kvo 51e jaargang nummer 1 januari 1987

J.E.v.d.Brink

Wat zijn de

H E M E L S E G E W E S T E N

Bij de schepping van de mens sprak de Here God de belofte uit: 'Wij zullen een mens(heid) maken naar ons beeld en in overeenstemming met ons' (Gen.1:26,transcriptievertaling). In 1 Johannes 3:2 staat in de Canisiusvertaling: 'Geliefden, thans reeds zijn wij kinderen Gods; maar nog is het niet openbaar geworden, wat wij zullen zijn. Toch weten wij, dat wanneer de openbaring gekomen is, wij aan Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien, zoals Hij is'. Wanneer wij ons dus een voorstelling van God maken, zijn de aanduidingen van ziel en geest, die bij het wezen van de innerlijke mens behoren, ook op Hem van toepassing. Het geestelijk lichaam waarover Paulus in 1 Korintiërs 15:44 schrijft, is gelijkvormig aan dat van God. Met eerbiedige schroom zullen wij iets van de hemelse gewesten trachten duidelijk te maken vanuit deze wetenschap.

Het mensbeeld

De geest van de mens schenkt allereerst het leven aan het lichaam om dit te doen functioneren. Zonder deze geest is het lichaam dood (Jac.2:26). Ook de ziel ontvangt haar leven van deze geest: 'Mijn ziel leve, en love U' (Ps.119:75). Toen God de geest des levens in Adam blies, werd de mens 'alzo', dus op deze wijze tot een levende ziel (Gen.2:7, 1 Kor.15:45). Ziel en geest vormen het onsterfelijke, geestelijke lichaam van de mens. Beide behoren tot de onzienlijke wereld der hemelse gewesten. We onderscheiden ze wel maar kunnen ze niet scheiden.

De ziel van de mens identificeert zijn persoonlijkheid. Zij is de fontein waaruit het leven zich openbaart. Zij is het levenscentrum van de mens. In Deuteronomium 12:23 staat: 'Het bloed is de ziel'. Wat het bloed voor het lichaam is als drager van het leven, is de ziel in het geestelijk lichaam. Wanneer men het bloed ziet wegstromen, sterft het lichaam en komt er scheiding met het geestelijk lichaam van de mens. Het hart brengt het bloed in beweging en zodoende het leven in het lichaam. Uit het natuurlijke hart zijn dus de oorsprongen van het lichamelijke leven, of zoals de Statenvertaling luidt: 'De uitgangen des levens (spr.4:23). Het hart is een beeld van de ziel. Zoals van het natuurlijke hart natuurlijke impulsen uitgaan, zo zijn vanuit de ziel de impulsen van of uitgangen van het innerlijke leven. Uit de ziel komen dus de woorden en daden van de mens voort, welke bepalend zijn voor zijn geestelijke statuur. Daarnaar zal hij ook geoordeeld worden.

De geest van de mens die het lichaam doet leven en ook herstelt, beperkt zich niet alleen tot deze taak. Hij heeft veel hogere functies. Hij zorgt immers voor het innerlijke leven Hij werkt mee aan de gedachtenvorming van de ziel door zijn kracht en inspiraties. Hij is ook de drager van de wet van God voor de ontplooiing van de mens. Indien hun geest niet al te zeer door wetteloze geesten is aangetast, geldt immers ook voor heidenen, die geen van buitenaf gegeven wet kennen, dat zij 'van nature dingen doen wat de wet gebiedt (Rom.2:14). De samenwerkende, menselijke geesten noemt de bijbel de wereldgeesten in tegenstelling met de hemelgeesten.. Zij vormen de elementen waarop de samenleving gebouwd is (stocheion: elementen, eerste beginselen, wereldgeesten, vergelijk Gal.4:3; Col.2:8; Hebr.5:12 en Petr.3:10). Met elkaar trachten de wereldgeesten grote werken tot stand te brengen en alle dingen te ordenen, want zij hebben gezag gekregen op aarde. Zij staan met hun machtsgebied in dienst van God (Rom.13:4).

