigen en ongelovigen, zal de Heer Zich manifesteren. Aller oog zal Hem zien, dus met Hem geconfronteerd worden, ook degenen die Hem doorstoken hebben of wellicht nog 'doorsteken'.

Die universele en alle tijden omvattende konfrontatie komt omdat de heerlijkheid van de Heer zich zal openbaren ín en dóór zijn 'lichaam', de ware en universele gemeente. Hij is immers het Hoofd daarvan en het 'hoofd' zal nooit verschijnen zonder het bijbehorend 'lichaam'.

Vergelijk wat dit betreft maar de natuurlijke geboorte van een kind. Bij een normale geboorte verschijnt eerst het hoofdje en dan het lichaampje er direkt mee verbonden als één geheel.

Het 'lichaam' van de Heer wordt, sinds de eerste uitstorting van de heilige Geest op de discipelen (Hand.2), toebereid door de Geest van God, zoals een baby voor de geboorte wordt toebereid in de moederschoot.

Zoals de geest, welke de Schepper in de natuurlijke mens gelegd heeft, het lichaam funktioneel maakt, zo maakt de vervulling met de Geest van God de innerlijke mens funktioneel als 'lichaam' van Christus en uiteindelijk ook als 'lichaam' van God Zelf.

De openbaring van het lichaam van Christus

De voor ons eerstvolgende fase in het proces van de zo genoemde wederkomst is de openbaring van de zonen Gods. Dit is een synoniem voor lichaam van Christus. Op de openbaring van 'zonen Gods', dus op de openbaring van het lichaam van Christus wacht de hele schepping met zuchtend (reikhalzend) verlangen (Rom.8).

Op basis van dit gegeven kan worden gesteld, dat de persoonlijke vervulling met de heilige Geest een noodzakelijke voorwaarde is om te behoren tot het 'lichaam' van de Heer. Wanneer de mens in het persoonlijk belijden deze vervulling kent, kan hij stellen: De komst van de Heer is ook míjn openbaring als wáre mens Gods en gelijkvormig aan het 'beeld' van zijn Zoon.

Het gegeven van de apostelen is dan ook, dat de Heer met verbazing zal worden aanschouwd ín zijn heiligen, dus zichtbaar zal worden in allen, die tot geloof gekomen zijn (2 Thess. 1:10). Wat je zeker moet en kunt weten is of je bij de openbaring van de Heer aan de goede kant staat. Of je niet beschaamd staat bij zijn komst. De Heer geeft bij zijn waarschuwingen een simpel voorbeeld: 'Het zal zijn als in de dagen van Noach'.

Van mannen als Henoch en Noach weten we dat ze honderden jaren! onophoudelijk hebben gepredikt met betrekking tot het oordeel dat over de wereld zou komen. Van Henoch weten we niet, of hij blijvende bekeerlingen heeft gemaakt. Van Noach evenmin behalve zijn familie, die met hem in de ark ging en zelfs van hen is niet te zeggen, of er sprake was van een persoonlijk geloof of dat ze eenvoudig naar oudtestamentische norm begrepen waren in de gelovige Noach.

Henoch en Noach predikten honderden jaren zonder een andere 'vrucht' dan de goedmoedige toelaatbaarheid en spot van de mensen.

Toch bleven deze profeten doorgaan met waarschuwen! En de mensen bleven toch maar aanhoren, eeuwen lang! Maar ze bleven ook gewoon verder leven op het oude nivo, van de ene dag in de andere! Met de gedachte: Het zal zo'n vaart niet lopen! Het zal mijn tijd wel duren! Ik leef toch goed? Waarom zou ik me op morgen richten? Ik heb genoeg aan vandaag! Wat de toekomst brenge moge, dat zal ik wel zien. De Heer (voor zover die bestaat en zich om mij bekommert) zal het wel met me maken. Hij is toch enkel goed? Nou dan!

Zal de Zoon des mensen nog geloof vinden?

De Heer vroeg Zich af of de Zoon des mensen nog geloof zou vinden, wanneer Hij komt en Zich openbaart in de wereld der mensen. Geloof in de komst van de Heer kan gemakkelijk ondergesneeuwd raken door de vele zorgvuldigheden, welke het natuurlijke leven kent. Daarom is het nodig om bij voortduring of bij vernieuwing het woord van de Heer en de apostelen ter harte te nemen: 'Wees Waakzaam!', maar anderzijds ook: 'Wees niet verontrust!'.

Naar mate de verdrukking toeneemt, hef dan je hoofd omhoog, want zijn verlossing genaakt (Luk.21).

In zijn antwoord aan de discipelen zei de Heer ook met betrekking tot degenen, die als zijn dienstknechten gelden: 'Zalig de dienstknecht, welke de Heer bij zijn komst bezig zal vinden in het geven van goed voedsel aan zijn mededienstknechten', terwijl ze daarbij wakende zijn met betrekking tot de ontwikkelingen in de (eind) tijd

De mensen in Thessalonica hadden het woord van God aanvaard. Ze hadden voor hun eigen leven de konsekwentie daarvan getrokken en zich bekeerd van de afgoden.

Afgoden zijn ver- en misleidende geesten, die zich verschuilen achter zichtbare en tastbare voorwerpen of ervaringen. Ze buigen de begeerte van de mens daar naar toe en trekken haar af van de werkelijke waarden van het leven. Let wel op: het begrip 'afgoden' heeft doorgaans te maken met alledaagse dingen.

Afgoden kenmerken zich ook, doordat ze doorlopend bevredigd moeten worden: geef! geef! (net als de twee dochters van de bloedzuiger Spr.30:15). En als ze bevredigd worden, zullen ze je nooit bedanken of belonen, maar je veeleer met een schuldgevoel opzadelen tot de volgende pressie, waar je weer aan toe moet geven.

In dienst van de ware God

Het wáre geluk en de échte vrede, die boven je verstand uitgaat, vind je alleen bij de wáre God. Deze God zochten de mensen in Thessalonica. Ze stelden zich aan Hem ten dienste.

Voor u en mij de vraag: hoe is dat bij mij? Hoe ben ik bezig God te dienen?

