Levend Geloof 32e jaargang nr.348 mei 1993

Cees Maliepaard

L E E R O N S B I D D E N

(serie vanaf mei 1993)

'En het geschiedde, terwijl Hij ergens in gebed was, dat één van zijn discipelen, toen Hij ophield, tot Hem zei: Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft'

(Luk.11:1)

Een mens moet vele dingen leren. Als kind gaat dat dikwijls spelenderwijs. Zo heeft om te leren praten, niemand daar een hogere opleiding voor nodig gehad: je leert dat tussen de bedrijven door meestal heel gewoon van je moeder. En ook de moeder hoeft daarvoor geen afgestudeerd pedagoge te zijn.

Later gaat het kind nar de basisschool en daarna na het voortgezet onderwijs. Daar krijgt het onderricht van vakbekwame docenten. Voor elke vorm van onderwijs dient men bij de daartoe bevoegde leraren te zijn, dat zal duidelijk wezen. Goed timmeren leer je niet aan de theologische faculteit en het Hebreeuws word je niet machtig bij het volgen van een (overigens gedegen) technische beroepsopleiding.

Bidden kun je leren

Van wie kan een mens nu het beste bidden leren? Toch zeker van iemand die zelf een vruchtbaar gebedsleven heeft. Dat laatste ging zeker voor Jezus op: Hij bracht vele uren met de Vader door in een open gebedsrelatie. Ook heeft Hij ongetwijfeld kennisgenomen van wat de profeet Jesaja in hoofdstuk 7 vers 14 schreef: 'Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal Hem de naam Immanuël geven'. En van zijn ouders zal Hij gehoord hebben dat een engel van de Heer in een droom aan Jozef openbaarde, dat zijn verwekking bij zijn moeder Maria uit de heilige Geest was (Matt.1:18-23).

Jezus was er zeker van op de hoogte dat Adam Gods zoon genoemd werd (Luk.3:38), maar ook dat Hijzelf Gods zoon mocht wezen, alleen al door de natuurlijke verwekking door toedoen van de hemelse Vader. Later, bij zijn doop in Gods Geest, werd de Zoon des mensen tevens de eerste geestelijke zoon van God. de eerste Adam was een natuurlijk mens met een natuurlijke geest, de tweede Adam werd bij zijn geestesdoop een geestelijk mens.

Daarom waren zijn discipelen aan het goede adres met hun verzoek aan Jezus: 'Heer, leer ons bidden'. Jezus was van Godswege bevoegd, hen wegwijs te maken in het Koninkrijk der hemelen. Hij kon hun leren bezig te zijn in de hemelse gewesten, precies zoals Hij dat zelf placht te doen: dagelijks. Dat kwam doordat zijn hart naar de Vader uitging en vol was van de woorden die vanaf het begin bij de Vader waren.

Hou 't zuiver

Wat valt er onmiddelijk op als Jezus zijn discipelen leert bidden? Dat Hij hen zegt, nooit te bidden met het oog op een daarmee te bereiken effect op mensen. Als je bidt, praat je met God en daar heb je geen bijbedoelingen mee. 'En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars, want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds', zei Jezus blijkens Matteüs 6:5.

Als men zich graag in de aanbiddingsdienst horen laat, zonder de intentie te hebben 'de stem in de hoge te verheffen', maar met de bedoeling bij anderen op te vallen door woordkeus of door inhoud van de gedachten, dan krijgt men daarmee de aandacht van velen... en dus heeft men het beoogde doel bereikt. Want daar ging het toch om?

Indruk maken op mensen is een uitingsvorm van vrome machten, die gretig een claim leggen op de mens die zij gebruiken. Ze brengen zo'n mens ertoe de aandacht op zichzelf te vestigen, omdat ze dat ervaren als het zèlf de voor hen zo broodnodige belangstelling krijgen. Nou die geven we hun toch zeker mooi niet!

Hiermee is natuurlijk niet gezegd dat degenen die voorwenden een gebedsrelatie met de Vader te hebben, terwijl het slechts een aaneenschakeling van vrome woorden is, alleen maar het slachtoffer van de machten der duisternis zijn. Terecht noemt Jezus hen huichelaars. Het is duidelijk dat Hij hier geen mensen bedoelt die slechts meebidden om niet bij anderen uit de toon te vallen. Zij handelen óók verkeerd, maar hen kan niet worden aangewreven dat ze bij de mensen op willen vallen. Het tegendeel is eerder waar: ze willen juist helemaal niet opvallen.

Verwerpingsgedachten spelen in hun leven een doorslaggevende rol en in een reaktie daarop gaan zij zich als een kuddedier gedragen. Ze zeggen als het ware: zie je wel dat ik niet anders ben dan de anderen!

Jezus heeft zonder meer de hypokrieten op het oog, zij die door een kwasi-geestelijke houding bij de mensen in aanzien willen komen. Dat is hun vooropgezette bedoeling.

Tegen hen zegt Jezus: 'Wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bidt tot uw Vader in het verborgene'. Of wel: trek je terug in de binnenkamer van je hart en sluit de deur daarvan voor de opjuttende machten der duisternis, die via een de aandacht opeisend, in het openbaar uitgesproken gebed, zich tegelijkertijd in de zichtbare en in de onzichtbare wereld trachten te manifesteren.

Bidt dan voorlopig maar liever vanuit de verborgen mens uws harten naar de Vader die in het verborgene ziet. Hij zal deze ommezwaai ten goede zeker vergelden met een bevrijding uit satans invloedssfeer. Een aldus bevrijd mens zal ook (maar nu uit het hart) God in de samenkomst der gelovigen vrijuit groot kunnen maken, zonder dat de boze daaruit nog enige winst zal kunnen halen.

 

 

God weet het al

Jezus vervolgt zijn onderwijzingen met: 'En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. Wordt hen dan niet gelijk, want uw Vader weet wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt' (Matt.6:7)

Je komt soms van die mensen tegen die zich vaak geroepen voelen aan een kort, doch goed gebed van een ander het één en ander toe te voegen. Alsof de Vader nadere uitleg nodig heeft over iets wat Hij al wist voordat het samen bidden begonnen was. Natuurlijk zou iemand een gebed soms aanmerkelijk mooier kunnen formuleren dan een ander al vòòr hem gedaan heeft, maar onze God is daar totaal niet in geïnteresseerd. Hij let niet op de vormgeving of op de manier waarop het één en ander gebracht wordt. Hij ziet het hart aan, zegt het woord van God.

De Vader let op wat er in het innerlijk van de mens leeft, op wat de intentie van het hart is. Daarom kunnen we in onze uitingen naar Hem altijd to de point wezen.

Als het hart op de Vader gericht is en op de voltooiing van diens plan, in eerste instantie met de mens..., dan verstaat de Vader elke gedachte, hoe onsamenhangend die ook onder woorden gebracht wordt. Een goed verstaander heeft (blijkens een bekend spreekwoord) slechts een half woord nodig. Een betere verstaander dan de Almachtige zelf, is uiteraard niet denkbaar.

Levend Geloof 32e jaargang nummer 349 juni 1993

'Bidt gij dan aldus: Onze Vader, die in de hemelen zijt...'

Matt.5:9a).

De bediening van Jezus Christus kent geen automatismen; de strukturen waarbinnen Hij pleegt bezig te zijn, zijn louter geestelijk. Platgetrapte paadjes betreedt HIj niet, want Hij is onder alle omstandigheden alert op wat de Vader Hem laat zien.

Vandaar dat het 'onze Vader' door hem niet gegeven is om in de religieuze behoeften aan formuliergebeden te voorzien. Het is onder ons een bekend gegeven, dat Jezus' woorden 'Bidt gij dan aldus...' opgevat dienen te worden als: bidden jullie op déze manier.

God is mijn Vader

Ieder die uit God geboren is, mag de eeuwige God 'Vader' noemen. Iemands vader is een levengever, vandaar dat Adam in het Nieuwe Testament Gods zoon genoemd wordt. Met hetzelfde recht zou men Eva als Gods dochter kunnen omschrijven, want ook zij heeft het leven rechtstreeks van de hemelse Vader ontvangen. Alle anderen zijn verwekt door een kontakt tussen twee mensen, behalve Jezus: Hij werd door God zelf rechtstreeks bij Maria tot leven geroepen. Zo bekeken zouden er slechts drie mensen gerechtigd zijn God als hun Vader aan te spreken.

Toch is voldoende bijbels materiaal voorhanden waaruit blijkt dat in wezen álle mensen God hun Vader kunnen noemen.In Maleachi 2 vers 10 lezen we: 'Hebben wij allen niet één Vader? Heeft niet één God ons geschapen?' Omdat God ons indirekt (via Adam en Eva) het leven gegeven heeft, mag eigenlijk iedereen tegen God 'Vader' zeggen.

In Jeremia 3 vers 19 zegt God tegen het ontrouwe Israël: 'En Ik had gedacht dat gij Mij zoudt noemen: mijn Vader en dat gij u van Mij niet zoudt afkeren'. De Here God stelt er klaarblijkelijk prijs op met 'Vader' te worden aangesproken. Niemand zal dus een ander het recht kunnen betwisten 'Vader' tegen God te zeggen - hoe ver zo iemand ook bij God en bij de verwezenlijking van diens woorden vandaan staat. Alleen verwacht de Vader (terecht!) dat men zich ook als zijn kinderen gaat gedragen.

De Vader heeft zonen

Voor geestvervulde kinderen Gods geldt dit alles in des te sterkere mate. In Romeinen 8 vers 14 en 15 lezen we: 'Want allen die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader'.

Vanwege de vervulling met Gods Geest opent zich een nieuwe mogelijkheid voor de mens. De inwonende Geest van God wordt terecht als de geest van het zoonschap aangeduid, want naar de mate waarin Gods Geest, samen met de onze, in staat is het plan van God in ons te verwezenlijken, zullen we ons meer en meer als zonen van God gaan ontwikkelen.

