Bijbelschool GORINCHEM

HET KONINKRIJK DER HEMELEN (vervolg)

 

Serie 5: Zijn bloed kome over ons, - Dood en dodenrijk, - Op.20:1,2, - De droom van Nebukadnezar, - Reïncarnatieleer, - De komst van Jezus.

 

Les 1 t/m 6

21-09-1985 t/m 26-04-1986

Docent: J.E. van den Brink

1

21-09-85

 

 

Zijn bloed kome over ons en onze kinderen

 

Bijbelschool Gorinchem (serie 5 / les 1 / 21/9/85 )

Mattheüs 27:25. "En al het volk antwoordde en zeide; Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!"

 

Het is Gods bedoeling, dat er een mensheid op zijn troon zal komen. De mens is bestemd tot koning en tot heerser. Deze gedachte is nog veel te weinig de christenheid binnengedrongen.

De mens wordt nog steeds als iets minderwaardigs beschouwd. De mens zal zijn bestemming tóch bereiken, omdat de wil van God hierin niet weerstaan kan worden. God heeft een vrije wil en de mens óók, want hij is naar Gods beeld en gelijkenis geschapen. God gaat in deze wereld een gedachte uitwerken, waarbij Hij een lijn gaat aangeven.

Wij zien in de bijbel, dat deze lijn steeds afgebroken wordt. Maar God gaat telkens opnieuw beginnen. Op een gegeven moment zal het plan van God wél gelukken.

Adam werd geschapen met de bedoeling, dat hij koning en heerser zou zijn. Hij zou zowel in de zienlijke wereld als in de onzienlijke wereld gaan heersen over al de werken van Gods hand.

In Psalm 8:6 staat over de mens geschreven:

"Gij hebt hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond." (ELOHIEM: tot goden gemaakt)

 

Je kunt van een kind in de wieg zeggen, dat het bijna goddelijk is. Het goddelijke moet er nog uitkomen, vandaar dat er bijna staat. Als er, door inwerking van demonen, geen afremmingen en verhinderingen zouden zijn, dan zou het kind zich alleen maar behoeven te ontwikkelen, teneinde het beeld van God gelijk te worden. De mens is goed. Er zijn principiële waarheden, die wij, door vernieuwing van denken, mogen leren kennen. De mens hoeft in wezen niet veranderd te worden. Als er in de mens iets verkeerds is, moet hij door het bloed van Christus gereinigd worden. Een hand, die erg vuil is, moet met veel zeep of met een sterker middel worden schoongeboend. Daarna is de hand weer blank en schoon.

Een groot deel van de christenheid gaat uit van de gedachte, dat de mens door en door verdorven is. De koninklijke waardigheid van de mens duurt net zo lang als de mens

 

rechtvaardig is. God gaat de lijn, dat de mens naar zijn beeld en gelijkenis geschapen is, uitwerken via rechtvaardigen.

 

Bijbelschool Gorinchem (serie 5 / les 1 / 21/9/85 )

RECHTVAARDIGEN

 

Rechtvaardigheid is een belangrijk iets en komt vele malen in de bijbel voor.

Hoemeer de rechtvaardige zich gaat ontwikkelen, hoe duidelijker het beeld, dat hij naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is, te voorschijn komt. De mens is rechtvaardig, als hij de wetten Gods in zijn binnenste heeft en ook naar deze wetten functioneert. De wetten Gods zijn ingeschapen wetten! Na de zondeval van Adam wordt de mens prijsgegeven, lósgelaten. God laat de mens als het ware aan zichzelf over; hij moet het nu zelf maar uitzoeken. De mens moet voortaan zwoegen om zijn dagelijks brood te verdienen. Ook de zwangerschap zal met pijn en moeite gepaard gaan. Er komen doornen en distels op aarde, als teken dat de aarde vervloekt is. Als de vloek van de aarde wordt weggenomen, zal voor een doorn een cipres opgaan en voor een distel een mirt. (Jes. 55:13)

De mens, die een rechtvaardige, een koning en heerser had moeten zijn, werd een slaaf van de zonde. Hiermee is de mens zijn koninklijke waardigheid in de geestelijke wereld kwijtgeraakt. Er is sprake van een demonische beïnvloeding van de schepping.

God blijft steeds naar de rechtvaardige op aarde zoeken, naar die mens uit wie het goddelijke nog naar buiten komt, datgene wat nog niet door de zonde overspoeld is.

Een rechtvaardige is een mens, die de wet Gods onderhoudt en weet, dat hij naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is en derhalve in staat is tot het verrichten van goede werken, om daarin te wandelen.

 

Romeinen 2:14. "Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet."

De rechtvaardige mens heeft een ingeschapen verlangen naar God, want hij wil de wetten Gods doen. Hij wil dus ook de Brón van die wetten ontmoeten.

Rechtvaardigen in de bijbel, zijn mensen met geloof. Ieder mens heeft geloof. Het is niet iets dat je gegéven wordt. Als je de wetten Gods wilt doen, dan richt het geloof dat je hebt, zich als een hand naar Gód toe. Je geloofshand wil God aangrijpen. Daarom zegt Jak. 4:8a: "Nadert tot God en Hij zal tot ú naderen!" Door het geloof is de mens instaat om zich te verheffen. In het oude testament staat: "Verheft uw harten tot Gód!" Als de mens zich verheft en God ontmoet, wordt hij door God geïnspireerd en krijgt gedachten.

De rechtvaardige Abel dacht na over het zondeprobleem en over de verzoening van de zonde. Dan krijgt hij inzicht en gedachten over het offer. Abel neemt een offer waar 'bloed' aan te pas komt. Nu zit Abel op de lijn van God. Zijn broeder Kaïn verheft zich niet en ontvangt ook geen inspiratie.

Hij wil God vermurwen en biedt God iets van de vrucht van het land aan. Maar hij heeft het wézen van het offer niet begrepen.

 

 Bijbelschool Gorinchem (serie 5 / les 1 / 21/9/85 )

 

Hebreeën 11:4. "Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog nadat hij gestorven is."

Ook de bijbelschrijvers werden door God geïnspireerd en hebben de gedachten, die zij kregen, opgetekend. De rechtvaardige Henoch wandelde met God; en God nam hem weg. Hij wandelde temidden van zondige mensen.

Genesis 8:21. ".en de Here zeide bij zichzelf: Ik zal de aardbodem niet weer vervloeken om de mens, omdat het voortbrengsel van des mensen hart boos is van zijn jeugd af aan.."

Het voortbrengsel van het hart: de denkwereld, de fantasie. Wie de zonde wil overwinnen, moet beginnen met zijn gedachten te controleren, zodat hij de inspiraties van de boze niet toelaat. Jezus zegt dat uit het hárt van de mens slechtheid en onreinheid voortkomt. "Van zijn jeugd af aan", wordt door God eigenlijk medelijdend gezegd.

Kinderen worden op zeer jeugdige leeftijd al beïnvloed door wat zij zien en horen. Het gebeurt ook, dat zij in een slechte omgeving grootgebracht worden. Zij kunnen het niet hélpen, dat zij al vroeg tot zonde geraken.

De kracht en de pressie van de demonen is zo sterk, dat praktisch geen mens er aan ontkomt.

Het zoeken naar God is bij de mens ingeschapen, maar het wordt door de infiltratie van de boze weggevaagd.

Wij behoren de wet Gods in ons hárt te hebben. De wet op stenen tafelen is gegeven aan mensen, die onrechtvaardig zijn.

1 Timotheüs 1:9. " wel wetend, dat de wet niet gesteld is voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en tuchtelozen, goddelozen en zondaars."

Abraham leefde 400 jaar vóór de wetgeving. Er staat ook van hem, dat hij met God wandelde. God heeft de eeuw in het hart van de mens gelegd. (Pred. 3:11)

Het wil zeggen: het zoeken naar de Eeuwige en het bezig zijn met de eeuwigheid. De mens is in wezen goed, maar is onnut gewórden. (Rom. 3:12) Je moet eerst nuttig geweest zijn om daarna onnut te worden.

Als een instrument onnut geworden is, moet het gerepareerd worden, om weer bruikbaar te zijn. Ook Noach komt voor in de lijn van de rechtvaardigen. Noach was een man van geloof. Als je geloof hebt kan God tot je spreken.

Toen de zondvloed kwam, zei God: 'Ik zal uit Noach een nieuw volk maken.' God begint weer met één rechtvaardige. Toen het volk Israël in de woestijn zondigde, zei God tegen Mozes: 'Ik ga dit volk verdelgen, maar uit jou schep Ik een nieuw volk.' God neemt de rechtvaardige Mozes eruit en de rest van het volk wordt prijsgegeven.

De wereld, die ondergegaan is, is niet door God verstóten, maar prijsgegeven. Ook Adam werd prijsgegeven. Zo is het duizenden jaren doorgegaan. Het volk Israël wordt later niet verstóten, maar prijsgegeven. Als God een mens prijsgeeft, laat Hij hem lós. Het wil niet zeggen dat God die mens afschrijft, maar Hij laat hem over aan zijn eigen denken. Toen God de eerste wereld prijsgegeven had, kwamen de geweldgeesten opzetten. Zij hebben de wereld tenonder gebracht. De geesten van de mensen, die bij de zondvloed omgekomen zijn, zijn naar het dodenrijk gegaan. Als de mens naar het dodenrijk gaat, is hij niet verstoten, maar komt op een voor hem gereserveerde plaats terecht, om daar tot het oordeel bewaard te worden. De poel des vuurs is voor de duivel en zijn engelen bereid. (Matth. 25:41)

1 Petrus 3:19,20a. ".. in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, (het dodenrijk!) die eertijds ongehoorzaam geweest waren,....."

Hfst. 4:6. "Want daartoe is ook aan doden het evangelie gebracht, opdat zij wél, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden geoordeeld worden doch, naar God, wat de geest betreft, zouden léven."

Het evangelie wordt altijd aan doden gepredikt, want de bijbel zegt: dat de mens dood is door zonde en misdaden. (Ef. 2:1) Na de zondvloed zou het geslacht van Noach een volk van rechtvaardigen moeten voortbrengen. Maar onmiddellijk erna lezen we van de torenbouw van Babel. Bovenin de toren (ziqqurat) hielden de priesters hun spiritistische seances en waren bezig met occulte handelingen. Zij probeerden aan de duistere zijde het Koninkrijk der Hemelen binnen te komen, om daar koningen en heersers te worden.

Gen. 11:6. God zegt: "Zie, het is één volk en zij hebben één taal. Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken voor hen onuitvoerbaar zijn."

De mens was al zover gekomen, dat God moest zeggen: "Al wat zij zullen ondernemen, zál hun gelukken." Het doet ons denken aan de tijd van de antichrist. God grijpt echter in en verstrooit de mensen over de aardbodem. Dit is ook weer een prijsgeven en niet een afschrijven.

 

 Rom. 1:28. (lees va.18-32) "En daar zij het verwerpelijk achtten God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet betaamt."

Een ieder gaat zijn eigen weg. Het is het beeld van de volkerenwereld.

Jes. 53:6. "Wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg......"

Hand. 17:30. "God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid dat zij allen overal tot bekering moeten komen."

De verstrooiing van de mensen over de aardbodem wordt gedefinieerd met "de tijden der onwetendheid."

Vs. 27. "opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons."

Wij tasten met onze handen. De hand is beeld van geloof. Met de geloofshand wordt God aangegrepen, 'al tastende'; God vraagt zich af: "Zou er nog gelóóf zijn?" Abraham was een rechtvaardige. Hij had geen wet nodig, want hij leefde naar de ingeschapen wet van God. Abraham kon zich door zijn geloof, ontwikkelen en daardoor kon hij een heerser worden. Hij zocht de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. Mensen, die weten dat zij rechtvaardig zijn en zich op God richten, worden door God geïnspireerd om dingen te zien, die een ander niet ziet.

God zegt van Abraham:

Gen. 18:19. "Ik heb hem gekend, (God had een rechtvaardige nodig om de Rechtvaardige voort te brengen) opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem (het geslacht, dat hij moest voortbrengen), de weg des Heren zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, (door rechtvaardige mensen te zijn) opdat de Here áán Abraham vervulle, wat Hij over hem gesproken heeft."(de Rechtvaardige voort te brengen)

 God had gezegd: "In Izak zal u hét (enkelvoud) zaad genoemd worden!" (Rom. 9:7)

 

Galaten 3:16. "Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus."

 

Exodus 19:6. Dit geldt ook voor de Gemeente!

1 Petr. 2:9. "En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk." "Dit zijn de woorden, die gij tot de Israëlieten spreken zult."

Mozes heeft het volk de wet gegeven, om er toch nog een volk van rechtvaardigen van te maken, want het volk wás niet rechtvaardig. Mozes zei: "Als je dit dóet, zul je daardoor leven." (Lev. 18:5) God gaf rechtvaardige mensen om het volk te leiden. Deze mensen staken boven de anderen uit: Mozes, Jozua, de richters.. Toen Jezus geboren werd, was Hij door rechtvaardigen omringd. Uit de zonen van Jakob neemt God Juda. Als de oude Jakob op zijn sterfbed zijn zonen zegent, zegt hij: "Juda, ú zullen uw broeders loven" (Gen. 49:8)

 

Vs. 10. "De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn."

Een scepter is teken van het koningschap. Silo betekent waarschijnlijk: de heerser. Silo is de grote Heerser, die heersen zal in de hemel en op de aarde.

 

Phil. 2:10. Paulus zegt: " opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel zijn en die op de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Heer, tot eer van God de Vader!"

De Heerser is gekomen. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. (Joh. 1:11)

Jes. 53:10b. "Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien .... (statenvertaling:) zaad zien."

 

Het volk van God is in de hemelse gewesten gesitueerd en schaart zich daar om de Rechtvaardige. Het volk moet uitgroeien tot hetgeen Gods bedoeling is: een volk van koningen en heersers; allereerst in de hemel en later ook op de aarde.

De Gemeente op aarde is een schaduw van de Gemeente in de hemel. Met onze innerlijke mens, ons geestelijk lichaam, zijn wij in de hemel: de onzienlijke wereld.

Paulus zegt in Fil. 3:20, dat wij burgers van een rijk in de hemelen zijn. Staten en Lutherse vertaling: "Onze wandel is in de hemel." Engelse bijbel: "our conversation is in heaven": onze gedachtenwereld is in de hemel.

In Openbaring 2:4,5 staat, dat de gemeente haar eerste liefde verzaakt heeft. De gemeente is van haar hoogte, uit de hemel gevallen. Als je een wandel in de hémel hebt, moet je niet bezig zijn met de dingen van de aarde, maar je moet je aandacht alléén op Gód vestigen. Op deze wijze wordt het denken vernieuwd.

Als er een Gemeente is, die haar wandel in de hémel heeft, dan komt er ook voor Israël hoop. God heeft Israël bij de volkeren geschoven. Deze volkeren leven in 'de tijden der onwetendheid'; maar God heeft aan die tijden voorbijgezien. Hij heeft zijn blik, als het ware, van deze tijden afgewend. (Hand. 17:30)

Het volk Gods, dat in de hemel woont, moet Israël tot jaloersheid brengen. Wij moeten het volk Israël niet beschuldigen. God heeft de volkerenwereld met toegevendheid beoordeeld. God zegt: 'Ze zijn van hun jeugd af aan een prooi van de machten der duisternis.' (zie bl-3) Het volk Israël leeft dus óók in de tijden der onwetendheid. Als Petrus zijn eerste prediking houdt, zegt hij tot Israël:

 

Hand. 3:17. "En nu broeders, ik weet dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten."

Statenvertaling: dat gij het in uw onwetendheid hebt gedaan. De onwetendheid van Israël is de oorzaak van de bloedschuld. Dáárom is er vergeving! Zij wisten niet, dat Jezus de Messias was, hoewel Jezus het bewijs daarvan overvloedig gegeven had. De mensen waren door de demonen verhard; hun ogen waren verblind en hun oren waren toegestopt.

 

Paulus zegt van zichzelf:

1 Tim. 1:13. "Ik was vroeger een Godslasteraar, een vervolger van de gemeente en een geweldenaar. Maar mij is ontferming bewezen, omdat ik het in mijn onwetendheid, uit ongeloof gedaan heb."

Als één van de beheersers van deze eeuw van de verborgen wijsheid Gods gewéten had, dan zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben. (1 Kor. 2:8)

Jezus heeft uitgeroepen: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen!" (Lucas 23:34) God hééft zijn onwetend volk niet verstoten! En als God zijn volk niet verstoten heeft, dan kan er onmogelijk een vloek op dat volk liggen.

Galaten 1:13,14. "Want gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom; ik heb de gemeente Gods bovenmate vervolgd en getracht haar uit te roeien, en in het Jodendom heb ik het verder gebracht dan vele van mijn tijdgenoten onder mijn volk, als hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen."

De uitdrukking 'Jodendom' komt slechts twee keer in de bijbel voor. Het is een vertaling van Ioudaismos: Judaïsme.

Judaïsme is de Joodse levensstijl, zoals deze zich in de loop der eeuwen ontwikkeld heeft, door de traditie van Farizeeën en schriftgeleerden. Het is de Joodse cultuur in al zijn samenhang. Er tegenover staat het Hellenisme: de griekse cultuur, met de godenleer en Plato, Socrates en Aristoteles.

De Grieken zeiden van de Joodse cultuur: "O, dat is het Judaïsme." Er klonk minachting in door. De Hellenisten hebben de volgelingen van Jezus Christus christenen genoemd.

In Antiochië worden de volgelingen van Jezus voor het eerst zo genoemd.

Het woord komt drie keer in de bijbel voor: Hand. 11:26; 26:28; 1 Petr. 4:16.

Als er over een christen gesproken wordt, gaat het niet alleen om zijn leer, maar ook om zijn wijze van leven. Vele dingen vormen het Judaïsme en vele dingen vormen de Christen. Hellenisme en Jodendom zijn onverenigbare elementen, evenals Jodendom en Christendom. Hellenisme en Judaïsme zijn aardsgericht. De christenen hebben hun burgerschap in de hemelen. Bijna iedere Brief van Paulus richt zich tegen het Judaïsme. Het Judaïsme en het Hellenisme zijn vijanden van het christendom. Het christendom heeft echter zowel het Hellenisme als het Judaïsme in zich opgenomen; het is doordrenkt met Plato en Aristoteles. Plato was de man van de ideeënleer. Hij zegt: 'Er bestaat geen rechtvaardigheid, maar het is een idee.' Het Platonisme is door kerkvader Augustinus overgenomen. Augustinus zegt: Er bestaat geen rechtvaardige! De mens blijft tot zijn dood een zondaar. Plato zegt: 'De echte volmaaktheid bestaat niet, het is een idee.' De Kerk leert hetzelfde.

Jézus zegt: "Weest gijlieden dan volmaakt, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is".

1 Thess. 2:23. "En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te blijven."

Paulus zegt: "Ik jaag naar de volmaaktheid."

In de Belijdenisgeschriften staat, dat de dood de doorgang is tot het eeuwige leven; niet Jezus Christus en zijn leer.

De dood is geen verlosser, maar de laatste vijand. (1 Kor. 15:26) Men zegt: 'Als je naar de volmaaktheid jaagt, dan jaag je een hersenschim na. Je wordt pas na je sterven gelukkig.' Aristoteles, een leerling van Plato, was de man van het systeem. Hij leerde: 'Breng de filosofie en de Godsdienst in één pakket samen en stop er de mens mee vol, want dan maak je deugdzame mensen.' De R.K.K. heeft de moraaltheologie, met heel veel wetten, liturgie en ceremonie. Het boek van de ceremonieën telt 4300 bladzijden. Paulus heeft een wetsvrij evangelie gepredikt. Het is een evangelie, dat losstaat van het wetticisme, van legalisme en ritualisme. Het houdt zich bezig met de gééstelijke wereld. Wij hebben de besnijdenis van het hart. (Rom. 2:29) Onze sabbat is de rust en de vrede van het hart. Rein en onrein is niet gelegen in spijs en drank, maar heeft zijn plaats in de gééstelijke wereld. Wij moeten het oude testament lezen in het licht van het nieuwe testament. Iemand, die het nieuwe testament niet kent, kan het oude testament niet begrijpen. De profeten van het oude testament hebben voor onze tijd geprofeteerd, maar zij zagen de dingen niet duidelijk. (1 Petr. 1:10-12) De Farizeeën kenden de Schrift uit het hoofd, maar de Heer moest bij de discipelen het verstand openen. (Luk. 24:45) Paulus heeft zijn hele leven gestreden tegen de verjoodsing van het geloof. In een bekend blad stond onlangs de volgende passage: 'In zekere zin zijn wij jodengenoten. Samen met Israël bidden wij: Uw Koninkrijk kome, Samen met Israël verwachten wij de komende Koning.' Het nieuwe testament stelt juist de hemelse verwachting tegenover de natuurlijke verwachting.

Het is een oudtestamentische gedachte, als men zegt dat Auschwitz met de bloedschuld van de Joden te maken heeft. Men heeft de Joodse denkwijze overgenomen, dat God een God der wrake is.

Deut. 28:15. "Maar indien gij niet luistert naar de stem van de Here, uw God, en niet al zijn geboden en inzettingen, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zullen de volgende vervloekingen alle over u komen en u treffen: Vervloekt zult gij zijn....." (lees verder)

Maar Jezus heeft gezegd: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen!"

'De tijden der onwetendheid' is een nieuwtestamentische gedachte.

Onlangs is deze materie in de publiciteit verschenen. Een evangelistenechtpaar heeft in een door hen uitgegeven blad, de uitspraak gedaan: Het vergassen van miljoenen Joden was een vanzelfsprekendheid, omdat bij de kruisiging van Jezus het 'Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen' uitgeroepen is. Men gaat uit van een oudtestamentische gedachte en heeft het beeld van de wraakgierige God, die de onschuldigen, de kinderen en de verdere geslachten zal treffen. In Johannes 9-2 stellen de discipelen de vraag: "Wie heeft er gezondigd, de blindgeborene of zijn ouders?" Jezus antwoordt: "Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders." In Lucas 13:4 zegt Jezus: "Meent gij, dat die achttien, op wie de toren bij Siloam viel en die erdoor gedood werden, schuldiger waren dan alle andere mensen, die in Jeruzalem wonen?"

Het is een Joodse gedachtengang! De mensen, die in de concentratiekampen gewerkt hebben en er als beesten hebben huisgehouden, zijn geen normále mensen, laat staan Christenen. Geen normaal mens zal er enig aandeel in willen hebben. Nu rijst de vraag: 'Hoe is het dan mogelijk, dat dit alles heeft kunnen gebeuren?' Een gedachte hierover is de volgende: In Mattheüs 21:43 zegt Jezus: "Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt." Toen het Koninkrijk Gods van Israël werd weggenomen, werd ook de aartsengel Michaël weggenomen.

Daniël 12:1. "Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat."

Hoséa 3:4a. "Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst." (Michaël!)

De Joden zijn onder de volkeren verstrooid. God heeft ze niet verstoten, maar het volk werd prijsgegeven.

Zij hebben nu geen hemelse beschermer meer. Hun hemelse vorst Michael is van hen geweken. Het volk doet nu hetzelfde als ieder ander volk, want Israël is bij de volkeren gevoegd, ermee gelijkgesteld. Israël houdt de omringende volken met natuurlijke middelen tegen. Het is een zegen voor Israël, dat het in 1947 een eigen land en een eigen president gekregen heeft. Iedere Jood kan naar Israël terugkeren.

Het volk heeft, bijbels gezien, weer een koning in de natuurlijke wereld, maar het heeft geen hemelvorst meer.

 

 

 

 

Bijbelschool Gorinchem (serie 5 / les 2 / 23/11/85 )

2

23-11-85

 

Dood en dodenrijk

 

In de volgende lessen wil ik een onderwerp gaan behandelen, dat verschillende aspecten beslaat. Het gaat o.a. over dood en dodenrijk, de afgrond, de zee, de poel des vuurs.

Wij weten, dat de angst voor de dood volkomen weggenomen zal worden. (Hebr. 2:15)

De aartsvaders kenden geen angst voor de dood. Jakob, een man uit het oude verbond, zei op zijn sterfbed: "Op uw zaligheid (heil) wacht ik, o Here."

Hij heeft een getuigenis gekregen, dat hij God behaagde. In het getuigenis zat een belofte, die inmiddels wel ingelost zal zijn. De geloofsgetuigen uit Hebr.11 hebben het beloofde niet helemaal verkregen, maar hebben er op gewacht.

In Matth. 8:11 staat, dat velen uit oost en west zullen aanliggen met Abraham, Izak en Jakob, in het Koninkrijk Gods.

Het duidt op een heerlijke toekomst.

Het is echter van groot belang, dat je zeker bent van je zaak. Deze zekerheid ontvangt de mens door geloof, wat een vast bewijs is van de dingen, die men niet ziet. (Hebr. 11:1)

Sterven is: scheiding maken tussen het uitwendige, stoffelijke lichaam en de inwendige mens, die uit ziel en geest bestaat. Bij het sterven houdt de uitwendige mens op met functioneren en wordt ontbonden. Bij een dier keren lichaam en ziel naar de aarde terug. Het dier leeft slechts voort in zijn zaad: zijn nakomelingschap.

De mens leeft op twee wijzen voort:

 

1. in zijn nakomelingschap;

2. naar de inwendige mens in de onzienlijke wereld.

 

De mens is onsterfelijk. Als je weinig van de onzienlijke wereld afweet, komt het accent op het nakomelingschap te liggen, wat vooral bij de Joden sterk tot uitdrukking komt. De paradox (schijnbare - tegenstrijdigheid) is, dat de mens eerst moet stérven om ónsterfelijk te worden. Het is nu nog ten dele.