Laten wij ons ook ten dienste stellen van de ware God en daarbij beseffen, dat het er niet om gaat, om vanuit een plichtsgevoel of door het plegen van een bepaalde inspanning iets te presteren voor God.

Plichtsgevoel noch inspanning zijn op zich verkeerd, maar als je dit als noodzakelijk hanteert om daarmee door God te worden geaksepteerd, dan is dat onjuist. Bezig zijn voor de Heer geldt alleen maar, als het op basis van liefde gebeurt, zoals God zelf alleen op basis van liefde met de mens bezig is en evenzo de Heer Jezus.

Als je de Zoon van God uit de hemelen verwacht, doe dat dan allereerst vanuit een persoonlijke vervulling met zijn Geest! De Heer Jezus heeft dezelfde verwachting ten aanzien van jou en mij. Hij wil, dat we zijn beeld, zijn gestalte, zijn 'lichaam' zijn, waarvan Hijzelf het 'Hoofd' is. Zijn verlangen is, dat je Hem gelijkvormig wordt, dat wil zeggen: van dezelfde innerlijke struktuur en met dezelfde intenties.

Alles is mogelijk voor hen die geloven

Misschien gaat deze gedachte je te ver? Misschien denk je dat dit onmogelijk is? Laat ik je dan zeggen: niets is onmogelijk voor degenen die gelooft! En de basis voor dit gegeven vind je in niet minder dan het Woord van God.

Maar het heeft wel konsekwenties. Het vraagt een radikale houding die gebaseerd is op persóónlijk geloof en een persóónlijke inzet op grond van je persoonlijke roeping.

Tot het bereiken van het bovenstaande doel heeft de Heer Jezus zelf de schande van de vervloeking aan het kruis op Zich genomen, om ons vrij te kopen en ons weer tot onze oorspronkelijke bestemming van de Vader te brengen.

Tot eer en in naam van God de Vader, de grote Heiland en Redder, Die ons naar zijn ontferming heeft gered door het 'bad der wedergeboorte' en daarbij aansluitend de 'vernieuwing door de heilige Geest' (Tit.3:4).

God heeft onze Heer Jezus 'van tussen de doden uit' opgewekt, ook op grond van diens geloof en verwachting.

Laat dezelfde God ook kans hebben om jou zo op te wekken en je tot je heerlijke bestemming te brengen!

 

Levend Geloof 33e jaargang nummer 363 oktober 1994

De toebereiding voor de komst van de Heer

(Lees vooraf: Maleachi 3 vers 1 en 4 en 5; Lukas 8 vers 17 en Matthéüs 17 vers 1 tot en met 13).

Over de noodzakelijke verwachting van de komst des Heren heb ik reeds eerder geschreven in artikelen welke gepubliceerd werden in Levend Geloof van mei 1992 en december 1993. (zie boven). In dit artikel wil ik opnieuw benadrukken, hoe belangrijk het is dat wij in onze turbulente tijd ons persoonlijk laten voorbereiden op de komst van de Heer, vanwege de nadering van die openbaring.

De dag des Heren

De komst van de Heer Jezus wordt in de profetie van de Bijbel gerelateerd aan het begrip 'dag des Heren'. We weten dat deze aanduiding niet te maken heeft met een periode van 24 of 12 uur, maar dat dit in profetisch perspectief duidt op een bepaalde begrensde periode, waarin dingen tot ontknoping komen.

Er zijn meerdere uitspraken in de Bijbel, die erop wijzen, dat we waakzaam moeten zijn en dat de dag des Heren 'komt als een dief in de nacht'.

De Heer Jezus verweet de schriftgeleerden van het oude verbond, dat ze aan de kleuren van de natuurlijke hemel wel wisten te onderscheiden hoe het komende weerbeeld zijn zou, maar dat ze geen onderscheiding hadden voor de ontwikkelingen in de geestelijke wereld.

Die waarschuwing (laat ik niet zeggen: dat verwijt) kan ons net zo goed gelden. Ook wij moeten niet menen, dat we als vanzelfsprekend behouden zijn en dat ons in geestelijk opzicht niets kan overkomen. Dat we wel tijdig zullen worden gewaarschuwd als er iets gaat gebeuren met betrekking tot het Koninkrijk van God.

Elia en Mozes

We kennen allen denk ik wel de geschiedenis van de profeet Elia. Hoe hij ijverde voor de dienst aan Jawèh temidden van een ver afgedwaald volk, dat zich massaal voor de Baäl neerboog. Hoe koning Achab en zijn goddeloze vrouw Izebel zich gedroegen.

Hoe de ware profeten werden uitgemoord en hoe het land werd getroffen door een drie-en-een-halfjaar durende droogte.

Hoe er door middel van de profeet weer regen kwam na de afslachting van de Baälspriesters op de Karmel.

Hoe Elia daarna vluchtte en op de voeding van door een engel verstrekt voedsel veertig dagen en nachten voortging naar de berg Horeb.

Hoe hij daar weer nieuwe opdrachten kreeg van God om zijn taak te verrichten.

En hoe hij tenslotte werd opgenomen in het bijzijn van zijn opvolger Elisa (1 Kon.17-19).

Ook kennen we de geschiedenis van de godsman Mozes, die de Israëlieten uit Egypte leidde. Hoe deze eveneens op de berg Horeb rechtstreeks van God de wetten en de jaarlijkse feestindeling voor het volk Israël ontving.

We kennen het gegeven van de twee stenen tafelen, die Mozes verpletterde, toen hij, ook na veertig dagen en nachten weer in het leger van de Israëlieten kwam.

Hoe dit volk onder leiding van nota bene de hogepriester Aäron rond een eigen gemaakt gouden kalf was gaan dansen.

Hoe Mozes zich letterlijk néérwierp, maar zich tegelijk als middelaar voor het volk ópwierp tegen de brandende toorn van God.

Hoe hij daarna wéér de berg opging en na wéér 40 dagen en nachten vasten terugkeerde met nieuwe stenen tafelen en de woorden van het verbond, dat God met het volk gesloten had (Exod.32-34).