Het geestelijk lichaam heeft ook een invloedssfeer of een machtsgebied. Dit ontstaat door het gezag van woord en van daad maar ook door de uitstraling van het geestelijk lichaam. Zo brengt de aanwezigheid van de moeder haar kind tot rust en bemerken de leerlingen de geestkracht van de leraar, die een gehele klas onder beslag weet te brengen.

Wanneer kinderen de geestelijke structuur van hun vader en moeder leren kennen, zal dit aanvankelijk slechts ten dele zijn. De gevarieerde, hogere vermogens van de innerlijke mens hunner ouders, welke nodig zijn om in staat, maatschappij en religieuze wereld hun plaats in te nemen, gaan boven hun bevatting. Zij moeten er naar toegroeien om hen volkomen te begrijpen. Zo moet een kind van God naar Christus toegroeien om Hem en de Vader recht te leren kennen (Ef.4:15).

De menselijke geest is de onderhouder en de hersteller van het vergankelijke en onvergankelijke leven, en alle leven is uit God!

Het Godsbeeld

'God is geest' (Joh.4:24). Zijn geest is zijn machtsgebied en zijn arbeidsveld: " 't Heelal staat onder zijn gebied". God is met zijn geest alomtegenwoordig: 'Op bergen en in dalen, ja, overal is God'. In Psalm 139:8 staat: 'Steeg ik ten hemel - dus naar de hoogste hemel - Gij zijt daar, of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde - dus stierf ik - Gij zijt er'. Aan deze rijk geschakeerde geest ontleent iedere plant, ieder dier en elk mens zijn levensgeest. Deze verbindt zich met de stof, waardoor de mogelijkheid is geschapen om in de natuurlijke wereld te leven en om het leven door te geven. Hierbij bezit ieder schepsel zijn eigen variëteit of zijn DNA, de drager van alle erfelijke eigenschappen. Al wat leeft is dus geschapen 'naar zijn gemaakt bestek'.

De apostel sprak dat God niet ver van ieder van ons is: 'want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij' (Hand.17:28). Wij leven dus in het geestelijk lichaam van God en zijn erdoor omhuld. Wij danken ons leven met zijn verrichtingen aan de geest van God, de geest des levens in ons. Hierdoor zijn wij een levende ziel. Deze geest van God is nogmaals gezegd rijk geschakeerd en gevarieerd. Deze geest stelt ook de natuurlijke mens in staat om goede werken te doen, want 'in Hem bewegen wij ons'. Daarin vinden wij ons bestaan, want 'wij zijn in Hem'. De heidenen meenden dat zij goden konden uitdrukken in stoffelijke afgoden, maar Paulus maakte de wijsgeren te Atthene erop attent, dat de Schepper van hemel en aarde niet in tempels woont die met handen zijn gemaakt. Hetzelfde deed ook Stéfanus die tot de joden sprak: 'De Allerhoogste echter woont niet in wat men met handen maakt, zoals de profeet zegt: De hemel is Mij ten troon, en de aarde een voetbank voor mijn voeten' (Hand.7:48,49; 17:24).

Het geestelijk lichaam van God omspant al het geschapene. In deze goddelijke geest zijn alle hemelse gewesten, alle koninkrijken der hemelen, begrepen. Hierin bevindt zich de lucht als beeld van de geestelijke wereld die bij de mensheid behoort en waarin ook het machtsgebied van 'de overste van de macht der lucht', het koninkrijk van satan, zich bevindt. Ook is in dit geestelijk lichaam het machtsgebied van de dood, ook een koninkrijk. In 'de hoogste hemelen', het Koninkrijk Gods, is de ziel of het hart van God. Zo staat in Hebreeën 10:38 dat de 'ziel' van God geen behagen heeft in de rechtvaardige, die terugdeinst. In Jesaja 1:14 spreekt God tot het afvallige volk: ' Uw feest haat Ik met heel mijn ziel'. In Genesis 6:6 lezen we, dat de Here teleurgesteld was in zijn 'hart'. Dit hart van God is uiteraard ook geest. Uit dit hart zijn ook de uitgangen van zijn leven. Uit 'de diepten Gods', dit wil zeggen uit de diepe en verborgen gedachten van zijn hart, komen zijn woorden en daden. Beide zijn geest en leven. Er staat: 'Door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt, door de adem zijns monds (zijn geest) al hun heir' (Ps.33:6). De ziel van God is 'het midden des hemels', waar ook zijn 'troon' is en zijn 'tempel' en zijn 'huis'.