Prediker 3:11. zegt, "dat God de eeuw in het hart van de mens gelegd heeft."

Het betekent, dat de mens over de eeuwigheid dénken kan. Waar je over denken kunt, is een deel van je leven. Wij zijn van goddelijke afkomst; vandaar dat de eeuw in ons hart ligt! De Oud-Testamentische gedachte was: Als de mens sterft, komt hij in het graf terecht en blijft daar. Veel christenen hebben dezelfde voorstelling. Met het graf wordt dan het dodenrijk bedoeld.

Hebr: sjeool; Grieks: hades. In het dodenrijk leidt de mens een schimmenbestaan.

In het Oude Testament komt het woord schimmen verschillende malen voor.

Het geeft de mens een angstig en duister gevoel. In het boek Job kunnen wij een goed beeld krijgen van hóe de mens over de dood dacht. Men was met de opstanding uit de doden onbekend.

Job 14:7-13.

- "Want voor een boom blijft er nog hoop; wordt die omgehouwen, hij loopt weer uit en zijn nieuwe scheuten blijven niet achterwege."

- "Wanneer zijn wortel in de aarde veroudert en zijn tronk in de grond afsterft, dan bot hij weer uit zodra hij water ruikt, en schiet twijgen als een jonge plant."

- "Maar wanneer een man sterft, dan ligt hij krachteloos neer; geeft een mens de geest, waar is hij gebleven?" (De geest gaat tot God, maar waar is de mens gebleven??)

- "Zoals water verdampt uit een meer, en een rivier verloopt en uitdroogt, zo legt een mens zich neer en staat niet meer op; totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet en worden niet wakker uit hun slaap."

- (de vage hoop) :"Och, of Gij mij in het dodenrijk wildet versteken (Job leefde in grote ellende!) mij verbergen, totdat uw toorn geweken was; dat Gij mij een tijd steldet en dán weer aan mij dacht."

Het laatste wordt vaak door de zieleslaapaanhangers aangehaald, o.a. door Jehova-getuigen en Adventisten.

Men zegt: Als de mens gestorven is, is hij naar geest, ziel en lichaam weg. Later gaat God die mens opnieuw scheppen.

Wij zeggen niet, dat wij opnieuw geschapen worden, maar een vernieuwde schepping zullen zijn. De Heer zegt immers: "Zie, Ik maak alle (bestaande) dingen nieuw!" (Op. 21:5)

Veel christenen zeggen, dat de mens bij de wedergeboorte een nieuwe geest ontvangt, want de oude geest is weg. Daar tussenin is er een tijdje helemaal niets. Wij leren, dat de geest van de mens wordt vernieuwd.

 

Vs. 14. "Als een mens sterft, zou hij herleven?" (een vraag waar je geen antwoord op verwacht)

- "Dan zou ik hoop hebben al de dagen van mijn zware dienst."

St.Vert.: "al de dagen van mijn strijd."

Hóe is de mens dan?

Vs. 18-22. "Gelijk een ineenstortende berg in puin valt en een rots gerukt wordt uit haar plaats, het water de stenen afslijpt, zijn stromen het stof der aarde wegspoelden, zo vernietigt Gij des mensen hoop. (God was de bron van het goede en het kwade!) Gij overweldigt hem voor altijd en hij gaat heen. Gij verandert zijn gelaat en zendt hem weg. Zijn zonen mogen tot ere komen (hij leeft in zijn kinderen voort) maar hij weet het niet; of komen zij tot lage staat, hij bemerkt het niet. (de doden weten van niets!) Slechts over hemzelf lijdt zijn vlees smart en zijn ziel treurt over hemzelf."

 

Hfst. 7:1-3. "Heeft de mens niet een zware dienst op aarde?" St.Vert: "een strijd op aarde." ( Wij leren, dat onze zwaarste strijd in de hemel is.) "en zijn zijn dagen niet als die van de dagloner? Als een slaaf, die hijgt naar schaduw"( Jobs lichaam is met zweren overdekt. Hij is gedoemd een vroegtijdige dood te sterven. ) "Zo werden mij maanden van ellende toebedeeld en nachten van moeite mij beschoren."

 

Vs. 7-9. "Bedenk toch, dat mijn leven een ademtocht is; mijn oog zal het goede niet meer zien Het oog van degene, die mij ziet, zal mij niet meer aanschouwen; uw ogen (Gods ogen!) richten zich op mij en ik ben niet meer. Gelijk een wolk verdwijnt en wegdrijft, zo stijgt wie in het dodenrijk neerdaalt, (voorgoed) niet meer op." ( Het woord voorgoed hoort er eigenlijk tussen te staan. Het is beslist geen blijde prediking! )

 

Hfst. 19:25. Jobs hoop in zijn ellende:

 

"Maar ik weet: mijn losser leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden. Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees Gods aanschouwen."

 

Job was met zijn lichamelijk herstel bezig. Van de opstanding uit de dood wist hij niets af. Hij dacht: Van binnen zal ik God aanschouwen. God gaat aan het werk om mij te genezen. Hij verwachtte zijn genezing van binnen uit.

---------------------

 

De dood in het O-T.

De Oud-Testamentische mens rustte na de dood in het graf en werd tot zijn vaderen verzameld. Men werd in het graf van de vaderen bijgezet.

Het lot, dat de mens in het graf onderging, werd bij de heidense volkeren, waar Israël mee in aanraking kwam, beïnvloed door een plechtige begrafenis. Vooral bij de Egyptenaren was dit het geval.

Ook het intens bedrijven van rouw was van grote invloed op de situatie van de gestorvene. Dit gold in gunstige zin. Als deze zaken niet gebeurden, was het voor de dode zeer ongunstig. Een gericht na de dood was onbekend. "Het is de mens gezet om eenmaal te sterven en daarna het oordeel." (Hebr. 9:27) Als de mens uit het Oude Testament geoordeeld werd, gebeurde dit aan de aardse zijde van het bestaan. Als iemand bijvoorbeeld blindgeboren was, kwam dit doordat zijn ouders gezondigd hadden. Jezus heeft deze gedachte doorbroken en liet de mens de onzienlijke wereld zien. In Lukas 16:19-31 staat het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus.

Het is geen gelijkenis! De rijke man sloeg zijn ogen op in de pijn. Met 'de ogen opslaan' bedoelt de Schrift, dat een mens een blik in de onzienlijke wereld krijgt en dingen ziet, die een ander niet ziet. Van arme bedelaars zoals Lazarus werd gezegd, dat zij niet deugden. Als een bedelaar stierf, kreeg hij een ezelsbegrafenis. Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden, werd als een vervloeking over iemand uitgesproken.

Een dode ezel liet men op de akker liggen.

De arme Lazarus werd door de straathonden verzorgd. Onder de heidenen leefde de gedachte, dat God de mens schiep en tevens bepaalde wanneer hij sterven zou.

Daarna restte de mens een schimmig voortbestaan, waar hij niet meer uit zou komen.

Alleen de goden bezaten onsterfelijkheid.

De dood bij de heidenen

 De Griekse godenleer is de leer van de onsterfelijken.

Het christendom leert, dat de méns onsterfelijk is. Bij de Egyptenaren werd het volk door de koning bij de goden vertegenwoordigd en de goden werden door de koning bij het vólk vertegenwoordigd. Vandaar dat de koning een gód was.

De dynastieën en religies wisselden telkens. Er waren tijden, dat de priesterstand alles voor het zeggen had. Al het land behoorde aan de tempel. De mensen brachten hun geld erheen, want er was geen dief, die eraan dacht om het daár te gaan stelen. Er was grote angst voor de goden.

Jezus heeft bij de tempelreiniging de handelaren uit de tempel verdreven. De godsdienst der Egyptenaren werd door uiterlijke vormen bepaald. Men kende de geestelijke wereld niet en moest heel veel geboden onderhouden. Als een koning tot het christendom overging, ging heel het volk met hem mee.

In de Scandinavische landen en in Duitsland kent men de landskerken.

Ook de Lutherse leer zegt: 'Wiens land, wiens godsdienst.' Er zit een heidens begrip in. De Joodse gedachte was: God is in de hemel en de mens is op de aarde. Dit is ook de gedachte van veel christenen.

Mozes zegt: "De verborgen dingen zijn voor God en de geopenbaarde dingen zijn voor de mensenkinderen." (Deut. 29:29)

De Egyptenaren begroeven hun doden in gehurkte houding, met het hoofd naar het noorden en het gelaat naar het westen gekeerd. Men hakte daarvoor een zo klein mogelijk gat in de grond. De noordpoolster heeft de eigenschap nooit onder te gaan. Een aantal sterren, die in de buurt staan, gaan ook nooit onder. De zon gaat in het westen onder. Het westland was een beeld van het dodenrijk. Er is ook een tijd geweest waarin men de doden met het aangezicht naar het oosten begroef. In het oosten gaat de zon óp. Er is een tijd geweest, dat de Egyptenaren de zon aanbaden. De naam van de zonnegod was Ré of Ra. Bij Caïro ligt de stad Heliopolis; polis: stad; helios: zon.

Er waren ook sterke dodensteden, waar kunstwerken te vinden waren. De naam van een dodenstad is: Necropolis. necro: dood. Een necrologie is een lijst van overledenen.

 Genesis 41:45. "En Farao noemde Jozef: Safenat-Paneach, en bij gaf hem Asnat, de dochter van de priester van On (Heliopolis) tot vrouw,...."

De zonnegod ging op de zonnewagen door het luchtruim, van het oosten naar het westen. Als een Egyptenaar gestorven was, gaf men hem voedsel mee in het graf.

Bij de allerrijksten waren het vaak grote hoeveelheden. Als men geen geld bezat, gaf men de dode een wenskaart mee.

Men stelde alles in het werk om het leven na de dood zo draaglijk mogelijk te maken. De dode woonde in het graf, wat zoiets als het dodenrijk moest voorstellen. Een juiste voorstelling had men niet. Ieder mens ontving bij de geboorte het leven van de zonnegod. Het gebeurde door handoplegging. Het leven: de ka. Met het leven werd niet de ziel bedoeld. Als iemand stierf, ging het leven er weer uit. Men dacht, dat de levensvogel af en toe naar de dode terugvloog.

Daarom ging men de gestorvene mummificeren. Het lichaam moest in tact blijven. Bij het sterven ging de ziel weg. Deze kon in een lotusbloem of in een dier wegkruipen. Het gelúk kón dat niet. Daarom wilde de Egyptenaar zoveel mogelijk van het leven genieten. Ook Prediker zegt: "Eet, drink en wees vrolijk, want morgen sterf je." Men was niet bekend met het gebouw, dat zonder handen, gemaakt is, waarin wij ons verblijf hebben.

 

2 Corinthe 5:1. "Want wij weten, dat, indien onze aardse tent waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, (inwendige mens) in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis."

Wij bezitten een geestelijk lichaam. Men heeft altijd gedacht, dat het lichaam veranderen zal. De dood is een vijand, die de vreugde van het natuurlijke leven wegneemt. Ik wil in deze les de nadruk leggen op onze rijkdom.

 

Psalm 115:16-18.

- "De hemel is de hemel van de Here, maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven."

- "Niet de doden zullen de Here loven, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald,"

- "maar wij zullen de Here prijzen van nu aan tot in eeuwigheid, Halleluja."

De psalmist zegt, dat God de aarde aan de mensenkinderen gegeven heeft, maar wij mogen ons hémelburgers noemen.

Fil. 3:20. "Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus als Verlosser verwachten."

Het eeuwige was voor de Oud-Testamentische mens een lang leven op de aarde. De eeuw was aan een lange tijd op áárde gebonden. Het Nieuwe Testament kent álle eeuwigheid.

Prediker 9:5-7.

- "De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets; (st.v. niets met al), zij hebben geen loon meer te wachten, zelfs hun nagedachtenis is vergeten."

- "Zowel hun liefde als hun haat en hun naijver zijn reeds lang vergaan; en zij hebben nimmer deel aan iets, dat onder de zon geschiedt."

- "Welaan dan, eet uw brood met vreugde en drink uw wijn met een vrolijk hart, want als gij dit doet, dan heeft God dit lang zo gewild."

 

Het Oude Testament rekent alleen met het vergankelijke, maar wij brengen het onvergankelijke. Paulus zegt: "Ontbonden te zijn en bij de Here te zijn, is verreweg het beste." Paulus is liever ontbonden dan een mummie.

 

Hand. 17:32. Paulus spreekt op de Areopagus:

 

"Toen zij nu van een opstanding van doden hoorden, spotten sommigen, maar anderen zeiden: Wij zullen u hierover nog wel eens horen."

 

De opstanding uit de doden was onaanvaardbaar. Jezus heeft de opstanding gebracht. Als Jezus pas geboren is, zegt de oude Simeon tot Maria: "Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat wedersproken wordt."

Opstanding is: verrijzen, omhooggaan.

Bij de Joden gold een lang leven op de áárde. Door een dode te balsemen trachtte men de gestorven mens in de zichtbare wereld vast te houden. Ook het lichaam van Jozef werd gebalsemd en in een sarcofaag gelegd. Op Jozefs verzoek werd het lichaam meegevoerd naar Kanaän. In de piramiden van Egypte werden grafkamers gemaakt, waarin de farao's, de prinsen en prinsessen en de hoge ambtenaren begraven werden. De doden werden gebalsemd en in een sarcofaag gelegd. Duizenden arbeiders hebben jarenlang aan de piramiden gewerkt. Als een arme stierf, werd deze in gehurkte houding in een gegraven kuil gezet. Arme mensen maakten een kistje, waarin zij een mummiepopje legden.

De naam werd op het kistje gezet en men begroef het dicht bij het graf van een rijke, om ook wat kruimels van de tafel van de rijke mee te kunnen pikken.

God is het leven. De dood is de scheiding met God. Sterven is de scheiding tussen de uitwendige en de inwendige mens.

De zonde is de oorzaak, dat de mens van het leven gescheiden wordt. God sprak tot Adam en Eva: "Als gij van deze boom eet, zult gij voorzeker de dood sterven!"

Romeinen 5:21. "opdat, gelijk de zonde als koning heerste in de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid ten eeuwigen leven door Jezus Christus, onze Here."

St.Vert.: "opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood, alzo ook de genade zou heersen, door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven..."

 

Tot de dood: in de richting van de dood; tot het eeuwige leven: in de richting van het eeuwige leven. In het door mij geschreven boek de brief van Paulus aan de Romeinen, heb ik bij vs.21 het volgende vermeld:

'De zondemachten beginnen met de geestelijke band met God te òntbinden. Zij maken scheiding tussen God en de mens.' (de dood!) Men maakt zich los van de oorspronkelijke en natuurlijke gehoorzaamheid aan God en aan zijn wetten en men gaat gehoorzamen aan en wordt gebruikt door de boze. Deze gaat als koning heersen en de mens als slaaf gebruiken. Tenslotte wordt de mens bij zijn sterven overgeleverd aan de koning van het dodenrijk, die over hem heerst tot het eindoordeel' De dood is de laatste vijand.

Ik vind zonde en ziekte grótere vijanden. De dood conserveert. Een mens zonder machten heeft in de dood geen pijn. (schoot van Abraham) De genade lost het probleem van de scheiding op. De genade is in Christus Jezus geworden. Hij is het begin van een verse en levende weg. (Hebr. 10:20 st. v.)

Jezus heeft de zondeschuld weggenomen en heeft de mensen, die de verzoening aanvaarden, tot rechtvaardigen gemaakt. De geestelijke band met God wordt dan weer hersteld en de genade wordt verder geopenbaard in de vernieuwing van geest, ziel en lichaam.

In de inwendige mens worden de wetten Gods hersteld en ingeschreven.

De genade heerst door het recht Gods, waarin de mens wandelt van kracht tot kracht en van heerlijkheid tot heerlijkheid. Bij het sterven neemt de vernieuwde inwendige mens zijn intrek bij de Heer en wordt daar bewaard tot de dag van de eerste opstanding.

Hierna wordt deze inwendige mens door een geestelijk lichaam in staat gesteld om in de zichtbare én in de onzichtbare wereld te functioneren. Voor Jood en heiden gold, dat de zonde als koning heerste tot de dood. (ten dode) De dood is het tegengestelde van het leven. De bijbel loochent echter nooit het voortbestaan van de mens. De mens existeert na de dood. De zieleslaapaanhangers spreken van non-existentie. Het betekent, dat de mens helemaal verdwenen is. De dood is een negatieve beloning, want het loon van de zonde is de dood. (Rom. 6:23) De zonde is een negatieve werking.

 

Hfst. 5:14. "Toch heeft de zonde als koning geheerst van Adam tot Mozes."

 

Ik zeg liever: 'tot en met Mozes.' Of: 'De dood heeft geheerst van Adam tot Christus.' Christus heeft het léven gebracht.

De dood is tot alle mensen doorgedrongen; ook tot de mensen, die niet gezondigd hebben. Een baby kan ook sterven. Dat komt omdat deze mensen niet absoluut rechtvaardig zijn. Wij leven in de sfeer van de dood, want de aarde is in duisternis gehuld. Christus verheft de mens. Als de mens zich verheft, komt hij in het Koninkrijk Gods.

Op een andere wijze kan de mens niet uit het klimaat van de dood komen. De mens wordt uit de duisternis getrokken tot het licht van God: uit de dood tot het leven. Als iemand met een wit pak door een kolenmijn loopt, wordt het witte pak vanzelf vuil.

De christen ziet de dood niet. Jezus zegt:

 

Joh. 8:51. "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand mijn woord bewaard heeft; hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen."

Als Lazarus gestorven is, zegt Jezus: "Mijn vriend Lazarus slaapt." Als iemand slaapt, bestaat hij wél, maar hij is onttrokken aan de natuurlijke wereld. Hij kan in de onzienlijke, geestelijke wereld van alles beleven. Jezus gaat de slapende Lazarus wakker maken. Als iemand wakker wordt, dan staat hij op. Als een ontslapene wakker wordt en opstaat, dan gaat hij weer functioneren in de zichtbare wereld.

 

Jesaja 53:5. "De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op hem."

Wat is deze straf? De mens begint zich van God los te maken. God laat die mens verder aan die werking óver. Dan is de mens in handen van de dood.

Als Jezus de zonde der wereld op Zich neemt, wordt Hij van God verlaten.

Gods Geest wijkt van Hem. Jezus roept uit: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten." Jezus bevindt Zich in de dichte duisternis, in de totale Godsverlatenheid, gescheiden van God, die het leven is.

Als de mens de weg van de duisternis bewandelt, laat God hem op die weg verder gaan. Jezus heeft, terwille van de mens, de straf overgenomen. Wij zijn dood geweest door zonden en misdaden. (Ef. 2:1, Kol. 2:13. St. v.) Het wil zeggen, dat wij in handen van de dood zijn geweest. Als iemand dood is in zonden en misdaden, wordt dit bij zijn sterven geconsolideerd: vastgelegd.

Zo iemand kan zich niet meer bekeren. Er is geen redding meer mogelijk. Hij komt in het dodenrijk, waar geen enkele verandering mogelijk is. Het is statisch geworden. Over de schoot van Abraham, waar de arme Lazarus vertroost wordt, komen wij nader terug.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijbelschool Gorinchem (serie 5 / les 3 / 14/12/85 )

3

14-12-85

 

 Openbaring 20:1,2

 

- "En ik zag een engel neerdalen uit de hemel met de sleutel van de afgrond en een grote keten in zijn hand;

- en hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en hij bond hem duizend jaren."

Draak, oude slang, duivel en satan, zijn typische namen van de vijand. Satan: tegenstander (satanas). Duivel: lasteraar, aanklager (diabolos). Diabolos: uiteenwerper. Het is satans bedoeling om God en de mens uiteen te slaan. Hij is de rapporteur van kwade zaken. De woorden tegenstander en lasteraar kunnen ook op de mens betrekking hebben. In Numeri 22:22 stelt de Engel des Heren zich op de weg als Bileams tegenstander. Septuagint: als zijn satan.

Psalm 109:6. "Stel een goddeloze als rechter over hem, een aanklager sta aan zijn rechterhand." (bij het valse gericht). Septuagint: de duivel (diabolos).

In Job 1 en 2 komt het woord satan verschillende malen voor (10x). Verder komt het woord in het Oude Testament nog tweemaal voor.

In Zacharia 3 staat de hogepriester Jozua voor de Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand staat om hem aan te klagen. 'satan' kan een soortnaam zijn: een tegenstander, maar ook een eigennaam, zoals in 1 Kron. 21:1, waar satan zich tegen Israël keert en David aanzet om het volk te tellen. Voor een eigennaam staat geen lidwoord. 'Draak' en 'oude slang' zijn beelden van wie er achter staat. Een draak is een krokodilachtig monster en symboliseert de kracht en het monsterachtige van de tegenstander. De oude slang symboliseert het vuur: het listige, de gespleten tong, het leugenachtige. De satan is weerspannige geest, die niet met Gods bedoelingen accordeert en weerspannig is aan het doel en het plan van God. Het doel

van God, het hoofdpunt van zijn denken is: de volmaakte mens naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis. Het plan van God is: de toebereiding om de volmaakte mens te verkrijgen; de weg om tot het gestelde doel te komen.

In Openbaring 3:14b staat van Jezus: "Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige, het begin der schepping Gods." (arche)

Het is niet zomaar een begin, maar iets wat in Gods denken héérst: het allervoornaamste. De mens naar Gods beeld is de actieve oorzaak van heel de schepping.

 

Hebreeën 6:1,2. "Laten wij daarom het eerste onderwijs (arche) aangaande Christus laten rusten, en ons richten op het volkomene." (Het eerste onderwijs: het fundamentele, de beginselen.) "Bekering van dode werken en van geloof in God, een leer van dopen en van oplegging der handen, van opstanding der doden en van eeuwig oordeel."

Er moet op het fundament verder gebouwd worden. Het is niet goed om, als het niét noodzakelijk is, steeds weer te prediken over de zaken, die het fundament betreffen.

 

Johannes 8:25. "Zij dan zeiden tot Hem: Wie zijt Gij? Jezus zeide tot hen: Wat spreek Ik eigenlijk nog met u." (N.B.G.)

In de statenvertaling staat iets heel anders: "Zij zeiden dan tot Hem: Wie zijt Gij? En Jezus zeide tot hen: Wat Ik van den beginne ulieden ook zegge." (arche)

 

Jezus bedoelt te zeggen: 'Mensen, Ik héb dat principe al verteld. Ik ben één met mijn woord. Ik ben de belichaming van mijn leer. Wie mijn leer wil zien, moet naar Mij kijken.'

Met andere woorden:

"Ik ben het begin en het einde, de alfa en de omega" (Op. 22:13).

Om tot het doel te komen, heeft God eerst de hemel gemaakt. Het was de dag van de engelen, of: het tijdperk van de engelen.

De engelen zijn geschapen om te dienen.

Daarna schiep God de mens, die Hij 'bijna goddelijk' maakte. (Ps. 8:6) De schepping van de mens was het hoofdpunt in Gods gedachten. De mens staat, als beelddrager Gods, centraal.

God schept in 'dagen'. Een 'dag' is een onbepaalde tijd. God neemt er de tijd voor. Er is een leer, die zegt, dat de schepping voordat Adam kwam, al een val had meegemaakt.

Men zegt: Er staat immers, dat de aarde woest en ledig was. God schept niet iets wat chaotisch is. De aarde heeft aan de engelen behoord en die hebben de zaak verknoeid. (Pré-Adamitische val)

God schept op dezelfde wijze als de mens het doet, want de mens is naar Gods beeld geschapen.

Het woord 'chaos' is geen negatief woord. Als een componist een nieuwe compositie gaat maken, dan pakt hij het nodige uit zijn rijkdom (chaos) aan apperceptiemateriaal.

Als iemand een machine wil bouwen, dan gaat hij die samenstellen uit een chaos van staven en moeren. Een beeldhouwer gaat iets maken uit een vormeloze klomp materiaal.

Als een mens iets gaat scheppen, moet hij wél goed weten wát hij pakt uit hetgeen voorhanden is.

Scheppen gebeurt altijd vanuit het ordeloze, het chaotische. God gaat iets scheppen vanuit datgene wat Hij in zijn Geest aan gedachtenwerelden voorhanden heeft.

God kan zijn kracht, dat is zijn Geest, omzetten in licht en in stof. Atoomsplitsing is het omzetten van stof in licht en in kracht.

De Transcriptievertaling van Dr. M. Reisel:

 

"In een begintoestand had God geschapen de hemelruimte en de aarde." Engelen worden vaak met sterren vergeleken. De sterren zijn tot tekenen van geest en leven in de hemel, van de engelenwereld. (Gen. 1:14 st. v.)

De eerste engelen waren morgensterren. Zij hebben eertijds de komst van de mens, een nieuw tijdperk, aangekondigd. De morgenster Lucifer was als lichtdrager de verantwoordelijke leider van de hemelingen, om in het scheppingsplan van God diensten te verrichten. Aan het firmament is de planeet Venus de morgenster. De Latijnse naam voor Venus is: Lucifer. De planeten, waaronder de aarde, zijn donkere hemellichamen. De planeet Venus heeft een bijzondere schittering, omdat hij, evenals de aarde, licht van de zon ontvangt en terugkaatst. Als je de planeet Venus ziet schitteren, dan weet je dat de dageraad nabij is. Jezus Christus is de blinkende Morgenster. Hij kondigt een nieuwe tijd aan: het komende licht. In de lofzang van Zacharias staat: "Ons heeft bezocht de Opgang uit de hoogte." De zon gaat op in de geestelijke wereld. Als Jezus zegt: "En Ik zal hem de morgenster geven," betekent dit, dat je wordt ingeschakeld om de nieuwe Dag van het Vrederijk aan te kondigen (Op. 2:28).