De God en Vader van onze Heer, Jezus Christus, zal daardoor steeds nadrukkelijker ook mijn God en Vader worden. En doordat Hij de vader van ons allemaal is, is het terecht dat Jezus (via zijn discipelen) ook ons leert, de Vader onze Vader te noemen.

Hij woont in de hemel

De Vader heeft al het zichbare en onzichtbare door zijn woord geschapen. Het is alles van Hem: alles wat te zien is, zowel als alles wat zich aan de waarneming van onze natuurlijke ogen onttrekt. Maar onze Vader heeft zijn troon niet in de natuurlijke wereld gevestigd; het huis van Oranje hoeft wat dat betreft niet voor zijn positie beducht te zijn. 'God is Geest', zegt de Schrift, en derhalve is het niet meer dan vanzelfsprekend dat Hij in de hemel woont.

Bij de hemel dienen we uiteraard niet aan een plaats boven de sterren te denken, noch aan een andere in de ruimte of op aarde te lokaliseren plek. De hemel is de onzienlijke geestelijke wereld. Van daaruit openbaart onze God Zich als de Vader van alle mensen.

Dat geldt voor de hemel vóór de zondeval, in de tijd dat God de mens als zeer goed omschreef en alleen Hij en de engelen met de mensenwereld van doen hadden. Het is evenzeer van toepassing op de hemel van de tijd erná, toen ook satan en zijn demonen inbreng in de wereld van de mensen kregen. Maar vanzelfsprekend slaat dit ook op de gezuiverde hemel na het herstel aller dingen, als de duivel en alle gevallen engelen hun macht ontnomen is. Onder alle omstandigheden mogen we God 'onze Vader' weten, die vanuit de hemel zijner heerlijkheid bezig is zijn goede plannen te volvoeren.

En wij wonen bij Hem

Ook al woont de Vader in de hemel, wil dat voor ons nog niet zeggen dat Hij onmetelijk ver weg is. Want blijkens Efeziërs 2 vers 6 heeft Hij ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten. Wij mogen in zijn tegenwoordigheid leven, elke dag van ons bestaan op aarde en in alle eeuwigheden daarna Want onze plaats in de hemel is in Christus Jezus.

Dat is niet zomaar een algemene verzamelplaats voor alle Geestvervulde zonen Gods... Allesbehalve dat! In het lichaam van Christus heeft iedere zoon van God een nauwkeurig bepaalde plaats, met alle ruimte om zich te ontwikkelen naar het beeld van God, de Vader.

In Efeziërs 2 vers 7 vervolgt Paulus zijn opmerkingen over het zijn in de hemelse gewesten, door te stellen dat God in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van zijn genade ons in Christus Jezus betonen zal. Dat gaat over de eeuw die we nu beleven.

En bij de omschrijving 'eeuw' behoeven we niet aan een periode van honderd jaar te denken, maar eerder aan een niet nauwkeurig in lengte uit te drukken, lang tijdperk. De tijd van de genade in Christus Jezus duurt immers al vele letterlijke eeuwen en is heden ten dage gelukkig nog niet voleindigd. Maar in deze eeuw, voordat de volgende tijdperken of aionen aanbreken, zal dit zeker z'n beslag krijgen.

Het zal in de hierna aanbrekende perioden verder tot ontplooiing komen, overweldigd in Goddelijke rijkdom en glorie. In elke 'eeuw' zal God onze Vader zijn. En onveranderlijk zal Hij voor ons een Vader zijn die uit zijn volheid ons altijd het goede toebedeelt.

Want Gods plannen veranderen niet, noch zijn wezen. Wat ons hede van godswege volmaakt wordt toebedeeld en door ons in onvolkomenheid wordt ontvangen, zal straks ook door ons, mensen, in hemelse perfektie verwerkt worden.

Levend Geloof 32e jaargang nummer 350 juli/augustus 1993

'...Uw naam worde geheiligd'

(Matt.6:9b).

Als Jezus het over het heiligen van Gods naam heeft, is het logisch je af te vragen hoe God dan eigenlijk wel heet. Het zogenaamde tetragram, JHWH, waar men de naam Jahweh van afgeleid heeft, zien sommigen als de eigennaam van onze Vader. 'Ik ben', zei God tot Mozes, 'zo moet je Mij maar noemen als de Israëlieten er naar vragen' (Exod.3:13,14). Je zou het ook kunnen omschrijven als: 'Ik ben bij je' of 'Ik ben er altijd'.

Welke naam zal't wezen?

Met welke naam zullen we de Vader aanspreken? 'Ik ben', de Nederlandse vertaling van een deelbetekenis van het tetragram, of 'de Eeuwige', de weergave van een ander aspekt ervan, zijn niet erg funktioneel. Dat is niet zo verwonderlijk, want bijbelsse namen laten zich niet zo gemakkelijk vernederlandsen. Niemand haalt het bijvoorbeeld in zijn hoofd, de Griekse naam Jezus of de Hebreeuwse variant daarop, Jozua, in onze landstaal te gebruiken. Dat zou zoiets worden als: 'Ik ben is redding'. Bij het noemen van de namen Jezus en Jozua weten we precies wie er bedoeld worden, ondanks het veel vaker voorkomen van deze namen, die in bepaalde landen trouwens nog steeds in zwang zijn.

Waarom is de naam Jahweh dan eigenlijk nooit gemeengoed geworden? Bij het noemen van deze naam, zal altijd overduidelijk zijn wie we bedoelen. En toch zal de naam Jahweh nooit populair worden - gelukkig maar! Een zelfde soort schroom, als die mij er altijd van weerhouden heeft mijn áárdse vader bij zijn naam te noemen, houdt mij er al jaren van tegen de eeuwige God met Jahweh of Jehova aan te spreken. Er was nooit enige noodzaak mijn Hollandse vader Abraham te noemen, want ik heb geen enkele andere persoon op aarde als vader gekend. Ik zou dus nimmer iemand anders met hem hebben kunnen verwarren. Zo is er geen aanleiding onze hemelse Vader bij zijn naam te noemen, want er is voor de mens geen enkele andere vader in de hemel.

Ook Jezus zei niet dat we tot Jahweh dienen te bidden, maar dat we ons mogen richten tot onze Vader die in de hemelen is. Het gaat dus om de vadernaam, de vadertitel; daarmee wordt het wezen van God het beste weergegeven. God zegt als het ware: Ik ben altijd bij je als jullie hemelse Vader.

Wat is heiligen?

Heiligen is apart zetten voor een speciaal doel: het wil zoveel zeggen als afzonderen van de (denk)wereld van de boze en aan Gods goede plannen toewijden. Als we onze kinderen heiligen, halen we ze in de onzienlijke wereld onder de benvloeding van de ruïnerende machten der duisternis vandaan en brengen we ze nadrukkelijk onder de nimmer aflatende zorg van onze hemelse Vader. Iets heiligen wil dus altijd zeggen op tweeërlei manier ergens mee bezig zijn: losmakend van het satanisch verderf en vasthechtend aan het goddelijke goede.

Maar hoe kan de naam van God nu losgemaakt moeten worden van satans denken? Het wezen van God is immers ten enemale wezensvreemd aan de kwalijke gedachtengang van zijn tegenstander? Dat is natuurlijk ook zo: er kan in werkelijkheid nooit enige smet op Gods naam rusten. En toch zal de naam van God door ons geheiligd worden in twee betekenissen - Jezus verkeek zich daar echt niet op! Er is mij bijvoorbeeld in mijn jonge jaren als met een paplepel ingegoten, dat ik alles uit Gods trouwe Vaderhand dien te aanvaarden: voorspoed en tegenspoed, gezondheid en ziekte, leven en dood.

Als wij Gods naam heiligen, maken we die bewust los van deze Godonterende gedachten. Dan zien we tegenspoed, en in nog sterkere mate ziekte en dood, van de veroorzaker van het kwade komen; van de satan, de gewetenloze koning van het rijk der duisternis.

Gods naam is eeuwenlang ten onrechte in verband gebracht met allerlei kommer en kwel die over het mensdom zou kunnen komen. Het heiligen van Gods naam houdt in, dat die losgemaakt wordt van het Oudtestamentisch denken: 'Ik dood en doe herleven. Ik verbrijzel en genees' (Deut.32:39).

Mozes' visie op God was behoorlijk versluierd. Hij dichtte Hem het goede èn het kwade toe. Maar de boom der kennis des goeds en des kwaads was een objekt waar God Zichzelf van distantieerde en waar Hij de mens voor waarschuwde.

Jezus, die een getrouw beeld van de Vader is, zegt niet: Ik dood en doe herleven. Hij openbaart dat het niet èn èn is, maar òf òf. Wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien' Joh.3:36) en 'Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed' (Joh.10:10).

In denken en doen

Betekent het, dat wanneer we alleen maar goeds van God denken, we dan voldoen aan het heiligen van Gods naam? Het begint daar vanzelfsprekend wel mee - de mens heiligt zich allereerst in het hart van God als zijn Vader. Maar waar het hart vol van is, vloeit de mond van over. De mens die God in het hart heiligt, zal daar ook in zijn spreken blijk van geven. Het wezen Gods komt in de mens alleen openbaar als dat naar buiten toe blijkt. Als ik mijn goede gedachten over God voor mij houd, zal Hij dat wel, maar een ander niet op kunnen merken.

Als het ons werkelijk ernst is Gods naam te heiligen, blijft het overigens ook niet bij woorden. Dan zal het beeld van God de Vader in ons leven, in heel ons doen en laten, openbaar komen. De bede 'Uw naam worde geheiligd' kan bij de Vader alleen dan geloofwaardig overkomen, als we zijn naam dusdanig in ons leven heiligen, dat de heiligheid van God daaruit zonneklaar blijkt. God, de gans andere, geeft ons de mogelijkheid in Christus ook geheel anders te wezen (Ef.4:20). Daardoor passen we bij ons Hoofd, bij Jezus, en bij onze Vader die in de hemelen is... bij Hem die in de toekomende tijden onze Man zal wezen.