Ijver voor God

Als we deze dingen lezen, dan merken we bij Mozes als bij Elia een grote ijver voor God. Geen slaafse ijver, maar een ijver, gebaseerd op:

- Kennis en openbaring over het doel van God.

- Liefde ten aanzien van die doelstelling.

Deze zelfde kenmerken droeg ook indertijd Abraham, die bereid was zelfs zijn eigen zoon te offeren, omdat hij meende, dat God dat wilde. Hoe deze godsman overwoog, dat God hem zelfs zijn zoon weer uit de doden zou teruggeven, gegeven de beloften, welke aan dit kind waren verbonden.

De Heer Jezus ging met drie van zijn discipelen (Petrus, Johannes en Jakobus) een hoge berg op, naar een eenzame plaats. Dat was zes dagen, nadat Hij de satan had bestraft, die Hem middels Petrus wilde verhinderen om te lijden en te sterven.

Daar op die berg werd de Heer veranderd in zijn gedaante en verschenen Hem de beide genoemde godsmannen uit het verleden. Het is opmerkelijk dat deze beide mannen, Mozes en Elia, niet gestorven zijn zoals de andere mensen, maar dat ze rechtstreeks in heerlijkheid werden opgenomen.

We kennen in de Bijbel drie mensen, waarvan bekend is, dat ze niet 'normaal' zijn gestorven, namelijk Henoch, Mozes en Elia. Van Henoch is ons verder niet veel meer bekend, dan dat het eveneens een profeet was, die de mensen waarschuwde voor het komende oordeel (Judas:14,15).

Op de hoogte

Mozes en Elia spraken met de Heer, staat er eenvoudig. In Lukas 9 staat dat ze met de Heer spraken over diens 'uitgang', die Hij te Jeruzalem zou volbrengen.

Let op! Mozes en Elia waren dus op de hoogte van de dingen, die zouden komen. Hoe kunnen ze dat anders geweten hebben, dan door dezelfde Geest als waardoor de Heer Jezus op de dingen was voorbereid.

Mozes en Elia en ook de andere profeten, waren in hun tijd reeds gericht op de noodzakelijke bloedstorting terwille van de zonde der wereld. Een bloedstorting, maar niet van stieren en bokken, zoals de dagelijkse praktijk was.

Deze beide godsmannen spraken ontegenzeggelijk niet alleen over het komende sterven van de Heer, maar we kunnen zeker stellen, dat ze ook over zijn opstanding van tussen de doden uit gesproken hebben.

Ook een profeet als Abraham geloofde in de kracht van de opstanding, toen hij zijn zoon wilde offeren. Hij overwoog namelijk, dat God bij machte was zijn kind zelfs van tussen de doden uit op te wekken (lees Hebr.11:17-19).

Ook de Heer Jezus sprak van tijd tot tijd tegen zijn discipelen over zijn sterven, maar ook over zijn opstanding. De discipelen begrepen dat nog niet, hoewel ze wel geloofden wat de Heer zei.

Zo begrijpen wij ook nog niet tenvolle wat ons te wachten staat bij de openbaring van de Heer.

Het begrip 'wolk'

Bij de 'verheerlijking op de berg' is er ook sprake van een (lichtende wolk), die hen overschaduwde en een stem uit die wolk, die bij herhaling bevestigde: 'Deze is mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb, hoort naar Hem'. Dat is dus duidelijk de stem van God zelf.

Over het begrip 'wolk' wordt meermalen gesproken in verband met de 'heerlijkheid van God'. Denk maar aan de aanwezigheid en verschijning van de Here God temidden van het volk Israël in de woestijn. We kennen het begrip 'wolk-' en 'vuur'kolom boven het binnenste heiligdom van de tabernakel, welke aangaf of het volk moest trekken of legeren. Ook in de visioenen, die de profeten in Israël kregen, was meerdere keren sprake van een wolk of wolken bij visioenen, welke ze kregen.

Toen Salomo de eerste tempel inwijdde, vervulde ook een wolk het huis des Heren (1 Kon.8:10). De profeet Daniël zag 'iemand als een mensenzoon, komende met een wolk'.

En ook de Heer Jezus sprak in zijn 'eindtijdrede' over de 'Zoon des mensen', komende op een wolk (Matt.24:30; 26:64).

In de Hebreeënbrief is sprake van een 'grote wolk van getuigen' rondom ons.

In het boek 'Openbaring' wordt ook weer gesproken over de komst 'met de wolken' van de Heer, hetwelk voor ieder zichtbaar zal zijn (1:7). Ook over 'een nederdalende engel, bekleed met een wolk' (10:1) en over een 'witte wolk, met daarop een zoon des mensen', welke de 'oogst der aarde' uitvoert (14:14-16).

Bij het afdalen van de berg komt dan de vraag van de discipelen met betrekking tot Elia, voordat de Heer uit de doden zou zijn opgestaan en het antwoord van de Heer over Elia, die zal komen, maar ook al gekomen is, maar niet is erkend door de godsdienstige massa.

Geen inzicht

De massa van het zogenoemde volk van God had geen inzicht in de ontwikkelingen in de geestelijke wereld. De prediking en het onderricht sprak over de profeet Elia, die komen zou. Dat stond immers in de profetie van Maleachie. De 'bode voor mijn aangezicht' alvorens de Heer 'tot zijn tempel zou komen' en wel vóór de 'grote doorluchtige dag des Heren'.

De Heer doelde duidelijk op Johannes de Doper, toen Hij over de gekomen Elia sprak.

(Ik las onlangs in een krant een artikel over een vrouwelijke Gereformeerde predikant, die het 'Nieuwetijdsdenken' (New Age) en ook de reïnkarnatiegedachte onderschreef. Onder ander haalde ze het gegeven van Elia en Johannes de Doper aan, waarbij dan Johannes de op een hoger ontwikkeld peil funktionerende en naar haar gedachte wel de gereïnkarneerde profeet Elia van weleer zou kunnen zijn. Je zult maar zo'n leraar hebben!)

Reden te meer voor ons om zelf 'de waarheid te verstaan'!