Het laatste woord, het 'hoge', dat uit God kwam, dat van het herstel aller dingen, is vlees geworden in Christus Jezus. Hij is het Woord dat bij God was en God was. Hij is aan de boezem des Vaders, dus aan diens hart (Joh.1:1,18). Hij is als geestelijk en verheerlijkt mens de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (Hebr.1:3).

Zoals het overwinnende woord, Jezus Christus, één met de Vader is, is de Heilige Geest de hoogste en krachtigste exponent van de geest van God en daarom ook volkomen met Hem één. Wanneer wij ons hart voor deze Geest openstellen, zal Hij ons 'de diepste gedachten Gods', die in Christus Jezus 'ja en amen' zijn, doen onderzoeken (1 Kor.2:10).

Antropomorfisme

In de dogmatiek gebruikt men in verband met het godsbeeld het woord antropomorfisme (anthro is mens, morfo is vorm). Men bedoelt ermee dat de bijbel op mensvormige wijze over God zou spreken. Wij stellen ons dan God voor met ogen, oren, vingers, neus, voeten en een hart zoals mensen die hebben. Dit is echter een omdraaiing van de werkelijkheid. Er staat: ' Zou Hij, die het oor plantte, niet horen? die het oog vormde, niet zien?' (Ps.94:9). God is niet het beeld van de mens, maar de mens is naar het beeld van God geschapen. Het geestelijk lichaam van God bezat al zintuigen voordat de mens bestond. Ons geestelijk lichaam is naar zijn beeld geschapen en heeft dus zintuigen om waar te nemen in de geestelijke wereld. Onze natuurlijke zintuigen zijn er een beeld van. Zij nemen waar in de zichtbare wereld. Het zichtbare is de schaduw van de onzichtbare werkelijkheid. Zo was bijvoorbeeld de zichtbare, aardse tent der samenkomst een schaduw van de hemelse tabernakel: 'Zie nu toe, dat gij alles maakt naar het model dat u daarvan op de berg getoond is' (Ex.25:40, vergelijk Openb. 15:5; 21:3).

Onze natuurlijke ogen kunnen evenmin zien als een venster. Ze schenken de mogelijkheid dat de innerlijke mens contact heeft met de natuurlijke wereld om hem. Geoefende geestelijke ogen kunnen ook rechtstreeks in de onzienlijke wereld schouwen. Zij onderscheiden daar licht en duisternis, de goede en de boze geestenwereld. Ze zien zelfs Jezus met eer en heerlijkheid gekroond. Stefanus zag de hemelen geopend en Jezus. Onze natuurlijke oren horen niet, maar ze informeren het geestelijk lichaam. Wie ingespannen bezig is of slaapt, ontvangt minder geluidsindrukken, hoewel er in zijn natuurlijke gehoororganen niet is veranderd. Het geestelijk oor kan ook rechtstreeks horen. Het vangt de inspiraties op van wat de Heer ons wil meedelen. Zijn schapen horen zijn stem. Wij sluiten echter dit oor voor de influisteringen van de boze geesten. Wanneer wij bidden, dat is bezig zijn in de hemelse gewesten, wordt tot ons gezegd: 'Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft! Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft, zijn gunstgenoot..' (Ps.85 vers 3, berijmd). Voor de goddelijke inspiratie, voor het luisteren naar de stem Van de Here Jezus, geldt: 'Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeente zegt'.

