Levend Geloof 34e jaargang nummer 374 oktober 1995

Hessel Hoefnagel

HET HUWELIJK IN HET PLAN VAN GOD

Vorige maand maakte de staatssekretaris van justitie, mevr. Schmitz, de nieuwe plannen bekend betreffende 'de aanpassing van het familierecht aan de maatschappelijke veranderingen.

Duidelijk is dat de niet-huwelijkse samenlevingsverbanden een wettelijke basis gaan krijgen en de betekenis van het traditionele huwelijk, zoals bijvoorbeeld De Telegraaf schreef, verder wordt uitgehold. Het past geheel in het kader van het overboord zetten van de normen en waarden in deze tijd. (Zie ook ons artikel van vorige maand).

Maar hoe wordt er binnen de waarachtige gemeente van Jezus Christus aangekeken tegen het huwelijk? Zijn er ook onder 'wedergeboren christenen' niet vele echtscheidingen? Duidelijk is dat ook vele christenen zich laten meesleuren door de 'geest van deze tijd'. Hessel Hoefnagel gaat in deze diepgaande bijbelstudie in op de oorsprong van het huwelijk zoals God dat in gedachten had. Hij laat daarbij duidelijk zien hoe 'de mens naar Gods beeld en de plaats van het huwelijk daarin' onlosmakelijk met elkaar in verband staan (red.)

 

Vele oprechte gelovigen in onze (welvaarts)maatschappij worden gekonfronteerd met een toenemende vrijblijvendheid ten aanzien van het huwelijk. Daarom is het goed, hiervan de bijbelse uitgangspunten nog eens goed te bezien.

De eeuwige God schiep als klimax van de gehele schepping en geheel daarmee verbonden de mens. Hij bedoelde deze Adam (mens) als beeld en heerlijkheid van Zichzelf in zijn uiteindelijke openbaring. Hij schiep daartoe de mens als man en vrouw. Deze laatste niet alleen als hulp, die 'tegenover' de man geheel bij hem zou passen. De Schepper bedoelde de vrouw óók als 'heerlijkheid' voor de man en formeerde haar als diens component, dit is een samenstellend deel van één geheel, zoals in zijn doelstelling besloten lag (Gen.2:18; vgl. 1 Kor. 11:7,8).

De man kon bij het aanzien van zijn vrouw dan ook in verrukking uitroepen: 'Deze is been van mijn been en vlees van mijn vlees'. Hij noemde haar Mannin, omdat zij uit hem was genomen (Gen.2:20-25).

De eeuwige verhouding tussen God en mens

In dit summier beschreven bijbels gegeven zit een belangrijk principe verborgen met betrekking tot de door de Schepper beoogde eeuwige verhouding tussen Zichzelf en de mens.

Adam (en daarmee diens hele nageslacht) is naar het innerlijk uit God voortgekomen. De bedoeling van de Schepper is dat de mens na een zelfstandige ontwikkeling in het aardse lichaam ook weer tot God zal terugkeren. De geest van de mens begeert Hij met jaloersheid, dat wil zeggen met een ijver vanwege het gestelde doel en vanwege zijn wettig eigendom., Als een rups, die tot vlinder wordt, zal de mens in haar innerlijk moeten worden omgevormd tot goddelijk nivo. De 'levende ziel' moet in deze metamorfose worden tot een 'levendmakende geest' (1 Kor. 15:44-49;Jak. 4:5).

Dit proces wordt in het Nieuwe Testament aangeduid als 'wedergeboorte'. Deze is volgens de uitspraak van de Heer Jezus Zelf daarom absoluut noodzakelijk om het Koninkrijk van God te zien en binnen te gaan (Joh.33:5). Dit betekent voor de mens:

a) de blijdschap, vrede en gerechtigheid van het Koninkrijk van God als een van God afkomend geschenk ervaren en

b) het zelfstandig vervuld worden met het wezen van God, dat wil zeggen vervuld zijn met Heilige Geest en in staat zijn om goddelijk 'leven' door te geven aan de medemens.