De Heer sprak ook over de kómende Elia, die alles zou herstellen. Met name voor ons is het goed, om te begrijpen, wat de Heer daarmee bedoelt.

Ik heb al geschreven dat wij in een geestelijk turbulente tijd leven. Ook wij staan voor ontwikkelingen, die alles te maken hebben met de profetie van Maleachi en de anderen.

De tempel des Heren

Zeker voor ons geldt dat de Heer bezig is om tot zijn tempel te komen. Daarom is het noodzakelijk te weten:

a. Wat is de tempel?

b. Hoor ik bij die tempel?

c. Wanneer begint de 'geduchte dag des Heren', brandend als een oven of is mogelijk die dag al begonnen (4:1)?

De vorming van de 'tempel des Heren' is volop aan de gang. We leven in de tijd van de 'late regen', die het koren rijp maakt voor het brengen in de schuur, waarbij het van het kaf wordt gescheiden.

De Geest van onze God is de 'Elia, die naar het woord van onze Heer zou komen om zijn 'tempel' klaar te maken.

Voor u en mij geldt: gaan deze dingen aan mij voorbij of ben ik er volop bij betrokken.

Houd er rekening mee, dat het behoren tot het 'lichaam van Christus' niet kan zonder de vervulling met de Geest van Christus.

Houd er ook rekening mee, dat deze Geest niet kan samenwonen met allerlei andere geesten.

Laat je toebereiden

Laat je daarom toebereiden om wezenlijk tot het 'lichaam van zonen Gods' te behoren. Op de openbaring daarvan wacht niet voor niets de hele schepping met centraal daarin de mens. En ook wij, die de Geest van God al ontvangen hebben, zuchten mee in de verwachting van het zoonschap (Rom.8).

De wetteloosheid in de wereld neemt zienderogen toe. De ordenende wereldgeesten wankelen en kunnen op vele plaatsen al geen stand meer houden om de zaak in toom te houden.

De geest van de antichrist vervult in snel tempo het denken en handelen van de massamens.

Maar tegelijkertijd worden we bemoedigd. Als de duisternis toeneemt, is de komst of openbaring van de Heer nabij. De ware 'Elia' is volop bezig om deze openbaring te bewerken.

Johannes de Doper was de wegbereider voor de eerste komst van de Heer. De Geest van onze God is de weg- en toebereider voor de 'wederkomst' van de Heer. En Hij doet zijn werk met inschakeling van mensen. Bent u daar ook bij?

 

Levend Geloof 34e jaargang nummer 366 januari 1995

Tijden en gelegenheden in de openbaring

van Jezus Christus

In de Bijbel is de zogenoemde (weder)komst van de Heer Jezus een belangrijk gegeven. Het is daarom voor ons als christenen ook belangrijk de tekenen, die daarop wijzen, te (leren) onderkennen.

Zo is er op meerdere plaatsen in de Bijbel sprake van het begrip tijden en gelegenheden.

In een tweetal aansluitende artikelen wil ik nader ingaan op het bovengenoemde begrip. In het volgende artikel wil ik dan stilstaan bij één van de visioenen van de apostel Johannes, die hij op het eiland Patmos kreeg in het kader van de openbaring van Jezus Christus. Het gaat dan om het visioen van de 'vrouw', het 'kind' en de 'draak' (Openb.12).

Net voor zijn hemelvaart antwoordde de Heer op een vraag van zijn discipelen, dat het niet hun zaak was de tijden en gelegenheden te kennen, waarover de Vader de beschikking aan Zich heeft gehouden.

Er zijn punten in de openbaring van het plan van God, welke zelfs de Zoon niet weet, laat staan de engelen en andere mensen.

De les van de vijgeboom

In hetzelfde verband, waarin de Heer dit stelde, gaf Hij echter ook de les van de vijgeboom door, een boom welke iedereen in Israël kende. Het week worden van de twijgen en het uitspruiten van de bladeren was een teken, dat de zomer in aantocht was.

Zo is het voor de christen vandaag nodig te weten, dat er dingen staan te gebeuren, welke van eminent belang zijn. Dingen welke gedirigeerd worden vanuit de geestelijke wereld, maar op aarde hun weerslag hebben in allerlei gebeurtenissen, welke de samenleving betreffen en waar de mens geheel bij betrokken is (Hand.1:7; Matt.24:32-33).

Als de Heer Jezus Christus Zich openbaart, dan doet Hij dat in en met zijn gemeente of 'lichaam'. Dit 'lichaam van Christus' is de 'ware gemeente' en ontwikkelt zich nu nog in het verborgene. Een schaduwbeeld daarvan is een baby in de moederschoot. Die vrucht kent al voor het geboren wordt een periode van groei en ontwikkeling en komt pas in een zekere 'volheid van tijd' tevoorschijn. De moeders onder ons spreken dan over het 'uitgerekend' zijn. Onder normale omstandigheden is dat een vaste periode van 9 maanden, die dus min of meer bekend is en waar in de voorbereidingen rekening mee moet worden gehouden.

Uit de Bijbel weten we dat onze Heer Jezus ook in een 'volheid van tijd' werd geopenbaard als 'Zoon Gods'. Hij werd net als ieder ander mens geboren uit een vrouw. Ook werd Hij geboren onder de bepalingen van de wet van het toen geldende Verbond van God met het volk der Joden. Hij werd vervolgens als volwassen mens uitgezonden met als opdracht en doelstelling om innerlijke vrijheid te bewerken voor de godsdienstige mensen, welke onder de claim van de genoemde wet lagen. Zo zou het 'zoonschap Gods' verder worden uitgebouwd en zou uiteindelijk de mens naar Gods oorspronkelijke bedoeling tevoorschijn komen (Gal.4:4-5).

Een nieuwe volheid van tijd

Ook wij als kinderen Gods leven toe naar een nieuwe volheid van tijd. Niet slechts in de zin van de geschiedenis, maar naar bijbels perspektief. Vele tekenen om ons heen wijzen daar op, hoewel niet ieder deze opmerkt vanwege de vele afleidingen. Vele (christen)-ogen zijn bewust of onbewust toegesloten voor de ontwikkelingen, welke de openbaring van de Heer markeren.