God is naar zijn wezen heilig en Jezus heeft Zich van af zijn begin in volkomen heiligheid ontwikkeld. Waar wij in Christus zijn, zullen we in onze geestelijke groei eveneens in heiligheid naar het beeld van God verder gevormd worden. Daar krijgen we de tijd en de mogelijkheden voor. Want God jut ons niet op in het herstel van ons wezen naar het oorspronkelijke koncept. Hij geeft ons de ruimte om ons tot ontplooiing te laten komen. Hij heeft er zijn eer in gesteld dat dat in elk opzicht goed zal wezen. Daarmee wordt zijn naam voor altijd geheiligd. God is goed - enkel goed - en Hij werkt dit gave gegeven samen met ons in onze levens uit.

Gods naam, zijn wezen, komt in alle zuiverheid tot z'n recht in het hemelse Koninkrijk. Om dat Koninkrijk leert Jezus ons te bidden.

Levend geloof 32e jaargang nummer 351 september 1993

'...Uw Koninkrijk kome'

(Matt.6:10a).

Waar men om vraagt, pleegt men over het algemeen nog niet te hebben. Het is daarom voor de hand liggend, dat men deze bede in de toekomst projecteert. Maar de vorige keer hebben we gezien dat de heiliging van Gods naam eigenlijk slechts dán terecht verwacht kan worden, als we die zelf al hoog in ons vaandel geschreven hebben. We kunnen niet verwachten dat anderen door ons tot het heiligen van Gods naam gebracht worden, als we niet zelf uit die heiliging leven. Zo heeft het alleen dán zin om de komst van Gods Koninkrijk te bidden als jezelf al in het klimaat ervan leeft. Anders besef je ook niet waar je eigenlijk om bidt.

Een koninkrijk van priesters

Om te weten hoe het Koninkrijk van God funktioneert, zouden we kunnen zien hoe God dit onder het oudtestamentische schaduw-verbond formuleert. Hij zegt tot het ganse huis van Jakob: 'Gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk' (Ex.19:6). Dat zou overigens niet automatisch gebeuren, maar pas door aandachtig naar God te luisteren en zijn verbond te bewaren.

Dat het natuurlijke Israël, ten tijde van het oude verbond, niet als een koninkrijk van preisters funktioneerde, kwam vooral doordat het hardnekkig weigerde een heilig volk te zijn. Het luisterde meestal niet eens naar hun God, laat staan dat het aandachtig luisterde. En als mensen niet op het woord van hun God achtslaan, komt gegarandeerd de tegenstander uit de hemelse gewesten zijn aan Gods plan tegengestelde gedachten in hun denken dumpen. Van een koninklijk priesterschap komt dan al helemaal niets terecht.

Daarom is het ook in onze tijd nodig aandachtig met de woorden Gods bezig te zijn. Ieder zal dat persoonlijk doen, maar ook samen als gemeente, teneinde in staat te zijn Gods denken te doorgronden en samen een koninklijk priesterschap te vormen. Wanneer er in de plaatselijke gemeente, of in met regelmaat gehouden inter-gemeentelijke kontakten, geen plaats is voor het aandachtig bezig zijn met Gods gedachten, zijn we met elkaar verkeerd bezig. Ook in het nieuwtestamentisch denken (misschien wel juist daarin) zal satan in het denken van de mens ingangspoorten zoeken. Daarom dienen we te beseffen dat we nooit een koninkrijk van priesters kunnen vormen zonder openlijk kleur te bekennen voor God en zijn plan.

Wanneer wij aandachtig kennis nemen van Gods gedachten van herstel voor de mens en daar ten diepste mee bezig zijn, zal dat uitlopen op de tot standkoming van een koninklijk priesterschap, zoals dat funktioneert in het Koninkrijk van God. Bidden om de komst van Gods Koninkrijk heeft slechts dán zin als we ook daadwerkelijk met dit Godsrijk bezig zijn, zowel in ons persoonlijk leven als in het gemeentelijk samenzijn. Zei niet Jezus reeds: 'Het Koninkrijk Gods komt niet zó dat het te berekenen is; ook zal men niet zeggen: Zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u' (Luk.17:20-21).

Bidden of ontvangen?

Als we op gezag van Jezus geloven dat het Koninkrijk Gods onder ons is, waarom dan nog langer de Vader om dit koninkrijk gebeden? Het is dan toch veeleer een kwestie van gelovig aanvaarden en dankbaar beamen dat God het gegeven heeft? In Lukas 12 vers 32 zegt Jezus: 'Wees niet bezorgd, gij klein kuddeke, want het heeft uw Vader behaagd u het koninkrijk te geven'. Ofschoon deze zin in de voltooid verleden tijd gesteld is, staat hier niet met zoveel woorden dat de Vader ons het koninkrijk reeds in totaliteit gegeven heeft. Was dat wel zo, dan zou Jezus ronduit gezegd hebben: Uw Vader heeft u het koninkrijk beschikt. Zo geformuleerd was het zonder meer een voldongen feit geweest. Maar Jezus zei: 'Het heeft uw Vader behaagd...'. Het voor altijd vaststaande gegeven hierin is, dat de Vader er plezier in heeft ons zijn koninkrijk toe te vertrouwen. Het in Gods Koninkrijk alles onder kontrole hebben, is een nu nog niet afgelopen hoofdstuk.

Het Koninkrijk van God is bovendien niet als een komfortabele stoel, waarin je (diep weggezakt) gemakkelijk in slaap kunt sukkelen. Het is eerder een gegeven dat je in beweging brengt, waar je je echt in ontplooien kunt en waarin je werkelijk deel kunt hebben aan het zo door God bedoelde leven.

Als we om de komst van Gods Koninkrijk bidden, denken we aan de volledige doorwerking van de principes die de Vader in dat rijk gelegd heeft. En met dat voor ogen, is het dus alleszins zinvol de Vader om de (volledige) komst van zijn koninkrijk te vragen. Jezus heeft ons hier ook niet geleerd te bidden: 'Vader, geef ons alstublieft uw koninkrijk...; Hij bad voor ons: Uw Koninkrijk kome'. In het midden latend aan wie de Vader zijn rijk zou geven.

Dat wij, in de Christus ingevoegd zijnde, samen met Jezus op de troon zullen zitten, is geen gevolg van onze verdienste, maar zuiver van Gods voorkeur daarvoor. Voor zover er ook sprake is van verdienste van de kant van de mens, kan die uitsluitend bij Jezus gevonden worden. Daarom heeft de Vader het koninkrijk aan Jezus beschikt; en Hij, Jezus, beschikt het mede aan zijn discipelen (Luk.22:29).

 

Biddend ontvangen

Als zijn hedendaagse discipelen mogen we aan Jezus' tafel eten en drinken. Dat wil zeggen dat we het voorrecht hebben, de woorden Gods samen met Jezus en de zijnen, te verwerken in ons denken, en vanuit die vernieuwde gedachten in Gods Koninkrijk bezig te zijn. Want de zin van verandering in denken is in levensvernieuwing gelegen en vindt zijn climax in het openbaar worden van de zonen Gods. Als Gods Koninkrijk over ons gekomen is, blijkt dat uit het voor het gezag van Christus wijken van de machten der duisternis (Matt. 12:28).

Door de inwonende Heilige geest geeft de Vader ons nieuwe, van vóór die tijd ongekende mogelijkheden. Als we om Gods Koninkrijk bidden, mogen we ons tegelijkertijd uitstrekken naar de doorwerking van dat rijk in onze levens, zodat de vrede Gods onder ons werkelijk eindeloos zal zijn (Jes.9:6).

Als we hemels leven kennen, doordat we deelhebben aan de heerlijkheid van Christus, houdt dat in dat goddelijke vrede ons hele hart vervult. Dat zal dan ook in alle facetten van ons leven duidelijk wezen, in ons bezig zijn in de natuurlijke wereld evengoed als in onze wandel in de hemel.

Ik kan nooit in de hemelse gewesten de vrede Gods smaken en Hem, daar verheerlijken vanuit een Hem toegewijd hart, en tevens op aarde in onmin leven met andere mensen die Hem rechtens toebehoren. In het Koninkrijk Gods zal ik alleen dan kunnen functioneren als ik God dien met een onverdeeld hart. Dan zal ik er op gericht zijn, zijn wil in de hemel te volbrengen, maar in precies dezelfde mate (dus volledig!) ook op de planeet die aarde heet.

Levend Geloof 32e jaargang nummer 352 oktober 1993

'...Uw wil geschiedde, gelijk in de hemel alzo ook op aarde'

(Matt.6:10b)

'Uw Koninkrijk kome...' leerde Jezus ons bidden. Als die bede ons ernst is, zullen we bereid moeten zijn burgers van dat Koninkrijk te worden. En dat zal alleen dan kunnen, als we oog hebben voor de geopenbaarde wil van onze hemelse Vader. Als we de Vader vragen dat zijn wil op aarde net zo als in de hemel geschieden zal, zullen we tenminste serieus op die wil gericht dienen te zijn.

God wil het!

Dat is een uitdrukking die in de loop der eeuwen, door de mensen in allerlei situaties gebruikt is. Daarbij is het altijd zaak, je af te vragen of de Vader zich wel vinden kan in dat wat als zijn wil gedoodverfd wordt. De kruisvaarders slaakten deze kreet bij hun pogen Palestina op de Turken te veroveren. Maar van het volbrengen van Gods wil, hadden zij niet veel meer kaas gegeten dan de heidense Turken die ze belaagden. Ze snapten er werkelijk niets van!

In het volvoeren van de wil van onze hemelse Vader heeft de mens een aktieve rol, dat mag wel duidelijk wezen. Maar hoe leer je die wil kennen? Ik dacht uit de openbaring van het woord Gods. Dat is, zeker voor de algemene richtlijnen, het geschreven woord Gods. Men vindt die in de bijbel, zoals blijkt uit 2 Timotheüs 3 vers 16 en 17. Daar staat: 'Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust'.