De mens is bestemd tot een eeuwige relatie met God. De gedachten van God en de expressie daarvan in zijn Woord dalen daartoe als de regen en de sneeuw neer op de mens als 'levende ziel'. Ze doorvochtigen haar en maken haar vruchtbaar, dit is bruikbaar voor het doel van God. Ze doen haar uitspruiten als werkelijk mens, die in staat is om de gedachten van God als 'brood' uit te delen (zaaien), zodat hongerende mensen kunnen 'eten' en verzadigd worden. Op deze wijze zullen naar Gods bedoeling zijn gedachten door middel van het Woord uitgaan als uit zijn 'mond en weer vol vrucht tot hem terugkeren (lees Jes. 55:8-11).

Omdat God niets van wat Hem toebehoort zomaar uit zijn hand laat rukken, rust Hij niet voordat Hij alles heeft gedaan om de mens te redden uit de klauwen van Dood en dodenrijk.

Het huwelijk als beeld van God

Direkt nadat de Schepper vanuit de man de vrouw had geformeerd, voegde Hij hen beide weer samen tot één geheel. Dit gegeven is de basis van het door God Zelf ingestelde huwelijksverbond en een belangrijke afspiegeling van de door Hem beoogde verhouding tussen Zichzelf en de mens (Gen.2:24).

Niet slechts vanwege en ná de zo genoemde zondeval, maar ook al daarvóór zou uit deze (huwelijks)verhouding tussen God en mens de wáre, door de Schepper bedoelde mens ontstaan.

Daarvoor dient de mens in gehoorzaamheid het juiste fundamentele onderricht te ontvangen en te gebruiken en daarop aansluitend de nodige 'vaste spijs'. Zowel bij het één als het ander geldt de noodzaak van een persoonlijke inzet en bereidheid.

Alleen zo bereikt de mens het 'mens zijn naar Gods beeld en gelijkenis'. Was deze weg door de zondeval van het eerste mensenpaar geblokkeerd, zij is door de gehoorzame inzet van onze Heer Jezus weer geheel geopend.

Al begint de geschiedenis van de mens bij de schepping van hemel en aarde, in de eeuwigheid daarvóór was de mens al als centraal doel in Gods gedachten. Terwille van de juiste ontwikkeling van de mens zijn alle dingen geschapen, zowel in de hemel (geestelijke wereld) als op aarde (natuurlijke wereld).

In het zogenoemde 'plan van God', dat het volkomen funktioneren van de hele schepping omvat, staat de wáre mens centraal als 'beeld van God' (Kol.1:15-17).

God schiep dus de mens als man én vrouw. Samen als eenheid verbonden. De man als 'hoofd' van de vrouw en de vrouw als 'heerlijkheid' van de man (lees 1 Kor.11:3-7).

In de voortgang van de openbaring van de gedachten van God is de man dan allereerst beeld van Jezus Christus als Hoofd van zijn gemeente. De vrouw is dan de uitdrukking van dit 'lichaam van Christus'. Deze is als 'vrouw des Lams' zijn 'heerlijkheid'. Door de voortgaande vervulling met het wezen van God (vervulling met Heilige Geest) zal er uiteindelijk een totale mensheid ontstaan, waarin God Zelf 'alles in allen' is. De 'vrouw des Lams' is dan uitgegroeid tot een hele herstelde mensheid en heeft zich gereed gemaakt om 'vrouw van God' te zijn.

In het denken en beleven van de (hedendaagse) godsdienstige mens met betrekking tot haar verhouding met God zijn/worden vanwege gebrek aan het juiste inzicht te gemakkelijk onjuiste of niet geheel juiste conclusies getrokken. In kerkelijke of gemeentelijke organisatiepatronen worden deze bovendien maar al te vaak gesteld tot min of meer verplichte formules aangaande denk- en leefwijze van de aangesloten leden.

Het trieste gevolg van deze opgelegde wetten is dat het ware beleven van persoonlijke en gemeenschappelijke waarden met betrekking tot de immer voortgaande openbaring van Jezus Christus binnen het genoemde plan van God, ernstig wordt geblokkeerd. Vele oprecht naar God zoekende gelovigen zijn/worden zo ongeschikt gemaakt voor de niet te stuiten voortgang in de openbaring van het Koninkrijk van God.