Op deze tekenen wees de Heer Jezus al in zijn profetische eindtijdbeschouwing kort voordat Hijzelf de 'volheid van Gods tijd' inging. Voor Hem was het duidelijk, dat Hij een lichaam had gekregen, waarin Hij de zonde van de wereld zou dragen en zou 'sterven', dat wil zeggen geconfronteerd worden met de sterke macht, uit wiens 'dodelijke greep' niemand kon ontsnappen. Hij zou vrijwillig sterven in de plaats van alle mensen, die daartoe gedoemd waren en nog zouden worden vanwege de zondeval van de eerste mens en diens nageslacht. Ik geloof dat we het begrip 'volheid van tijd' daarom allereerst moeten bezien vanuit het eeuwige plan van God en niet als een kalendergegeven. Onze God hanteert een bepaalde 'tijdplanning' met betrekking tot zijn 'eeuwig voornemen' aangaande alle dingen.

Voor de eerste discipelen van de Heer na diens opstanding gold, dat ze zich moesten richten op de vervulling met de Geest van God. Dat geldt echter nog net zo voor ons. Zonder de vervulling met de Geest van God gaat het interpreteren van waarheden Gods al bijvoorbaat fout. We zien daar in ons kerkelijk Nederland, maar ook elders, de nodige gevolgen van. Hoevelen zitten niet vastgeroest in een door menselijke interpretatie bepaald godsdienstig systeem, soms met akseptabel en aantrekkelijk etiket.

Hoevelen met op zich een goed ogend of klinkend 'etiket' worden ook nu niet in hun denken scheefgetrokken en gericht op de dingen van deze wereld, in plaats van gericht te zijn op de 'dingen Gods'. De veroorzaker daarvan werd door de Heer in alle duidelijkheid ontmaskerd, ondanks dat daar een geliefde discipel bij betrokken was (vgl. Matt.16:22-23).

Gods eeuwig voornemen

De Heer Jezus sprak vóór zijn heengaan met zijn discipelen over 'tijden en gelegenheden'. 'Het is niet uw zaak om de tijden en gelegenheden te weten waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft'. Wat jullie moeten doen is wachten op de vervulling met de Geest van de Vader, die Ik zal zenden. Door deze Geest zullen jullie op de juiste manier kunnen getuigen over en van Mij in de hele wereld

(Hand.1:7-8).

Ook wij moeten ons niet bezig houden met dingen, die niet door Gods Geest worden geïnspireerd en geleid. Onze God heeft een plan en zal dat geheel voltrekken naar zijn eeuwig voornemen. Hijzelf heeft in zijn eeuwig raadsbesluit de 'tijden en gelegenheden', langs welke de voltooiing daarvan plaatsvindt, bepaald. In dat verband had de Heer al eerder tijdens zijn genoemde profetische beschouwingen gezegd: 'Van de dag en het uur, waarin de Zoon des mensen Zich zal openbaren, weet niemand. De mensen niet, de engelen niet, maar de Vader alleen' (Matt.24:36). Voor de eerste Zoon en daarmee ook voor de overige zonen geldt slechts gehoorzaamheid op het juiste, door de Geest geleide en geïnspireerde moment, zodat de vervulling van de 'tijden en gelegenheden' kan plaats vinden.

Wij, als volgelingen van de Heer Jezus, moeten dus rekening houden met een herhaling van het begrip 'volheid van tijd'.

Eenmaal zullen wij via deze ontwikkeling deel verkrijgen aan de volheid Gods, waaruit wij ook nu al veel hebben ontvangen (Joh.1:16; Kol.2:10).

Ook de vijanden van God en mens, de duivel en zijn engelen, worden noodgedwongen gekonfronteerd met de 'volheden van de tijd'. Zij omdat zij daar geheel bij betrokken zijn met het oog op hun eeuwige verwerping ver van het aangezicht des Heren. Zij beleven dit daarom in een ongekende angst.

In Mattheüs 8 lezen we in dit verband van twee zeer gevaarlijke bezetenen, die de Heer Jezus uit de grafsteden tegemoet komen en Hem bedreigen. De boze geesten , welke hen bezet houden, zijn radeloos van angst voor de konfrontatie met de ware mens en smeken Hem om hen niet vóórtijdig te pijnigen door hen uit te drijven en in de 'gevangenis' te werpen, waar ze tot nietsdoen gedoemd zijn en alleen maar moeten wachten op hun eeuwige veroordeling. 'Laat ons alstublieft in die zwijnen varen', is hun verzoek (vs.28-34). Ook hun overste, de duivel, weet dat hij maar een korte tijd heeft. Daarom gaat hij al briesend rond, zoekende wie hij zou kunnen verslinden

(1 Petr. 5:8; Openb.12:12).

Verstaan wij de tijd waarin wij leven?

De Heer Jezus kende dus naar zijn eigen zeggen niet de exakte tijd van zijn en dus ook ónze openbaring in heerlijkheid. Ook voor ons geldt namelijk de 'heerlijkheid van de Zoon des mensen', omdat we Hem toebehoren en 'één lichaam en geest' met Hem zijn.

Hoewel Hij dus niet exakt op de hoogte was, hield onze Heer echter terdege rekening met de tijden en gelegenheden, waarbinnen het Koninkrijk van zijn Vader zich met kracht zou openbaren in de wereld van de mens. Hij wist door een nauwgezette afstemming op de Geest van de Vader ook zijn eigen plaats daarin. Daartoe ervoer Hij namelijk voortdurend de strijd in de hemelse gewesten tegen de boze geesten, die sidderen bij de gedachte aan de openbaring van de mens in het voornemen van God. Ook de apostel Paulus ging er van uit dat de gelovigen 'de tijd', waarin ze verkeren, verstaan: 'Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij dan toen we pas tot geloof waren gekomen. De nacht is ver gevorderd; de dag is nabij! Laten we daarom afleggen de werken der duisternis en aandoen de wapenen des lichts...Doet de Heer Jezus Christus aan en wijdt geen zorg aan het vlees, zodat begeerten worden opgewekt' (Rom.8).