Door de leiding van Gods Geest worden we in staat gesteld, de gedachten van de Vader eruit te distilleren. Dat voorkomt dat we alleen dát ter harte nemen wat in ons straatje te pas komt. Aan de andere kant voorkomt het tevens dat we elk bijbelwoord als maatgevend zouden gaan beschouwen - ook die gedachten die klaarblijkelijk niet door God ingegeven zijn.

De wil van de Vader (ook voor het persoonlijke leven) kan nog nader verduidelijkt worden door het spreken Gods in eigen hart en door profetieën die God in zijn huisgezin geeft. Toetsing van de profetieën is zonder meer noodzakelijk, en ook zal niemand er vanuit dienen te gaan dat alles wat men als zekerheid in het hart ervaart, per definitie van de Vader der lichten komt. Een door aan ander uitgesproken profetie, zal zeker in het hart van de betrokkenen worden bevestigd. En andersom zal Gods openbarende stem in je innerlijk, ook van elders bevestigd worden. Ga dus niet ál te vlug in op wat zich (al dan niet door mensen heen) vanuit de geestelijke wereld aandient als zijnde de geopenbaarde wil van de hemelse Vader. Wacht zeker op de bevestiging die Hij geven zal.

Wat wil God dan?

We lazen in 2 Timotheüs, dat God wil dat de mens die hem toebehoort, volkomen toegerust zal wezen tot het doen van alle goed werk. Dat houdt dus iets anders in, dan altijd geestelijk op je tenen te moeten lopen in een niet blijvend vol te houden pogen, de wil van God in je leven te volbrengen.

Als een natuurlijk christen aan de wil van de hemelse Vader probeert te voldoen, zal hem dat hoostens ten dele gelukken en waarschijnlijk ook niet voor onbepaalde tijd. Net zoals het Nederlandse leger in de meidagen van 1940 opzienbarende resultaten boekte op de Grebbeberg en op de Rotterdamse Maasbruggen, maar niet lang stand kon houden tegen een overweldigende overmacht van goed getrainde soldaten van het zogenaamde derderijk. Een overmacht die bovendien veel beter en moderner was uitgerust.

God wil dat we berekend zijn op onze taken. Niet persé voor allerlei zaken die we eigenmachtig ter hand nemen, maar wel voor de taken die Hij elk mens persoonlijk heeft toegedacht. Moet je daarvoor dan eerst verschrikkelijk sterk worden? Is het zaak je innerlijke imago tot ongekende hoogten op te vijzelen? Allerminst! Een mens zal zich tegenover de machten der duisternis niet groter voordoen dan hij is, en naar de mensen toe trouwens ook niet. Dat is ook helemaal niet nodig. Onze innerlijke kracht wordt niet afgelezen aan onze inzet, ons enthousiasme en de mate van onze menselijke kracht in de hemel en op de aarde, maar die krijgt gestalte voor zover wij 'in de Heer' zijn en Gods kracht in ons openbaar kan komen.

Wanneer we ons leven naar Gods gedachten inrichten, zullen we in staat zijn Gods wil in de hemel te volbrengen en in precies dezelfde mate ook op de aarde. De goede engelen volbrengen Gods wil in de hemel van Gods heerlijkheid op grond van de tot hen gerichte woorden Gods. De mens, die in Christus weer goed geworden is (zéér goed zelfs), zal evenals Gods engelen in de hemel bezig zijn. En de Vader zal zijn engelen gebieden de mens te ondersteunen in zijn hemel en aarde omvattende opdracht, opdat de wil van de Vader op aarde net zoals in de hemel geschieden zal.

Hoe vul je dat in

De mens Gods kan dat maar op één manier bereiken, namelijk door zich te richten op wat de Vader ons in het vooruitzicht stelt: het goede, welgevallige en volkomene. Wanneer alles naar Gods maatstaven goed, Gode welgevallig en zelfs volkomen is, is de situatie in allen dele in de hemel en op de aarde naar de onveranderlijke wil van de Vader.

Dat lezen we in Romeinen 12 vers 2. Daar staat niet dat wij moeten streven naar de volmaaktheid, maar daar reikt ons de Heer een kostelijke gedachte aan, namelijk dat de vernieuwing van denken uitmondt in erkenning van het goede, welgevallige en volkomene, als zijnde de doelstelling van God.

We zijn dus niet alsmaar bezig ons naar de volmaaktheid uit te strekken, maar zijn vanuit de hervorming van onze gedachten, doende met de verdere doorwerking van Gods gedachten van heil over ons.

Gods plan voorziet in alles wat we nodig hebben. En naar gelang we daar meer van ontdekken, zullen we ons er ook meer van kunnen toeëigenen. Gods wil is wet in de hemel van zijn heerlijkheid. En dáár is onze wandel, daar hebben we deel aan de wetmatigheden van die gelden voor de met Gods Geest doordrenkte kinderen van het Koninkrijk. Als wij bidden of Gods wil op aarde net zoals in de hemel geschieden zal, zal dat in de van God gegeven verhoring zeker voor de mens de bevestiging inhouden dat hij in wezen ondeelbaar is. In de hemel en op aarde, zowel in de geestelijke als in de natuurlijke wereld ofwel naar het innerlijk zowel als naar het lichaam, mag de mens beelddrager Gods wezen.

Want ook de Heer, onze God is één en ondeelbaar. Het is volkomen naar de wil van onze hemelse Vader, dat dit goede, ondeelbare principe in de mens in harmonie met zijn wezen zal zijn. Nu is dat nog ten dele, maar straks helemaal... net zo loepzuiver als het in Jezus openbaar gekomen is. Om ons natuurlijke lichaam in stand te houden, is er wel het één en ander nodig. Voor ons geestelijk lichaam trouwens ook.

 

 

Levend Geloof 32e jaargang nr 353 november 1993

'Geef ons heden ons dagelijks brood'

(Matt.6:11).

Het model dat Jezus ons in het 'Onze Vader' aanreikt, is goed uitgebalanceerd. Vanzelfsprekend eigenlijk, want bij Jezus lag alles in balans. Ook in de korte aaneenschakeling van gedachten die het 'Onze Vader' genoemd wordt, is dat terug te vinden. Heiligen doe je in de geestelijke wereld, maar als je het doet heeft dat onmiddelijk konsekwenties in het natuurlijke leven.

Het Koninkrijk van God is het Koninkrijk der hemelen, het rijk dat in de geestelijke wereld gesitueerd dient te worden. Gods wil geschiedt daar overeenkomstig zijn eeuwige plan, maar het natuurlijke leven deelt daarin zó duidelijk, dat we vrijuit kunnen bidden of Gods wil ook op aarde geschieden zal. Bij de bede 'Geef ons heden ons dagelijks brood', zou je enkel aan de noodzakelijke levensbehoeften in het natuurlijke vlak kunnen denken. Maar doe je dan recht aan de evenwichtigheid die dit gehele gebed kenmerkt?

Ons dagelijks brood

Niemand zal bij deze woorden aan een kale boterham denken, want de gangbare gedachte over het dagelijks brood omvat ons totale pakket levensbehoeften. De één zal daarbij uitsluitend het allernoodzakelijkste deel daarvan in gedachten hebben, de fundamentele zaken in de natuurlijke wereld, de dingen die onmiskenbaar onontbeerlijk zijn. Maar een ander deel zal dit heet wat ruimer interpreteren: wellicht kompleet met auto, televisietoestel, komputer en luxe jacht. Het zij zo.

Maar onder het dagelijkse brood waar we onze hemelse Vader om bidden, zullen we minimaal voedsel, kleding en onderdak verstaan. Alles wat we nodig hebben om naar behoren te kunnen funktioneren, zal hiervoor in aanmerking komen. Zonder voeding kunnen we geen van allen, zonder kleding al evenmin en zonder huisvesting zal het toch ook moeilijk gaan. Voor dat alles kun je werken (als je gezond bent en werk gevonden hebt), maar dan werk je om de natuurlijke spijze die vergaat (Joh.6:27).

Werken om de spijze die vergaat, komt bij sommigen nogal negatief over. Als je met het tijdelijke bezig bent, is dat iets dat (in het beste geval) na enige decennia ophoudt. Want niet alleen de natuurlijke spijze vergaat, maar ook alle natuurlijke zaken die daardoor verkregen zijn. Op zich is dat waar; het zichtbare is tijdelijk; slechts het geestelijke heeft eeuwigheidswaarde. Maar onze God heeft de mens immers geschapen om in twee werelden te leven, in de geestelijke... maar ook in de natuurlijke?

Welnu, om in de natuurlijke wereld overeenkomstig Gods plan bezig te kunnen zijn, hebben we doodgewoon natuurlijk brood nodig. Daarvoor ga je naar een natuurlijke bakker - een warme of een koude, dat maakt niet zoveel verschil. Want het brood van de koude bakker is uiteraarrd ook door iemand warm gebakken, en het brood van de warme bakker is (eer het bij ons op tafel komt) al lang en breed koud geworden. Het behoeft vast geen nadere uitleg, dat geen mens op enkel geestelijk brood lang op deze aardbodem zal kunnen vegeteren.

Levend brood

'Werkt niet om de spijze die vergaat', zei Jezus, 'maar werkt om de spijs die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon van de mens u geven zal' (Joh.6:27).

Bedoelde Jezus werkelijk, wat sommige mensen menen, dat we 'los van het stof' moeten komen? Dat past helemaal niet in het denken van Jezus, dat is eerder de mening van vrome geesten. Zij willen de mens altijd naar een uiterste door laten slaan, om hem zodoende uit balans te halen.

Jezus had de intentie hun te zeggen: Wees niet uitsluitend met de natuurlijke dingen bezig, maak je toch niet altijd druk om het vergankelijke; bedenk liever de dingen die boven zijn, waar de Vader is! Ik heb de weg daarheen immers voor jullie gebaand?