Wij zitten nu in het tijdperk van de openbaring van de zonen Gods, de morgensterren van de nieuwe dageraad die de zuchtende schepping zullen bevrijden en het vrederijk zullen brengen. Toen God de aarde aan het scheppen was, zagen de engelen telkens iets tevoorschijn komen. Zij zagen de ontwikkeling, de evolutie, en zij juichten (Job 38:7). Zij doorzagen Gods eeuwige kracht en goddelijkheid (Rom. 8:20). Ook Lucifer heeft de kracht Gods gezien, tótdat hem duidelijk werd wat die nieuwe dag brengen zou: de mens, die van een natuurlijk mens tot een geestelijk mens gemetamorfoseerd zou worden en tot de volmaaktheid zou komen. Dan volgt de terugslag: de val van de engelen. Ook de hémel is in een begintoestand geschapen en niet kant en klaar. Er is een scheiding tussen de goede en de kwade engelen tot stand gekomen, een scheiding tussen licht en duisternis (een oordeel).

Jezus zei: "Vader, Uw wil geschiede, in de hemel alzo ook op de aarde."

In de satan werd de leugen geboren. Hij is de vader der leugen, want hij accordeerde niet met de waarheid, het plan van God. (Joh. 8:43-47) Lucifer bleef niet staan in de waarheid, maar kwam in opstand tegen de waarheid. Satan is de grote weerspannige en Gods tegenstander. Je kunt in de leugen zijn, als je de waarheid niet ként. Maar Lucifer had de kracht Gods al zolang aanschouwd en kende de waarheid wél. Veel mensen verkeren in de dwaling omdat zij er in opgevoed zijn. Lucifer was niet in de dwaling opgevoed, maar die is in hem ontstaan. De leugen en de weerspannigheid zijn tegelijkertijd geboren. Lucifer wilde zich niet aan het gezag van God onderwerpen en was ongehoorzaam.

Een heel oud woord voor ongehoorzaam is wederhorig. Het is: niet willen horen.

Lucifer voelde zich gepasseerd, want God verkoos de mens om tot een volmaakt geestelijk wezen te ontwikkelen en met Hem te heersen over al de werken van zijn hand.

Toen heeft de duivel de mens verworpen.

----------------------

'Staan in de waarheid': actief ermee bezig zijn.

De volmaakte mens zou door de Heilige Geest tevoorschijn worden gebracht. Lucifer weerstond deze ontwikkeling en lasterde hiermee de Heilige Geest.

Toen heeft God Lucifer verworpen en verbande hem van de heilige berg der goden (Ez. 28:16). Hij werd ter aarde geworpen en tracht in de hemel, als aanklager der broeders, nog zijn slag te slaan. Als de mens tot volmaaktheid komt, wordt satan uit de hemel van de gemeente geworpen. De leugen is in Lucifer ontstaan en die heeft de andere engelen ermee vergiftigd. De weerspannige geesten tasten het werk van de Heilige Geest aan. Het lasteren van de Heilige Geest is een onvergefelijke zonde. Lasteren is niet alleen liegen of kwaadspreken, maar liegend kwaadspreken.

Jezus zegt in de Bergrede: "Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwille." De mens kan alleen maar liegend kwaadspreken als hij de waarheid kent. Lasteren is het naar buiten brengen van de weerspannigheid.

Weerspannigheid is een onzichtbare kracht, een soort geweldgeest, die zich tegen de waarheid keert en naar de antigoddelijke kant werkt. De mens is door leugens misleid en ongehoorzaam geworden. De weerspannigheid is veel erger en wil tegen de wil van God ingaan. Bij Kaïn lag de weerspannigheid als een belager aan de deur en werd door Kaïn binnengelaten.

Het is de geest, die Kaïns broer Abel gedood heeft. Abel heeft in het bloedig offer het Plan van God ontdekt. Het offer van Abel was een afschaduwing van hét grote Offer.

Kaïn wist, dat Abel gelijk had en een rechtvaardige was. (1 Joh. 3:12) Hij keerde zich tegen het goede en lasterde de heerlijkheden (2. Petr. 2:10).

1 Samuël 15:23a. "Voorwaar, weerspannigheid is zonde der toverij en ongezeggelijkheid is afgoderij en dienen van terafim."

Toverij is een bemiddelaarster van bovennatuurlijke machten, die door de mens worden aangewend. (magnetiseur, spiritist, pendelaar, amuletten, ...)

De tovenaars Jannes en Jambres weerstonden Mozes door middel van toverkrachten.

Mozes had een strijd tegen de slangen.

De kracht, die Mozes had, verslond de slangen. Egypte wordt in de bijbel gesymboliseerd door Rahab, een gewelddadig natuurmonster.

Dwaalleraars doorkruisen het plan van God en loochenen de volkomenheid. Ze hebben een schijn van godsvrucht, maar verloochenen de kracht van Gods Geest. (2 Tim. :1-13 en 2 Petrus 2) Zij lasteren de heerlijkheden. Toverij is een kracht, die niet tot de menselijke geest behoort.

Weerspannigheid behoort niet tot de mens, want die is van nature gehoorzaam; luisteren én doen.

De weerspannige keert zich tegen God en zijn plan, omdat hij verleugend is.

De ongehoorzame mens heeft leugen én weerspannigheid in zich. Samuël had de weerspannigheid bij Hofni en Pinehas, de zonen van Eli, gezien. In het Oude Testament werd de weerspannige zoon gestenigd. Eli liet het begaan. De geest van weerspannigheid kon niet worden uitgedreven. Weerspannige mensen nemen de gedachtenwereld van de boze over. Satan is de grote weerspannige!

Jesaja 5:20a. "Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad; die duisternis voorstellen als licht en licht als duisternis;....."

Deze mensen lasteren het werk van God, door zijn Geest. Jezus zegt, dat het lasteren tegen de Geest een onvergeeflijke zonde is. (Marcus 3:29; Matth. 12:22-37).

Jezus zegt dit, omdat zij van Hem zeiden: "Hij heeft een onreine geest." (vs. 30)

In Matth.11:24 zeggen de Farizeeën, dat Jezus de boze geesten uitdrijft door Beëlzebul, de overste der duivelen. Het werk van de Heilige Geest werd gelasterd. Het gebeurde bewúst, want zij wisten, dat Jezus niets dan goed deed. Zij zagen zijn handelingen.

De duivel heeft eeuwen en eeuwen het handelen van God gezien en gezegd: 'Het is niet goed.' "En indien Ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf, door wie doen uw zonen het dan?"

Het uitdrijven van duivelen was in de tijd vóór Jezus niet voorgekomen. De Farizeeën en de overpriesters wezen het van de hand. De orthodoxie kent geen duiveluitdrijving. Toch zijn er mensen geweest, die het van Jezus hebben overgenomen.

De zonen van de leiders, de jongelui, hebben het gezien en vonden het prachtig. Zij hebben het van Jezus overgenomen.

Op een keer werd tot Jezus gezegd: "Er is iemand, die in Uw naam duivelen uitwerpt, maar hij volgt ons niet; verbied het hem!" (Marc. 9:38-40)

Het kenmerkende van deze mensen is, dat zij Jezus niet volgen, maar het wel in zijn naam doen. Er gebeuren bovennatuurlijke dingen.

De overpriester Sceva had zeven zonen, die in de naam van Jezus duivelen uitwierpen. (Hand. 19:13-20).

Jézus zegt van deze mensen: Laat ze maar geworden, want als ze dat doen, kunnen zij moeilijk kwaad van mij spreken. Het zal later wel blijken.

In onze dagen zien wij in grote genezingssamenkomsten hetzelfde gebeuren. Er komen mensen tot bekering en er gebeuren genezingswonderen.

Jezus zegt: 'Zij doen dit wel, maar zij volgen Mij niet in mijn denkwereld.'

Als wij dezelfde gedachtenwereld als de Heer hebben, dan zijn wij in Zijn naam vergaderd. "En wie niet met Mij bijeenvergadert, die verstrooit," zegt Hij.

Er zijn ook tegenkrachten werkzaam (charis-matische beweging). Een verslag van de Synode van Dordrecht over deze zaken luidde: 'Er was iets van God bij, ook iets van de duivel en véél van de mens.'

Dit is terecht opgemerkt. Maar het wil niet zeggen, dat deze mensen geen goed doen. Luther stond alleen tegenover een wereldkerk met duizenden kerkvorsten en miljoenen aanhangers. Hij zei: 'De rechtvaardige zal uit gelóóf leven.'

Luther is niet op de brandstapel gekomen. Hij is ketter-af geworden en stichtte een Landeskirche, de Lutherse Kerk, een staatskerk.

Luther was een kinderdoper.

Als een kind geboren werd, werd het automatisch bij de Lutherse Kerk ingelijfd.

De Doopsgezinden (Dopersen) doopten volwassenen. Luther liet ze gevangennemen en doden. Hetzelfde gebeurde met de joden. Luther was een jodenhater.

David was een man naar Gods hart en dichtte o.a. Psalm 23. Toen het hem goed ging, werd hij een oosters despoot en liet zijn beste veldheer vermoorden.

De heidense volken rondom zeiden: 'Zoiets zouden wij nooit doen.' David heeft zijn zonden beleden. Van Luther is het niet bekend.

Ook Zwingli liet de Dopersen binden en in de rivier gooien.

Het is zeer de vraag of wij het er levend zouden hebben afgebracht.

Weerspannigheid is het zich verharden tegen het duidelijke bewijs van Gods tegenwoordigheid. Farao verhardde zijn hart.

Hebreeën 10:26,27. "Want indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid zijn gekomen (van het plan van God) blijft er geen offer voor de zonde meer over, maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van vuur, dat de weerspannigen zal verteren."

 

 

Het zijn mensen, die de geestelijke gaven hebben gesmaakt en dan opzettelijk zondigen. Zij kennen het goede woord Gods en komen tot afval.

Het griekse woord voor weerspannig is: bovenmatig ertegen. (hyper-anti)

De boze engelen gingen woning maken in de mens, om zo in de stoffelijke wereld te heersen. Zij hebben hun eigen woning verlaten (Judas 6). Zij waren bestemd om te dienen. Een demon kan slechts door middel van de mens in de stoffelijke wereld heersen. Maar God heeft de aarde aan de mensenkinderen gegeven en niet aan de engelen (Psalm 115:16). Een weerspannige geest houdt een boze geest vast. Het kan gebeuren, dat bij een bediening een boze geest niet wordt uitgedreven, omdat er een weerspannige geest achter zit, die geen gezag erkent en aanneemt.

De grootste weerspannige geest is de antichrist. Op de koppen van het beest, dat uit de zee opkomt, staan namen van godslastering (Op. 13:1). In onze tijd zijn er veel acties voor de vrede. Er zit een weerspannige geest achter, die zich tegen het gezag keert.

Het is burgerlijke ongehoorzaamheid!

 

= = = = = = = = = = = = = = =

 

 

 

Bijbelschool Gorinchem (serie 5 / les 4 / 1/2/86 )

4

01-02-86

De droom van Nebukadnezar

  

Daniël 2. ( speciaal vs. 27 t/m 45! )

 De droom van Nebukadnezar vond ongeveer 2600 jaar geleden plaats en heeft veel beroering verwekt onder de geleerden, waarzeggers, tovenaars en Chaldeeën (vs. 2).

De koning dreigde degenen, die hem de droom niet konden uitleggen, om het leven te brengen (vs.5). Hij wilde dat men hem eerst de droom zou vertellen. Hij wilde zeker weten, dat de uitleg van de droom geen verzinsel was (vs. 7-9).

De waarzeggers en geleerden waren er niet toe in staat, maar Daniël wél.

Deze droom intrigeert ook vandaag nog vele uitleggers. Er is een grote uitlegger geweest, die gezegd heeft, dat Daniël 2 het centrale hoofdstuk in de bijbel is. Deze droom is zeer belangrijk voor de eindtijdexegeten en de profetieënmengers. Daniël is echter in zijn uitleg niet boven de bedeling van de schaduwen uitgekomen. Hij heeft niet de openbaring van de verborgenheden aan Nebukadnezar doorgegeven. Daniël verving de droom, die op zich al een gelijkenis was door ándere gelijkenissen. Ook voor Daniël gold wat 1 Petrus 1:10 zegt, dat de profeten hebben moeten naspeuren en doorvorsen waar zij over spraken. De profeten hebben van de voor óns bestemde genade geprofeteerd.

Daniël heeft dit niet geweten, maar wist wel dat het over de tijd van het einde ging.

 Va. 21. "Hij toch verandert tijden en stonden."

 

Ik, geloof, dat dit betekent, dat de Heer de tijden van de schaduwen, de zíchtbare dingen verandert in de tijden van de ónzichtbare dingen. Wij zijn overgegaan van de zichtbare naar de onzichtbare wereld; van de tijden, die te maken hebben met de koninkrijken der aarde, naar de tijden die te maken hebben met het Koninkrijk der Hemelen.

 

 

-----------------------

 

HET BEELD

 

De uitleggers zien het beeld chronologisch; tijdrekenkundig. Zij zoeken de verborgenheden in de tijd, in de natuurlijke wereld en niet in de hemelse dimensies. Het beeld op bijgevoegd plaatje heb ik overgenomen uit het boek 'Wie het leest, die merke daarop,' van Bultema, die hetzelf ook uit een boekje, dat vrijwel zeker uit Adventistische kringen komt, heeft overgenomen. Hij heeft erbij vermeld, dat de mensen er niet te zeer op moeten vertrouwen. Wij zien op het plaatje de aardse wereldrijken.

 

Vergelijk:

  • Het gouden hoofd: Babylon = 612-539 v. C. = 73 jaar.
  • Borst en armen van zilver: Medo-Perzische Rijk = 539-330 v. C. = 209 jaar.
  • Buik en lendenen van koper: Grieks-Macedonische Rijk = 184 jaar.

(Alexander de Grote)

  • Benen van ijzer,

Voeten deels ijzer, deels leem: Rome = 4e wereldrijk. = van 146 v. C. tot - 1986........

 

Wij zouden nog altijd met het Romeinse Rijk te maken hebben. Men haalt Vrouwe Justitia en allerlei andere zaken erbij. Het Imperium van Rome wordt niet door een ander wereldrijk gevolgd.

Omdat men theorieën heeft, wordt de gedachte, dat wij in het Romeinse Rijk zouden leven, er kunstmatig ingepast. De steen, die het beeld aan de voeten treft, is Jezus, die over de koninkrijken der aarde triomfeert.

Vooral 'de tien tenen' houdt de aanhangers van de Maranatha-gedachte intens bezig. Men zegt, dat de tien tenen op het herstel van het Romeinse Rijk wijzen.

Het zou een bewijs zijn, dat het Romeinse Rijk in de eindtijd in tien deelstaten zal worden verdeeld.

Wij moeten dan tien deelstaten in de Europese Gemeenschap hebben.

De berg Sion moeten wij in Israël zoeken. Bij de wederkomst des Heren is Israël hersteld en wordt het Romeinse Rijk vernietigd.

Volgens het plaatje had dit alles in 1926/27 zijn beslag moeten hebben.

In de eerste jaargang van het blad het Zoeklicht(1920), is het volgende te lezen. Het is interessant om dit vele jaren later nog eens te bezien:

Het mag van algemene bekendheid worden geacht, dat bij het beeld de bénen het Romeinse Rijk weergeven en de voeten de voortzetting ervan.

Eveneens dat, onmiddellijk voorafgaande aan de wederkomst des Heren, dit Rijk als laatste uitlopers tien staten zal vertonen, weergegeven door de tien tenen van het beeld en de tien hoornen der dieren (het beest uit de zee met tien horens, is gelijkwaardig).

Geschiedkundig wordt onder het Romeinse Rijk het complex van die gebieden verstaan, welke als provincie rechtstreeks bij dat Imperium waren ingelijfd. (zie landkaartje van het Romeinse Rijk) Als uiterste hoek in Europa vinden wij de provincie Brittania, het tegenwoordige Engeland, zónder Ierland en Schotland: namelijk de Schotse Hooglanden ten noorden van de Romeinse vestingslinie, welke beide laatsten nooit onderworpen zijn geweest; maar Ierland bezig is zich los te scheuren, men spreekt zelfs van een feitelijke oorlogstoestand, duidt dit op een komend herstel van de Romeinse toestand.

Het kwam de uitleggers goed te pas, dat Ierland bezig was zich los te maken, want men zei, dat het niet tot het Romeinse Rijk behoorde.

Maar de Schotten, zich zowel van aard als religie onderscheidend van het steeds meer verroomsende Anglicaanse Engeland, is in de toekomst een bestuurlijke of staatkundige scheiding niet denkbeeldig.'

Men zegt: 'En Schotland gaat er ook nog af.'

'In Nederland vormde de Rijn de grens van het Romeinse Rijk. Nijmegen: Noviomagus: nieuwe stad, lag precies op de grens. Brabant en Limburg behoorden tot het Romeinse Rijk. Zeeland was een moeras. Opmerkelijk is, dat het Roomse België juist naar deze twee Roomse provincies de handen begint uit te slaan.'

 

Daarna gaat het Zoeklicht nog even bespreken wat er in Duitsland aan de hand is: waar Elzas-Lotharingen nu eigenlijk bij hoorde, want daar lag ook de scheiding van het Romeinse Rijk (de Rijn!). Dan via Frankrijk naar de Donaulanden. Vervolgens via het Midden-Oosten naar Noord Afrika: Mauretania = Marokko, daarnaast Algerije en Tunis (Carthago), Libië (Cyrenaica) en Egypte.

Aan de Engelse regering is juist voorgesteld zelfstandigheid te verlenen aan Egypte, dat volgens Daniël 11 in de tijd van het einde een rol zal spelen als zelfstandige natie, de koning van het zuiden.

In de tijd van Johan de Heer van het Zoeklicht, was Faroek de koning van Egypte. Dat klopte dus precies!

Tripoli, Algerije en Noord-Marokko maken als bezittingen van resp. Italië, Frankrijk en Spanje, reeds deel uit van de drie der tien eindrijken.

Men dacht: 'Dat hoort bij Europa.' Marokko behoorde aan Spanje en aan Frankrijk. Algiers en Tunis behoorden aan Frankrijk. Libië behoorde aan Italië en Egypte was een zelfstandig koninkrijk.

Het gevoelen breekt zich daarom baan, dat de tegenwoordige tijd er een is van smartelijke geboorte en dat wij verwachten kunnen, langzamerhand de tien eindrijken uit de mensenzee te zien voortkomen. De vervorming zal ongetwijfeld geleidelijk voortgaan. Doch hebben de tien staten zich eenmaal gezet op de bodem van het Romeinse Rijk, verenigd tot een volkenbond, dan zullen zij ook scherp afgebakend en voor ieder herkenbaar zijn en even opvallend als tien tenen aan de voeten van een mens of de tien hoornen op de kop van beest.

Als wij het alles vandaag beschouwen, zitten wij nog met het probleem Ulster, dat aan Engeland behoort. Het ligt in Noord-Ierland.

Het is ook niet erg aannemelijk, dat Schotland zich vanwege de Presbyteriaanse Kerk van Engeland zal losmaken. Nederland heeft niet meegedaan met de eerste wereldoorlog. België wél. België wilde het Rooms-Katholieke deel van Nederland hebben.

Johannes de Heer zei: Ook dat deel van Nederland zal bij België gevoegd worden. Dan is de zaak dáár óók rond!

 

Egypte is nu geen koninkrijk meer, maar een volksrepubliek. Libië hoort nú niet meer bij Italië. Ook Algerije, Tunis en Marokko zijn zelfstandige staten. Bij de grens van het Midden-Oosten vinden wij het onafhankelijke Turkije (vroeger Klein-Azië).

De noordoostelijke grens is het noorden van, Iran (Perzië). Het is tegenwoordig ook een zelfstandige staat. Irak, Syrië, Jordanië en Israël zijn ook zelfstandige staten. In het Romeinse Rijk, buiten de E.E.G, liggen ook Bulgarije, Roemenië, Tsjechoslowakije, Joegoslavië. Oostenrijk, Hongarije en Zwitserland. De E.E.G telt tegenwoordig twaalf staten. Ik heb in het voormalige Romeinse Rijk 28 staten geteld. Men moet nu komen aan het streefgetal 10. Daar zijn wij in 1986 heel ver van verwijderd. Veel verder dan Johannes de Heer in 1920.

In die tijd was Mussolini aan het opkomen.

Johannes de Heer schrijft in zijn boek Het Romeinse Vraagstuk: (enkele jaren voor de oorlog geschreven)

'In de dertiger jaren was de eindtijdleer over het herstel van het Romeinse Rijk zeer actueel. Vooral toen Mussolini na zijn mars naar Rome in Oktober 1922 met de regeringsvorming werd belast en in 1924 dictator werd. In overeenstemming met de vraag: zal Palestina onder Italiaans mandaat komen? Moet het vroeg of laat komen tot een verbond tussen het herstelde Romeinse Rijk en het teruggekeerde Joodse volk? Mussolini' s streven stemt hier op treffende wijze overeen. Eén van zijn grootste idealen is toch om de Middellandse Zee tot een Romeinse Zee te maken, (Mare Nostra: onze zee) waarbij hij vanzelf zijn oog geslagen heeft op het Syrische en Palestijnse mandaatgebied.

Welk een belangrijke plaats aan Mussolini toegekend wordt, blijkt uit enkele ondertitels. Ik noem er enkele uit het Romeinse vraagstuk:

1. Mussolini en het fascisme 9. Mussolini en het herstel van het keizerlijke Rome

2. Opmars naar Rome 10. Een nieuwe Caesar

3. Herstel van de Romeinse gewoonten? 11. Een derde Rome

4. Mussolini' s levensloop 12. Mussolini en het Vaticaan

5. " " ijzeren scepter 13. " " en de bijbel

6. Mussolini en de militaire toerusting 14. Een fascistische geloofsbelijdenis

7. " " en de jeugd 15. Rome als toekomstig internationaal

vredescentrum.

8. Vergoding van Mussolini

PAX ROMANA: De vrede van het Romeinse Rijk

 

Aan het einde van de oorlog vlucht Mussolini met zijn vriendin naar Zwitserland en wordt door de partizanen gegrepen en opgehangen. Het was een geweldige klap voor het fascisme, maar ook een grote klap voor de profetieënmengers. Want Mussolini werd al aangeduid als de antichrist. Hij zat in het herstel van het Romeinse Rijk. Toen Mussolini opgehangen werd, werd ook het Romeinse Rijk opgehangen. Men schreef en men sprak er haast niet meer over.

In onze tijd komt het weer naarboven, in verband met de E.E.G. Ik wil nog een ander boek aanhalen. De schrijver is de heer Klein Haneveld en de titel van het boek is: De toekomst van Rusland en zijn bondgenoten.

Dit toekomstige herstelde Romeinse Rijk zal de grote westerse federatie van Europese naties zijn. In zijn laatste vorm zal het bestaan uit tien rijken, een tienstatenbond. De tien tenen van het beeld in Daniël 2 en de tien horens van het beest in Daniël 7 en in Op.17: de vrouw op het beest, stellen namelijk tien koningen voor, die in één uur macht zullen ontvangen en hun macht uiteindelijk zullen overdragen aan de antichrist.

 

Nebukadnezar was tevreden over de uitleg van de droom. Maar de uitleggers van vandaag zijn, dankzij de uitleg, in verwarring gekomen. Daniël raakte ook in verwarring en zei: Alle kleur week van mijn gelaat, en ik had geen kracht meer over. (Dan. 10:8)

 

Vs. 17. "Ik heb immers geen kracht meer, en alle adem is mij benomen."

 

Het sleutelwoord van Daniël 2, dat ons houvast geeft, is het woord verborgenheid. Het komt in dit hoofdstuk vele malen voor. In de Septuaginta staat het woord mysterion: mysterie.

 

Het Nieuwe Testament kent twee verborgenheden:

 

1. De verborgenheid van de Gemeente van Jezus Christus, die samengesteld is uit Jood en heiden.

 

2. De verborgenheid van de antigemeente, de valse decadente kerk, uitgebeeld door de hoer.

Alle verborgenheden staan hiermee in verband. Het woord verborgenheid wijst op begrippen, die hoger liggen dan de natuurlijke dingen. Deze verborgenheden worden alleen door Goddelijke openbaring bekend. Vergelijk: "Openbaring van Jezus Christus." Als het grondwoord mysterion gebruikt wordt, wordt het geassocieerd met het werkwoord openbaren of bekendmaken (Efezebrief). Of het wordt gepredikt.

Kolossenzen 1:26. "..het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn heiligen"

 

Daniël heeft, zoals al de profeten, over de voor ons bestemde genade in de gééstelijke wereld geprofeteerd. Het is de hémelse erfenis. En Nebukadnezar heeft iets van dat mysterie in de onzienlijke wereld gezien. Dat kwam omdat hij behalve een groot koning ook een gód was. Dit soort koningen werden als goden aanbeden (Romeinse keizer; farao). Alleen zo'n koning had eeuwig leven. Als een arm mens stierf, liet hij zich vaak in de buurt van een piramide begraven, om op deze wijze deel te hebben aan het leven van zo'n koning. Als Nebukadnezar in Daniël 3 het gouden beeld met de wanstaltige verhoudingen gaat oprichten (60 el hoog en 6 el breed), is hij bezig met dingen die later zullen gebeuren.