Voor ons, die leven in de tijd van het einde, geldt de opwekking, dat we de Heer Jezus moeten aandoen. Dat we ons zódoende daadwerkelijk bekleden met de 'mantel der gerechtigheid' en dat we onze voeten schoeien met 'bereidheid voor het evangelie'. Dat we weerstand bieden in de 'boze dag' en dat we de taak, waartoe we geroepen zijn, geheel vervullen. Dat we onze roeping waardig zullen zijn en dat we zullen onderscheiden waarop het aankomt.

We leven in de 'laatste dagen'. Daarvoor waarschuwde de apostel Paulus ons al, dat dit in zekere zin 'zware tijden' zullen zijn en we merken het aan alles om ons heen dat dit proces inmiddels blijkbaar aan de gang is en zich uit op allerlei wijze en met name door het negatieve gedrag van mensen heen

(1 Tim.3).

De openbaring van het lichaam van Christus

Maar in deze volheid van tijd openbaart zich daarentegen ook het 'lichaam van Christus' als zijn ware en wereldwijde gemeente. Het 'Hoofd' van deze 'mannelijke zoon' (Openb.12) is reeds tevoorschijn gekomen uit de baarmoeder of moederschoot van de 'vrouw'.

Het begrip 'vrouw' doelt in de profetie van de Bijbel op de gelovige (éérste) mensheid, welke nog steeds bezig is uit de eerste Adam voort te komen en zich op aarde manifesteert in een veelvoud van godsdienstige vormen.

Binnen deze 'eerste' mensheid creëerde de Schepper een éerste volk als zijn eigendom. Dit volk draagt in overdrachtelijke zin eveneens de aanduiding 'vrouw'. Uit dit volk en daarmee uit de éérste mensheid bracht de Schepper in een volheid van tijd de Messias of Christus voort. Deze werd reeds aan Eva en Adam beloofd als de Eérsteling van de door de Schepper bedoelde níeuwe schepping. Deze zou voortkomen uit de oude schepping, zoals de nieuwe generatie mens, dier en plant ontstaat vanuit het oude. Het feit van de zondeval heeft aan dit principe niets afgedaan.

De benaming christus of gezalfde duidt uiteindelijk op de gehele mensheid, welke vervuld zal zijn met Geest of het wezen van God. De aanduiding 'eersteling' geeft immers al aan dat, naar de bedoeling van de Schepper, deze zalving niet slechts een enkeling zou gelden, maar dat velen met deze Geest vervuld zouden worden.

Het hemelse en het aardse Jeruzalem

Sinds de openbaring van de Eersteling is ook de rest van het lichaam, wat bij dit 'Hoofd' hoort en er één geheel mee is, bezig zich uit dezelfde moederschoot van de eerste mens te openbaren. Paulus noemt dit de openbaring van 'vele zonen Gods'. Hij stelt in dit verband de aanduiding 'moeder' als benaming voor het 'hemels Jeruzalem' dat wordt gevormd door de vele rechtvaardigen uit de eerste mensheid. Deze zijn niet meer gevangen in aardse wetten en voorschriften.

Dit hemelse Jeruzalem heeft deel aan de innerlijke vrijheid, welke tot de heerlijkheid van het zóónschap leidt. Het staat tegenover het 'áárdse Jeruzalem', dat (nog steeds) met háár kinderen in (godsdienstige) slavernij verkeert (Gal.4:21-26).

De 'kinderen' van het aardse Jeruzalem als 'vrouw van God' betreft de rechtvaardigen van het oude verbond. Uit deze 'vrouw' werd in de volheid van de tijd de éérste Zoon van God geopenbaard. Deze werd naar de bedoeling van de Vader geboren onder de wet, welke bij dit volk hoort, zodat allen die onder deze wet leven, daarvan vrijgekocht zouden kunnen worden om deel te krijgen aan het recht op zoonschap, dat in feite voor ieder mens geldt.

De voortgang van Gods plan

Sinds de openbaring van de 'Eersteling' vanuit de 'eerste vrouw' worden inmiddels 'vele zonen' als een hecht lichaam tot openbaring gebracht vanuit deze zelfde moederschoot. Deze zonen zijn net als de Eersteling vrij van godsdienstige wetten en regels. Zij openbaren vanuit hun (weder)geboorte het vanaf het begin bedoelde zoonschap van God tot bevrijding en herstel van de gehele geknechte mensheid (Gal. 4:4-5).

Het begrip 'volheid van tijd' houdt daarom veel meer in dan alleen maar een aanduiding van een punt in de geschiedenis. Het is een aanduiding van de voortgang in het plan van God, dat zich vanaf het begin in een vastomlijnd kader voltrekt en dat gedragen wordt door het onwrikbare geloof van onze God. En in dat 'eeuwig voornemen' van God past de openbaring van onze Heer Jezus Christus, tezamen met zijn 'lichaam', de gemeente. Niet één of andere plaatselijke, maar de universele gemeente uit alle talen, volken, stammen en natieën. Het begrip 'volheid van tijd' heeft daarom alles te maken met de openbaring van het eeuwige plan van God en vooral de openbaring van de ware mens daarin.

 

Levend Geloof 34e jaargang nummer 367 februari 1995

Het visioen van de vrouw , het kind en de draak

Wat houdt de toekomst des Heren in?

Onze vertalingen van de Bijbel spreken veelal over 'de kómst des Heren', maar het Griekse woord parousia betekent vooral het tegenwoordig zijn van de Heer in de levens van de zijnen. De komst des Heren houdt dus in zijn tegenwoordigheid ín zijn volk. Daarom moeten wij Hem in zijn openbaring niet slechts als een individu beschouwen in de betekenis zoals Hij vroeger tegenwoordig was op aarde, maar Hem altijd in zijn verschijning zien in nauwe relatie tot de zijnen.

Principe: Als de Heer niet innerlijk tegenwoordig is, kan Hij zich ook niet uiterlijk openbaren. Net zo min als dat een baby geboren kan worden als het niet in de moederschoot aanwezig is.