In de gelijkenis van de 'wijze en dwaze maagden' gaf de Heer Jezus al aan, dat velen in de eindtijd niet blijken te zijn voorbereid en toegerust voor de snel naderende openbaring van de ware gemeente van Jezus Christus binnen het Koninkrijk der hemelen. Er is veel activiteit in de godsdienstige wereld, maar het geloof in de overwinning van het 'eeuwig voornemen' van God zal met het toenemen van de demonische druk blijken onvoldoende aanwezig te zijn.

Gods beeld en heerlijkheid

Wat wil het zeggen, dat de mens bedoeld is als beeld en heerlijkheid van God? De eeuwige God is immers enkel Geest! De ware God heeft de mens zelfs van oorsprong af verboden een zichtbare afbeelding van Hem te maken, zoals de heidenen in vele variaties doen. De boze geesten, die zich middels deze beelden laten gelden, pressen de mens ertoe hen af te beelden en dwingen ze om zich middels stenen, houten en metalen voorwerpen of via soorten uit de planten- en dierenwereld met hen te verbinden.

Noch steen, hout of enig ander materiaal of welke dier- of plantensoort dan ook, kan echter de eeuwige God verbeelden in Diens almacht, heiligheid, gerechtigheid en liefde.

Alleen de wáre mens in diens pure, innerlijke gestalte, zoals de Schepper haar Zelf heeft bedacht en als geestelijk wezen heeft samengesteld, is een door Hem gewilde weergave van Zichzelf als de onzienlijke en eeuwige God.

Deze mens weerspiegelt als wedergeboren vanuit de dood door middel van het levende en blijvende woord van God, het beeld en de heerlijkheid van God.

Hierbij geldt een ontwikkeling tot volkomenheid, zoals een natuurlijk mens groeit van kind tot volwassenheid.

Het natuurlijk lichaam heeft God kunstig en volmaakt samengesteld om als 'woning' voor deze mens te dienen. Dit uiterlijk lichaam is daarmee een afspiegeling van de (ware) innerlijke mens (2 Kor.3:18; 1 Petr.1:23).

Zoon van God en mens

Niet Adam, maar onze Heer Jezus heeft als de wáre mens! het bedoelde beeld van God weergegeven. Daarom is Hij ons grote voorbeeld in onze doelstelling. Hij is de ware Zoon van God (Vader) en tegelijk de ware Zoon van de mens (moeder).

Behalve het door de Schepper in de aanvang geschapen mensenpaar heeft ieder natuurlijk mens zowel een vader als een moeder. Dit principe geldt niet slechts het aardse, natuurlijke, maar ook het hemelse, geestelijk. Ook de door bekering en geloof in God nieuw-geboren mens heeft een Vader (God én een moeder (de natuurlijke mens). Deze laatste heeft gehoor gegeven aan het Woord van God (Rom.10:17) en is daardoor tot wedergeboorte gekomen. Zowel de Vader als de moeder zijn verantwoordelijk voor de juiste ontwikkeling van het door hen verwekte nieuwe leven.

Zo stelt zich de Vader in de hemel garant voor dit nieuwe leven en laat niet toe, dat het uit zijn hand wordt gerukt (vgl.Jes.49:16; Joh.10:28-30).

Al tijdens de rondwandeling van onze Heer Jezus klonk meermalen de goedkeuring van de Vader in de hemel aangaande zijn weergave van de door de Schepper bedoelde mens: 'Deze is mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb, hoort naar Hem' (Matth.17:1-5; 2 Petr.1:17).

Aan de eerste Zoon, die zo zijn roeping tot het doel van God door alles heen getrouw heeft weergegeven, heeft de eeuwige Schepper alle macht gegeven in hemel (wereld der geesten) en op aarde (natuurlijke wereld). Het is echter de wil van God, dat er véle van deze zonen zullen opstaan en naar dat (voor)beeld openbaar zullen worden.