Waar het christendom genoemde zaken niet letterlijk in de geestelijke wereld neemt, maar slechts als beeldspraak beschouwt, wordt de stem der profetie in zijn midden niet meer gehoord. Daarom geldt voor velen, dat zij 'ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen.' Tot allen die zich wel verdiepen in de leer van het Koninkrijk der hemelen, zegt Jezus: 'Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen (Matt.13:13-17). Velen onder ons spreken gaarne over de openbaring van de zonen Gods, de jongelingen die de boze hebben overwonnen. Hoger is evenwel de kennis van de vaders, die Hem kennen, die van den beginne is (1 Joh.2:14).

kvo 51e jaargang nummer 2 februari 1987

D E H E M E L S E G E W E S T E N

Over de engelen

In het alomtegenwoordige en allesomvattende machtsgebied van het goddelijke geesteslichaam werden allereerst de engelen geschapen. Ook voor hen geldt: 'In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij'. Hun geesteslichaam onderscheidt zich van de mens, doordat zij niet naar Gods beeld en als zijn gelijkenis zijn geschapen. Ze zijn enkel geesten en hebben geen ziel (Hebr.1:14). Ook hun geesteslichaam heeft een machtsgebied. Onder hen is een grote verscheidenheid, 'want de ene ster verschilt van de andere in glans' (1 Kor.15:41). Er zijn aartsengelen, machten, krachten, overheden en heerlijkheden. Van cherubijnen en serafijnen weten we dat ze in de onmiddellijke nabijheid van God in het midden des hemels verkeren. In engelen- of geestestalen aanbidden en verheerlijken zij God. Merkwaardig is dat de geestelijk begaafde mens ook deze talen kan spreken om God groot te maken. De apostel schreef: 'Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand; ik zal lofzingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand'. Hij was in staat niet alleen in talen van mensen maar ook in die der engelen zich te uiten, en op deze wijze zich tot God te richten en door de geest geheimenissen uit te spreken (1 Kor.13:1;14:2,15).

Nergens lezen we van engelen dat zij een ziel bezitten. Zij missen daardoor ook de behoefte aan gemeenschap zoals God deze zoekt en ook de mens.Voor de natuurlijke mens geldt: 'Het is niet goed dat hij alleen zij'. Daarom schiep God de mens, man en vrouw. Door hem werd evenwel de geestelijke mens tot zijn eeuwige partner uitverkoren. In deze heilige gemeenschap zal de mens uiteindelijk zijn volle bevrediging vinden, want daartoe is zijn geestelijk lichaam bestemd. Ook hier geldt: 'Maar die zich aan de Here hecht, is één geest met Hem' (1 Kor.6:17). Om de woorden van Vondel te gebruiken: 'Daar zo de liefde viel, smolt ziel met ziel en hart met hart te gader. Die liefde is sterker dan de dood. Geen liefde komt Gods liefde nader, noch is zo groot'.

Wanneer wetteloze engelen hun beginsel loslaten en met zielen der mensen gemeenschap zoeken, is dit een gruwel in de ogen des Heren. Als waarschuwend voorbeeld heeft Hij tijdens de zondvloed zulke engelen in de afgrond geworpen en aan krochten der duisternis overgegeven, teneinde hen daar tot het eindoordeel te bewaren. De penetratie van engelen in de mens wordt in de bijbel vergeleken met de onnatuurlijke zonden die de mens in Sodom en Gomorra bedreef. Jezus zond eenmaal een legioen demonen, dat in een bezetene huisde ook naar de afgrond (2 Petr.2:4,5;Luc.8:31).

Omdat engelen geen ziel hebben, zijn ze beneden het niveau van de mens. Ze zijn dienende geesten voor de mens, omdat deze naar het beeld van God is geschapen. Uiteraard dienen ze geen mensen die met machten der duisternis zijn verbonden, want dan zouden ze indirekt de boze dienen. De naam engel betekent bode of gezant. De goede engelen zijn de boden van God. Ze luisteren nauwkeurig naar de klank van Gods woorden en als geestkrachtige helden volvoeren zij hun opdrachten (Ps.103:20). Ze luisteren, spreken en handelen met uiterste precisie en zorgvuldigheid. Wanneer wij in engelentalen spreken,kunnen wij hen door middel van de Geest van God instructies geven.