Naar het uiterlijk beschouwd wordt het 'lichaam van Christus' nog bedekt door een veelheid van verschillende opvattingen en even zo vele institutionele vormen (kerken en gemeenten) en meer populaire vormen (groepen en kringen). Ieder met een eigen interpretatie ten aanzien van de bijbelse uitgangspunten, welke echter vaak een drempel, of misschien wel dichte deur vormen voor anderen. De Heer Jezus heeft Zich eenmaal na zijn overwinning over 'zonde en dood' naar goddelijk recht gezet 'aan de rechterhand van de Majesteit in de hemelen'. Vanuit die positie stort (overvloed!) Hij de Geest van God nog steeds uit over (in) degenen, die Hem willen volgen, waar Hij ook heengegaan is.

Het 'lichaam van Christus' ofwel de ware gemeente van Jezus Christus is bezig in de verborgenheid vorm en gestalte te krijgen en zal spoedig 'geboren' worden en zich wereldwijd openbaren. In dat kader moeten we net als onze Heer zelf deed, acht geven op de tekenen der tijden (zie vorig artikel).

De pijn van de vrouw

De 'vrouw' uit Openbaring 12, waartoe we allemaal als gelovigen behoren, is verregaand in verwachting en in pijn om haar kind voort te brengen. Het begrip 'vrouw' moet echter reëel gemaakt worden en niet een wazige zaak blijven. De pijn van deze 'vrouw' betreft een ieder, die zich bewust uitstrekt naar het openbaar worden als zóón Gods, in plaats te blijven steken in het zo argeloos en dierbaar schijnende kínd van God zijn. De pijn om te baren, dus het te voorschijn komen als 'zoon van God', is er:

- vanwege de omstandigheden waar in de vrouw verkeert en

- vanwege de vaak door lieve medemensen heenwerkende bedreiging door de draak (duivel en satan).

De duivel staat vanaf het begin tot heden vóór de 'vrouw', dus voor ieder kind van God, dat zich uitstrekt naar zóónschap.

De duivel kan de openbaring van dat zoonschap bij het kind van God, dat tegen verdrukking en benauwdheid in gehoorzaam blijft aan de doelstelling van God, niet beletten, evenmin als hij de geboorte en openbaring van Jezus kon beletten. Daarom weet satan niets anders te doen, dan met argusogen klaar te staan om zodra het 'kind' geboren wordt, dus als de zóón in het kind van God Zich openbaart, dit te verslinden.

De angst van de duivel

De duivel en zijn engelen hebben namelijk grote angst voor de openbaring van dit 'kind'. Zij weten namelijk, dat als het kind van God door de vervulling met de Geest van God tot de volkomenheid komt als de mens, die God van oorsprong bedoelt, dit voor hen een pijniging betekent, welke uitloopt op eeuwige verwerping in de 'poel des vuurs'.

De 'overste van de macht der lucht' siddert voor het zich openbarende 'zaad van de vrouw'. Hij kent nog deksels goed de vloek van de Almachtige, welke eens over hem werd uitgesproken en ook kent hij nog zeer goed de belofte die aan de vrouw en haar zaad werd gegeven (Gen.3:15).

Ook weet de duivel nog als de dag van gisteren, hoe hij ontmaskerd en vernederd werd door de Eersteling van het 'zaad' van de vrouw, toen deze als 'Zoon des mensen' aan het kruis hing. Ondanks al zijn zeer felle en door angst geïnspireerde aanvallen kreeg hij daar de éérste klap, welke zijn ondergang inluidde. Vanwege deze klap is hij niet meer de 'overste van de wereld' en is hij de heerschappij in de hemelse gewesten kwijt geraakt, behalve over zijn eigen boze geesten.

Hij siddert daarom temeer voor de aanstaande openbaring van de rest van het 'zaad der vrouw' dat in vervolg op die eerste klap hem volledig zal ontmaskeren en m.b.v. de goede engelen uit de hemel zal stoten, zoals de Heer Jezus al profeteerde, toen Hij zijn discipelen had uitgezonden: 'IK zag de satan uit de hemel vallen. Zie Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand en niets zal u enig kwaad doen' (Luk.10:17-19).

De duivel weet dat hij een korte tijd heeft. Hij zoekt daarom waar mogelijk de mens naar diens innerlijk te verslinden om zo de openbaring van de vele 'zonen Gods' op aarde als 'lichaam van Christus' te verhinderen. Hij zoekt daartoe in de wereld van de gelovigen naar een tweede Judas, zoals hij indertijd ook de eerste vond om de Zoon des mensen n.b. met een kús te verraden. Hij vindt inderdaad deze 'Judas' in de vele antichristen, welke zich als 'kaf' temidden van het 'christenkoren' bevinden. Ook deze vormen in de openbaring van de 'grote en doorluchtige dag des Heren' een 'lichaam', waarvan het 'hoofd' zich manifesteert in de persoon van de Antichrist

(Hand.2:20; 2 Thess.2).

Bescherming tegen de valse profeet

De geest van deze 'mens der wetteloosheid' en 'zoon van verderf' manifesteert zich reeds temidden van de gelovigen en werkt reeds in de 'kinderen der ongehoorzaamheid' (Vgl.Ef.2:2). Alleen de persoonlijke vervulling met de Geest van God zal de gelovige mens tegen deze 'valse profeet' kunnen beschermen.

De antichrist wordt in de profetie van de Bijbel ook aangeduid als de 'staart' van de draak. Met deze staart zwiept de draak rond in de hemelse gewesten en trekt vele gelovigen terug naar een aards denkpatroon.

De geest van deze leugenprofeet is ook in onze tijd volop bezig om vele te misleiden en af te houden van de 'hoge weg' (Vgl.Jes.9:14).

Toch kan de draak niet verhinderen dat de aan alle kanten bedreigde 'vrouw' (het uiterlijk schijnbaar zwakke en sterk verdeelde christendom) haar 'zoon' ter wereld brengt.

Het is een zóón, een mannelijk wezen, waarop de beloften van God rusten. Op de openbaring van dit mannelijk wezen wacht met zuchtend verlangen de hele bezielde schepping. Deze 'zonen Gods' namelijk zullen de schepping bevrijden van de slavernij onder de vruchteloosheid en de vergankelijkheid en haar brengen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods (Rom.8).