Tezamen zullen deze zonen als Hoofd en lichaam met elkaar verbonden, zich openbaren ten behoeve van de zuchtende schepping (Rom.8:19).

Uiteindelijk heeft God zelfs de hele mensheid bestemd om tot dit 'zoonschap' te komen en daarmee tot de ware 'beeld drager van God'.

Wat maakt de mens tot beelddrager van God?

Niet het kind-van-God zijn, zoals velen belijden, maar het zóón-van-God zijn, en daarmee het evenbeeld van de Heer Jezus, maakt de mens tot dit door de Schepper bedoelde beeld van God. In deze doelstelling moeten we daarom de Heer Jezus niet 'op afstand' plaatsen en tot een deel van een vermeende goddelijke 'drie-éénheid' maken. Daarmee maken we namelijk de opdracht van onze God om deze 'Eersteling' gelijkvormig te worden, tot een onmogelijke zaak. Ook doen we dan tekort aan het mens-zijn zoals God vanaf de eeuwigheid bezig is te bewerken. Dat is waarachtig zoonschap. Het begrip 'zoon' heeft altijd betrekking op het ware mens-zijn.

Ook vóór de zondvloed van de mens gold reeds het principe van de ontwikkeling van éérste (natuurlijk georiënteerde) mens via vervulling met de geest van God tot het bereiken van het wezenlijke mens-zijn als beelddrager van God.

Toen echter na de ongehoorzaamheid van Adam de ontwikkeling tot 'geboomte des levens' geblokkeerd werd (Gen.2:22-24), kon deze de opdracht hiertoe niet meer volbrengen. Eerst zou deze blokkade moeten worden verwijderd en de juiste ontwikkeling tot het ware mens-zijn weer in gang moeten worden gezet. De mens zou weer moeten komen in de weg tot vervulling met het wezen van God. Dit alleen bewerkt het bereiken van de volkomenheid naar geest en ziel (innerlijke mens) en tenslotte ook het lichaam (uiterlijke mens).

Dit laatste vormt als een 'geweven kleed' de voltooiing van dit wonderlijke proces tot volmaaktheid. De gelovige wordt 'overkleed' in plaats van 'naakt' achtergelaten (2 Kor.5:1-5).

Zelfs is het mogelijk, dat dit 'gebouw van God in de hemelen' al tijdens het nog verblijven in de 'aardse tent' wordt opgewekt vanwege de zich openbarende kracht van het evangelie van God. De mens wordt dan in een 'punt des tijds, een ondeelbaar ogenblik' veranderd tot onsterfelijkheid. De verheerlijkte mens neemt dan zijn intrek bij de reeds bij diens opstanding verheerlijkte Heer. De nog invloed uitoefenende Dood (persoonlijkheid) wordt tenietgedaan en 'verslonden in de overwinning' (1 Kor.15:50-54). Het 'geheim van God' met betrekking tot de mens is dan voleindigd (Openb.10:7).

Een zuiver huwelijk

Een zuiver huwelijk (dat slechts tussen mán en vróuw gesloten kan worden) heeft zoals gezegd haar oorsprong in de van God uitgaande begeerte naar een partner op 'gelijkwaardig' nivo.

De Heer Jezus wees al op het belangrijke oorspronkelijke uitgangspunt voor het huwelijk, zoals dat geldt vanaf het begin. Toen de godsdienstige leiders van het volk der Joden hem wilden verzoeken met een strikvraag aangaande huwelijk en echtscheiding, sprak Hij duidelijke taal (lees Matth. 19:1-12)

Homoseksuele en lesbische verbindingen, welke niet alleen in maatschappelijke, maar ook in kerkelijke sfeer steeds meer worden geaksepteerd als gelijkwaardig aan het normale huwelijk, kunnen nimmer een zuiver beeld geven van de door God beoogde relatie tussen Zichzelf en de ware mens.

Onze God hecht daarentegen aan een zuivere beeldstelling ten aanzien van zijn plan, getuige de nauwgezet uitgestippelde eredienst voor het volk Israël in het Oude Testament. Hij háát ook de zo gemakkelijk gehanteerde echtscheiding en het ontrouw worden aan de vrouw (man) van de jeugd (Mal.2:10-16).