Hij droomde in gelijkenissen over de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen, waar zich het Koninkrijk Gods, het koninkrijk van satan en het koninkrijk van de dood bevinden. Als wij de waarheid willen leren kennen, zullen wij ook de leugen goed moeten kunnen onderscheiden.

Het is logisch, dat wij de verborgenheden uit Daniël in verband brengen met de verborgenheden van het Nieuwe Testament.

 

Daniël 2:47. "De koning gaf Daniël ten antwoord: In waarheid, uw God is de God der goden en de Heer der koningen, en Hij openbaart verborgenheden; daarom hebt gij deze verborgenheid kunnen openbaren."

Gód openbaart de verborgenheden!

 

Mattheüs 13:34,35.

- "Dit alles zeide Jezus in gelijkenissen tot de scharen en zonder gelijkenissen zeide Hij niets tot hen,

  • opdat vervuld zou worden het woord gesproken door de profeet, toen hij zeide: Ik zal mijn mond opendoen met
  • gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is." (mottotekst van het boek: De geestelijke wereld in gelijkenissen)
  •  

Jezus Christus heeft de verborgenheden geopenbaard. Paulus zegt: Ik heb inzicht in deze dingen, want zij zijn ook mij geopenbaard.

De toekomstvoorspelling voor landen als Babel, Medo-Perzië, Griekenland, Egypte, heeft ons niets te zeggen. Wij weten waar zij gelegen hebben. Verder houden wij er ons niet mee bezig. Bijbels gezien is het Romeinse Rijk geen verborgenheid. Ook Rusland is geen verborgenheid, al haalt men het er in de uitleg vaak bij.

Het is opmerkelijk dat Amerika niet in de bijbel voorkomt. China komt slechts één keer voor. De God des hemels openbaart de twee grote mysteries: De verborgenheid van de ware Kerk; de verborgenheid van de valse kerk. Babel is in de bijbel het land van het occultisme, het hof van magiërs en geestenbezweerders, astrologen en waarzeggers.

Ezechiël 21:2l,22:

 - "Want de koning van Babel zal aan de tweesprong staan, aan het begin van de twee wegen en waarzeggerij plegen; hij zal de pijlen schudden; hij zal de terafim raadplegen; hij zal de lever bezien.

- In zijn rechterhand zal het lot zijn, dat Jeruzalem aanwijst, om er stormrammen op te stellen tegen de poorten, een wal op te werpen en een schans te bouwen."

Als de Kanaänieten Kanaän veroveren, worden zij op dezelfde wijze vanuit de onzienlijke wereld gedirigeerd. Babel was een occulte stad met de god Bel. Men verheerlijkte de heidense goden en had de tempel van Mardoek. Juist koning Nebukadnezar kreeg die droom van God. Ook Bileam kreeg en zag dingen, die God hem inspireerde: "Een ster zal opgaan in Jakob...."

Ook Laban, de oom van Jakob, kreeg een gezicht. Omdat Gód Nebukadnezar de droom gaf, konden de geleerden en waarzeggers hem de droom niet vertellen en uitleggen. Aan Nebukadnezar wordt de ondergang van het rijk van de duivel getoond, wat hij zélf vertegenwoordigde! Zijn koninkrijk stond in verband met een onzichtbaar koninkrijk. Babel is het type van de valse kerk.

Wij vergeestelijken Babel, zoals wij ook Israël vergeestelijken. In Op. 17 en 18 komt Babylon terug (Griekse vorm van Babel), maar nu in de gééstelijke wereld.

Er zijn mensen, die zeggen dat het koninkrijk Babel ook hersteld wordt. Maar wij zijn al in Babel!

Daniël 2:31. "Gij, o koning, had een gezicht, en zie, er was een groot beeld! Dit beeld was hoog, en de glans ervan was buitengewoon; het stond voor u, en de aanblik ervan was schrikwekkend."

Het was schrikwekkend omdat het met het rijk der duisternis verbonden was.

Daarom wilde de koning er meer van weten.

Vergeestelijken staat niet tegenover het letterlijk nemen van de dingen, maar tegenover de natúúrlijke opvatting.

Het Babel van Nebukadnezar was een natuurlijke realiteit. Babylon in Op. 17 en18 is een gééstelijke realiteit. Natuurlijk en geestelijk staan tegenover elkaar! Er zijn mensen, die zeggen, dat je de bijbel letterlijk moet lezen.

Dat doen wij ook, maar wij lezen de bijbel letterlijk in de geestelijke wereld.

Wij nemen het allebei letterlijk. Wij hebben een Hogepriester, letterlijk in de geestelijke wereld. De Joden hadden een hogepriester op aarde, letterlijk in de natuurlijke wereld.

Openbaring 17:1,2. "En één van de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij, zeggende: Kom hier, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer, die zit aan vele wateren, met wie de koningen der aarde gehoereerd hebben."

Vs. 5. "En op haar voorhoofd was een naam geschreven, een geheimenis: het grote Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde."

Vs.7b. "Ik zal u het geheimenis van de vrouw zeggen en van het beest met de zeven koppen en tien horens, dat haar draagt."

Tot Nebukadnezar werd gezegd: "Gij zijt de koning der koningen!"

Daniël 2:8a. " ..ja, in wiens hand hij de mensenkinderen, waar zij ook wonen.."

Dat gaat vér boven Nebukadnezar uit. Deze inhoud slaat niet meer hém, maar hij is de vertegenwoordiger van de duivel, het type van de satan. De duivel zegt tot Jezus:

"Ik zal U alle koninkrijken der aarde geven, mitsgaders hun heerlijkheid, want

Bijbelschool Gorinchem (serie 5 / les 4 / 1/2/86 )

zij is mij overgegeven, en ik geef haar wie ik wil." (Lucas 4:5)

Babel is de stad waar het volk van God in de verstrooiing leeft. Het volk Israël werd naar Babel gevoerd. Reeds tijdens de torenbouw in Babel waren de occulte priesters bezig met seances, sterrenwichelarij en toverij. Zij deden het in de tempeltorens. (Ziggurats) Zo probeerde men op de verkeerde wijze de hemel binnen te dringen. God heeft ingegrepen en de torenbouw verstoort. Er ontstond verwarring.

Tegelijkertijd lezen wij, dat God Abraham uit Ur der Chaldeeën haalde. Deze stad lag in het occulte land der Babyloniërs. "Trekt uit Babel, mijn volk," is de oproep tot het volk van God. Jesaja 14 begint te vertellen, dat wij naar eigen land en eigen bodem zullen komen en dat de val van Babel aanstaande is.

Nebukadnezar regeerde van de Perzische Golf tot aan de Middellandse zee, maar niet over al de koninkrijken van de wereld. Hij vertegenwoordigde het gouden hoofd: de duivel. Babel is de tegenkerk waarvan de duivel het hoofd is. Het is de valse kerk, met als hoofd de antichrist.

De antichristen doen zich vaak voor als engelen des lichts. De duivel is het brein van de valse kerk. De grote hoer zit aan véle wateren. Het is de overspelige vrouw, die tegenover de Vrouw van het de Gemeente staat. De duivel heeft de aardsgezinde kerk tot aanzijn gebracht. Het grote Babylon is een kerk van wereldformaat.

Het is merkwaardig, dat daar in onze dagen weinig over gesproken wordt. Tegenover Babylon staat de ware kerk, die klein begint. De Kerk van Jezus Christus groeit in de onzienlijke wereld. De dienstknechten van deze Kerk zijn geen heersersfiguren.

Wij zien twee ontwikkelingsprocessen: het geestelijk Jeruzalem en het geestelijk Babylon. Tarwe en onkruid groeien tezamen op. Het geschiedt door een ontwikkelingsproces. De Heer zegt: "Laat ze tezamen opgroeien tot de oogst." (Matth. 13:30)

Het beeld wat Nebukadnezar zag, gaat steeds meer in kwaliteit achteruit en wordt geleidelijk aan gedeformeerd, vervormd. De ware kerk groeit, zich aan de waarheid vasthoudende en het volk Gods komt tot de volmaaktheid. In Babel openbaart zich het mysterie van de afval, (2 Thess. 2:7) het geheimenis der wetteloosheid.

De antichrist zal zich zetten in de tempel Gods: de mens, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.

Als je het beeld waar wilt maken met allerlei staatkundige rijken, dan moet je je in allerlei bochten wringen. Het ene rijk was niet groter dan het andere. Zij zijn gelijkwaardig geweest. Maar het geldt voor het geestelijke Babel, waarmee alle volken der aarde gehoereerd hebben.

Het Nieuwe Testament spreekt er duidelijk over. Er zijn vele antichristen opgestaan :

1 Johannes 2:18,19.

- "Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is.

- "Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn; maar aan hen moest openbaar worden, dat niet allen uit ons zijn."

De hoer op het beest

 

In de tijd van Johannes waren tarwe en onkruid nog moeilijk van elkaar te onderscheiden. Johannes zag op dat moment wél, dat er iets aan de hánd was. Maar toen hij de hoer op het beest zag, staat er, dat hij zich met grote verbazing verbaasde (Op. 17:6b).

De hoer heeft een gouden beker in de hand met allerlei onreinheid en gruwelen. Johannes kon het niet meer verwerken. Hij heeft het begin, maar ook het einde gezien.

Johannes kon zich niet voorstellen, dat er een kerk zou zijn, die de Volheid van God ín Jezus Christus zou loochenen, die homoseksualiteit zou accepteren, die de erfzondeleer zou uitvinden en zeggen: Je kunt jezelf niet bekeren. Dat moet Gód doen.

Hij kon zich niet voorstellen, dat men een God zou gaan vereren, die uit zijn milde Vaderhand ziekte en ellende toebedeelt en dat men zou zeggen: Onze kleine kinderen zijn de verdoemenis deelachtig en God heeft mensen voorbestemd tot een eeuwig hellevuur.

Johannes wist niets af van Mormonen, Vrijzinnigen, Jehova-getuigen, zieleslaap, het aanroepen van doden, Israël-cultus, of van een kerk, die de geestelijke gaven zou verwerpen (spreken in tongen, profetie, uitdrijven van boze geesten). Dit zijn juist de dingen, die een wandel in de hemelse gewesten mogelijk maken. Johannes zou zich niet kunnen voorstellen dat de ene christen de andere zou kunnen martelen vanwege een leerafwijking. De portalen van de Kerk zijn gevuld met het bloed van de martelaren.

Christenen werden op de brandstapel gebracht, moesten als ballingen rondzwerven, werden vervolgden uitgeroeid. (Montanisten, Waldenzen, Lollarden, Hugenoten, Wederdopers, enz. ...) Augustinus, de grote kerkvader, is ermee begonnen.

Johannes had de wonderen van herstel gezien, die onder de handen van Jezus en de apostelen geschiedden. Hij verwonderde zich, toen hij de gouden beker zag, die van buiten erg mooi was, maar van binnen vol gruwelen en onreinheid zat. Het beeld is gedevalueerd, van goud naar zilver....... Steeds gemenere machten hebben meegewerkt om de kerk totaal te verbasteren. Tenslotte zal de wetteloosheid gestalte krijgen in het alles vermorzelende en verbrijzelende beest, dat bezit neemt van de antichrist.

Alles wat rein en welluidend is, wordt kapotgemaakt. Het ijzer is de keiharde tegenstelling en de haat tegenover de ware christen.

De huwelijkstrouw is losgelaten, de kinderen zijn de ouders ongehoorzaam. De mensen zijn het wettig gezag ongehoorzaam. Het leem doet ons denken aan de gezagsdragers in de kerk en daar buiten. Op welke plaats bidt men nog voor de autoriteiten?

Het is onze plicht om regelmatig te bidden voor ons vorstenhuis en onze regering!

 

= = = = = = = = = = = = = = = =

 

 

 

 

 

 

Bijbelschool Gorinchem (serie 5 / les 5 / 15/3/86 )

5

15-03-86

 

Reïncarnatieleer

 

Op. 16:12. "En de zesde engel goot zijn schaal uit op de grote rivier, de Eufraat, en zijn water droogde op, zodat de weg bereid werd voor de koningen, die van de opgang der zon komen."

 

Deze tekst is van veel betekenis in verband met het antichristelijke rijk, dat zich aan het openbaren is. De grote stad Babel, (Griekse vorm: Babylon) lag eenmaal aan de oevers van de rivier de Eufraat.

Babel is beeld van het verbasterde christendom, van de afvallige, gedegenereerde kerk. Babel wordt door vele wateren gedrenkt.

Het is het beeld van waarheid en leugen. De leugen heeft verreweg de overhand. De verwording van de kerk gaat door en neemt steeds scherpere vormen aan.

Alles wat met het werk van Jezus Christus en met genade te maken heeft, wordt uit die stad weggenomen.

De antichrist bouwt zijn kerk op de puinhopen van Babel. De occulte antichristelijke gemeente wordt slechts door leringen van boze geesten geïnspireerd: bedrieglijke tekenen en wonderen. (2 Thess. 2:9)

Paulus zegt in 1 Tim. 4:1, dat er in de laatste dagen mensen zullen zijn, die leringen van boze geesten volgen. De grote rivier de Eufraat zal opdrogen en het heldere water zal verdwijnen. Het is een voorbereiding voor de weg van de koningen, die uit het oosten komen. De godsdiensten uit het oosten komen Babel binnen. Het bovennatuurlijke, occulte denken wordt zowel door de mens, die in de wereld leeft als door de kerkelijke wereld met beide handen aangegrepen.

Wij denken hierbij aan reïncarnatie, yoga, transcendente meditatie, sensitivitytraining en vele andere zaken. De kranten en tijdschriften, maar ook de kérkelijke bladen, zijn er voortdurend mee bezig. Maar Jezus zegt:

"Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven!"

Jezus Christus is de exclusieve weg!

De oosterse godsdiensten hebben de mens geen vrijheid, geluk en gerechtigheid gebracht. Het grootste gedeelte van de mensen in die landen wordt geminacht en is zeer arm ( paria's, verdeling in kasten, enz.. ).

 

Jeremia 2:l1a. "Heeft ooit een volk goden verruild? En dat zijn toch geen goden?"

 

Vs. 18. "Nu dan, wat hebt gij naar Egypte te gaan om het water van de Nijl te drinken? Of wat hebt gij naar Assyrië te gaan om het water van de Eufraat te drinken?"

 

Vs. 13. St.v. "Want mijn volk heeft twee boosheden begaan; Mij, de Springader van levend water, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken die geen water houden."

 

De afgevallen kerk zal geleid worden door grootmeesters in de toverij en het occultisme.

Het blad M-3 is een uitgave van de Hervormde Jeugdraad. (materiaal, methodieken en mededelingen voor groepswerk voor jongeren) Eén van de uitgaven van dit blad was volledig gewijd aan de dingen, die tussen hemel en aarde zijn en die men met het natuurlijk verstand niet kan begrijpen.

Het blad behandelt deze zaken echter niet vanuit de visie dat het allemaal bijgeloof is, maar 'vanuit een open houding luisterend, ook kritisch'.

Het hoofdartikel begint aldus:

'Er is tegenwoordig nogal belangstelling voor alternatieve zaken, zoals: horoscopen, seance-spelletjes, het luisteren naar 'het zwarte gat, op radio Veronica,...... Dat zijn meestal onderwerpen waar in de kerk nooit of niet veel over gesproken wordt of die daar zelfs met taboes worden beladen: het mag niet.; je komt op dwaalwegen; Het is heidens. Zélfs wordt het met de duivel in verband gebracht (hoe bestaat het! Ook al is iemand genezen door een magnetiseur of door br. v. d. Br). Een medium van schizofrenie. (over bedrieglijke tekenen en wonderen gesproken! v.d. Br.) Contact met overledenen is verboden, ook al verscheen aan Saul de profeet Samuël zelf en niet een slechte geest uit de lagere astrale wereld. (astraal: de sterren betreffende). Geloven in planeetstanden wordt tegenover het geloof in God geplaatst. Of het zou weleens kunnen zijn dat deze taboes voortkomen door gebrek aan de juiste informatie en uit een bijgelovige angst. Het doet ook denken aan de angstige wijze waarop sommige mensen reageerden op de werken van Jezus, die met een goddelijke energie de mensen genas en bevrijdde. In Mattheüs lezen wij, dat er gezegd werd, dat Jezus heulde met de oppermacht van het kwaad'.

 

De redenering van M-3 is: Destijds stootten de mensen zich ook aan de werkwijze van Jezus.

Het is dan geen wonder dat men zich ook stoot aan de bediening van de hedendaagse (occulte! v.d. Br.) genezers. Jezus zou zijn genezingen en bevrijdingen op precies dezelfde wijze hebben verricht.

Het wordt geweten aan gebrek aan informatie. Toen Samuël door de toverkol van Endor werd opgeroepen, verscheen er een oude man in een mantel gehuld, die zich voor Samuël uitgaf.

Het gebeurde in een vage, schemerachtige toestand, een kenmerk, van de spiritistische seance. (1 Sam. 28). Helder licht verstoort de arbeid van de boze geesten. De genade en de waarheid, die door Jezus Christus geworden zijn, zouden van gelijke waarde en van dezelfde oorsprong zijn. (Joh. 1:17)

Jesaja 8:19,20. "Vraagt de geesten van doden en de waarzeggende geesten, die daar piepen en mompelen; zal een volk niet zijn God vragen? Zal men voor de levenden de doden vragen? Tot de wet en tot de getuigenis! Voor wie niet spreekt naar dit woord, is er geen dageraad."

Deut. 18:10 -18. "Onder u zal er niemand worden aangetroffen die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan, die waarzeggerij pleegt, geen wichelaar, uitlegger van voortekenen, of tovenaar, geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt. Want ieder, die deze dingen doet, is de Here een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de Here, uw God, hen voor u weg. Gij zult onberispelijk staan tegenover de Here, uw God, want deze volkeren, die gij verdrijven zult, luisteren naar wichelaars en waarzeggers, maar u heeft de Here uw God dit niet toegelaten."

 

Dan volgt in vs.18 ogenblikkelijk: "Een profeet, zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied."

 

Het is merkwaardig, dat Mozes wist, dat Jezus de genade en de waarheid brengen zou. M-3 zegt vervolgens:

 

En dat, terwijl op Pinksteren de profetie van Joël in vervulling ging: "Uw zonen en dochteren zullen profeteren en uw jongelingen zullen gezichten zien en uw ouden zullen dromen dromen." Wat voorheen de profeten overkwam, kan nu, na de verschijning van de Christus, alle gelovigen overkomen. Alle door ons zo genoemde wonderen, die wij in de bijbel lezen, komen in veelvoud voor in de wereld. Niet alleen plotselinge genezingen en het uitdrijven van geesten, die zich in iemands aura genesteld hebben, maar ook de verandering van de natuurkrachten, van de zwaartekracht, (levitatie: opheffen, omhooggaan. De zwaartekracht wordt opgeheven, zoals de tafel bij de spiritisten), of het materialiseren van de stof, die wij de werkelijkheid noemen: verschijningen van overledenen, ontmoetingen met engelen, helderziendheid, voorspellende dromen, het kan allemaal voorkomen en

het komt veel meer voor dan wij voor mogelijk houden.

Aura: onzichtbaar omhulsel; ook wel fluïdum genoemd. Het is de uitstromende magnetische kracht, die a.h.w. het omhulsel van de inwendige mens vormt. Paulus zou zeggen: het geestelijk lichaam. Voort komen wij in het blad zaken tegen als: waarzeggerij. Iriscopie, mediums, magnetiseurs, telepaten, horoscooptrekkers, pendelaars, wichelroedelopers, hypnotiseurs, fotokijkers, yoga, transcendente meditatie, e.a. Zelfs 1 Kor.12 wordt er bijgehaald, want de oerchristelijke gemeente werkte immers ook met bovennatuurlijke krachten. Paulus waarschuwt de mensen voor de heidense krachten en zegt:

"Denk erom, dat je je niet meer blindelings naar de stomme afgoden laat heendrijven."

Een stomme afgod is niets.

De afgoden zijn in wezen blikvangers van de demonen, die er in de onzienlijke wereld achterstaan. (1 Kor.10)

Bedrieglijke tekenen

 

Als de mens zich op een afgod richt, wordt hij erdoor gehypnotiseerd en krijgt gedachten en ervaringen vanuit het rijk der duisternis.

De occulte wereld heeft altijd een medium nodig, iets van de stof, zoals een pendel. De spiritisten gebruiken een schrijftafel, waarop de boze geest de toekomst kan schrijven. De geest van de antichrist manipuleert met allerlei krachten en bedrieglijke tekenen, (om de kerkelijke jeugd te misleiden!) opdat zij de leugen zullen geloven. (2 Thess. 2)

M-3 vraagt zich terecht af: 'Worden wij door het verre oosten overspoeld?' Openbaring 18:2 zegt, dat Babylon een woonplaats van duivelen en een schuilplaats van alle onreine geesten en verfoeid gevogelte is. Jezus spreekt van een mosterdzaadje, dat tot een grote boom uitgroeit. De vogelen des hemels (goede engelen) nestelen zich in de takken.

De Reïncarnatieleer, (opnieuw vlees worden).

 

M-3: Interview met een psychologe.

Verslaggeefster: 'Het wordt mij al gauw duidelijk, dat mensen met een bijzondere gave om in de wereld van het onbewuste door te dringen, misschien al op jonge leeftijd voelen, dat zij anders zijn. Zij maken eerst een hele ontwikkeling door, voordat zij met hun paranormale gave anderen ten dienste kunnen zijn.' Zij beschrijft de psychologe als volgt:

'Een gewezen onderwijzeres, een heel gelovige vrouw. Zij leeft vanuit een sterke verbondenheid met God. Haar manier van denken is niet gebonden aan een geloofsgroepering, maar wordt gevoed door de sterke overtuiging, dat in deze tijd de liefde van Christus in de

wereld ruimte moet krijgen. Reïncarnatie is voor haar een vanzelfsprekende werkelijkheid. De ziel, het wezen van de mens zoekt telkens weer een nieuw stoffelijk lichaam als mantel, om daarin verder te leven en te groeien.'

Vraag: 'Hoe kun je blokkades zien?'

Alles bestaat uit trillingen. Om ieder mens is een trillingsveld waar te nemen. Dit wordt ook wel 'aura' genoemd. In de aura kunnen diverse spanningen, trauma's en blokkades worden waargenomen. Eigenlijk zijn al de ervaringen, die een mens heeft meegemaakt, in de aura te lezen.

Reïncarnatie: de mens komt herhaaldelijk terug in de natuurlijke wereld. Het is een surrogaat van de wedergeboorte van de christen. Als de mens wedergeboren wordt, komt hij met zijn geestelijk lichaam in de onzienlijke wereld van het Koninkrijk Gods terecht. De wedergeboorte wordt bewerkt door het levende en blijvende woord van God (1 Petr. 1:23). Bij reïncarnatie gaat het over het weer vlees worden van een vroeger bestaand hebbend geesteswezen van een mens in een ander natuurlijk lichaam.

De geest kan terugkeren in een dier, een plant of zelfs in een steen. Het wijst op de heidense afkomst, het Pantheïsme Pan: veel: God is overal; in bomen, dieren, voorwerpen. (Bali) Polytheïsme betekent dat er veel goden zijn. Bij reïncarnatie haalt de ziel steeds een nieuw lichaam naar zich toe. De ziel verlaat bij het sterven het lichaam en wordt door het weten en het werken van vroegere ondervindingen bij de hand genomen. De mens heeft in een vroeger lichaam goede en kwade dingen gedaan. Hij komt a.h.w. op een weegschaal.

De som van alles wat de mens gedaan heeft is het karma. Het is afkomstig uit het Hindoeïsme ( Z. O. Azië, India). Men ondergaat een kringloop van existentie.

Existenties: bestaansvormen. Het Boeddhisme gelooft niet in de ziel, maar wel in het karma: de automatische gerechtigheid, die over de dood heen grijpt. De mens met al zijn gevolgen komt in een volgend lichaam; over de ziel wordt niet gesproken.

Bij reïncarnatie brengt het karma de ziel in een ander lichaam. Als de mens in een vroeger leven verkeerd gedaan heeft, komt hij in een mindere toestand terug; als hij goed gedaan heeft komt hij in een betere toestand terecht. Jakobus 3:6 spreekt van het rad der geboorte. Maar zij spreken van het rad der geboorten: de kringloop der existenties.

Het karma bepaalt de opeenvolging der existenties. Het is een soort erfzondeleer, die gaat van incarnatie tot incarnatie. Bij de erfzondeleer ontvangt het kind de narigheid via de ouders.

De hoogste vorm bij het Hindoeïsme is, dat de mens onverschillig komt te staan tegenover het leven. Alles wat de mens vroeger gedaan heeft, pakt hij in een volgend leven mee.

Al deze veranderingen brengen de mens uiteindelijk tot het nirwana: een toestand van geest en gemoed, waaruit de wil om te leven volkomen verdwenen is.

Alle streven naar een bestaan en al het genieten wordt uitgedoofd. Elke hartstocht, elk verlangen en elke begeerte zijn verdwenen.

Ook elke smart en boze neiging zijn weg. Het karma komt elke keer terug, maar tenslotte is het volkomen uitgeput. De mens is dan in een toestand van onbewustheid. Het karma loopt uit op de vernietiging van het bestaan!

De grote leugen

De reïncarnatieleer is de vijand van het christendom, dat het léven primair stelt.