Bij de bede 'Geef ons heden ons dagelijks brood', zullen we niet enkel aan de bruingebakken volkorenmik van de bakker om de hoek denken (al hoort die daar zeker bij), maar ook aan het levende brood in het hemelrijk, aan de woorden Gods die Christus Jezus ons geopenbaard heeft. Hij spreekt het woord van zijn Vader en Hij is diens woord. Vaders woord komt in het leven van Jezus tot uitdrukking, zowel in de hemel als op de aarde. Het natuurlijke brood hebben we nodig om in de zichtbare wereld bezig te kunnen zijn en het levende brood van de Christus hebben we minstens zo hard nodig om, naar Vaders plan, ook in de geestelijke wereld funktioneel te wezen.

Daarom moet de mens nooit één van de twee veronachtzamen, wat dat wreekt zich altijd. Het levende brood is ons van de Vader gegeven. Zonder dat, zonder Hem moet ik eigenlijk zeggen, rooien we het niet. Niet in de wereld van de geesten, maar ook niet op het rond der aarde. De Geest van de Christus leeft in de mens die opwast naar het zoonschap. Jezus Christus is voor ons het brood ten leven, en waar wij onze plaats in het hemelse klimaat van vrede en blijdschap hebben ingenomen, zullen we als toegevoegde zonen Gods voor anderen eveneens levend brood kunnen zijn. Want met Jezus is het allemaal pas echt begonnen, en door Gods Geest wordt het plan van de Vader in degenen die Jezus toebehoren, wereldwijd.

Elke dag genoeg

Anders dan de Prediker zegt, klinkt het door de Geest van Christus uit onze mond: Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen goed. Op grond van Jezus' bede 'Geef ons heden ons dagelijks brood', mag een mens verwachten dat er alles voorhanden zal zijn om van dag tot dag uit Goddelijke vernieuwing te leven. Een overvloed aan hemels brood, zodat we bij de Vader boven bezig kunnen zijn en in de strijd in de hemelse gewesten overwinningen op de machten der duisternis zullen kunnen behalen.

Dat geeft een ongeknecht leven in de geestelijke wereld voor onszelf en voor degenen met wie de Vader ons in kontakt

brengt. Maar ook voldoende materiële mogelijkheden om onze taak in de natuurlijke wereld ten uitvoer te kunnen brengen. Daar leert Jezus ons om te vragen, in een gelovig vertrouwen dat de Vader ons ook inderdaad alle goeds in hemel en op aarde ter beschikking stelt.

Aan de Vader zal het niet liggen en aan ons ook niet, denk ik zo. De enigen die altijd dwarsliggen zijn de vorst der duisternis en z'n vele horden demonen. Het dwarsliggen is hen tot een tweede natuur geworden. Het lijkt me goed hen eenzelfde lot toe te kennen als wat de spoorwegen overal ter wereld met dwarsliggers doen. Bevestig ze maar onder het spoor dat naar het tevoren door de Vader vastgestelde doel toeleidt, het rechte spoor dat we met onze voeten zullen trekken. Dan kunnen ze geen kant meer op! Maar wij wel: met elke dwarsliggende macht onder onze voeten, ligt de weg naar boven 'open'. 'In dat spoor dan ook verder', vindt Paulus van Tarsen.

Levend Geloof 32e jaargang nummer 354 december 1993

'En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren' (Matt.6:12).

Geen weldenkend men op aarde zal menen nimmer iets fout gedaan te hebben, nooit iets tegen een ander misdreven te hebben. Voor iemand die in God gelooft, is het dus niet zo moeilijk Hem om vergeving te vragen. Want elke overtreding tegen mensen, is er tegelijkertijd één tegen de Vader. En dan kan een mens Hem ook nog rechtstreeks bedroeven.

Vergeef ons

Jezus, doet er nogal nuchter over. Hij steekt geen omstandig verhaal af, om met allerlei geijkte formuleringen te proberen het Goddelijk vaderhart te vermurwen. Hij weet dat God liefde is en nergens toe vermurwd behoeft te worden. Jezus gebruikt in het modelgebed geen enkele religieuze kreet. Hij zegt niet: Vader, wij hebben het eigenlijk niet verdiend, maar wij pleiten op uw genade... zou u zo goed willen zijn onze schulden te vergeven?

Hij leert ons heel simpel te bidden: 'Vergeef ons onze schulden'. Geen breedsprakerige omschrijvingen - gewoon vragen om vergeving zonder meer, want God de Vader vergeeft z'n mensen van ganser harte. Dat de laatste drie beden in de gebiedende wijs staan, is een detail waar we niet teveel aandacht aan zullen schenken. Dat is slechts de taalkundige vorm die Jezus hier gebruikt, het heeft totaal niets te maken met een misplaatste houding tegenover de Schepper.

Overigens zal ik zeker niet bidden: Vergeef de anderen hun schulden, gelijk ook zij hun schuldenaren vergeven. Want het raakt mij immers net zo goed persoonlijk. Daar staat tegenover dat ik de Vader net zomin zal vragen: vergeef mij mijn schulden, gelijk ook ik mijn schuldenaren vergeef. Want het raakt niet alleen mij, maar dat doet het een ieder die de Heer volgt. De Schrift zegt dat alle mensen gezondigd hebben en de heerlijkheid Gods derven (Rom.3:23-24). Evenzo goed staat er in diezelfde verzen, dat ieder die in Christus Jezus is, om niet gerchtvaardigd wordt, door Gods genade vanwege de verlossing in Christus Jezus.

'Vergeef ons onze schulden', bidden we hier. Moéten we dat wel vragen, omdat de Vader ons onze schulden anders aan blijft rekenen? Wordt God door deze bede in z'n hart veranderd en gaat Hij ons vanaf het moment dat onze schuldbelijdenis Hem bereikt heeft, weer aksepteren? Nee, de eeuwige God valt niet te veranderen. Hij is altijd dezelfde, onwankelbaar in alles. Hij heeft ons al ons falen (al lang voordat we hem daarover benaderd hebben) van ganser harte vergeven. Maar vanaf het moment dat we dit in geloof onder woorden brengen, ervaren we het in ons hart.

Net als de Vader

Wat zeggen we nu eigenlijk, dat we onze schuldenaren in dezelfde mate vergeving schenken als dat God het ons doet, of dat God onze schulden vergeven zal zoals wij het onze schuldenaren doen? Zit onze hemelse Vader te wachten op wat wij doen, teneinde met ons op dezelfde manier om te gaan? Of volgen wij het voorbeeld van de Vader en vormen we ook inzake de vergeving van schulden zijn evenbeeld?

Velen zijn ervan overtuigd dat alleen de hemelse Vader echt vergeven kan. Grondig en uit het diepst van zijn wezen. Dan zal deze bede geuit worden vanuit de veronderstelling, dat wij het hoogstens zo goed mogelijk ná kunnen doen. Maar het blijft natuurlijk mensenwerk... en dus betrekkelijk! Bedoelt ook Jezus dat? Nergens predikt Hij het onvermogen van de mens om aan Gods maatstaven te beantwoorden, noch de onmacht om zich boven satan's leugenachtige ideeën te verheffen. Hij zegt ons, eenvoudig te bidden: 'Vader, vergeef ons onze schulden, zoals wij dat ook aan anderen doen'. We zullen daarbij nooit mogen vergeten, dat God ons éérst heeft liefgehad (1 Joh.4:9) en dat onze liefde tot God en de mensen derhalve op z'n best een gevolg daarvan en een vervolg daarop zal kunnen zijn. Het initiatief is van de Vader uitgegaan. Hij heeft in liefde, maar ongetwijfeld ook in de vergeving, het voortouw genomen.

God heeft ons eerst liefgehad, namelijk van den beginne... in Christus. Hij had al voor de schepping de Christus in gedachten, de mens die met zijn Geest gezalfd zou zijn en zijn beeld zou dragen. Dat zou niet tot één beperkt worden, maar tot het gehele mensengeslacht worden uitgebreid. Dat plan van de Vader is nog steeds aktueel en heeft z'n aanvang gevonden in Jezus. Hij is de Christus, de met Gods Geest gezalfde, die (naar Gods woord) de eerstgeborene onder vele broeders zou zijn (Rom.8:29). Ingevoegd in de Christus, zullen we dus allemaal Vaders beeltenis in ons hart dragen.

Een wisselwerking

God heeft ons op voorhand het kwade vergeven. Sterker nog: Hij is liefde, dus rekent hij ons het kwade niet eens toe (1 Kor.13:5). Maar doordat satan, tegen Gods bedoeling in, zeggenschap over de mens heeft gekregen, was het offer van Jezus Christus nodig om de mensheid uit haar gevallen staat vrij te kopen. Zodra iemand dat gelooft, werkt het. De mens zal dan Goddelijke vergeving ervaren. En wanneer hij in het klimaat van verzoend-zijn-met-God blijft leven, is er een doorwerking van Goddelijk herstel nodig. Gods Geest kan dan samenwerken met onze geest, en daaruit ontstaat een zich verder ontplooiende wisselwerking. Wij leren lief te hebben zoals de Vader ons liefheeft en we leren te vergeven, zoals de Vader ons vergeeft.

Maar aan de andera kant kan de Vader zijn liefde slechts aan ons kwijt, voor zover wij hebben leren liefhebben en kan Hij ons zijn vergeving slechts doen toekomen naar de mate waarin wij geleerd hebben te vergeven. Dat is de intentie van Jezus' woorden in Mattheüs 6 vers 14, in feite de uiteenzetting van een geestelijke wetmatigheid. Het is dus niet zo dat de Vader de onverzoenlijken onder zijn mensen niet wil vergeven, maar dat Hij dat niet kan doordat Hij zijn liefde en vergeving niet kwijt kan. Er is geen ontvankelijk hart voor. Het is geen kwestie van: ómdat je zo halstarrig bent krijg je het niet, maar alleen: dóórdat je zo halstarrig bent werkt het niet. Het past dan ook precies in de harmonisatie tussen de Eeuwige en de kroon die Hij Zich van den beginne op zijn schepping gedacht heeft. Het is de heerlijkheid die Hij gevonden heeft in Jezus Christus en diens gemeente, u en ik. Onze Vader is goed voor ons, zeker weten! Maar wat moeten we dan aan met de bede; 'En leid ons niet in verzoeking?