Drie kernteksten in de Bijbel

1. "... En God zeide: Laat óns mensen maken naar óns beeld en als ónze gelijkenis... En God schiep de mens naar zijn beeld (én) naar Gods beeld schiep Hij hém, mán en vróuw schiep Hij hen" (Gen.1:26-27a).

Het gaat hier kennelijk om:

a) de mens naar diens eígen beeld, dus een als door de Schepper bedoelde zelfstandige persoonlijkheid en

b) de mens als een beeld van de eeuwige en onzienlijke God.

Deze tweeledige uitbeelding van de gedachten van God wordt door de mens weergegeven in het onderscheid van man en vrouw, welke tezamen in één huwelijk met elkaar zijn verbonden tot één vlees (Gen.2:24). In dit beeld geldt als belangrijk gegeven, dat de vrouw uít de man is genomen.

Beeld zijn van de onzienlijke God, die enkel Geest is, kan alleen de mens, die tot dat doel geschapen is en evenals God zelf een gééstelijk wezen is.

De apostel Paulus citeerde in dit verband bij zijn verblijf in Athene, toen zijn geest in hem geprikkeld werd door de velerlei afgoderij, énige Griekse dichters en bevestigde dat ook zelf in zijn uitspraak: 'Wij zijn van Gods geslacht' (Hand.17: 28-29).

De mens is echter ook onderdeel van de zichtbare (bezielde) schepping middels het lichaam, dat tot de aarde behoort.

Dit kunstig samengestelde lichaam is een afbeelding van het innerlijk van de mens, dat in verheerlijkte zin een 'afstraling' is van Gods heerlijkheid en een afdruk van Gods wezen' (vgl. Hebr.1:3). De verhouding tussen het zichtbare en het onzichtbare staat ook in dit verband als schaduw ten opzichte van de werkelijkheid.

Om de aanduiding 'ons' en 'onze' in Genesis 1 vers 26 goed te interpreteren, is een helder inzicht nodig ten aanzien van het genoemde 'eeuwig voornemen' van de Schepper. De nog wel eens aangevoerde gedachte als zou dit goddelijk denken voor de mens een immer gesloten boek zijn, wijs ik op grond van de voortgaande openbaring van de hand.

Ook de alom gehanteerde interpretatie waarin de aanduidingen 'ons' en 'onze' van toepassing worden geacht op een meervoudig Opperwezen, kan ik niet onderschrijven. Deze veronderstelling, welke voor velen als een verplicht te accepteren leerstuk geldt, schept namelijk een enorme afstand tussen de eeuwige God en de (vaak ook nog als van oorsprong zondig gekenmerkte) mens. Onze God zou dan een onberekenbaar en willekeurig handelend Wezen zijn, waarvan niet door enige 'zekerheid van geloof' valt te zeggen, hoe Hij zal beslissen. Deze interpretatie is geheel in strijd met het zich openbarende goddelijke verlangen naar het door Hem daartoe geschapen wezen mens.

 

Vers 27 geeft een verdere aanwijzing voor het verlangen van God naar een 'gelijkwaardige' persoonlijkheid, waarmee Hij zich tot in eeuwigheid wil verbinden. Een persoonlijkheid, welke als zijn vertegenwoordiger de bezielde en zichtbare schepping zal besturen en tot ongekende ontwikkeling brengen.

In Genesis 1 vers 26 en 27 gaat het over de éérste, natuurlijke mens als man én vrouw. De Heer Jezus stelde later, dat dit onderscheid in de 'opstanding', dus vanaf de bereikte volkomenheid naar geest, ziel en lichaam, niet meer geldt. In die status wordt niet meer gehuwd of ten huwelijk genomen (Matth. 22:30). De getalsmatige ontwikkeling van de mensheid heeft dan een volheid bereikt. Voor het huwelijk als schaduwbeeld is dan de werkelijkheid in de plaats gekomen. Het gaat daarin voor ieder individu over het vervuld zijn met heilige Geest ofwel met het wezen van God. De mens moet zich allereerst 'met Christus bekleden' en in de voortgang van de openbaring van de ware mens met God Zelf, zoals de vrouw in het huwelijk zich met de man verbindt.