Jezus Christus belooft eeuwig leven en de reïncarnatieleer belooft een eeuwig niets zijn. De wil om te leven is in deze leer een zelfzuchtige neiging.

De hoogste zaligheid is het pari nirwana, een zieleslaap in eeuwigheid. Als je 'niets' bent, ben je zuiver spiritueel en zonder enige drang tot handeling. Het lijkt alles op een kip, die uit haar eigen ei komt.

De reïncarnatietheorie is de loochening van de fundamentele waarheden van het christendom. Er is geen plaats voor dood en dodenrijk, want je bent niets. Er is ook geen plaats voor een paradijs, want de leer bewerkt algehele vernietiging. Ook Jezus zou niets te overwinnen hebben gehad, want de mens is niets.

Hij kan door geen God of door heiligen verlost worden, want hij moet zichzelf verlossen en in een volgend leven goedmaken wat hij in een vorig leven bedorven heeft.

Als de mens nog zonde heeft, komt hij niet in het nirwana. Het karma is een buiten God werkende kracht, die haar sterkte vindt in de mens zelf.

M-3 doet nog een beroep op Matth. 12:24 waar van Jezus wordt gezegd, dat Hij de boze geesten door Beëlzebul, de overste der duivelen uitdrijft. Jezus antwoordt, dat je van de bóze verlost moet worden.

 

Vs. 28. "Maar indien Ik door de Geest Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen."

 

De verloste mens komt in het Koninkrijk Gods om daar te léven. Het is een volkomen andere leer dan de reïncarnatieleer. De volgende tekst is volkomen in tegenspraak met het telkens terugkeren:

Hebreeën 9:27. "Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel."

 

Eenmaal sterven is voor geen herhaling vatbaar! Citaat uit Elzevier:

'Het idee dat wij maar één keer leven vindt de Nijmeegse hypnotiseur absurd, zeker als dat leven uit willekeur zou ontstaan, alsof er een Schepper zou zijn, die de mensen zomaar ergens in tijd en ruimte laat vallen. De ene mens

komt op een plaats waar mensen doodhongeren. Een ander heeft een lang, luxe leven. Weer een ander komt in een rolstoel terecht of is zwakzinnig,..... Wat is de zin van zo'n willekeurig marionettenspel? Het is beneden s mensen waardigheid en niet in overeenstemming met het beeld van een God, die liefde is. Waarom zou de een zoveel meer moeten lijden dan de ander?'

In het blad Margriet is een professor aan het woord:

'De belangstelling voor reïncarnatie is sinds de tweede wereldoorlog toegenomen. Veertig jaar geleden was hoogstens vijftien procent van de Nederlandse bevolking bereid om reïncarnatie als serieus verschijnsel te benaderen. Volgens professor van Praag ligt dit nu in de buurt van zestig procent. Persoonlijk vind ik het een onzinnige gedachte, dat de geest alleen in de hersenen zou verblijven, ongeveer net zo onzinnig als te geloven, dat degene met wie je telefoneert in het telefoontoestel zou zitten.'

 

Maar als de radio stuk gaat, is er nog geen einde aan de muziek gekomen. Je moet een ander toestel hebben om de muziek weer op te vangen.

Het feit dat Jezus Christus Zaligmaker is en voor de zonden van de mens betaald heeft en dat er sprake van verzoening is, is voor de aanhangers van de reïncarnatieleer uitgesloten en onverenigbaar met het karma, dat zegt: 'De mens heeft schuld en moet dat zelf in orde maken. Als het in het huidige leven niet mogelijk is, dán in een volgend leven.'

De toekomstverwachting van het 'gans niets zijn', sluit uit dat de mens geschapen is om het beeld van God gelijkvormig te zijn en op de troon te komen. De duivel camoufleert zich in deze valse leer en wil het beeld Gods in de mens uitwissen: Je bent niets en aan het einde ben je totaal weg.

Jezus Christus is gekomen om vele zonen tot heerlijkheid te brengen. (Hebr. 2:10) Mensen (zoals M-3) die deze valse leer aanvaarden, hebben geen enkel besef van het ware christendom, dat zijn burgerschap in de hemel heeft. Het ware christendom heeft een wandel in het licht. De reïncarnatie-aanhangers hebben een wandel in de duisternis.

Deze leer ademt de sfeer van de demonen. Het is merkwaardig, dat mensen, die zeggen dat zij in een vroeger leven op een bepaalde plaats hebben verkeerd, nóóit in een cultuur zijn geweest, die zij niet kennen.

Kort geleden was er een uitzending hierover op de AVRO televisie. Een vrouw, die in de uitzending aan het woord kwam, vertelt:

'Ik ben er niet in geslaagd om de sporen van andere incarnaties te vinden, uitgezonderd op een nacht, toen ik op aanwijzing van de leraar was gaan slapen met in mijn gedachten het dringend verzoek aan de geestelijke machten om in mijn verleden te mogen doordringen. Ik heb toen de bijzondere onaangename verrassing gehad het schavot te beklimmen.

Het was opgericht op een bloedrood podium van ruwe planken, dat zich in het midden van een groot slecht geplaveid plein bevond.

Op het podium stond een poortje met bovenin een grote valbijl die door een beugel werd vastgehouden, waarlangs zij moest glijden. (We denken hierbij aan de Franse Revolutie en aan de guillotine).

Op het platform waren twee mannen, waarvan ik zou zeggen, dat het sansculotten waren, gekleed in een blauwe broek die doet denken aan wat men tegenwoordig een corsaire noemt. Een rode ceinture over een wit hemd met open kraag en teruggeslagen mouwen en een rood en blauw gestreept wit katoenen hoofddeksel met een rode pompon. Een van hen greep mij ruw vast en liet mij knielen tussen de stijlen van de poort. Hij schoof met een bruuske beweging en zonder enige consideratie het lange haar van mijn nek opzij en liet mij voorover buigen, terwijl zijn kameraad de beugel van de valbijl bediende.

Een ogenblik later hoorde ik de valbijl met een afschuwelijk knarsend geluid naar beneden vallen op mijn nek, die werd doorgesneden. Alles ging zo snel in zijn werk, dat ik niets anders voelde dan het koude lemmet dat mijn nekspieren doorsneed.

Ik leed niet en had geen pijn, maar ik zag daadwerkelijk mijn hoofd op de vloer van het platform vallen voor mijn geknielde lichaam en vandaar wegstuiten op het plaveisel beneden, waar een vrouw, die ik als mijn tegenwoordige moeder herkende, zich uit de menigte losmaakte en schreiend bukte om het op te rapen en tegen zich aandrukte. Maar een andere sansculotte viel haar lastig en nam het haar af. Daarna zag ik andere revolutionairen, die er net als mijn beulen uit zagen en een enorme mand aandroegen waarin een groot aantal andere hoofden lagen.

Hier zien wij de demonie: de schrikbeelden! Het is slechts één van de vele soortgelijke verhalen. In een andere AVRO uitzending werden vier vrouwen uit Australië getoond, die in een hypnotische slaap gebracht waren. In die slaap konden zij zich honderden jaren terug verplaatsen.

M-3 schrijft ook over 'Hypnose als therapie':

Er is lange tijd gedacht, dat je alleen maar kon teruggaan tot de kinderjaren (om de problemen naar voren te halen, om die te bespreken). Toen dacht men, dat je misschien kon teruggaan tot de geboorte. Daarna is een periode gekomen, dat een enkeling durfde te zeggen, dat er misschien ook prénatale (vóór de geboorte) ervaringen opgedaan zouden kunnen zijn, die je onthoudt. Iemand als Lyda de Bolte heeft er een en ander over geschreven. Het is een psychiater, die in Nederland lange tijd met de nek is aangekeken. Tegenwoordig vindt men het allemaal normaal. De nieuwste ontwikkeling is, dat je terug kunt gaan naar vorige levens. Niet dat je onverwerkte ervaringen uit vorige levens in een incarnatie kunt oplossen. Maar er zijn mensen, die kiezen ervoor, willens en wetens, ook al zijn ze het zich niet bewust, om bepaalde problematiek nog uit te werken. Het kind zoekt zijn ouders op. Hij kiest ze uit. Tevens kiest men een bepaalde leefsituatie uit, waarin datgene wat eigenlijk nog niet verwerkt is, alsnog gerestimuleerd wordt.

(opnieuw gestimuleerd)? De oude pijn wordt a.h.w. opnieuw weer aangewakkerd. In het volgend leven kies je iets waardoor je de oude pijn kunt weghalen. Je kunt dan onder hypnose teruggaan naar de betreffende incarnatie. De hypnose dringt door tot in je onderbewustzijn, om niet verwerkte emoties uit de kinderjaren naarboven te halen.

Vorige levens

 

Elzevier: Als bedrog moet worden uitgesloten, bewees deze documentaire dat men in diepe trance plekken kan beschrijven in een ander en onbekend deel van de wereld en situaties kan herbeleven, die zich afspeelden in een andere tijd.

Dat werd althans gesuggereerd in de opmerkelijke terugkeer uit een vorig leven van vier vrouwen, die uit duizend kandidaten waren geselecteerd. Confrontatie ter plaatse bleek hevige emoties op te roepen. Controle, ondermeer door een historicus, kon de gegevens, die onder hypnose waren verkregen, bevestigen. De vier proefpersonen bezaten geen voorkennis. De conclusie, dat zij hun wetenschap uit een bron in de eigen geest hadden, ligt dus voor de hand.

De filmmakers lieten niet alleen zien hoe de vrouwen zich een vorig bestaan zeer duidelijk en emotioneel betrokken herinnerden.

Ze toonden flitsen van hetgeen de vier na hun dood in het vorige leven meemaakten.

Licht, kleur, paradijselijke tuinen en de ontmoeting met eerder overleden geliefde personen. Zo vond het joodse meisje, heftig bewogen, haar vader terug. De filmmakers hebben het kennelijk te sensationeel geacht de ervaringen aan gene zijde uitvoerig op het scherm te brengen. Het was, zo hoorde men van geschokte kijkers, zo al gek genoeg.

Hypnose

Om de reïncarnatieleer te bewijzen, heeft men een occulte daad nodig: de hypnose.

Wat is nu de wortel van de hypnose? De mens moet eerst in trance gebracht worden, om zich terug naar het verleden te kunnen verplaatsen. Men stelt zich met de innerlijke mens onder een autoriteit: de hypnotiseur.

Op dat ogenblik wordt de hypnotiseur de god van die persoon. Het is de overheersende en leidinggevende macht.

De gehypnotiseerde mens beleeft een infantiele belevingstoestand. Een zuigeling is van zijn moeder afhankelijk. Zó beleeft de gehypnotiseerde de verbondenheid met de hypnotiseur. De gehypnotiseerde verliest grotendeels zijn identiteit en volgt vrij klakkeloos de suggesties en de aanwijzingen van de leider op. Het beeld Gods verdwijnt. Jezus zegt tegen de gelovigen:

"Ik heb u macht, autoriteit gegeven!"

De hypnotiseur denkt: 'Jij moet verdwijnen. Dan kan ik jou gebruiken als medium, als tussenstof om met jouw onderbewuste in aanraking te komen.' Zo wordt het levenshuis van de mens een invalspoort van de demonen. Op deze manier hebben de waarzeggende geesten en de leugengeesten vrij spel.

Als de persoon onder hypnose gebracht is, kan de hypnotiseur met de geesten van doden in aanraking komen. Hier zit de gave van de clairvoyance (helderziendheid) achter en niet de gave van de Heilige Geest.

De gehypnotiseerde wordt helderziend en verliest zijn menselijke waardigheid.

Paulus zegt in l Kor. 14:32. "De geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen."

 

Paulus was ook vaak in extase. Toch heerste hij erover. Als de gelovige niet in tongen wil spreken of niet wil profeteren, dan gebeurt het ook niet.

Je hoort weleens zeggen: 'Ik móest profeteren, de Heer bevál het mij. Ik verstoorde de dienst wel, maar Ik móest het doen.'

Dit bestaat niet in het christendom. De Heer dwingt de profeet niet. De menselijke geest moet altijd kunnen heersen over zijn innerlijke mens, het geestelijk lichaam. Dat doet de somnambule niet. Het is een persoon die in een magnetische slaap verkeert, en door de hypnotiseur geleid wordt.

Paulus zegt in 1 Kor. 15:44b. "Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam." Als de mens het natuurlijk leven aflegt, dan heeft hij een gebouw van God, een eeuwig huis in de hemelen. (2 Kor. 5:1) Het geestelijk lichaam van de gelovige begint bij de opstanding met een verheerlijkt lichaam in de natuurlijke wereld te functioneren. Het geestelijk lichaam heeft dan zo'n enorme kracht, dat het vlees en beenderen kan aannemen. De vrouw, die in trancetoestand verkeerde, sprak vloeiend Frans, hoewel zij het nooit geleerd had.

Zij verkeerde in de geest in Frankrijk en werd door een demon begeleid.

Wij zien hetzelfde gebeuren als in Hand. 2:4. ".. en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken." Bij de vrouw werd het spreken in een vreemde taal door een boze geest bewerkt. Ook de spiritisten spreken in tongen.

Vele soorten bladen houden zich tegenwoordig intensief met de bovennatuurlijke zaken bezig. M-3 presenteert ook nog een lijst met 25 boeken 'die het bestuderen waard zijn'. Deze boeken houden zich met de besproken materie bezig. Op deze wijze komt de mens in de duivelse wereld terecht. Paulus waarschuwt ervoor en zegt, dat de mens door de afgoden kan worden meegesleurd. Maar wij worden door de Heilige Geest geïnspireerd.

 

 

=====================

 

 

 

 

 

 

 

Bijbelschool Gorinchem (serie 5 / les 6 / 26/ 4/ 86 )

6

26-04-86

De komst van Jezus Christus

 

2 Thess. 2:1. "Maar wij verzoeken,u, broeders, met betrekking tot de komst van onze Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem,."

 

In het Grieks staat het woord parousia: komst, tegenwoordigheid. Als het Oude Testament over de komst van de Heer spreekt, wordt de eerste en de tweede komst niet duidelijk onderscheiden.

Als je twee bergtoppen vanuit de verte bekijkt, lijkt het als één te zijn. Wij kunnen terugzien op de eerste komst en uitzien naar de tweede komst van Jezus Christus.

Het was in het Oude Testament nog een verborgen zaak. In Hand. l:10,11 zeggen de twee mannen in witte klederen, dat de wederkomst van Jezus op dezelfde wijze zal geschieden als zijn heengaan. Statenvertaling: Hij zal alzo wederkomen; d.w.z. op soortgelijke wijze.

Als er in verband met Jezus, over 'heengaan' gesproken wordt, wijst dit altijd op zijn intrede in de geestelijke wereld. In Judas 7 wordt gezegd, dat Sodom en Gomorra op dezelfde wijze gezondigd hebben als de engelen, die hun eigen woning hebben verlaten. (vs. 6)

Hier wordt hetzelfde grondwoord als in Hand. l:11 gebruikt: op soortgelijke wijze.

De mensen uit Sodom en Gomorra kunnen onmogelijk op precies dezélfde wijze als de kwade engelen gezondigd hebben, maar wel op soortgelijke wijze. Jezus Christus zal op soortgelijke wijze terugkomen als Hij is heengegaan. De gebeurtenissen die de hemelvaart vergezelden, kunnen wij bij de parousia van Jezus óók verwachten. Als Jezus terugkomt, dan is hij tegenwoordig.

Het tijdperk van zijn tegenwoordigheid is een gevolg van zijn komst.

Jezus spreekt heel vaak over zijn parousia. Jezus' discipelen vragen:

 

Mattheüs 24:3. "Zeg ons wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst (parousia) en van de voleinding der wereld?"

Vs. 27. "Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst (parousia) van de Zoon des mensen zijn."

Jezus' komst zal zijn als een groot licht en met geweldige snelheid.

Vs. 37. "Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst (parousia) van de Zoon des mensen zijn."

In 1 Kor. 15:22,23 haalt Paulus de komst van Jezus aan:

"Want evenals in Adam allen sterven, zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst." (parousia).

Als Christus komt en tegenwoordig is, zullen ook de ontslapenen opstaan. Een begeleidend verschijnsel bij Jezus' komst, tegenwoordigheid:

1 Thess. 3:13. "om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader, bij de komst (parousia) van onze Here Jezus Christus."

De Heer komt mét degenen die ontslapen zijn. Hieronder zijn ook ontslapenen uit het oude verbond.

1 Thess. 4:15. "Wij, levenden, die achterblijven tot de komst (parousia) des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan."

Eerst zullen de ontslapenen opstaan. Gelijk daarna zullen wij onverderfelijkheid beërven, omdat wij in een punt des tijds veranderd worden. Petrus zegt in dit verband:

2 Petrus 1:16. "Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuige geweest van zijn majesteit ...." (vs. 17,18)

Petrus, Johannes en Jakobus hebben op de berg der verheerlijking gezien wát de komst en de kracht van Jezus Christus betekent. ( Matth. 17:1-5)

2 Petrus 3:3,4. "Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste jaren spotters met spotternijen zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: waar blijft de belofte van zijn komst? (parousia) Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is."

Jakobus 5:7,8. "Hebt geduld, broeders, tot de komst (parousia) des Heren! Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht van het land, (aarde) en heeft geduld totdat de vroege en late regen erop gevallen is. Oefent ook gij geduld"

De landman heeft geduld tot, bij de komst des Heren de vrucht rijp wordt. Dan zijn er enorme veranderingen te verwachten.

2 Kor. 7:6. "God heeft ons getroost door de

komst van (parousia) Titus."

Hier wordt vanzelfsprekend de tegenwoordigheid van Titus bedoeld, zijn verblijf bij de anderen.

2 Kor. 10:10. "Want Paulus' brieven zijn wel gewichtig en krachtig, maar zijn persoonlijke verschijning (parousia) is zwak." Statenvertaling: "tegenwoordigheid"

In 2 Thess. 2:1 wordt over twee dingen gesproken:

1. De komst des Heren.

2. Onze vereniging met Hem. (Als hoogtepunt) Wij zullen in een punt des tijds veranderd worden, ook lichamelijk. Onze vereniging met Hem wil zeggen, dat wij één geheel met Hem zullen vormen.

In veel kringen wordt geleerd: Wij verwachten de Heer in de lucht. Dit berust op 1 Thess. 4:17, waar gezegd wordt:

"..daarna zullen wij, levenden die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht."

De lucht brengt een hoop mensen in verwarring. Zij menen omhoog te moeten kijken als de Heer hoog in de lucht op een wolk verschijnen zal. De graven zullen zich openen en de doden zullen opstijgen om zich naar dat ene punt te begeven.

Met de lucht wordt de geestelijke, onzichtbare wereld, die met de aarde, de mensheid, verbonden is bedeeld. De lucht is een beeld, een gelijkenis, in het koninkrijk der hemelen, de hemelse gewesten. Eén van de hemelse gewesten is de lucht.

Wij ademen graag zuivere lucht in. Maar de lucht, die in geestelijke zin om de aarde is, is heel erg bedorven, want daar heerst de overste van de macht der lucht (Ef. 2:2). Daar is totale luchtverontreiniging.

Wij hebben niet te strijden tegen bloed en vlees, maar tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. (Ef. 6:l2) Statenvertaling: "tegen de geestelijke boosheden in de lucht." Dat is in de onzichtbare wereld, waar de boze heerst. Een andere hemel is het Koninkrijk Gods, waar de boze uitgeworpen is.

In Jes. 14:12 staat, dat de duivel uit de hemel op de aarde geworpen is. Hij is nu in de onzichtbare wereld, die met de aarde in betrekking staat: de lucht, waar in Efeze over gesproken wordt. Het is het terrein van de boze, het koninkrijk van satan. In Matth. 12:25,26 zegt Jezus: "Als satan tegen zichzelf strijdt, is zijn koninkrijk verdeeld en kan geen standhouden." De Heer is opgevaren naar de hemel, het Koninkrijk Gods. Daar is Hij gezeten op de troon van God. In dit domein is geen enkele boze geest aanwezig. De parousia is de komst van Jezus Christus naar de lucht: de geestelijke wereld, die met de aarde te maken heeft. Op dit ogenblik is Jezus niet in de sfeer van de aarde, maar in het koninkrijk Gods.

Hij kan zich pas vertonen als Hij weerkomt in de lucht. Als Jezus weerkomt in de lucht, dan is Hij daar onzichtbaar tegenwoordig. Dit is ook met de duivel het geval. De wederkomst des Heren betekent: zijn heengaan vanuit het Koninkrijk Gods, de derde hemel, waar de troon van God is, naar de lucht.

Ook het dodenrijk is een geestelijke wereld, een hemel. Toen Jezus uit de doden was opgestaan, was Hij in de lucht tegenwoordig. Hij was nog niet naar de hemel gevaren.

Veertig dagen

 

Het zijn de veertig dagen tussen de opstanding uit de doden en hemelvaart. Wij verkeren in de lucht, het terrein van de boze geesten. Wij hebben de mogelijkheid om onze innerlijke mens te verheffen naar het koninkrijk Gods.

Paulus is opgetrokken tot in het paradijs, de derde hemel, en heeft met zijn geestelijk lichaam onuitsprekelijke dingen gezien. (2 Kor. 12:4).

Als Jezus wederkomt, zijn de ontslapenen bij Hem. Zij hebben het vermogen om hun geestelijk lichaam om te vormen in een stoffelijk lichaam. Zij zijn door de kracht van de Heilige Geest ook in staat om hun stoffelijk lichaam weer over te doen gaan in de kracht van een geestelijk lichaam.

Toen Jezus zich in een stoffelijk lichaam omvormde, was Hij een normaal mens, met vlees en beenderen. Om dat te bewijzen, staat er steeds, dat Hij met de zijnen at en dronk.

Tussen opstanding en hemelvaart was Jezus met een verheerlijkt opstandingslichaam tegenwoordig. Paulus zegt: "Zoekt en bedenkt de dingen, die boven, in de geestelijke wereld zijn, waar Christus is, en niet de dingen die op de aarde zijn." (Kol. 3:1,2)

Met andere woorden: bedenkt de dingen, die in de derde hemel, het paradijs Gods plaatsvinden en niet de dingen, die in de sfeer van de aarde, de lucht, plaatsvinden.

De lucht is bezet gebied. De boze zit er als bezetter, maar hoort er niet thuis. Vergelijk het met de Duitse bezetting van ons land.

Het was ons land, maar de Duitser had er veel macht. De boze heeft veel macht in de lucht, de sfeer van de aarde. Maar het is ook het terrein van de mens.

Als ik de natuurlijke dingen bedenk, dan ben ik op mijn eigen terrein bezig. De boze doorkruist het vanuit zijn bolwerk met zijn boze geesten, die ons aanvallen, om ons te doordringen met verkeerde gedachten.

Als de mens slaapt, dan is hij onttrokken aan de aarde, maar in zijn dromen kan hij van alles meemaken.

Als de Heer verschijnen wil, moet Hij eerst op het terrein zijn, waar Hij tussen opstanding en hemelvaart was: de sfeer van de aarde.

 

2 Thess. 2:3. "Laat niemand u misleiden, op welke wijze dan ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs." (de antichrist)

In díe tijd kunnen wij de parousia verwachten. Eerst moet de afval komen. Daarom komt de Heer niet vannacht. Wij zien in onze tijd de afval zienderogen toenemen. In díe tijd is de Heer op een bijzondere wijze onder zijn volk tegenwoordig.

 

2 Thess. 1:10. "Wanneer Hij komt, om op díe dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn"

Omdat Jezus in onze sfeer tegenwoordig zal zijn, kunnen wij een geweldige uitwerking van zijn Geest in ons verdachten. Door zijn onmiddellijke nabijheid kan Gods Geest enorm versterkt worden.

1 Thess. 5:23. "En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel u geest, ziel en lichaam, moge bij de komst (parousia) van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele (in elk opzicht), onberispelijk bewaard te blijven."

 

Efeze 4:15. Hier zien wij hetzelfde grondwoord:

"maar dan (in de parousia) groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus."

In de tijd van de parousia groeien wij in elk opzicht naar Hem toe, en worden geheel en al geheiligd. De gemeente bereikt haar volkomen gaafheid, naar geest, ziel en lichaam.

Als wij over lichaam spreken, denken wij eerst aan het geestelijk lichaam. Het geestelijk lichaam is belangrijker dan het natuurlijk lichaam. Als het geestelijk lichaam helemaal gezond is, komt het met het andere lichaam ook goed. Geest, ziel en lichaam, zijn de benamingen van de innerlijke mens, in hun verschillende functies.

Wij spreken niet over ogen van de geest of ogen van de ziel, maar over ogen van het geestelijk lichaam. Het zijn verschillende organen, die voor geest en ziel beschikbaar zijn. (oren, handen, voeten, enz.)

In 1 Thess. 5:24 lezen wij de zekerheid: "Die u roept is getrouw; die het ook doen zal." Het is a.h.w. een eedzwering. Het wil zeggen, dat wij niet na ons sterven volmaakt worden, maar in déze bedeling volmaakt kunnen worden.

In de parousia wordt een proces van heiliging voltooid.

Een god is en voorwerp van aanbidding én een inspirator. Jezus is ónze God, ónze Inspirator en het voorwerp van ónze aanbidding. Als deze Inspirator bij ons is, gaat alles veel sneller.

De kracht wordt vermeerderd. God is het, die door zijn Geest, zowel het willen als het werken in ons werkt. (Fil. 2:13). Bekering, wedergeboorte en heiliging, gaan altijd gepaard met de werkzaamheid van de mens zélf. God doet het nooit alleen. Gods Geest en de menselijke geest zijn samen gehuwd. Gods Geest werkt niet als de gelovige niet meewerkt.