Levend Geloof 33e jaargang nummer 355 januari 1994

'En leidt ons niet in verzoeking' (Matt.6:13).

Hoe zou het overkomen als Jezus ons had leren bidden: Vader, over verzoekingen gesproken, U kunt het gewoonweg niet maken ons aan de verzoekingen van de vorst der duisternis bloot te stellen! Zo'n bede zou niet kunnen, want satan is nu eenmaal niet uit onze omgeving weg te denken. Hij ligt altijd wel ergens op de loer, voortdurend in hinderlaag om de mens met allerlei schoonklinkende gedachten te bespringen. Hij beoogt daarmee het menselijk denkpatroon tot verstoring te brengen, maar daartegen hebben we gelukkig effektief verweer. We behoeven echt geen willoze slachtoffers van Gods tegenstander, van God's toorn te zijn.

Goddelijke twijfel?

Wordt de mens, die zijn of haar schuldenaren vergeven heeft, en zelf ook vergeving van God heeft ontvangen, door de Vader in de handen van de boze gedreven? Daarover kunnen we , denk ik duidelijk zijn. Werd de onbeschadigde Jezus in zijn kleutertijd door Gods Geest in de woestijn geleid om daar door de boze verzocht te worden? Nee, de volwassen Jezus, de volgroeide Zoon Gods, werd door de Vader in de eenzaamheid van de woestijn gebracht (Matt.4:1-11). En daar (niet van God, maar wel van alle mensen verlaten) zette de satan hem gedurende veertig dagen onder druk. We zullen ons voor kunnen stellen, dat de drie in het woord opgetekende verzoekingen niet meer dan moment opnamen zijn, de klimax van een reeks verzoekingen die in vijf en een halve week op Hem afkwam, in een lange periode van alleen zijn. Twijfelde God aan zijn Zoon? Geen moment! Want vlak voordat Hij Hem naar de woestijn leidde, zei de Vader van Jezus: 'Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb' (Matt.3:17). De Vader zei daar niet bij, dat z'n welbehagen afhankelijk was van de volharding van Jezus in de (toen nog) aanstaande verzoekingen, want Hij vertrouwde zijn Zoon op voorhand volkomen. Deze toets was dus niet nodig om de Vader van Jezus' loyaliteit te overtuigen, maar om enerzijds een publiekelijk getuigenis te zijn voor alle geestelijke en natuurlijke schepselen, en anderzijds de overwinning van de met Gods Geest vervulde mens te proklameren.

Twijfelt God aan het welslagen van zijn plan met de mens-in-Christus in onze dagen? Net zo min. Want Hij weet weliswaar wat maaksel wij zijn, gedachtig aan het feit dat we uit zichtbare materie gebouwd zijn (Ps.103:13-14), maar Hij heeft ook gekonstateerd dat we van origine 'zeer goed' zijn (Gen.1:31). Of is dat, sinds de zondeval, een voorbijgegaan station? Nee, in Christus zijn we op het goede station teruggekeerd en kunnen we weer welgevallig voor God zijn in het bewaren van zijn liefdevolle geboden (1 Joh.3:21-24).

Het doel der verzoekingen

Is het nu echt nodig dat we door Gods tegenstander verzocht worden? De toets van grenzeloze trouw aan de Vader heeft Jezus toch al afgelegd en wij zijn immers samen met Hem in de Christus? Op zich is dat waar, want alles wat we in positieve zin zijn, is op basis van het volbrachte werk van Jezus Christus. Zonder Jezus hadden we geen been om op te staan. Maar middels vele mensenmonden voert satan al eeuwen lang aan, dat Jezus niet maatgevend is voor de rest van de mensheid. Hij is immers rechtstreeks door de Vader bij Maria verwekt (Matt.1:18). Hij stamt dus slechts voor de helft van Adam en Eva af en zal in een sterkere positie staan dan andere leden van het menselijk geslacht.

Het is gewoon nodig om (in verzoekingen volhardend) de proef te doorstaan. Niet om daarmee de Vader het overtuigende bewijs te leveren dat zijn schepping nog steeds aan zijn maatstaven voldoet, maar om ieder in de hemel en op aarde duidelijk te maken dat Gods plan wel degelijk in de mens-in-Christus gestalte aan het krijgen is en dat satan dat niet kan tegenhouden. Daardoor kunnen we blij zijn onder velerlei verzoekingen (Jak.1:2-4). Als bijkomende faktor geldt dat satan door middel van verzoekingen telkens weer in het eigen zwaard valt, want (nog steeds volgens Jakobus) de beproefdheid van ons geloof werkt volharding uit. Uit elke met succes doorstane verzoeking komen we sterker tevoorschijn dan we er ingingen.

Het doel van de verzoekingen is (van de vijand uit gedacht) voor de hand liggend, namelijk de relatie tussen God en de mens te doorbreken, om vervolgens die mens aan zich te binden. Het kontakt tussen de duivel en de mens is dwangmatig tot stand gekomen, terwijl de communicatie tussen de Vader en zijn kinderen altijd een open karakter heeft en van weerskanten is gewild. De mens die God toebehoort mag Hem beproeven, zelfs oudtestamentisch mocht dat wel (Mal.3:10), maar zo'n beproeving is, als het goed is, niet aan twijfel ontsproten. Precies zo heeft Goddelijke beproeving van de mens niets uit te staan met onzekerheid van Godswege over de betrouwbaarheid binnen het lichaam van Christus.

Wie verzoekt?

Verzoekt God ons? Nee, Hij brengt niemand in verzoeking (Jak. 1:13-14). We worden verzocht vanuit verkeerde begeerten van ons hart. De tegenpartij uit de hemelse gewesten inspireert die en tracht ze daarna te bevruchten ook, zodat de verkeerde begeerten metterdaad tot verkeerde daden worden. Het is satan die verzoekt - laat daar geen enkel misverstand over bestaan! Leidt God ons dan in verzoeking door de boze? Dan zouden we Mattheüs 6 vers 13 dienen te lezen als een dringend verzoek aan de Vader: Doet u dat nu toch als 't U belieft niet, want dat kunnen we helemaal niet hebben! En ik denk dat we het wel kunnen hebben, heel goed zelfs. We zijn beslist geen lijdende voorwerpen zonder meer, al zal het lijden ons niet vreemd overkomen (Joh.16:33).

Over lijden gesproken: Paulus schrijft ons in Romeinen 8 vers 36 tot 39 onder meer: 'Wij zijn gerekend als slachtschapen. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad'. Jezus Christus is meer dan overwinnaar over elke verzoekende macht; dat is een bekend gegeven. Maar hier staat dat wij, in de Christus ingevoegd zijnde, eveneens meer dan overwinnaars zijn over alles wat maar dwars ligt in de geestelijke wereld. Geen macht noch kracht, niets in het heden en niets in de toekomst, en geen enkel ander schepsel, zal scheiding kunnen maken tussen ons en de liefde Gods in Christus Jezus. Paulus schrijft niet dat dit tot de mogelijkheden behoort - hij drukt zich veel sterker uit. Hij schrijft: Ik ben verzekerd. Leidt God ons in verzoeking? Veeleer leidt Hij ons door de verzoekingen heen. Zoals gezegd: aan de verzoekingen door boze machten valt niet te ontkomen, maar wij mogen verzekerd zijn van ons meer dan overwinnaar zijn over alles wat ons in verzoeking brengt. Want onze God verlost ons van de boze. Zeker weten!

Levend Geloof 33e jaargang nummer 356 februari 1994

'..maar verlos ons van de boze' (Matt.6:13)

Net zoals de mens bij het uitspreken van de bede 'Vergeef ons onze schulden', ervaart dat de Vader het kwade in principe al lang vergeven heeft, bemerkt diezelfde mens bij het formuleren van de woorden 'En leid ons niet in verzoeking', dat God geen sterveling voortijdig de vuurdoop doet ondergaan. De waterdoop hebben we nodig als een openbare belijdenis van wat er in ons innerlijk tot leven is gewekt, de doop in Gods Geest is beslist onontbeerlijk om stand te hopuden tegen de machten der duisternis en de doop in (satanisch) vuur is een gegeven waaraan nu eenmaal niet te ontkomen valt, omdat de boze niet na zal laten ons in verzoeking te brengen.

Verlossing

'Verlos ons van de boze' wil niet zeggen dat we verwachten kunnen van het ene moment op het andere geen last meer van hem te hebben. Totdat satan gebonden wordt (Openb.20:1-10) is zijn pogen scheiding tussen God en de mensen te brengen, in zijn wezen verankerd. Daarna krijgt hij de kans niet meer. We bidden ook 'Uw Koninkrijk kome', en we hebben weliswaar de toegang tot dit Koninkrijk verkregen - we maken er zelfs deel vanuit - maar dat betekent nog niet dat het koninkrijk van satan daarmee achter onze horizon verdwenen is. De discipelen die deze beden van Jezus leerden, zagen Gods Koninkrijk op dat moment alleen nog maar in de persoon van hun Meester. Pas enige jaren later (op de pinksterdag) kregen ze zelf deel aan het hemelse Koninkrijk.

Ook algehele verlossing van de boze was op de dag dat het 'Onze Vader' voor de eerste maal weerklonk, nog een onhaalbare zaak. Dit werd pas mogelijk door Jezus' overwinning op de dood, via kruisiging en opstanding. Verlossing van de boze is ons door Jezus gegeven; niet wij hebben, maar Hij heeft satan de beslissende slag toegebracht. Onze overwinningen op de vorst der duisternis vinden hun basis in het volbrachte werk van Jezus Christus, maar ze worden wel degelijk door ons behaald. Jezus heeft zijn zending volbracht. Hij heeft ons voor God gekocht uit de macht van de boze - dat zou ons trouwens nooit gelukt zijn. En nu mogen wij leren die overwinning in de dagelijkse praktijk van ons leven waar te maken.