Omdat engelen geen ziel hebben, missen ze de creativiteit die het wezen van God en dat van de mens kenmerkt. Daarom zijn ze niet geschikt als zelfstandige medearbeiders van God. In tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen omringen ze de troon van God, maar ze zullen nimmer op tronen zitten. Hun wordt het oordeel niet gegeven (Openb.5:11,12; 20:4). In 1 Korintiërs 6:3 schrijft Paulus: 'Weet gij niet, dat wij over engelen zullen oordelen?' Deze merkwaardige uitspraak voert ons in gedachten naar een tijdstip, dat wij die engelen voor ons zien geplaatst, die ons leven of dat van onze geliefden hebben vergald en aangetast. Over hen zullen wij dan een onbarmhartig vonnis vellen, omdat zij geen barmhartigheid bewezen hebben (Jac.2:13).

Het Griekse woord 'diabolos' (duivel) betekent lasteraar of kwaadspreker. Paulus waarschuwde de gemeenteleden dat zij dit wezenskenmerk van de boze niet zouden openbaren. Ze mogen geen 'duivels', dat wil zeggen 'kwaadsprekers' zijn (1 Tim.3:11; Titus 2:3; vgl. 2 Tim.3:3). Zoals kwaadsprekers de goede sfeer in de gemeente bederven, zo schaart de boze zich onder de engelen Gods om de rechtvaardigen aan te klagen (Job.1:6). In Openbaring 12:10 staat dat de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht voor onze God aanklaagt, buitengeworpen zal worden. Letterlijk staat er 'voor de God van ons'. Wij weten dat een God een inspirator is. Zo was Mozes eenmaal de god van Aäron (Ex.4:16). Door de Heilige Geest is onze God onze inspirator. Wanneer een broeder evenwel in woord en daad zondigt, volgt hij niet de ingevingen van God maar die van de duivel. Laat hij er zich dan van bewust zijn, dat de duivel in staat is God hierop te attenderen. Gelukkig hebben wij een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden (1 Joh.2:1,2). Wanneer de gemeente tot haar onberispelijkheid gekomen is, vindt de duivel geen oorzaak meer om zijn werk in ons als aanklacht bij God bekend te maken. Hij kan niet meer standhouden en zijn plaats als valse getuige wordt dan niet meer in de hemel gevonden (Openb.12:7-9). De vrouw des Lams is dan gegeven haar geestelijk lichaam met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen (Openb.12:8-12; vgl. Zach.3:1-5).

In geestvervoering zag Ezechiël de overwinning van Gods gunstgenoten op de duivel: 'Ter aarde wierp Ik u neer en maakte u tot een schouwspel voor koningen om met leedvermaak naar u te zien' (Ez.28:17). In een triomflied over het geestelijk Israël horen wij: 'De lofverheffingen Gods zijn in hun keel, een tweesnijdend zwaard is in hun hand, om wraak uit te oefenen aan de volken, bestraffingen aan de natiën; om hun koningen met ketenen te binden en hun edelen met ijzeren boeien; om het beschreven vonnis aan hen te voltrekken. Dat is de luister van al zijn gunstgenoten. Hallelujah' (Ps.149:5-9). Ook deze psalmist heeft over de voor ons bestemde genade geprofeteerd , dat wij de duivel en zijn legerscharen openlijk te schande mogen maken en op hen mogen neerzien met leedvermaak. Met de heiligen engelen zullen wij jubelen bij hun ondergang. Wij zullen de sterkste machten mogen binden en het vonnis dat de Allerhoogste door zijn profeten heeft doen optekenen, in de naam van Jezus ten uitvoer brengen.

Om een vergelijking te maken merken wij op, dat ook de dierenwereld geleidelijk aan de mens werd onderworpen, omdat deze met zijn geest en verstand de meerdere is. Zelfs de grootste dieren zijn afhankelijk van de mens geworden. Zo zullen wij ook in de onzienlijke wereld de overhand krijgen over slangen en schorpioenen, over jakhalzen, struisvogels, hyena's, wilde honden, over gieren en allerlei verfoeilijk gevogelte en ook over de brullende leeuw, die rondgaat om te verslinden (vgl. Openb.18:2; Jes.35:7-10; 1 Petr.5:8).