 

Op. 10:17. "Dan is ook voleindigd het geheimenis van God, gelijk Hij zijn knechten, de profeten heeft verkondigd."

Het geheimenis van God is, dat de mens de gestalte van Jezus Christus verkrijgt, naar Gods beeld en zijn gelijkenis. Petrus zegt over de parousia:

 

Hand. 3:19. "Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren." (Luth. en Can.vert.: verkwikking)

Het is een uitzien naar een luisterrijke periode. De tijd van de antichrist is ook een merkwaardige tijd. De tijd van de parousia loopt er parallel mee. De heiligen worden nog meer geheiligd en de reinen nog meer gereinigd. Het einde van de parousia is de verandering van de christen, die op aarde is, in een punt des tijds. Het is een schitterend slotstuk, de apotheose. In dat tijdperk zal Jezus aan de Vader voorstellen: "een gemeente stralend zonder vlek of rimpel of iets dergelijks." (Ef. 5:27)

2 Thess. 2:1. geeft twee fasen van één heilsgebeuren aan:

 

1. Jezus' komst en tegenwoordigheid

 

2. De hereniging met Hem.

 

In die fase trekt het woord Gods uit, overwinnende en om te overwinnen.

Wij staan dan aan de vooravond van de strijd van Harmagedon, die in die lucht zal plaatsvinden, op het domein van de vijand. Dan zal het natuurlijk lichaam van de christen omgezet zijn in een geestelijk lichaam.

Dan is hij volledig in die sfeer. De slag bij Harmagedon zal plaatsgrijpen in de tijd, dat de hemelse legers Jezus Christus volgen op witte paarden, d. w. z. in hun geestelijke lichamen. Dan wordt de vijand verslagen.

Jezus Christus neemt de wereldheerschappij over en de zuchtende schepping wordt bevrijd.

De tegenwoordigheid van de Heer wordt voorafgegaan door de grote afval. (vs. 3).

Er is ook een parousia van de antichrist:

Vs. 9. "Daarentegen is díens komst (parousia) naar de werking van satan......."

De parousia van satan is ook wereldwijd.

 

Vs. 3. "en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs." ( de antichrist )

De zoon des verderfs vertegenwoordigt de zonen des verderfs. De Zoon Gods vertegenwoordigt de zonen Gods.

In Lucas 21:35 zegt Jezus dat die dag zal komen over allen, die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde. Er zal een totaal verbasteringsproces van de kerk op gang komen, een algemene afval.

"Bedenk dan van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe weder uw eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen."

De kandelaar staat in de hemelse gewesten, in het koninkrijk Gods, waar Christus is, die de kandelaren reinigt en verzorgt.

Als de kandelaar wordt weggenomen verliest de gemeente de plaats in het koninkrijk Gods.

In Matth. 21:43 zegt Jezus tot Israël: "Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal worden weggenomen en het zal gegeven worden

aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt." Een afgevallen kerk functioneert alleen nog maar op de aarde, bestaat nog wel organisatorisch. De gemeenteleden wandelen niet meer in koninkrijk Gods. Zij verzamelen daar geen schatten meer en strijden niet meer tegen de boze geesten.

Openbaring 13:6,8. spreekt over mensen die in de hemel wonen en mensen die op de aarde wonen: de afgevallen kerk, die uit de hemel gevallen is. Zij die in de hemel wonen, wonen in de stad Gods, het nieuwe Jeruzalem, dat op fundamenten gelegen is. ( Hebr. 6:1,2).

De zuivere kerk is gebouwd op:

1. bekering van dode (ongeestelijke) werken.

2. van geloof in God. (een absolute goede God)

3. een leer van (verschillende) dopen. (zelfst. n.w.)

a) waterdoop. (op geloof)

b) Doop in de Heilige geest. (waardoor de geestelijke gaven werkzaam worden die de gemeenten tot ontwikkeling kunnen brengen.)

(Wij zouden de doop in vuur er bij kunnen voegen.)

4. van opstanding uit de doden. (van een vernieuwde mensheid)

De opstanding is ook een proces. Wij zíjn opgestaan. Als de ontslapenen met een verheerlijkt lichaam neerdalen, is dat het einde van hun opstanding. Je hebt déél aan de opstanding. ("Zalig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding" Op. 20:6)

5. Het eeuwig oordeel: de eeuwige scheiding tussen goed en kwaad.

 

Paulus zegt in Gal. 1:6-9 dat ieder, die een ander evangelie brengt, vervloekt is.

D.w.z. dat die mens automatisch wordt prijsgegeven aan de machten der duisternis, die hij niet onderkent. Het is geen straf, maar een gevolg.

Als het fundament verwaarloosd wordt, wordt men een prooi van dwalingen, die tot vervreemding van de ware God leiden. De grote afval is, dat het evangelie van Jezus Christus, het evangelie van het koninkrijk der Hemelen, niet meer gepredikt wordt.

In de verbasterde kerk wordt de weg tot de volmaaktheid op alle mogelijke wijzen geblokkeerd. Men zegt: 'je blijft zondaar tot je dood.' Men heeft geen strijd tegen de verwekkers van zonde en ziekte in de hemelse gewesten. De afval van christenen is groter dan ooit tevoren.

De bijbel waarschuwt: Denk erom dat je vast in je schoenen staat, want anders wordt je meegezogen. De eindtijdgemeente bestaat alleen uit christenen, die Jezus Christus volkomen toebehoren. Een lauw Christendom kan dan niet meer bestaan. Het Israël Gods is dan binnen de muren van de Godsstad, het hemelse Jeruzalem, verzameld. Het Israël van het oude verbond was daar een schaduw van. Het had zijn wandel op aarde. Het volk verzamelde zich in de tempel te Jeruzalem.

Mensen, die met de schaduw bezig zijn, laten de werkelijkheid los. De bijbel spreekt over 'het grote Babylon': de afvallige kerk, die aan haar roeping ontrouw geworden is.

In het grote Babel wordt alles wat ontrouw is verzameld. Babylon heeft vele wijken en is wereldwijd.

Men probeert zelfs om er heidense godsdiensten binnen te krijgen. Men wil op kunstmatige wijze een eenheid vormen uit vele godsdiensten. Maar op deze wijze is geen eenheid te vormen.

Babel is een samenraapsel van allerlei godsdiensten en is in zichzelf verdeeld. Het herstelplan van God wordt er nooit gerealiseerd. Om de zaak toch bijeen te houden, ontstaat er een toren, die met gewéld alles in zich moet opnemen. Dat is de kerk van de antichrist.

Charismatisch ontmoetingscentrum

 

Babel is een ontmoetingscentrum van allerlei godsdiensten.

Men probeert ook met de Joden een eenheid te vormen en zegt: Het is onze oudste broeder. Wij zeggen, dat Jezus Christus onze oudste broeder is.

Het eenheidsstreven is tot mislukking gedoemd. (vgl. torenbouw van Babel)

Er is geen enkel verbindend element om al deze overtuigingen bijeen te houden. Vandaar dat er een toren nodig is, die tot in de hemel reikt. De aardsgezinde kerk wordt gemetamorfoseerd in een geestelijk instituut, onder leiding van de antichrist, de zoon des verderfs, de hogepriester van het occultisme, een charismatisch persoon.

In onze tijd worden reïncarnatieleer, yoga, hypnose en transcendente meditatie volop de kerk binnengebracht en gepredikt. Judas werd door Jezus ook een zoon des verderfs genoemd. (Joh. 17:12) Petrus zegt aangaande Judas:

Hand. l:16. "Hij is een gids geweest van hen, die Jezus gevangen namen."

Vs. 17. "Want hij werd tot ons aantal gerekend en had aandeel aan deze bediening gekregen."

Evenzo is de antichrist een gids voor degenen, die er op uit zijn om de kinderen Gods te elimineren, te verwijderen. Evenzo heeft de antichrist aandeel in de bediening gehad.

 

Bij de uitzending van de discipelen zegt Jezus:

Matth. 10: "Ik geef u macht om de onreine geesten uit te drijven en alle ziekte en kwaal te genezen."

Judas heeft daar aan meegedaan, want hij heeft zich in niets van de andere apostelen onderscheiden. Hij had meegedaan met de prediking van het Koninkrijk der Hemelen. Judas heeft Jezus overgeleverd aan de leidslieden van de afvallige kerk. Antichristen zijn mensen, die eenmaal verlicht zijn geweest, van de hemelse gaven genoten hebben en deel gekregen hebben aan de Heilige Geest en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben en daarna zijn afgevallen. Zij maken zich op om de Zoon des mensen opnieuw te kruisigen. (Hebr. 6:4-6)

In Joh. 6:70 antwoordt Jezus de twaalven: "Heb ik niet u twaalven uitgekozen? En één van u is een duivel." (Hij bedoelde Judas)

Vs. 27. "..toen voer de satan in Judas.....en het was nacht." (vs.29)

In 1 Joh. 2:19 staat van de antichristen: "Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet."

Er zijn vele antichristen geweest. Als climax komt de antichrist. In hem vaart het beest uit de afgrond, dat zijn grote macht en kracht van de draak ontvangt. (Op. 13:1-3)

De afgrond

Als er in Op. 19:20 staat, dat het beest en de valse profeet gegrepen werden, denken veel mensen dat het om twee aparte dingen gaat. Maar het is één geest, die in de ántichrist woont.

In hem neemt het beest zijn intrek, zoals de Heilige Geest zijn intrek in Jezus Christus nam. Omdat Jezus een volmaakt natuurlijk mens was, kreeg Hij met de Heilige Geest zijn grote kracht en macht in de Geestelijke wereld. Omdat de antichrist een door en door verdorven mens is, krijgt hij, doordat hij met de Geest van het beest gedoopt wordt, grote kracht en macht in het negatieve, in de geestelijke wereld. Het beest dat uit de afgrond (de zee) opstijgt, Apóllyon, neemt talloze demonen met zich mee, die in de gemeente van de antichrist varen. Apóllyon is koning van de machten uit de afgrond. (Op. 9:11) Het zijn sinistere geesten, die eertijds ongehoorzaam geweest zijn.

Hun eerste ongehoorzaamheid was, dat zij hun eigen woning hebben verlaten, en bij de mensen zijn ingetrokken. (Judas 6)

Boze geesten kunnen in de afgrond komen doordat mensen bij hun sterven deze machten niet willen loslaten.

Ze kunnen ook in de afgrond komen doordat de christenen hen er inwerpen. Alleen de mens kan ze in de afgrond werpen én ze er weer uithalen.

Het laatste doen de spiritisten, door middel van hun seances. De boze geesten, waarover Judas spreekt, zijn met banden van eeuwige duisternis in de afgrond gebonden.

 

 

 

De afgrond is één van de drie hemelen die wij kennen.

1. De lucht, met als heerser, de overste van de macht der lucht.

2. De afgrond, met als koning Apóllyon.

3. Het Koninkrijk Gods, waar Christus Koning is.

De parousia van de zoon des verderfs is naar de werking des satans. (2 Thess. 2:9) Als tegenstelling kunnen wij het vergelijken met de macht van Jezus en de zonen Gods. De antichrist verricht bedrieglijke wonderen, die niets met het herstelplan van God te maken hebben. Jezus verrichtte wonderen door de Heilige Geest. De antichristen stimuleren de wetteloosheid

Vs.7. "Het geheimenis van de wetteloosheid is reeds in werking; wacht slechts tot hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is."

De weerhouders zijn de geesten van mensen, die ordenend werken: de zwakke en armelijke wereldgeesten genoemd. (Gal. 4:9)

Zij trachten het ontbindingsproces in kerk, staat en maatschappij, tegen te houden, maar in onze tijd moet alles wat ordenend werkt, wijken voor de wetteloosheid.

Er komt een geestelijke overheersing.

Het paranormale zal ook in het staatkundig leven zijn doorwerking hebben. (hypnose, magie, enz..) De antichrist is niet alleen een kerkelijke macht, maar ook een staatkundige macht.

De paus heeft vroeger de kerkelijke én de staatkundige macht aan zich willen trekken. Het is mislukt (Investituurstrijd)

De antichrist is de tegenhanger van Christus en gaat de ongerechtigheid opvoeren tot een enorm dieptepunt. Het zal gaan zoals bij de demonen, die aan een sterkere geest moeten gehoorzamen. De sterkere geest kan ze wegdrijven of naar zich toetrekken.

Vs. 4. "de tegenstander, die zich zal verheffen tegen al wat God, of voorwerp van verering heet....."

 

Hij verheft zich ook tegen ieder mens, die vanwege zijn bekwaamheid gerespecteerd wordt. Overheidsdienaars, kerkelijke leiders e.d. die vanwege menselijke talenten vooraan staan, worden niet meer erkend. Men heeft geen respect meer voor de overheid.

In vroeger tijden was bij ons de vorst een voorwerp van verering.

Ook staatkundige leiders werden vereerd (Colijn, Kuyper,..) Juist deze voorwerpen van verering houden massa bij elkaar. Als deze verdwijnen, valt de massa uiteen.

Jes. 3:5 zegt, dat de knaap op de oude en de verachte op de geëerde zal losstormen. Rom.1:28 zegt: "En daar zij het verwerpelijk achtten God te kennen, heeft God hen aan een verwerpelijk denken overgegeven,....."

Op deze manier houdt het natuurlijke leven op te bestaan. Ook het gezin wordt ontwricht en ondermijnd. Als de ongerechtigheid op een dieptepunt gaat komen, zal dit een grote verdrukking voor de kinderen Gods zijn.

Dit is de doop in vuur! De vrouw, de gemeente, zal op arendsvleugelen in de woestijn worden gevoerd. (Op. 12:14)

De woestijn: het isolement. In de woestijn zal God zijn volk voeden, zoals eenmaal het volk Israël in de woestijn door God gevoed en verzorgd werd. Het volk Gods heeft dan geen aardse steunpunten meer.

 

In Hand. 1:10, bij de hemelvaart, zeggen de mannen in witte klederen tot de discipelen:

"Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde (op soortgelijke!) wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen." (in de lucht !)

Heengaan: in de geestelijke wereld komen. Als een mens heengaat, zegt men: Hij is gestorven.

De mens is dan alleen nog met zijn geestelijk lichaam in de geestelijke wereld.

Jezus zei: "De Zoon des mensen gaat heen om gekruisigd te worden." Jezus werd van de aarde weggestoten en de hemel had Hem verlaten. Toen hing Jezus in de lucht. Dat was voor Hem de eerste hemel. Ook Judas verkeerde in de lucht. Hij was óók in de geestelijke wereld. Jezus was vervloekt. Het betekent dat Hij aan de machten der duisternis in de lucht, was prijsgegeven.

Hij had in zijn strijd tegen de boze geesten geen steun van de aarde, (ouders, vrienden) en ook geen steun van Gods Geest, (de hemel) die van Hem geweken was. Jezus hing in de lucht: een beeld van zijn geestelijke strijd. Ook de drie dagen dikke duisternis is een beeld van die strijd.

De meeste mensen blijven stilstaan bij het natuurlijke lijden van de Heer, maar de ware strijd is in de geestelijke wereld gevoerd.

2 Kor. 5:21. "Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem."

 

Ondanks de aanvallen van de boze is Jezus geestelijk lichaam gaaf gebleven. Zijn natuurlijk lichaam werd prijsgegeven. Jezus is afgedaald in het dodenrijk; naar de volgorde de tweede hemel.

Hij is heengegaan om aan de geesten, die eertijds ongehoorzaam waren, het evangelie te prediken.

Wij hebben de mogelijkheid in ons om, door de Heilige Geest, onze gedachten tot in het Koninkrijk Gods te verheffen. Na de opstanding hebben wij de mogelijkheid om naar de aarde te gaan en ons daar met een stoffelijk lichaam te manifesteren. Er staat in Joh. 5:28, dat de doden zijn stem zullen horen. De heiligen van het oude verbond, de profeten, aartsvaders, e.a. hebben de stem van Jezus herkend. Zij hebben uitgezien en gezocht naar de stad met fundamenten waarvan Gód de Ontwerper en Bouwmeester is. Zij ontwaken als een boom in de lente, als zij de stem van de Heer horen.

Jezus komt als de levende Heer het dodenrijk in en straalt het leven uit, dat vele heiligen vervult. Het beeld is, dat zij in de graven verbleven, maar zij waren in het dódenrijk.

 

Mattheüs 27:52,53. "en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt. En zij gingen uit de graven na zijn opstanding en kwamen in de heilige stad, waar zij aan velen verschenen."

(het bewijs!)

Dan volgt Jezus' opstanding. Hij ging uit het dodenrijk en kwam de lucht binnen. Daar was Jezus tussen opstanding en hemelvaart veertig dagen tegenwoordig. (parousia) Als Hij komt, zijn de ontslapen heiligen bij Hem!

Kolossenzen 3:4. "Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid."

 

 

= = = = = = = = = = = = =

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijbelschool Gorinchem (serie 6 / les 1 / 20/ 9/ 86 )

Het koninkrijk der hemelen

Serie 6: De wet van de Sinaï 1+2,

God is goed, Verlost van de zondemachten.

Les 1 t/m 4

29-09-1986 t/m 14-03-1987

Docent: J.E. van den Brink

 

Bijbelschool Gorinchem (serie 6 / les 1 / 20/ 9/ 86 )

1

20-09-86

De wet van de Sinaï

 

 

Gen. 1:31a. "En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed."

 

God was er in geslaagd om zijn gedachten in het geschapene tot aanzijn te brengen, zodat alles wetmatig functioneerde. God heeft uit de chaos de kosmos gemaakt. Als iemand iets schept, schept hij altijd vanuit de chaos.

De beeldhouwer maakt het beeld uit een ruwe klomp steen (de chaos).

Als de timmerman iets gaat maken dan biedt het benodigde materiaal een chaotische aanblik. Het licht en het geluid zijn aan wetten gebonden en hebben een bepaalde snelheid. De hemellichamen zijn gebonden aan de wetten van beweging. Deze wetten zijn onveranderlijk.

Men is in staat om na te gaan waar een bepaalde ster over een paar honderd jaar zijn plaats heeft aan het firmament.

De hemellichamen gaan langs een vaste baan. Dat is ook een wet. Wij kennen ook de wet van de zwaartekracht.

God heeft al deze wetten in de schepping gelegd. Ook de Prediker spreekt van wetten:

 

Hfst. 1:5-7.

- "De zon komt op en de zon gaat onder en hijgend ijlt zij naar de plaats waar zij opkomt."

- "De wind gaat naar het zuiden en draait naar het noorden, aldoor draaiend gaat hij voort en op zijn kringloop keert de wind weer terug."

- "Alle beken stromen naar de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats waarheen de beken stromen, daarheen stromen zij altijd weer."

 

De wetten gelden niet alleen voor de levenloze schepping maar ook voor de organische schepping. Het leven op aarde is aan de stof gebonden, in tegenstelling tot het leven in de hemel. De stof heeft ook een vaste cyclus. De plant ontspruit, draagt vrucht en sterft af.

Elke plant heeft zijn eigen wetten. Het zaadje van de plant is geprogrammeerd.

Uit een mosterdzaadje komt geen eik tevoorschijn. Het dierenleven is aan hogere wetten onderworpen (gevoelsleven). De mens is de realisatie van Gods gedachten op het hoogste niveau. De mens is beelddrager Gods en heeft twee werelden in zich. In de zichtbare wereld heeft de mens een stoffelijk lichaam. In de onzichtbare wereld heeft de mens een geestelijk lichaam. Beide lichamen hebben hun wetten. Het stoffelijk lichaam heeft een vaste temperatuur. De mens is aan de wetten van de stofwisseling onderworpen.

De levensgeest van de mens houdt het stoffelijk lichaam in stand. De mens heeft ook tijdsbegrip. Begrip staat in verband met het denken en het spreken. Het geestelijke wezen, de mens die het beeld Gods gelijk is, is al in de vrucht in de moederschoot aanwezig. God wil niet in een chaos maar in een kosmos wonen. Als de mensen niet op elkaar afgestemd zijn, kan God zich daarin niet ontwikkelen.

Een ethische wet is, dat de mens zijn naaste moet liefhebben als zichzelf en God boven alles. Het is een ingeschapen wet.

Als God de mens daaraan moet herinneren, betekent dat, dat het niet meer naar behoren functioneert. De liefde van de moeder tot haar kind is ook een ingeschapen wet. Een ouder moet zuinig zijn op zijn kinderen en de kinderen moeten zuinig zijn op hun ouders.

Als deze dingen niet goed functioneren is dat wetteloos en een gevolg van de zonde.

 

1 Johannes 4:16. "En wij hebben de liefde onderkend en geloofd, die God jegens óns heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem."

God is liefde en licht. In Hem is geheel geen duisternis. Vanuit die liefde en dat licht komen de wetten Gods. God kan geen verkeerde wetten geven. God is de volmaakte waarheid, de volmaakt Rechtvaardige. God kan niet liegen en heeft nooit onzuivere bedoelingen. Gods Plan is volmaakt! Alleen in de méns zit het verlangen om gemeenschap met zijn Schepper te hebben. Het ligt in het hart van de mens besloten. Het hart is beeld van het centrum van de mens. Het hart van God is het centrum van Góds wezen.

 

Hand. 17:26-28. "Hij heeft uit één enkele het ganse menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van

ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij,."

Het duidt op de gemeenschap die de mens van nature met God zoekt. Ook de ethische, morele wetten zijn in het hart van de mens geschreven. De wet is nodig omdat de mens van zijn wetmatigheid is afgeweken.

De wetten zijn er om de mens ergens aan te herinneren. Ingeschapen wetten houdt de mens vanzelf. Als dit niet meer functioneert, moeten wetten worden opgelegd.

God wil de mensheid tot één geheel maken en tot een plaats waar Hij in kan wonen. Daarom moet de mensheid aan bepaalde wetten onderworpen zijn. De zonde verduistert de ingeschapen wetten van God. De mensen hebben hun weg op de aarde verdorven (Gen. 6:12).

Het betekent dat Gods wetten verloren geraakt zijn. Men was niet zuinig meer op zijn naaste. Het begon al met Kaïn, die zijn broer Abel doodde omdat diens werken rechtvaardig waren en die van Kaïn boos (1 Joh. 3:12). Lamech sloeg een jongen dood om een striem. Dat is geweldenarij. Het komt in Gods schepping niet voor, want Gods liefde sluit alle geweld uit. De Heilige Geest werkt niet met geweld, maar de duivel wél.

Wetteloosheid

Als het geweld binnenkomt, wordt de mens onnut voor het plan van God.

Wetteloosheid is een gevolg van de zonde. Als de wetteloosheid toeneemt, neemt het geweld ook toe.

Het met geweld iets doordrukken is een kenmerk van het rijk der duisternis. Het evangelie moet óók niet met geweld worden gebracht.

Je kunt de mensen niet tot bekering brengen door ze angst aan te jagen. Dan gebruik je geweld. De mens moet het evangelie met beide handen kunnen aangrijpen.

Wij zijn getrokken door Gods heerlijkheid en zijn liefde en niet door geweld. Wij moeten de mensen laten zien wie God is.

Wetteloosheid was het kenmerk van de eerste wereld. Men doodde maar raak. God kon er niets meer mee beginnen en heeft de wereld overgegeven aan de geweldgeesten.

Deze geesten zijn door de méns opgeroepen. God heeft de rechtvaardige Noach met zijn gezin gered door de zondvloed heen. Bij de nakomelingen van Noach is het gevoel van zedelijkheid ook weer verdwenen.

Toen heeft God een rechtvaardig man gezocht, die Gods wetten hield, hoewel er nog geen wet was. De wet van de Sinaï is 430 jaar later gekomen.

Abraham was zichzelf tot wet. God verwachtte, dat uit de rechtvaardige Abraham een volk van rechtvaardigen zou voortkomen. Als alle mensen zich aan Gods wetten zouden houden dan zou er vrede heersen en zou er eenheid zijn. God zegt van Abraham:

Gen. 18:19. "want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des Heren zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Here aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft."

De zegen van Abraham is altijd met rechtvaardige mensen verbonden. God vervult zijn wetten alleen aan rechtvaardige mensen. Dat houdt in, dat wij eerst rechtvaardig moeten zijn voordat wij de beloften Gods verkrijgen. Het is de toegerekende rechtvaardigheid, door het bloed van Christus. God heeft de wet aan onrechtvaardige mensen gegeven.

 

1 Timotheüs 1:8-10. "Wij weten, dat de wet goed is, indien iemand haar wettig toepast, wel wetend, dat de wet niet gesteld is voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en tuchtelozen, voor goddelozen en zondaars, voor onverlaten en onheiligen, voor vadermoorders en moedermoorders en doodslagers, hoereerders, knapenschenners, zielverkopers, leugenaars, meinedigen, al wat verder ingaat tegen de gezonde leer."

 

Een gezonde leer is een leer die gezond maakt. Een gezond lichaam is gezond, maar een gezonde leer máákt gezond.

De eerste vraag die rijst is: Ben je een rechtvaardige. Als je zegt, dat je een rechtvaardige bent, dan is de wet niet voor jou bestemd. Als je echter belijdt dat je een grote zondaar bent of een zondaar tot de dood, dán zijn de Tien Geboden (de Tien Woorden) wél op jou van toepassing. Het geloof is een weg buiten de wet om. Het volk Israël was reeds in Egypte de ingeschapen wet van God kwijt. Het volk had in Egypte de afgoden leren dienen.