Dat betekent dat we geen hulpeloze slachtoffers van de diktator der duisternis zijn. Zijn leugens zijn ontkracht. Hij is ontmaskerd als de inspirator van alles wat het plan van God tegenstaat. En hij is tegelijkertijd openbaar gekomen als de vader van de leugen, die tegen de mens-in-Christus niet meer dan slechts te doorzien blufpoker kan spelen. Dat valt echter alleen te onderscheiden door de Geest Gods, waarin Jezus ons gedoopt heeft en waarvan we van dag tot dag vervuld mogen zijn. Het 'verlos ons van de boze' zal door ons niet vanuit een fatalistische achtergrond gebeden worden, maar vanuit de wetenschap dat de Vader ons in Christus machtigt om de werken van de boze in ons leven grondig aan te pakken.

Werk aan de winkel

Als bepaalde zondemachten nog een rol in ons leven spelen, ons denken vergiftigen en ons doen en laten in negatieve zin beïnvloeden, is het zaak met hen te breken. Radikaal. Want anders raakt ons innerlijk met hen verweven. In veel gevallen gaat dat ons vermogen te boven (Hebr.2:14-15), in andere omstandigheden kunnen we dat (1 Petr.2:1-20). Waar het boven onze geestelijke krachten gaat, opent de Heer ongetwijfeld nieuwe mogelijkheden (binnen het raam van zijn verlossingswerk).

De verlossing uit de macht van de dood vindt z'n uitbreiding naar vrijmaking uit de invloedssfeer van álle duistere machten. Door het onnavolgbare, niet voor herhaling vatbare verlossingswerk van Jezus Christus, zijn we onder satans botte dominantie vandaan gekomen. Kwaadwilligheid, bedrog, huichelarij, afgunst en kwaadsprekerij (en wat niet al!) werd ons opgelegd, het werd met geweld vanuit de geestelijke wereld in ons wezen gedrukt. Dat heeft z'n invloed op onze persoonlijkheid gehad, evenals bijvoorbeeld onreinheid, verwerping, leugen en weesrspannigheid dat hebben. De mens komt zodoende zélf over als een bedrieger, een weerspannige, een kwaadspreker, enz., terwijl dat vooralsnog een leugenbeeld uit de projector van de duisternis is. Pas als de boze aan het eind in de geestelijke afgrond geworpen wordt, buiten het bereik van de goedheid van de Almachtige, zullen de mensen die dan willens en wetens voor satan kiezen, buiten de genade van de Heer terechtkomen en zonder enige beperking vol van ondoordringbare duisternis zijn.

Voorwaar: Er is werk aan de winkel! Waar de gaven van de Geest in de gemeente van Christus funktioneren, is er Goddelijke autoriteit verkregen om in de naam van Jezus scheiding te brengen tussen mensen Gods en diverse, inwonende machten der duisternis. Absolute scheiding zelfs, want we behoren de Heer volledig toe. De breuk met de denkwereld van Gods tegenstander dient volkomen te zijn, maar dat lukt niet altijd in één keer. Soms is er een zekere strijd voor nodig (Openb. 12:11) en zal het zich allengs vrijvechtende kind van God, al of niet met ondersteuning vanuit de gemeente, tot glorie van de Vader meer en meer op z'n plaats in het lichaam van Christus komen.

'tIs nooit te vroeg om de werken van de boze in je leven aan te pakken. Dat wat zich vanuit het rijk der duisternis met je wezen verstrengeld heeft, raak je dikwijls niet zomaar kwijt! Al kan de één van bepaalde infiltraties van de boze in een ogenblik afstand nemen, zal de ander daar wellicht jaren werk mee hebben. 'Wie een dief was stele niet meet...' schrijft Paulus in Efeziërs 4 vers 28. Nou, dat is op te brengen, denk ik, Vaak kan dat van het ene moment op het andere.. Maar een kleptomaan zal daar aanmerkelijk langer over doen, want de boze heeft zo iemand met stevige banden in het innerlijk gebonden. Elke binding is wel-is-waar in de naam van Jezus te verbreken, maar daarmee is de persoon in kwestie zijn in de loop der jaren diep ingesleten beschadigingen nog niet kwijt. Er zal (ook na een bevrijding) nog een zware strijd gestreden dienen te worden. Maar dat gebeurt nooit uit een onderliggende houding. We vechten niet met de moed der wanhoop tegen een oppermachtige vijand, maar we strijden in het leger Gods tegen een overweldiger die weet dat hij de langste tijd gehad heeft. Ook al ervaren we de overweldiging van de boze in ons innerlijk, de verlossend kracht Gods, waar in het 'onze Vader' om gebeden wordt, helpt ons het iniatief naar onszelf toe te trekken. Als we in een concrete situatie aan de Vader vragen 'Verlos ons van de boze', maakt deze ons ongetwijfeld duidelijk dat Jezus Christus ons in principe verlost heeft, en dat we dat van die basis uit facet na facet in ons leven waar mogen maken.

 

 

 

Levend Geloof 33e jaargang nummer 357 maart 1994

'Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in der eeuwigheid (Matt.6:13).

(De bekende slotzin is niet door Jezus uitgesproken, maar vindt z'n oorsprong in de boeken van het oude verbond. De daarin tot uitdrukking gebrachte gedachten zijn er beslist niet minder om)

Het Koninkrijk der hemelen is van onze hemelse Vader. Hij heeft het bedacht in de voor ons ondenkbare situatie van het absolute niets. Van daaruit schiep God alle materie en al wat leeft op de aarde, zowel als in de hemel. Met als bekroning op dat alles, de mens als zijn beelddrager.

Van God is het Koninkrijk

'In den beginne schiep God de hemel en de aarde', begint Mozes de Pentateuch. Nadat God bedacht had hoe Hij het allemaal wilde hebben, begon HIj met de hemel en de aarde te formeren. Voordat de zich het leven bewust zijnde schepselen door hem tot aanzijn werden geroepen, zorgde Hij voor ideale leefomstandigheden. Vader God schiep dit alles met de mensen Gods (de met zijn Geest gezalfde zonen) in gedachten.

Alles is door het woord Gods, door in goddelijke liefde uitgesproken machtswoorden tot stand gekomen. 'Er zij licht', sprak God. En Hij heeft daarbij niet bij wijze van spreken met z'n vuist op tafel geslagen. Integendeel: het 'Er zij licht', paste in de vaderlijke zorg voor de schepping die God voor ogen stond. Alles kwam in de juiste volgorde tot stand, met de bedoeling dat het voor altijd in ideale onderlinge harmonie zou blijven.

God is onze Vader en van Hem is het Koninkrijk. In dat Koninkrijk heeft Hij ons een plaats gegeven, dat is waar! Maar dat neemt niet weg dat het Koninkrijk nooit ons persoonlijke eigendom zal zijn, maar dat het altijd het Koninkrijk van onze Vader zal blijven (1 Kor.15:28). Hij regeert, en Hij heeft zijn Koning aangesteld: Christus Jezus, zijn eniggeboren Zoon. Uit de kontekst blijkt, dat Hij alle duivelse heerschappij, macht en kracht onttronen zal, alvorens het koninschap over de bevrijde schepping aan de Vader terug te geven.

In de Christus ingevoegd zijnde, zijn we met elkaar een Koninklijk volk van priesters, in zijn ontferming ten eigendom aangenomen... opdat zijn grootheid in ons openbaar zou komen. Voor een ieder die dat gelooft, geldt dit kostbare, staat in vers 7. En dat blijft, zolang we ons in de liefderijke harmonie van Vader God en zijn Zoon Christus Jezus bevinden, dat wil zeggen in alle eeuwigheden (Openb.22:1-5).

Van God is de kracht

In de later ingevoegde slotzin van het 'Onze Vader', belijden we dat Vader God voor eeuwig Koning is. Samen met Jezus delen we in zijn koningschap, omdat Hij dat zo gewild heeft. Het Koninkrijk is echter van de Vader en ook de kracht is van Hem. We zullen ons dus nooit laten voorstaan op onze Geesteskracht, want we hebben die niet zelf opgebouwd: het is Gods kracht die in ons openbaar mag komen.. als we in Christus zijn, als we door en met Jezus mee vervuld zijn van de Geest van de Vader.

Wat de wereld ziet als dwaasheid van een gekruisigde Christus, inaktief onder de heerschappij van de dood, getuigt in werkelijkheid van Gods ongeëvenaarde wijsheid. Want het 'dwaze' van God is ontegenzeggelijk wijzer dan de door satan geïnfekteerde wijsheid van mensen. Christus Jezus was immers niet in het dodenrijk als slachtoffer van koning Dood, maar Hij was daar als overwinnaar die de dood teniet zou doen. Koning Dood kon Hem daarom niet vasthouden.

En het 'zwakke' van God is sterker dan de felste uitbarstingen van de beschadigde mensheid (1 Kor.1:25). Jezus Christus is uit zwakheid gekruisigd (2 Kor.13:4). Hij droeg de zondeschuld van de wereld; koning Dood meende daarom prompt zijn slag te kunnen slaan. Hij dacht Jezus voorgoed in zijn greep te kunnen houden, maar hij had buiten de wijsheid van de hemelse Vader gerekend.

Jezus was onbeschadigd het rijk van koning Dood binnengegaan met de woorden: 'Vader in uw handen beveel Ik mijn geest'. En daardoor leefde Hij ook in het dodenrijk uit de kracht Gods, zodat koning Dood, daar geen raad mee geweten zal hebben. Wellicht was deze blij dat hij de levende Zoon Gods na drie dagen weer uit zijn rijk kwijt kon raken!