In die laatste fase van de openbaring van het plan van God is geen sprake meer van 'mannelijk of vrouwelijk' (Gal.3:26-28) en zal God Zelf 'alles in allen' zijn (1 Kor.15:28).

Ook het natuurlijke begin van de mens is betrokken bij haar vorming tot het volkomen mens-zijn naar de oorspronkelijke bedoeling van de Schepper. De genoemde aanduidingen 'óns beeld' en 'onze gelijkenis' zijn in dat kader te plaatsen en te begrijpen. De eeuwige God schakelt zo mogelijk de (individuele) mens geheel in als zijn medewerker tot het bereiken van diens volkomenheid naar geest, ziel en lichaam (1 Thess.5:23).

God schiep de eerste Adam allereerst naar diens eígen beeld, dus als een zelfstandig wezen binnen een persoonlijke verantwoordelijkheid en met een eigen taal en kultuurontwikkeling. Hij schiep hem echter ook naar Góds beeld.

Dit wil zeggen: namens Hem en evenals Hij léven doorgeven. Als 'geboomte des levens' onophoudelijk vrucht dragen. Vruchten die gevormd zijn vanuit de verbinding met de 'rivier van het water des levens', welke ontspringt aan de troon van God en het Lam. Vruchten, welke dienen tot genezing en herstel van opgelopen beschadigingen (Openb.22:1,2).

De Schepper heeft de mens van eeuwigheid af bedoeld als zijn eeuwige partner, welke met Hem gezeten zal zijn in zijn troon (vgl.Openb.3:21). De mens is daarom van 'gelijkwaardig' nivo als God en bedoeld als diens 'hulp tegenover Hem' (vgl. Gen. 2:18).

2. "Ten tijde dat de Here God de hemel en de aarde maakte..., formeerde Hij de mens van stof uit de aardbodem en blies levensadem in zijn neus. Alzo werd de mens tot een levend wezen" (Statenvert.: levende ziel) (Gen.2:4b en 7).

De éérste mens werd tot een 'levende ziel'. Dat is een absoluut vereiste om tot het nivo van 'levendmakende geest' te komen, zoals onze Heer. De mens als 'levende ziel' is verbonden met de aarde door middel van het aardse lichaam dat uit de elementen van de aardse materie is samengesteld. De persoonlijke eigenschappen (karakter) van de individuele natuurlijke mens kunnen via de voortplanting middels man en vrouw, overgaan op het nageslacht.

Door de levensgeest (levensadem) die de Schepper in de mens deed wonen (vgl. Jak.4:5), is de mens evenals God Zelf een geestelijk wezen, in staat om te 'heersen', onderscheiden van de engelen als dienende geesten (Hebr.1:14). De mens is ook verheven boven de dieren en zeker geen veredeld dier, zoals de evolutieleer doet geloven.

Als geestelijk wezen heeft de mens de mogelijkheid om te existeren in de wereld van de geesten. Vanwege de boze machten, welke de mens vanuit het duistere klimaat van het rijk van de dood belagen en trachten te verstrikken, is het hem door God ten strengste verboden om zelfstandig kontakten te leggen met andere geesten dan God zelf.

Van God uit geldt het verlangen om met de mens als geestelijk wezen om te gaan en deze vanuit zijn enorme potenties tot haar verheven bestemming te brengen. Daarbij is sprake van een heilige jaloersheid van Godswege, omdat Hij de mens alleen voor Zichzelf heeft verworven tot zijn wetmatige (nu nog 'ondertrouwde') vrouw (Jak.4:5). Als vrouw van God is de mens bestemd om de 'vrucht' van God voort te brengen. Daartoe stort Hij sinds de overwinning van Jezus Christus over duivel en dood, zijn Heilige Geest uit in een ieder die hem daarom gelovig vraagt. Deze Geest is tegelijk ook de Trooster, die onze hoop op de heerlijke toekomst levend houdt en onze harten versterkt om in alle goed woord en werk bezig te kunnen blijven (2 Thess. 2:16-17).