Alleen Mozes deed wat zijn geweten hem voorschreef. Hij had gemeenschap met God.
Het was Gods bedoeling, dat, door het geven van de Tien Geboden, de ingeschapen wet weer levend zou worden. God schreef de wet op twee stenen tafelen.

Het merkwaardige is, dat God aan die wet niets heeft toegevoegd ( Deut. 5:22 ). God heeft geen strafbepalingen achter de wet gezet. De ingeschapen wet kent geen strafbepaling. Bij ons staat achter elke wetsovertreding een straf. Bij God bestaan geen maximumstraffen. Naast de Tien Geboden heeft Mozes het volk wetten gegeven, waar wél straffen achterstaan. De vijf Boeken van Mozes vormen samen de Thora: de wet. Bij echtbreuk b.v. was de straf: steniging. Mozes was een man Gods en een wijs man. Hij gaf, als bestuurder menselijke wetten, die goed waren.

Het waren echter aardse wetten, die met strafmaatregelen verbonden waren. De bedoeling van deze wetten was dat mensen uit angst voor straf de verkeerde dingen zouden nalaten, zodat de orde en de vrede bewaard zouden kunnen worden. Paulus schrijft:

Galaten 4:9,12. "Nu gij echter God hebt leren kennen, ja meer nog, door God gekend zijt, (en Gods ingeschapen wet weer in je werkt!) hoe kunt gij thans terugkeren tot de zwakke en armelijke wereldgeesten, waaraan gij u weder van meet aan dienstbaar wilt maken? Dagen, maanden, vaste tijden en jaren neemt gij waar."

 

De mensen waren weer bezig met de wetten van Mózes! Als de mens handelt naar de ingeschapen wet dan heeft hij de aardse wetten niet nodig. De aardse wetten veranderen de mens niet maar tomen hem in. Hoe strenger de wetten, hoemeer de mens wordt ingekapseld. Het is een beteugeling van de uitbrekende zonde.

De wetten worden vervaardigd door de zwakke en armelijke wereldgeesten. Een wereldgeest is een menselijke geest. De menselijke geesten gezamenlijk, geven de wetten.

Omdat deze wetten toch weer worden ontdoken en veronachtzaamd, worden de wereldgeesten, die ze maken 'zwak en armelijk' genoemd. Hoemeer wetten er zijn, hoemeer er ontdoken wordt. Om de mazen in de wet te dichten moeten er weer nieuwe wetten worden gemaakt. Deze wetten zijn tijdgebonden en hebben geen eeuwigheidswaarde.

De wet van de liefde is een wet van de eeuwigheid. De ceremoniële wetten beelden iets uit en zijn voor een volk moeilijker te begrijpen. Als de mensen iets kwaads hadden gedaan dan werd er automatisch een offer gebracht. Maar het was Gods bedoeling dat de mensen over het offer zouden nadenken, om te gaan zien wat erachter zat en zich af te vragen: Waarom moet een offer worden gebracht? en Waarom moet op Grote Verzoendag een offer aan het vuur worden prijsgegeven? Het offer beeldde uit, dat Christus aan het vuur, aan de machten der duisternis, zou worden prijsgegeven.

De machten der duisternis werden verzinnebeeld door het vuur dat verteert.

Abraham begreep dat hij een enige zoon moest nemen, maar nam de verkeerde zoon.

Hij had Christus, hét Zaad, moeten nemen en het offer in de toekomst moeten zien. Het ging over het enige Zaad: Christus'.

Het laat duidelijk zien op welk een glibberig pad Abraham terechtgekomen was. De boze speelde er op in. Abraham wilde het leven van Izak roven. Dit leven was het bezit van Izak. God heeft Jezus niet van het leven beroofd. Jezus heeft zijn leven vrijwillig gegeven en zei: "Vader, hier ben Ik om Uw wil te doen!" Izak vroeg zijn vader: "Vader wat gaan wij doen en waar is het brandoffer?"

Abraham antwoordde in zijn twijfel: "God zal zélf in een brandoffer voorzien." Uit dit antwoord blijkt dat Abraham er toch over heeft nagedacht.

Hij wist toch ergens, dat God zichzelf in het brandoffer zou voorzien. Dit hield in, dat Izak het brandoffer niet kón zijn!

Crematie

Crematie is een beeld van het vrijwillig prijsgeven van het lichaam aan het vuur, dat is: aan de machten der duisternis. Om deze geestelijke gevoelswaarde verwerpen wij de crematie. Wij geven ons lichaam niet over aan het vuur, maar geven het over aan de aarde waar het uit genomen is.

 

Galaten 3:19,20. "Waartoe dient dan de wet? Om de overtredingen te doen blijken is zij erbij gevoegd totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg,.."

Om de overtredingen te doen blijken is de wet bij de belofte gevoegd, totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg. ".en zij is op last van God door engelen in de hand van een middelaar gegeven."

(Stéfanus: Hand. 7:53).

 

Een middelaar is niet de vertegenwoordiger van één; God echter is één. God had aan Abraham beloften gegeven. De belofte wordt door geloof verkregen.

De wet echter, staat in verband met werken, en zegt: "Doe dat, en gij zult leven." De wet gaat uit van de inspanning van de mens.

De belofte gaat uit van het geloof van de mens. Bij de wet wordt de mens geoordeeld naar zijn gehoorzaamheid of naar zijn ongehoorzaamheid. Het zich toe-eigenen van de beloften wordt beoordeeld naar de mate van het geloof van de mens.

God sprak tot Abraham: "In u zullen alle volkeren gezegend worden." Ook met een hémelse erfenis! De wet staat buiten het eeuwige verbond, dat God met Abraham sloot. Abraham kende alleen de ingeschapen wet. De wet is een tijdelijk verbond en is daarom toegevoegd.

Paulus zegt eigenlijk in Gal. 3:19: De wet is bij ons binnengeslopen, maar hoort er niet thuis! Dit was de Joden tot aanstoot. Ook in onze dagen is dit het geval.

Er waren Joodse dwaalleraars de heidense gemeenten binnengeslopen, die zeiden:

Je moet de Joodse wet houden, anders kan je niet behouden worden (Gal. 2:4).

Rom. 5:20 st. vert., zegt dat de wet erbij gekomen is "opdat de misdaad temeerder worde." De wet is erbij gekomen om de misdaad duidelijk aan het licht te brengen.

De wet bant de zonde niet uit, maar activeert de zonde. Hoemeer wetten, hoemeer overtredingen. De wet is een zaak van de aarde en heeft niets met de hemelse erfenis te maken.

 

Efeze 6:2,3. "Eer uw vader en uw moeder - dit is immers het éérste gebod met een belofte: opdat het u wel ga en gij lang leeft op aarde."

 

De wet is een wezensvreemd element in de vrije mens, waarin de wetten Gods vanzelf functioneren.

Voorbeeld: Het hart van de mens functioneert vanzelf. Als de mens gezond is geeft de pols een bepaald aantal slagen. Dáár hoeft de mens niet bij na te denken. Dit gebeurt pas als er iets verkeerd gaat. Bij een ziek mens wordt de pols opgenomen. In een goed gezin, heerst de wet van de liefde. Dan zijn er geen speciale wetten nodig.

Als er iets verkeerd gaat zijn ze wél noodzakelijk. Abraham bezat het belangrijkste van de wet.

Mattheüs 23:23. "Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel, de barmhartigheid en de trouw."

Jezus bedoelt: 'De ingeschapen wet is het oordeel, de barmhartigheid en de trouw.' Drie facetten uit het wezen, het hart van God, die ook in de ware christen gevonden moeten worden:

- Het oordeel is de scheiding tussen goed en kwaad.

- De barmhartige Samaritaan verzorgde zijn vijand.

- de trouw is: de volharding en het geloof.

Een koninklijk volk, waar Petrus over spreekt, (1 Petr. 2:9) heeft een koninklijke wet, de wet der vrijheid. Het is een geestelijke, ingeschapen wet. Jakobus zegt, dat dit de volmaakte wet is. Jakobus zegt in hst. 1:25 tot christenen: "Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet, die der vrijheid, en daarbij blijft,.."

De volmaakte wet is door de Heilige Geest in het hart van de gelovige geschreven (Hebr. 8: 10b). De Heilige Geest overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel (Joh. 16:8). Als de christen naar de ingeschapen wet luistert dan komt hij tot volkomenheid. De koninklijke wet kan alleen door koningen gehouden worden. Het is de wet der vrijheid omdat zij niet op stenen tafelen geschreven is, maar in de christen is. Er is liefde tot God en tot de naaste.

Efeze 2:10. "Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen."

Jakobus 2:8. "Indien gij echter de koninklijke wet vervult naar het schriftwoord: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf."

Als onze gedachten vervuld zijn met liefde tot God en liefde tot de naaste, dan doen wij de koninklijke wet vanzélf. De geschreven wetten zijn eigenlijk een surrogaat, gegeven voor hen die de ingeschapen wet niet doen en voor hen die het niet weten. De ingeschapen wet is geestelijk en heeft te maken met de geestelijke mens, met het geestelijk lichaam, de inwendige mens. Mozes gaf het volk eenvoudige wetten, die van wijsheid getuigden.

 

Deut. 30:11-14.

- "Want dit gebod, dat ik u heden opleg, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg."

- "Het is niet in de hemel, zodat gij zoudt moeten zeggen: Wie zal opstijgen ten hemel, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?"

- "En het is niet aan de overkant der zee, (beeld van de afgrond, het dodenrijk) zodat gij zoudt moeten zeggen: Wie zal oversteken naar de overkant der zee, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?"

- "Maar dit woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart."

Paulus herhaalt het in Rom. 10:6-8. De wetten zijn wél moeilijk voor de gebonden mens, waar de machten der duisternis in werken. Hij kan de wetten niet houden.

Engelen hebben aan Mozes onderricht gegeven hoe hij zijn wetten maken moest. Engelen luisteren naar het woord Gods en brengen het verder (Gal. 3:19b).

God is één. Een middelaar staat tussen twee partijen, die met elkaar verzoend moeten worden. Mozes was de vertegenwoordiger van het volk. De engelen waren de vertegenwoordigers, de boodschappers van God.

Gód kwam niet bij Mozes bij de brandende braambos, maar de Engel des Heren verscheen hem. Gód heeft die wetten niet gegeven! God is volmaakt en kan geen wet geven waar een vraagteken achter moet worden gezet. Daarom moest Jézus zeggen: "Maar Ik zeg u ......." Als de Farizeeën in Matth. 19:1-12 naar Jezus toekomen om Hem te verzoeken. zeggen zij:

"Is het geoorloofd zijn vrouw weg te zenden om allerlei redenen? Waarom heeft Mozes bevolen een scheidbrief te geven?"

Jezus antwoordt: "Terwille van de hardheid van jullie harten heeft Mozes een scheidbrief gegeven. Maar zo is het van den beginne niet geweest. God heeft man en vrouw tot één geschapen."

Mozes heeft de wetten van scheiding gegeven omdat het volk de wet Gods overtrad. De scheidbrief werd gegeven om de vrouw in de gelegenheid te stellen haar zaken te regelen m.b.t. het recht op goederen en om niet helemaal in de vernieling te geraken.

Een scheidbrief was een onvolmaakt iets en geen volmaakte wet.

Mozes gaf voor zijn tijd verstandige wetten in verband met een zondig volk.

Ceremoniële wetten zijn afbeeldingen van het herstel.

Men moest de wet dag en nacht overpeinzen. Waarom mocht de Jood geen wollen kleed en een linnen kleed over elkaar dragen? Waarom mocht hij geen tweeërlei zaad op zijn akker strooien?

Men moest trachten te begrijpen wat de geestelijke betekenis ervan zou zijn. Zij zouden moeten 'opklimmen' om het offer te begrijpen. Het zou hun verstand en hart hebben veranderd.

Abel kwam aan het offer doordat hij er over had nagedacht. Abraham kwam aan het offer van de zoon doordat hij zo hoog was opgeklommen, dat hij dicht in de buurt van het grote offer van Christus gekomen was. Als de mensen de bedoeling van al die wetten zouden begrijpen dan zou hun menselijke geest weer hebben kunnen leven.

Het volk Israël was verplicht om een rustdag te houden: de sabbat. Het was een wet uit de zienlijke wereld. Men heeft deze wet overgenomen en op de zondag overgezet. Je mocht b.v. op zondag niet fietsen of in de trein zitten. Deze wet hield zich bezig met aardse bezigheden.

De Israëliet moest rusten om ergens uitdrukking aan te geven. De mensen gingen het in de natuurlijke wereld uitwerken.

In het nieuwe verbond houdt de christen in de onzienlijke, geestelijke wereld op met werken. Wij, die tot het geloof gekomen zijn, zijn tot de sabbatsrust ingegaan, zoals God rustte van zijn werken door in de nieuwe schepping alles aan Jezus Christus over te geven.

Hij zal het herstel voortbrengen (Hebr. 4:1-13).

Zo rusten wij van onze werken en zeggen: 'Christus doet het in ons.' God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons werkt (Fil. 2:13).

God doet het door zijn Geest, samen met onze geest. Wij rusten, door onze aandacht op God en op zijn Geest te richten.

Wij hoeven ons niet meer in te spannen.

1 Thess. 5:23,24. "En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus blijken in, allen dele onberispelijk bewaard te blijven. Die u roept is getrouw; Hij zal het ook doen."

 

Trouw is een eigenschap van God! Als je gelooft dat Jezus de levensproblemen oplost, ben je tot Gods rust ingegaan. God rust óók in Jezus Christus, die zegt: "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde" (Matth. 28:18).

 Johannes 3:35. "De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven."

 

Als alles hersteld is zal Jezus alles weer aan de Vader overgeven, opdat God alles in allen zal zijn (1 Kor. 15:24-28). De bijbel stelt de wet van de Sinaï buiten werking.

 

Hebreeën 8:13. "Als Hij spreekt van een nieuw verbond dan heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat verouderd is, is niet ver van de verdwijning."

 

Daarom moet met de verouderde dingen afgerekend worden. De Adventisten en de Sabbattisten verbreken de wet. Zij willen nog iets presteren om hun gerechtigheid te verkrijgen. Zij willen de rustdag hebben, maar worden veróntrust door allerlei haarkloverijen. Men hield en houdt zich nog bezig met alles wat je op de sabbat wel en niet mag doen. Deze mensen leven bij de schaduw en niet bij de werkelijkheid, die 'in Christus' is. Daarmee sluiten zij zichzelf buiten het Koninkrijk der Hemelen.

 

Kolossenzen 2:16,17.

- "Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat,

- dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is."

 

De wet is geestelijk en moet geestelijk worden verstaan (Rom. 7:14a).

De geestelijke mens moet de wet transponeren naar de geestelijke wereld.

De besnijdenis naar het vlees is omgezet in de besnijdenis van het hart, zodat het kwade eruitgesneden wordt, teneinde weggeworpen te worden. Er zijn veel mensen, die zeggen dat de tempel van de Joden zal worden herbouwd. Ezechiël kreeg temidden van de ballingen in Babel een visioen van de nieuwe tempel. Hij heeft vele hoofdstukken over deze tempel geschreven. Ezechiël was een priesterprofeet, uit het geslacht van Levi, dus een man van de tempel. De mensen, die geloven in de herbouw van de tempel, zeggen dat het de tempel van Ezechiël zal zijn, die ook in Openbaring 11:1,2a wordt aangeduid.

Openbaring 11:1,2a. "En mij werd een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en hen, die daarin aanbidden. Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet, want hij is aan de heidenen gegeven;..."

De tempel van Ezechiël is nooit gebouwd.

 Ezechiël 43:10,11. "Gij nu, mensenkind, (zoon des mensen) vertél het huis Israëls van de tempel - opdat zij zich schamen over hun ongerechtigheden - en laten zij het modél nameten, - en als zij zich schamen over alles wat zij bedreven hebben, - maak hun dan bekend de vorm van de tempel en zijn inrichting, zijn uitgangen en zijn ingangen, al zijn vormen, al zijn voorschriften, al zijn vormen en al zijn wetten, en schrijf die op voor hun ogen, opdat zij al de vormen en voorschriften ervan nauwgezet ten uitvoer brengen."

Er staat helemaal niet, dat deze tempel gebouwd moest worden. Er staat wél, dat zij erover moesten nadenken en zich de vormen inprenten.

Zij moesten zich de vraag stellen: 'Waarom wordt er in de tempel geofferd?' Het offer beeldde het offer van Christus uit, die aan het vuur werd prijsgegeven. Zij moesten zich afvragen: 'Waarom moet je sabbat vieren?'

Dat moesten zij doen om in de rust van God te komen, in het nieuwe verbond. 'Waarom moeten er heilige vaten zijn, die alleen de priester mag aanraken en het gewone volk niet?' Dit beeldt uit, dat ons leven heilig moet zijn en afgezonderd van de boze geesten. De heilige vaten waren er om het volk dat in te prenten. Zij mochten niet tweeërlei zaad op de akker strooien, zoals wij in de gemeente geen tweeërlei zaad moeten uitstrooien.

De tempel van Ezechiël wordt niet herbouwd op de aarde. Het gaat hier over de volmaakte Tempel, die in de hemel wordt gebouwd.

De Sabbattist en de Israëlleeraanhanger zullen nooit spreken over een Tempel in de hemel.

Zij zeggen: 'De tempel van Ezechiël zal in Jeruzalem gebouwd worden.'

De Heer zegt, dat het een woonstede Gods in de hemel zal zijn. Alle genoemde zaken waren hulpmiddelen om tot het volmaakte te komen, om te komen tot de ingeschapen wet om te kunnen léven. Dan heeft de wet gefaald! Het gebod dat ten leven was, bleek voor de meeste mensen ten dode te zijn (Rom. 7:10). Het werd een zware last om te dragen. De mensen moesten zich aan allerlei uitwendigheden houden. De wet heeft een negatief effect gehad.

Jezus zei tot de Farizeeën: "Jullie geven tienden van de munt, de dille en de komijn ....."(Matth. 23:23). Het kleinste zaad werd uitgeteld. Het volk was niet bij machte om al die wetten te doen. De tijd ervoor ontbrak. De wet was gegeven om over de dingen na te denken.

De wet houdt geen rekening met de gebonden mens, met de geestenwereld. De wet zegt: 'Doe dat en gij zult leven.' Iemand, die door een boze geest gebonden is, kan niet doen wat de wet gebiedt. Zo'n mens zegt: "Wat ik wil dat kan ik niet en wat ik niet wil dat doe ik. Ik, ellendig mens!" De wet mist de kracht om het leven te geven.

Zij is erbij gevoegd tot het Zaad zou komen: Christus, waarop de belofte sloeg. Wij willen vanuit de belofte leven. Als Christus komt, komt de tijd van het herstel. Dan kan de mens wél de wil van God doen. De ceremonieën worden in Hem vervuld. De wetten van spijzen, dranken en wassingen enz. zijn bepalingen voor het vlees, opgelegd tot de tijd van het einde. Bij de bruiloft van Kana waren zes grote vaten water aanwezig, bestemd voor de rituele wassingen. Het was gewijd water. Jezus maakte van het water wijn.

Hebreeën 8:13. "Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning."

 

Dat is het oude verbond van de Sinaï!

 

Hfst. 9:9,10.

- "Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, in zoverre gaven en offers gebracht werden, die niet bij machte waren hem, die God daarmee dient, voor zijn besef te volmaken,

- daar zij met hun spijzen en dranken en onderscheiden wassingen, slechts bepalingen voor het vlees (de natuurlijke mens) zijn, opgelegd tot de tijd van het einde."

 

Iemand, die onder de wet leeft, krijgt nooit het idee: 'Ik ben er. Ik heb de gerechtigheid.' Het is nooit voldoende. Men is altijd bezig met het bijmaken van wetten.

Er staat: 'God nam Israël bij de hand.

Je neemt kinderen bij de hand om ze te leiden. Zo leidde God Israël door middel van de wet (Hebr. 8:9). Als Mozes de wet niet had gegeven dan zouden de mensen geen weet hebben gehad van het verschil tussen goed en kwaad. Zover waren de Israëlieten van God afgeweken. Zij dienden de afgoden, de Moloch: het gesternte des hemels (Hand. 7:43 Stéfanus).

De wet is een tuchtmeester geweest tot Christus (Gal. 3:24).

Maar de Kerk leest: 'De wet is de tuchtmeester tot Christus.' Bedoeld wordt: Je hebt de wet nodig om tot de Heer te komen.

Het berust op de Catechismus. Zondag 2: Hoe weet ik mijn zonde en ellende? Uit de wet Gods. (vraag 3)

Ik hoef mijn zonde en ellende niet te weten om tot God te komen. Ik moet de héérlijkheid Gods leren kennen. De zonde en ellende leer je toch wel kennen.

De wet is de tuchtmeester gewéést tot Christus. Jezus Christus heeft de zonde weggenomen en een weg gemaakt, zodat iedereen rechtvaardig kon worden.

Hij heeft de Heilige Geest gegeven om te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. Een middelaar is een tussenpersoon. Mozes wordt genoemd: 'Middelaar tussen het volk en God.'

Engelen hebben Mozes onderwezen in het maken van de wet. God sprak door profeten en door engelen. (Hebr. 1:1 en 2:2).

Engelen zijn dienende geesten. Als wij rechtvaardig zijn kunnen de engelen ons dienen.

De engelen hebben er belang bij, dat wij naar de wet van God leven. Zij luisteren naar de klank van de woorden Gods. Zo gaven zij de woorden Gods aan Mozes door.

Mozes schreef de wetten op. Stéfanus zegt: "Gij die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen, doch haar niet hebt gehouden" (Hand. 7:53).

Het volk was innerlijk verdeeld. God kon de volmaakte wet niet aan het volk kwijt. God is één. Uit God komen geen onvolmaakte wetten. Door de wet van Mozes werd een compromis gegeven, een aanpassing.

Jézus zei: "Maar Ik zeg u." Dat is een volmaakte wet!

De wet zegt: "Gij zult niet doden." Maar Jezus zegt: "Als je iemand háát ben je een doodslager." In de natuurlijke wereld kun je 'haat' niet strafbaar te stellen.

De wet zegt ook: "Gij zult niet echtbreken." Jezus zegt: "Wie een vrouw aanziet om haar te begeren heeft al echtbreuk gepleegd."

Het zijn zaken van de onzienlijke, geestelijke wereld. De aardse rechter kan iemand er niet om veroordelen.

Hand. 7:30,31.

- "En toen er veertig jaren voorbijgegaan waren, verscheen hem (Mozes) in de woestijn van de berg Sinaï een engel in de vlam van een brandende braamstruik."

- "En toen Mozes dit zag, verwonderde hij zich over het gezicht, en toen hij erheen ging om het te onderzoeken, kwam een stem des Heren tot hem."

'Een stem des Heren' kan zijn: een engel of een profeet.

 

 

Samenvatting.

 

Er is een wet en er is een belofte. Je kunt ze nooit aan elkaar koppelen. De wet vervult de mens door inspanning, maar de belofte ontvangt hij door het geloof. Abraham ontving geen wet, maar beloften: "In u zullen alle volken der aarde gezegend worden." God schonk de belofte buiten de wet om. Het zijn geen zaken die elkaar aanvullen. Daarom is het aangrijpen van de belofte superieur aan de wet. De rechtvaardige ontvangt de Heilige Geest door geloof en niet door inspanning. (Gal. 3:14b.)

 Vs. 2. "Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet of van de prediking van het geloof?"

 

De wet van Mozes wordt betiteld als zwak en arm. Het was geen volledige uitdrukking van de gezindheid van God.

Het was een compromis, gegeven aan mensen, die in de woestijn de afgoden van Egypte dienden en de Moloch meevoerden.

Het was geen eenheid. Het volk was innerlijk verdeeld. Alleen een kleine rest diende God. God kon zijn volmaakte wet niet kwijt.

God heeft ons de volmaakte wet gegeven door ons de Heilige Geest te schenken, die de drager is van de wet Gods.

De Heer heeft de Geest in het hart en in het verstand van de mens gelegd. Als de mens naar de Heilige Geest luistert, kan zij ook één worden. Dan zijn God en de mens één. Jezus zegt:

"Ik en de Vader zijn één"; d.w.z. "De Vader is onverdeeld en Ik ben onverdeeld... opdat jullie één zijn."

Het betekent, dat je stuk voor stuk één bent, onverdeeld. Eén zijn in denken betekent, dat je alleen het goede denkt. Dan ben je een mens uit één stuk. God is ook zo.

Als Jezus dit proces voltooid heeft, is het herstelprogramma afgelopen. Dan geeft Jezus alles weer over aan de Vader en kan God in de mensen wonen en door hen handelen.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

 

Bijbelschool Gorinchem (serie 6 / les 2 / 1 - 11 - 86 )

 

2

01-11-86

 

De wet van de Sinaï (vervolg)

Galaten 3:21.22. "Is de wet dan in strijd met de beloften Gods? Volstrekt niet! Want indien er een wet gegeven was, die levend kon maken, dan zou inderdaad uit een wet de gerechtigheid voortgekomen zijn. Neen, de Schrift heeft alles besloten onder de zonde, opdat ten gevolge van het geloof in Jezus Christus de belofte deel zou worden van hen, die geloven."

 

Voor Paulus was de wet een enorme brok geschiedenis. Hij was er, evenals vele, van ons, in grootgebracht.

 

Johannes 1:17. "want de wet is door Mozes gegeven, genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen."

Er staat niet dat de wet door Gód gegeven is. God heeft zich er weinig mee bemoeid. Mozes heeft de wet uitgewerkt.