In plaats van een eclatante overwinning van de machten der duisternis op de eniggeboren Zoon van God, door een inkapseling voor eeuwig in het rijk van de dood, bracht de Vader Hem terug in het volle leven van het ongestoord bezig zijn met de uitvoering van Gods eeuwige plan.

Het zwakke van God, zijn Zoon Jezus Christus in dienstknechtgestalte, bleek sterker dan wat satan allemaal demonstreerde aan demonisch geweld in de levens van een door zonde en ontwrichting aangetaste mensheid.

Van God is de heerlijkheid

De kracht is van de Vader en ook het Koninkrijk is van Hem. Die kracht openbaart Hij in de mens en de aldus bekrachtigde mens geeft Hij een plaats in zijn Koninkrijk. De Vader wordt verheerlijkt in de met zijn Geest bekrachtigde onderdanen binnen de grenzen van zijn rijk. De gedachte dat de Vader verheerlijkt wordt door het dragen van (veel) vrucht door de ranken (de mensen) aan zijn wijnstok (Jezus Christus), is een gegeven dat parallel loopt aan wat uit de slotzin van het modelgebede blijkt (Joh.15:8). Als we derhalve belijden dat het Koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid van de Vader is, kunnen we verwachten bij Hem geloofwaardig over te komen... mits we de door Hem verwachte vruchten aan het voortbrengen zijn. En juist daarin vindt de Vader zijn verheerlijking.

Is het in dit verband de bedoeling om veel te evangeliseren, langdurig te loven en te prijzen en vooral nauwgezet de tienden te offeren? Zoekt de Vader het hierin, zodat we er verstandig aan doen op dergelijke zaken het accent te leggen? Wel, binnen de grenzen van Gods Koninkrijk is het een goede zaak de blijde boodschap vanuit het hart uit te dragen. En ook onze God te loven en te prijzen als de beste Vader die we ons maar in kunnen denken, ligt duidelijk in de lijn van een gezond geestelijk denken. Een blijmoedige gever kan verzekerd zijn van de instemming vanuit het Vaderhart; dat staat als een paal boven water. Maar de hemelse Landman zoekt eerst de vrucht van de Geest aan de ranken van zijn wijnstok.

Als we de vrucht van de Geest voort gaan brengen (Gal.5:22), wordt onze Vader verheerlijkt. Waar Gods liefde in ons werkt en ónze liefde geworden is, waar de vreugde des Heren ons deel geworden is, waar de vrede van het Koninkrijk in onze harten is, lankmoedigheid in ons gevonden wordt, we vriendelijk tegen anderen zijn vanuit onze gemeenschap met de Heer, Gods goedheid in ons openbaar komt, we trouw zijn in alles wat God ons gegeven heeft, zachtmoedig zijn doordat de gezindheid van Christus de onze geworden is en geleerd hebben onszelf te beheersen onder alle omstandigheden... zijn we bezig de vrucht van de Geest voort te brengen. En daarin wordt de Vader verheerlijkt, want zijn beeld is dan duidelijk in ons aanwezig.

Op alles wat Jezus ons voorgehouden heeft, alleen al in het modelgebed, willen we graag ons 'Amen' laten horen.

Levend Geloof 33e jaargang nummer 358 april 1994

'Amen' (Matt.6:13).

Aan het einde van een (vol)zin staat een punt. In ons taalgebruik geeft de punt aan dat een zin af is - en dus ook een alinea, een hoofdstuk en een artikel of een boek. Dit gegeven is zelfs in de spreektaal doorgedrongen, want als we te kennen willen geven dat iets definitief voorbij moet zijn, zeggen we wel: afgelopen, punt uit!

Dat was het dan

Het woordje 'amen' is in de wereld wellicht de bekendste bijbelse uitdrukking. Velen denken dat deze vier letters ongeveer dezelfde betekenis hebben als de punt. Hiermee besluit je immers een gebed, een preek of een bijbelstudie. Als het 'amen' weerklinkt is het afgelopen, daar geef je mee te kennen dat er niets meer komt. Vandaar dat meermalen een kind tijdens een lang gebed of een dito preek, het geheel met een luidkeels 'amen' doorkliefde. Want dan kwam er tenminste een einde aan, dacht de kleine die daar ervaring mee meende te hebben.

Het 'amen' stelt bij veel volwassenen inhoudelijk niet veel méér voor. Wanneer men gedachteloos een (formulier) gebed opzegt, zal het laatste woord daarvan als funktie alleen de afsluiting van het geheel kunnen hebben. Zo'n gebed kan uit zinvolle gedachten zijn samengesteld, zoals het ons door Jezus voorgebeden modelgebed. Maar als iemand het gedachteloos afdraait, mist het zelfs de geringste diepgang. Het 'amen' op zo'n reeks aaneengeschakelde volzinnen, heeft dan vanzelfsprekend niet meer betekenis dan een zinafsluitend leesteken. In een dergelijke kontekst past typisch een geijkte zin als: ik wou dat ie nu maar eens amen zei!

Een woord met inhoud

Het uit het Hebreeuws genomen 'amen' betekent echter iets totaal anders. Het staat doorgaans wel aan het einde van een gebed of na een byzonder kernachtige opmerking, maar het wil veel meer zijn dan een punktuatieteken. 'Amen' is van een totaal ander orde dan bijvoorbeeld de uit de Psalmen bekende term 'sela'. Dat laatste woord is niet meer dan een rustteken in de muziek en heeft dus niets met de tekst te maken. Het is zinloos bij het hardop lezen van een Psalm, het woord 'sela' mee te nemen, hoewel dat soms beklemtoond en met verve voorgelezen wordt.

Maar het bijbelse 'amen' heeft een diepe betekenis. Veelal werd dit woord niet gebezigd door de spreker of bidder zelf, maar door anderen die bij de uiteenzetting of het gebed aanwezig waren (1 Kor.14:16). De toehoorders betuigden daarmee hun instemming met hetgeen ze zojuist hoorden. Ze wilden daarmee zeggen dat het gehoorde vast en zeker waar is. In modern Nederlands zou je het weer kunnen geven als: zeker weten! Of in een variant van nog later datum: absoluut! Het wil derhalve zoveel zeggen als: er behoeft aan het voorgaande niet getwijfeld te worden, ik geloof dat het zonder meer waar is, het staat als een paal boven water en je kunt er dus helemaal van opaan.

Ik geloof het echt

Dat is de intentie van het beamen van Jezus' woorden. Ik geloof het echt dat U, God, onze Vader bent, dat uw aandacht naar ons uitgaat met nimmer aflatende, liefderijke zorg. Ik geloof dat ik uw naam zal kunnen heiligen, dat mijn belijdenis aangaande U zal zijn naardat ik U heb leren kennen: als enkel goed (Matt.10:18).

Ik vertrouw er helemaal op dat uw Koninkrijk komt en ook in mij geopenbaard zal zijn, dusdanig zelfs dat uw wil ook in mijn leven geschieden zal - in mijn hemel en op het door mij beïnvloede stukje aarde. Ik weet zeker dat U in mijn dagelijkse behoeften zal voorzien, dat mijn schulden zijn teniet gedaan door het unieke werk van Jezus Christus en dat ik zelf ook van harte mijn schuldenaars zal kunnen vergeven.

Ik geloof rotsvast dat U, Vader, mij nooit of te nimmer met het kwade verzoeken zult en dat U mij geheel en al van de boze machten aan het verlossen bent, zodat ik werkelijk mijn voet op de nek van de slang zal kunnen zetten. Ja, amen!

Vader God, van U is het Koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid. Voor eeuwig zal dit in mijn ziel, in de kern van mijn bestaan, zijn uitdrukking vinden. Ik geloof het allemaal wat Jezus hier zegt. En omdat het écht zo is, stel ik mij er op in dusdanig bezig te zijn, dat de hemel die U mij gegeven heeft voor de volle 100% goddelijk rein en zuiver zal zijn: een klankbord voor de meesterlijke gedachten van uw bij Maria verwekte Zoon.

Hij is onze Amen...

In Openbaring 3 vers 14 wordt Jezus Christus de 'Amen' genoemd, de getrouwe en waarachtige getuige, het begin der schepping door God. Wat wil dit nu zeggen? Dit: Jezus Christus zégt niet alleen 'amen'. Hij bevestigt niet slechts de beloften van de Vader met zijn onder woorden gebrachte gedachten... meer dan dat, Hij is de 'Amen'. Hij, Jezus, draagt in zijn wezen de bevestiging van het onvergelijkbaar heerlijke plan van de Vader. Hij is het begin van de schepping door God en Hij is de 'Amen', de zekerheid ervan. Daarom staat er ook van Jezus Christus (evenals van de Vader) dat Hij de alpha en de oméga is, de eerste en de laatste, het begin en het einde (Openb.22:13).

Vader God begon de schepping tot aanzijn te roepen met de 'Amen' in gedachten. Pas als de mens Gods, de Christus, tevoorschijn zou komen, zou daarmee het 'amen', het 'zal waar en zeker zijn', tast- en zichtbaar worden in de hemel en op de aarde. In Jezus is dat waar geworden en in een ieder die Hem toebehoort is het bezig gestalte te krijgen. We zeggen vanuit ons hart 'amen' op al Gods beloften en waar die allengs meer zichtbaar worden in onze levens, zullen we ons hechter op onze plaatsen in het lichaam van Christus kunnen nestelen. Door Gods genade hebben we deel aan zijn Gezalfde, aan zijn Christus gekregen. Derhalve komt de 'Amen' ook in onze levens, vanwege de werking van Gods Geest, duidelijk openbaar.

Zo'n leven staat, overeenkomstig Gods oorspronkelijke plan, in relatie met Hem. Daar wil Hij zijn gedachten mee delen; met de mens-in-Christus wil HIj kommuniceren, elke dag opnieuw. En die mens mag u en ik zijn. Want werkelijk waar; Jezus heeft ons bidden geleerd.