De geestelijke mens die is vrijgekomen van de claim van de zonde(macht) en de dood, is de 'mens uit de hemel'. Deze ontstaat vanuit de hemelse interpretatie van Genesis 1 vers 26 en 27. Zoals wij het beeld van de stoffelijke Adam dragen, zo zullen we ook het beeld van de hemelse Adam dragen. Dit beeld is wat onze God van eeuwigheid voor ogen heeft. Als de hemelse mens zullen we dan in staat zijn God te kennen 'van aangezicht tot aangezicht' (vgl.1 Kor.13:12; 15:45-49).

3. "Hij (God) heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde... Hij (die Zoon) is het beeld (en de heerlijkheid) van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping. Want in Hem (deze Zoon) zijn alle dingen geschapen... Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden..., want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken" (Kol.1:13-20).

In deze Eerstgeborene der ganse schepping en ook het begin der (de aanleiding tot de) schepping Gods (Openb.3:14), zijn allen begrepen, die door God geroepen zijn tot de zelfde heerlijkheid. Een totaal 'lichaam' dus. Door ook hier het begrip 'zoonschap' uitsluitend te betrekken op onze Heiland Jezus Christus, wordt opnieuw weer een grote afstand geschapen tussen de Heer Jezus en diegenen die door Hem tot mens-naar-Gods-bedoeling komen.

Datgene wat hier geschreven is met betrekking tot onze Heer, geldt evenzo voor ons, die geloven in het zoonschap Gods. De Heer Jezus is en blijft de Eerstgeborene, maar diegenen, waarin door zijn daadstelling eveneens de Geest van God volop functioneert, zijn heel nauw met Hem verbonden door één lichaam.

Dit lichaam is het uitvoeringsorgaan met betrekking tot de realisatie van het 'eeuwig voornemen' van onze God. Absoluut niet zonder de inzet van zijn gehele lichaam voert de Heer zijn opdracht uit. Pas wanneer alle dingen in hemel en op aarde tot volledig herstel zijn gekomen, zal Hij als Hoofd van zijn Lichaam zijn opdracht aan de Vader teruggeven zodat daarna God Zelf 'alles in allen' zal zijn (1 Kor.15:28).

Het heerlijke schaduwbeeld van het huwelijk

In het beeld van het huwelijk tussen man en vrouw zit het heerlijke schaduwbeeld verborgen van de exclusieve weg, waarlangs wij als mens met God verbonden, komen tot de goddelijke bestemming. Daarom staat de mens centraal in het evangelie van onze Heer Jezus Christus. Dit is ook het evangelie van God. Hij heeft deze heerlijke weg bedacht en houdt daaraan vast.

Genoeg reden voor ons om ook met dit beeld zuiver om te gaan in een (godsdienstige) wereld, waarin dit steeds meer onder druk komt te staan en waarin men geneigd is hiervoor zelf karikaturen te bedenken.

God heeft de mens lief. Niet zomaar, omdat Hij niet anders zou kunnen en ongeacht hoe de mens zelf leeft, maar vanuit zijn eeuwige doelstelling. Laten we deze waarheden goed beseffen en ons beschikbaar stellen voor dit verheven doel.

Onze God zal niet rusten, eer alles functioneert naar zijn wetten. Daarvoor heeft Hij zijn Zoon gezonden en in Hem is Hij bezig vele zonen te openbaren, zodat uiteindelijk de hele mensheid vol zal zijn van zijn heerlijkheid (vgl. 1 Kor.15:28)

Vanuit de gedachte van zelfstandigheid heeft God de mens als zelfstandige 'zoon' bedoeld en niet slechts als een onmondig kind.

Dit zoonschap draagt een duidelijke (mede)verantwoordelijkheid. God heeft ons 'tot gelijkvormigheid aan het beeld van dit zoonschap' bestemd naar het voorbeeld van onze Heer Jezus, die de 'Eerstgeborene onder vele broeders' wordt genoemd (Rom. 8:29).