Het beeld van de duivel

Bij zijn verbanning kwam de duivel in het machtsgebied van de mens, maar door de zondeval van het eerste mensenpaar werd hij de bezetter ervan. 'Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om hem (de mens) die haar daaraan onderworpen heeft' (Rom.8:20). De koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid zijn hem overgegeven (Luc.4:6). De indringer wordt ook de overste van de macht der lucht genoemd (Ef.2:2). De lucht is hier beeld van het machtsgebied van de menselijke geest, inzonderheid van de wereldgeesten. Zoals de lucht onzichtbaar is en overal doordringt, zo doen dit ook de onzichtbare boze geesten. De goedwillende samenwerkende wereldgeesten trachten nog door wetten en verordeningen het kwaad te keren, maar ze zijn 'zwak en armelijk' ten opzichte van de demonen (Gal.4:9). Zelfs de wet van Mozes, de man Gods, was niet in staat de boze geesten te verdrijven. Zijn wetten konden op hun best de uitbrekende zonden beteugelen door strafbepalingen.

 

De uitvoering van het vonnis

Eenmaal was de duivel een engel des lichts. Hij werd een morgenster genoemd. God had hem een plaats gegeven op de heilige berg Sion, waar de aartsengelen en inspirerende goden zich verzamelen (Ez.28:14). Als eerstgeborene van de hemelse schepping - zoon des dageraads - trachtte hij zich aan de Allerhoogste gelijk te stellen (Jes.14:14). Toen hij zag dat God een mens formeerde, die van hoger niveau was dan hijzelf, rebelleerde hij tegen het plan van God. Lucifer, de lichtdrager, was geen automaat, maar met al de afgevallen engelen deed hij de verkeerde keus. Hij weigerde de mens te dienen, want hij miste het geloof van God in de mens. In de machtige schepping zag hij aan wat voor ogen was, een mens in het prille beginstadium van diens geestelijke ontwikkeling. Van hemzelf werd immers gezegd: ' Toen gij geschapen werd, waren zij - al zijn begaafdheden - gereed' (Ez.28:13). Zo werd in hem de leugen geboren dat de gedachten van God niet recht zouden zijn. Hierdoor werd hij de vader of voortbrenger van de leugen. Hij werd door God verstoten en uit de hoogste hemelen verbannen en ter aarde geworpen. Bij het woord verbannen dat de Nieuwe Vertaling in Ezechiël 28:16 gebruikt, denken wij aan een gedwongen verplaatsing binnen de grenzen van het machtsgebied van het geestelijk lichaam van God.

De vraag moet beantwoord worden waarom God de opstandige Lucifer niet rechtstreeks in de poel des vuurs wierp, die toch voor de duivel en zijn engelen is bereid? (Matt.25:41). Ook de veelvuldig gestelde vraag waarom God niet ingrijpt in het wereldgebeuren en Hij zoveel verschrikkelijke en onrechtvaardige dingen toelaat? Het antwoord is, dat de duivel wel was gevonnist, maar dat de voltrekking ervan werd gegeven aan hen, die de engelen zullen oordelen. De rivaal van de duivel zal er dan blijk van geven wijzer en sterker te zijn dan de tegenstander. Bij de val van de mens in het paradijs stelde God Zich toch nog onvoorwaardelijk achter de mens. Ondanks alles blijft er de belofte: 'Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de hiel vermorzelen' (Gen.3:15). God beloofde dus dat Hij zijn plan met de mens niet opgaf en dat Hij hem tot een geestelijke machthebber en overwinnaar zou maken. Uit deze belofte bleek het geloof ván God. Jezus sprak later tot zijn discipelen dat zij dit geloof van God moesten overnemen. In Marcus 11:22 staat letterlijk: 'En Jezus antwoordde en zeide tot hen: hebt geloof van God.' Zij zouden op schorpioenen en slangen treden en macht hebben over de gehele legermacht van de vijand (Luc.10:19). Paulus, die zelf zijn apostelleven lang deze goede strijd streed, riep ook ons op om de geestelijke strijd aan te binden: 'Voorts weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht. Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels, want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten' (Ef.6:10-12).

zie voor andere artikelen kvooverz