Het 'kind' van Gods bedoeling wordt direkt na haar openbaring plotseling weggevoerd naar de troon van God. Deze 'opname' heeft echter niets te maken met een plotseling in de zichtbare lucht opgenomen worden van gelovigen, waar en in welke positie die zich op dat moment ook bevinden. In dat opzicht zijn de gekste en meest tragische voorstellingen te maken van de enorme chaos die dat bij de achterblijvende zou bewerken, niet alleen bij de mensen, maar ook bij de dieren, de planten en bomen en de onbezielde dingen.

Over de opname-in-onsterfelijkheid van het 'kind' uit Openbaring 12 schrijft de apostel Paulus uitvoerig in 1 Korinthe 15, waar hij spreekt over de vergankelijkheid en sterfelijkheid die ónvergankelijkheid en ónsterfelijkheid zullen aandoen.

Waar wordt de ware gemeente gevormd?

De Heer Jezus sprak in zijn zo genoemd 'hogepriesterlijk gebed' ten aanzien van zijn volgelingen: 'Vader, Ik wil dat zij zijn waar Ik ben' (Joh.17). En in een andere toespraak zei Hij: 'Ik zal hen allen tot Mij trekken' (Joh.12).

De ware gemeente wordt in de hémel gevormd, net zoals het kind van God in de hémel geboren wordt. We spreken in dat opzicht over de 'wedergeboorte'. In het uiterlijke zijn daar plaatselijke gemeenten voor nodig, hetzij groot of klein en in vele variaties. Daar kunnen de gelovigen hun dagelijks 'brood' bekomen. Het is een verantwoordelijkheid voor de leiding van deze gemeenten om dit brood van goede kwaliteit te doen zijn.

Daarvoor is inzicht, wijsheid en toewijding nodig. De Heer sprak in dit opzicht over de 'trouwe dienstknechten' (Luk.19). De ware gemeente of anders gezegd het 'lichaam van Jezus Christus' heeft een wandel in de hemel en wordt daar 'het beeld van de Zoon' gelijkvormig door het proces van de vervulling met de Geest van de Vader.

De toebereiding voor de eindstrijd

Het proces van toebereiding voor de eindtijd in 'Armageddon' voltrekt zich niet vóór, maar temidden van de 'grote verdrukking' welke begonnen is zich over de wereld te voltrekken. Alle volken, stammen, talen en natieën hebben deel aan deze verdrukking. Ook de kinderen Gods, in uiterlijke zin op aarde levend en in profetisch perspectief aangeduid als de 'vrouw in de woestijn'.

Deze woestijn is de wereld die in het boze ligt en de 'vrouw' heeft daar een plaats en een taak, door God Zelf bereid. Deze plaats en taak heeft te maken met het brengen van de blijde boodschap van het evangelie aan de medemens binnen al de genoemde stammen en talen. Sinds de uitstorting van de heilige Geest op de Pinksterdag na de opstanding en verheerlijking van de Heer wordt het evangelie gepredikt en de Heer is daar Zelf met zijn Geest volop bij betrokken.

In de 'woestijn' wordt de 'vrouw' gevoed en onderhouden door het Woord van God. Van dit 'hemelse manna' was indertijd het dagelijkse manna voor het aardse volk Israël in de zichtbare woestijn het schaduwbeeld. De 'zoon' van de 'vrouw' echter wordt als 'mannelijk wezen', dat uit haar wordt geboren en tot volwaardige gemeente van Jezus Christus ontwikkelt, opgenomen in de onaantastbare heerlijkheid van haar Hoofd. De 'gemeente in de eindtijd' is dan het beeld van de (eerste) Zoon gelijkvormig geworden. Met Hem aanvaardt ze dan het koningschap over de wereld (Openb.11:15,17).

Het doel van de strijd in de hemelse gewesten

De Heer is gezeten op de 'troon van God'. Dat betekent heerschappij. De Heer zei het zelf al tegen zijn discipelen na zijn opstanding: 'Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde' (Matt.28).

Tot deze heerschappij zijn ook wij geroepen, om vanuit die zuivere heerschappij, bevrijding en herstel te bewerken voor de zuchtende schepping, de mens voorop. De schepping wacht daarop al sinds haar onderwerping aan vruchteloosheid en vergankelijkheid. Ze doet dat met reikhalzend verlangen, omdat ze de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods dan zal ervaren (Rom.8).

Dit gegeven is het doel van de strijd in de hemelse gewesten. Om deze strijd te kunnen voeren hebben we de heilige Geest ontvangen, zodat we wezenlijk 'in Christus' zijn. Alleen via deze strijd zullen we in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van heerlijkheid en genade, welke het deel is van al de 'knechten des Heren', ervaren (Jes.54:17; Efez.2:6-7).

Dat is ook het doel van het 'evangelie ván Jezus Christus'. Sinds de prediking hiervan is de bevrijding van de schepping ingezet na een ogenschijnlijk lange tijd van voorbereiding. Door dit evangelie wordt allereerst het 'lichaam van Christus' gevormd, zoals gezegd in het verborgene van de 'moederschoot', het 'hemelse Jeruzalem' (Gal.4:26). Het 'lichaam van Christus' zal vervolgens als de ware 'gemeente' en als 'zonen Gods' onder leiding van haar Hoofd aan de 'slavenpositie' van de rechtvaardigen van alle tijden een eind maken.

Laten wij ons daarom beijveren om deel te verkrijgen aan het 'zoonschap Gods', dat ook voor ons is weggelegd, mits wij deze hoop met vrijmoedigheid en onverwrikt vasthouden (Hebr.3:6; 12-14).

Laat het zo zijn, dat onze Vader ook met ons, net als met onze Heiland, tot zijn doel kan komen. Wij hebben een zeer hoge roeping en verkiezing en het verdient onze volkomen inzet deze te kennen en te bevestigen, zodat we rijkelijk toegang hebben tot het eeuwige Koninkrijk van onze Here en Heiland Jezus Christus.