Zij is op last van God, door bemiddeling van engelen in handen van een middelaar gegeven (Gal. 3:19). In Hand. 7:53 zegt Stéfanus in zijn verdediging voor de Joodse Raad: "Gij die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen, doch haar niet hebt gehouden." God heeft een soort compromis gesloten met een weerbarstig volk.

De wet is niet gesteld om de beloften te vervangen, maar zij is erbij gevoegd. De beloften reiken verder dan de wet. Wij leven uit de beloften en niet uit de wet, die zich alleen met zaken van de aarde bezighoudt.

 

Efeze 6:1. "Eert uw vader en uw moeder, opdat het u wel ga en gij lang leeft op de aarde."

Het Jodendom is een godsdienst van de aarde, met allerlei instellingen, wetjes en voorschriften. Bij veel mensen in de oudheid was het geloof óók aanwezig. De beloften betreffen de aarde én de hemel. De beloften voor Israël die de aarde betreffen zullen worden vervuld. Jezus zegt: "Ik zeg u dat het Koninkrijk Gods van u zal worden weggenomen." (Matth. 21:43) Israël was blind voor de hemel: de geestelijke wereld. Zodoende blijft slechte de aarde over.

De Arabieren hebben óók beloften voor de aarde. Het is Gods bedoeling, dat zij als broedervolken in vrede naast elkaar zouden leven. God heeft de mensheid lief: "Want alzo lief heeft God de wereld gehad."

Als wordt gezegd: 'God heeft Israël lief ' dan wil men er méér betekenis aan hechten en verbindt er een sentimentaliteit aan.

Israël is mét het 'Koninkrijk Gods ook de aartsengel Michaël kwijtgeraakt. In Openbaring 12:7 wordt de aartsengel Michaël met de Gemeente in verband gebracht. Door veel christenen wordt dit ontkend. Men zegt dat het boek Openbaring op de eerste hoofdstukken na voor Israël bestemd is.

Maar het is een troostboek voor de Gemeente van Jezus Christus. Er wordt in bepaalde kringen gesproken over de bouw van de tempel, die in Ezechiël beschreven wordt.

Het is Gods bedoeling dat men de geestelijke betekenis ervan zou gaan verstaan door erover na te denken en de vormen te bestuderen. Dat was ook de bedoeling van de wet (Zie les 1!). Voor ons betekent de sabbat dat wij tot de rust van God zijn ingegaan.

Hebreeën 4:9,10.

- "Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God."

- "Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de zijne"

God heeft ook gewerkt en heeft tenslotte alles aan Jezus Christus overgegeven. Jezus zegt: "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde." God rust nu in het werk van Jezus Christus en zegt: 'Ik laat Hém het herstelwerk verrichten.' Wij moeten, evenals God, rusten in het werk van Jezus Christus. Als alles hersteld is geeft Jezus alles weer in handen van God. Als God in staat is om alles uit handen te geven dan kunnen wij dat ook. Als wij geloven dat Jezus Christus onze problemen oplost dan zijn wij tot zijn rust ingegaan.

1 Korinthe 15:28. "Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen."

1 Thess. 5:23,24. "En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te blijven."

Dat doet de Heer door zijn Geest! Ook de besnijdenis naar het vlees doet geen nut.

 

Koloss. 2:11. "In Hem zijt ook gij met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus."

Ook met deze gedachtengang heeft men in onze tijd grote moeite.

Het verschil tussen de wet en de belofte:

Definitie: * De belofte schenkt leven; de wet niet.

* Leven is: verbinding hebben met God, die het leven is.

* Door de belofte krijgt de mens verbinding met God.

* De wet kan geen leven geven, maar bewerkt de dood.

* De wet vraagt een onberispelijk leven door eigen inspanning. De mens moet iets presteren. Als je iets moet doen wat je niet kunt volbrengen dan verlies je de moed. De wet zegt: 'Doe dat en gij zult leven.'

Rom. 7:9-12. "Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven, en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn; want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood. Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed."

De wet is gegeven aan onrechtvaardige mensen (Zie les 1). De genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen. De Geest van God is de Geest van de waarheid, die kan putten uit de verborgenheden van God.

Kenmerk van de wet: Doe dat en gij zult leven. Kenmerk van het nieuwe verbond: Geloof en gij zult leven.

De wet speculeert op de nog overgebleven geestkracht in de gevallen mens en beteugelt het kwaad. De wet is zwak door het vlees en wordt daarom een armelijke wereldgeest genoemd. De wet kan het zwakke vlees niet op het rechte spoor krijgen.

Het vlees: de natuurlijke mens, die door de zondemachten waarmee hij omringd is, beïnvloed wordt (Rom. 8:3a).

De zondemachten misleiden de goedwillende mens en houden hem tegen. De geestenwereld van de boze is sterker dan hij en speelt in op de menselijke begeerten. De inspanningen van de mens zijn daarom vruchteloos.

Romeinen 8:7,8. "Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet; zij, die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen."

De natuurlijke mens kan God niet behagen. Daar heeft hij Gods Geest voor nodig.

 

Vs. 9a. "Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont."

De wet werkt op het zelfvertrouwen van de mens. De farizeeërs beroemden zich op wat zij allemaal presteerden. De hoogmoed had hen bevangen. Door prestaties te leveren komt de mens altijd in de zichtbare wereld terecht. Eeuwenlange wetsprediking in de kerk heeft de mens niet kunnen veranderen. Ondanks alle inspanningen werd het een groot fiasco. Het bestijgen van de berg Sinaï heeft geen zin. Niet uit vrees voor de wet, niet uit traditie en ook niet uit dankbaarheid. Wij bestijgen de berg Sion, de berg Gods. Je kunt het roken, drinken

enz, niet uit dankbaarheid laten. Je hebt een sterke tegenkracht nodig om ervan bevrijd te worden.

Jezus zegt in Matth. 12:29. "Of hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke gebonden heeft? Dan zal hij zijn huis plunderen."

 

De wet geeft de mens geen kracht, maar misvormt de mens. Vandaar dat wij het ook niet van de natuurlijke mens kunnen verwachten. Als teken dat wij de natuurlijke, oude mens opgeven laten wij ons dopen. Bij de doop laten wij de oude mens begraven; d.w.z. dat wij geen waarde meer hechten aan de inspanningen van de natuurlijke mens, die wij voor dood houden. In plaats daarvan stellen wij ons vertrouwen op de Heilige Geest, die wij door geloof ontvangen.

Paulus zegt in Gal. 3:2: "Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof?"

Overwinning ontvang je óók door middel van geloof. Paulus is een geloofsprediker geweest.

 

1 Johannes 3:9,10. "Een ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad Gods blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels kenbaar; een ieder die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als wie zijn broeder niet liefheeft."

 

Het werk dat uit God geboren is, is nooit vermengd met het rijk der duisternis.

In hoeverre laat de mens de gedachten Gods toe en in hoeverre overheersen die, vullen die zijn gedachten.

De wedergeboorte is de verandering in het denken. De mens die vernieuwd is in zijn denken, zondigt niet. De wet houdt zich niet bezig met heil: herstel, genezing, en behoort niet tot het nieuwe verbond.

Gods Geest geeft kracht tot reiniging. Gans geest, ziel en lichaam, wordt levend.

Leven' wil zeggen, dat je met God verbonden bent. Wij moeten leren met God te wandelen en onze gedachten op Hém af te stemmen. Met Gods Geest weersta je de boze in eigen leven.

De wet is geen tegenhanger van de belofte. Wij moeten de kwade gedachten overwinnen door de goede ervoor in de plaats te stellen. De wet veroordeelt de mens, maar de belofte schenkt heil.

De wet oordeelt iemand op zijn gehoorzaamheid of zijn ongehoorzaamheid. De belofte oordeelt op basis van geloof: geloof je het of geloof je het niet.

Jezus zei vaak tot de discipelen: "O kleingelovigen, waarom heb je het niet geloofd!"

Marcus 11:23,24. "Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg (sterke boze geest) zou zeggen: hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt. het zal hem geschieden. Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het ontvangen hebt, en het zal geschieden."

Vs. 22. "Hebt geloof VAN God." (niet: in God)

God gelooft in ons en zegt: 'Die mens (die het af en toe niet ziet zitten) komt op mijn troon te zitten!' Het geloof van God is ook het geloof van Christus. Jezus Christus geloofde dat de zondaar, waar Hij voor sterven zou, op Gods troon komen zou.

 

Galaten 3:22. "Neen, de Schrift heeft alles besloten onder de zonde, opdat ten gevolge van het geloof VAN Christus de belofte, het deel zou worden van hen, die geloven."

Jezus is gekomen om vele broeders tot heerlijkheid te brengen (Hebr. 2:10).

De wet is geen uitdrukking van de gezindheid van God, want God is louter liefde en genade De genade en de waarheid zijn door Jezus Christus geworden. Het was er wel, maar door Jezus is het zichtbaar geworden. Het woord Gods is gegeven opdat (doelaange-vend voegwoord) de mens Gods volkomen zij en tot alle goed werk volkomen toegerust (2 Tim. 3:17). Om dat doel te bereiken heeft de mens de leer van het Koninkrijk der Hemelen nodig.

De leer die Jezus bracht moet in daden worden omgezet, want geloof zonder werken is dood (Jak. 2:26). De wet was een hulpmiddel, opdat de mens niet te zeer van God zou vervreemden en helemaal zou degenereren.

De wet is een invalspoort voor de vrome geesten (farizeeërs).

 Vs. 3:23. "Doch voordat dit geloof kwam, werden wij onder de wet in verzekerde bewaring gehouden met het oog op het geloof dat geopenbaard zou worden."

 

De wet beteugelt de uitbrekende zonde. De wetsprediking heeft het geloof buiten de Kerkdeur gehouden. Paulus waarschuwt de mensen om zich niet op het glibberige pad van de wet te begeven. Hij wist het uit ervaring. Jezus zegt: "Wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën en Sadduceeën!" Daarom is de strijd van Paulus tegen het Judaïsme zo belangrijk. Het Judaïsme heeft in onze tijd volop de kop weer opgestoken. Men zegt dan: Anti-Judaïsme is antisemitisme. Het woord Judaïsme wordt in de griekse bijbel tweemaal genoemd.

 

Galaten 1:13,14. "Want gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom; (Grieks: judaïsme!) Ik heb de gemeente Gods bovenmate vervolgd en getracht haar uit te roeien, en in het Jodendom (Judaïsme!) heb ik het verder gebracht dan vele van mijn tijdgenoten onder mijn volk, als hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen."

Wij zijn niet tegen de Jóden maar tegen hun léér.

Judaïsme: Het Joodse geloof in al haar voorschriften en overleveringen van mensen.

De strijd van Paulus ertegen was terecht. Heel de Kerk is erdoor vergiftigd. De R.K.K. heeft de Moraaltheologie met duizend wetjes en voorschriften. Maar wij hebben een wetsvrij evangelie. De wet van de Geest des levens is in onze harten geschreven (2 Kor. 3:3).

Romeinen 5:18. "Derhalve, gelijk het door één daad (van één mens) voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, (Can.vert. verdoemenis) zo komt het ook door één daad van gerechtigheid, (van één Mens) voor alle mensen rechtvaardiging ten leven."

 

Alle mensen zijn omgeven door de zonde. Ik zeg liever: ingesloten door de zondemachten. 'Zonde' wordt hier gepersonifieerd zonder de boze geesten, de machten der duisternis.

Veroordeling (verdoemenis) betekent: overgegeven aan de machten der duisternis. Er is een overste van de macht der lucht (Ef. 2:2). De 'lucht' dringt met geweld binnen. Er is maar één weg ter ontkoming: bóven de lucht uitstijgen. Dan kom je in het luchtledige, waar je geen vuile lucht naar binnen haalt.

De bijbel spreekt in dit verband over het zich verheffen van de gelovige. 'Verheft uw harten tot God', zegt het oude testament.

Zoals de lucht de aarde omsluit, zo omsluiten de machten der duisternis de mensheid.

Het Koninkrijk van God is het machtsgebied van God. De aarde en het dodenrijk vallen er ook onder. De mens, die als machthebber was aangesteld, heeft de heerschappij uit handen gegeven aan de boze. Nu heeft de overste van de macht der lucht er zeggenschap.

De duivel sprak tot Jezus bij de verzoeking in de woestijn: "Al de koninkrijken der aarde zijn mij overgegeven. U zal ik deze macht en heerlijkheid geven. Ik geef haar aan wie ik wil." (Luk. 4:5,6) Jezus heeft door zijn lijden en sterven dit alles van de duivel overgenomen, en zegt: "Mij is gegeven álle macht in hemel en op aarde." (Matth. 28:18)

Jezus heeft de bezetter niet verjaagd, maar hem in zijn domein overwonnen. Hij heeft de wereld gekocht en zegt tot ons: Jullie moeten de bezetter opruimen in mijn Naam.

Ik geef jullie macht om je te verheffen en de boze geesten van bovenuit (alléén maar!) te overwinnen.

Het centrum: het midden des hemels waar God woont is vrij. Daar is de duivel uitgebannen. De vrijmaking is al geschied.

Daarom bidden wij: 'Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.' De aarde moet volgen, want: 'De aarde is des Heren, mitsgaders haar volheid.' Zij is slechts bezet gebied. "De diepten der aarde zijn in Gods hand" (Ps. 95:4). Dat is het dodenrijk waar Gód hoort te regeren.

"Al maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde, (sterf ik) Gij zijt er." God was ook bij de arme Lazarus in de lichtzijde (Ps. 139:8) van het dodenrijk.

Mitsgaders haar volheid: de zonen Gods, de rijpe vrucht. De volmaakte mens komt tevoorschijn. Eén volmaakte Mens is al gekomen: Jezus Christus. Hij is gekomen om vele zonen tot heerlijkheid te brengen en de werken van de duivel te verbreken.

De aarde moet vrijgemaakt worden door de vrijgemaakte Gemeente van Jezus Christus.

Paulus zegt: Als je je in de hemelse gewesten verheft: met je gedachten daar bezig bent, dan werkt dat zelfs nog uit op het stóffelijk lichaam dat op aarde vertoeft. Hij zal uw sterfelijk lichaam méde levend maken. Wij zijn onderweg naar het einddoel, het midden des hemels, waar de troon van God is.

 

= = = = = = = = = = = = = =

 

 

 

 

 

Bijbelschool Gorinchem (serie 6 / les 3 / 10 - 1 - 87 )

3

10-01-87

God is goed

  

Naar aanleiding van twee aan mij gezonden brieven over dit onderwerp gaan wij deze dingen nog eens nader bezien. In verband met de God is goed-exegese merkt de schrijver op dat de bijbelschrijvers in het oude testament geen inzicht in de hemelse gewesten hadden en derhalve de zaken verkeerd voorstelden. Als voorbeeld neemt de schrijver de uitspraak van Hanna: "De Here doodt en doet herleven, De Here maakt arm en maakt rijk. Hij vernedert, ook verhoogt Hij." (Lied van Hanna. 1 Sam. 2:6,7)

Schrijver merkt hierbij op: 'Tot op zekere hoogte kan ik deze gedachte wel volgen, omdat Job ook dacht dat de Here hem alles afnam, terwijl uit de voorgaande verzen toch duidelijk blijkt dat de sátan de oorzaak van Jobs ongeluk was.'

Wij zien dat er aan het eind van het boek Job sprake is van een krokodil. In Job 40:20 zegt God tegen Job: "Kunt gij de krokodil met een vishaak optrekken, met een touw zijn tong neerdrukken?" De Heer bedoelt: Job, begin er maar niet aan, want in het tijdperk waarin jij leeft zijn deze dingen niet mogelijk.

Daarvoor heb je de inwoning van de Heilige Geest nodig. Job, jij kunt dat dier niet aan. Jij zult het enkel van mijn ingrijpen van bovenaf moeten hebben. Er wordt dan gezegd: 'Er staat toch maar zwart op wit dat het Gód was die de verwoestingen aanrichtte op de aarde.

De bijbelschrijvers hadden een onvolledig godsbeeld en hadden niet door dat God enkel goed is. Al het gebeuren vanuit de onzienlijke wereld werd aan God toegeschreven, omdat ze niet beter wisten. Als ik het goed begrepen heb, heeft de redactie ooit overwogen om de bijbel te herschrijven, omdat hij vol staat met dat soort fouten.

Nu is mijn vraag: Als God zélf een uitspraak doet die schijnbaar tegen zijn wezen indruist, hóe verklaart u dit dan? Mogen wij twijfelen aan een uitspraak van God zelf?

Een goed voorbeeld lijkt mij de verschijning des Heren aan Salomo in 2 Kron.7:13, waarin God zegt:

"Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik de pest onder mijn volk zend,."

Nog een voorbeeld: In Micha 6:13 zegt God door de profeet heen Jeruzalem het oordeel aan:

"Ik echter maak u krank, Ik sla u, Ik richt verwoesting aan wegens uw zonden."

De tweede brief vermeldt bijna honderd teksten waarin God het kwade doet. Ik noem er een:

Zacharia 13:8,9a. "In het gehele land, luidt het woord des Heren, zullen twee derden uitgeroeid worden en de geest geven, maar een derde zal daarin overblijven. Dat derde deel zal Ik in het vuur brengen."

Op welke wijze spreekt God tot de mensen?

God is geest. Hetgeen God spreekt zal door mensen moeten worden opgevangen. Dat kan in een droom of visioen gebeuren, maar ook door middel van profetie. Het punt is echter of deze mensen voor honderd procent de woorden Gods weergeven. Paulus zegt: "Ons profeteren is onvolkomen" (1 Kor. 13:9). Hij spreekt over met de Heilige Geest gedoopte mensen.

Jesaja 25:7. "En Hij zal op deze berg de sluier vernietigen, die alle natiën omsluiert, en de bedekking waarmede alle volken (ook Israël!) bedekt zijn."

Het denken van de mens is versluierd. Het geldt zeker voor de mens van het oude verbond. De bedekking, die op alle mensen ligt, verdwijnt slechts in Christus.

2 Kor. 3:14. "Maar hun gedachten werden verhard. Want tot heden blijft dezelfde bedekking over de voorlezing van het oude verbond zonder weggenomen te worden, omdat zij slechts in Christus verdwijnt."

De bedekking verdwijnt door de prediking van het Koninkrijk der Hemelen. Door het evangelie van Jezus komen wij tot de ontdekking dat er dingen tussen hemel en aarde zijn, die de mensen met hun verstand nooit hebben kunnen vatten. Jezus zegt dat de kleinste in het Koninkrijk der Hemelen meer is dan Johannes de Doper, die de grootste is van het oude verbond. Het niveau ligt hoger. Alleen Jezus Christus heeft ons de Vader doen kennen. Als je Hem kent, die van den beginne is, dan ben je een vader in Christus (1 Joh. 2:14). Hem kennen is: zijn gedachten overnemen. Jezus zegt in:

Johannes 14:7. "Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien."

 

De uitspraak in Gen. 3:15, dat het vrouwenzaad de slang de kop zal vermorzelen, is alleen te begrijpen vanuit de inzichten in het Koninkrijk der Hemelen.

Het is de strijd tegen de overheden en machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef. 6:12).

De Heer geeft óns de opdracht om het beschreven vonnis uit te voeren (Ps.149:9). De duivel wil de plaats van de méns innemen.

Maar dán zal blijken dat zijn verachting voor de mens niet terecht is, want de mens zal hem de kop vermorzelen. De Heer wacht af tot wij al zijn vijanden tot een voetbank voor zijn voeten gemaakt zullen hebben. Paulus zegt in 1 Kor. 14:29 dat gelovigen die de gave van profetie hebben ontvangen de profetieën moeten beoordelen. Dit beoordelen blijkt dus in het nieuwe verbond noodzakelijk te zijn. Maar wie beoordeelde de profeten van het oude verbond?

De profeten in het oude verbond hebben inspiraties vanuit de geestelijke wereld ontvangen. Inspiraties kunnen vanuit God komen, maar ook vanuit het rijk der duisternis. Ook de inventieve menselijke geest kan inspiraties hebben die meespelen. Bij het beoordelen van de profetieën is de gave van de onderscheiding der geesten van het allergrootste belang!

Johannes 7:39. "Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was."

Ik zeg liever: De inwonende Geest was er nog niet. De Geest wás er wel, maar woonde nog niet in de gelovige.

2 Kron. 7:13. "Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik de pest onder mijn volk zend, ...."

Vs. 19,20. "Maar indien gij u afkeert en mijn inzettingen en verordeningen die Ik u voorgehouden heb, verlaat, andere goden gaat dienen en u voor hen nederbuigt, dan zal Ik hen uitrukken uit mijn land dat Ik hun gegeven heb; dit huis dat Ik aan mijn naam geheiligd heb, zal Ik dan van mijn aangezicht wegwerpen, en Ik zal het tot een spreekwoord en een spotrede onder alle volken maken.

Dit huis dat hoogverheven was; ieder die eraan voorbijgaat, zal zich ontzetten en zeggen: Waarom heeft de Here alzo aan dit land en aan dit huis gedaan?"

Het antwoordt luidt: Omdat zij de Here, de God van hun vaderen, die hen uit het land Egypte had geleid, hebben verlaten, zich aan andere goden gehecht, zich voor die nedergebogen en die gediend hebben.(vs. 22).

Men gaat de zaken echter omdraaien, en zegt als men een verwoest huis ziet: 'Die mens heeft God niet gediend.' Het is een oudtestamentische gedachte! Jezus zegt niet tot de ongehoorzame inwoners van Jeruzalem dat God het huis zal verwoesten, maar: "Zie, uw huis worden aan u overgelaten." St.Vert: "woestgelaten." (Matth. 23:38). Als God het huis loslaat: prijsgeeft, dan vervalt het vanzelf aan de machten der duisternis die men dient. Als de mensen weigeren God te dienen dan trekt God zich terug. "Het Koninkrijk Gods wordt van hen weggenomen en gegeven aan een volk dat de vruchten daarvan opbrengt" (Matth. 21:43). Als het Koninkrijk Gods van Israël wordt weggenomen dan verdwijnt de aartsengel Michaël eveneens. Het volk heeft geen bescherming meer. De profeten van het oude verbond hebben voorzien dat de tempel door God verlaten zou worden.

Ezechiël heeft het beschreven. Maar het wil niet zeggen dat mensen er persoonlijk schuld aan hebben als het volk in ellende komt.

Paulus zegt tegen de gemeente van Korinthe; die nogal verdeeld was en negatief ten opzichte van de leiders stond:

1 Kor. 11. "Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen."

Gód maakt die mensen niet ziek. Maar zij vinden in de gemeente geen herstel.

Als een gemeentelid ziek ik dan gaat hij in de gemeente hulp zoeken.

Als een kind geen kennis van zaken heeft, staan zijn ouders voor hem in de bres. Het kind wordt door de ouders geheiligd. Als de ouders dat niet doen, bestaat er een kans dat de boze het kind op een gegeven moment grijpt. Het kleine kind moet in het gezin zijn bescherming vinden. Daarom is het van belang dat de ouders dicht bij God leven.

God heeft zich van het speciaal uitverkoren volk Israël losgemaakt. Daarom kon de duisternis toeslaan.

Als in een gemeente een negatieve sfeer heerst, die tegen het Koninkrijk Gods indruist dan is er van zo'n gemeente niet veel te verwachten. Maar in een goede gemeente kan veel worden rechtgezet. "Een huis dat tegen zichzelf verdeeld is kan niet bestaan." (Matth. 12:25) De boze kan er zijn slag slaan. Wie God niet meer erkent en verheerlijkt en zich aan boze geesten hecht, wordt overgegeven aan de machten der duisternis en aan een verwerpelijk denken (Rom. 1:24-28).

De mensen willen niet dat God meedenkt en meeregeert.

Johannes 3:36. Jezus zegt: "Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem."

De toorn Gods: de machten der duisternis.

2 Samuël 24:1. "De toorn des Heren ontbrandde weer tegen Israël; Hij zette David tegenhen op en zeide: Ga, tel Israël en Juda."

1 Kron. 21:1. "Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan Israël te tellen."

De toorn des Heren en satan zijn dezelfde. Hier is hier geen sprake van een tegenstelling.

De Septuaginta vermeldt óók in 2 Sam. 24:1 dat satan David aanzette. Satan zond de engel des verderfs. Toen de Engel des Heren verscheen hield het op.

Deze Engel trok zijn zwaard: het woord Gods. Jezus is het beeld van de onzichtbare God (Kol. 1:15) en de afdruk van zijn wezen en de afstraling van zijn heerlijkheid (Hebr. 1:3). Als wij het beeld van de Zoon gelijkvormig zullen zijn, zijn wij enkel goedheid, enkel barmhartigheid en genade.

God is de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van omkeer (Jak. 1:17). Er waren mensen die zeiden dat God ook het kwade deed. Juist daarom zegt Jakobus al in vs 16: "Dwaalt niet, mijn geliefde broeders." In vs. 17 zegt hij wie God is.

Ook in onze tijd zijn er vele christenen die het kwade aan Gód toeschrijven. God wil dat álle mensen behouden worden. (1 Tim. 2:4)

Wie daar anders over denkt, dwaalt. Wij mogen de naam van God nooit met het kwade in verband brengen; d.w.z. zijn naam ontheiligen.

De tweede briefschrijver geeft een lijst met vele teksten waarin allerlei kwaad aan Gód wordt toegeschreven. Gód lijkt rond te gaan als een brullende leeuw, zoekende wie Hij kan verslinden

1 Petrus 5:8 zegt dat de "dúivel rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden."

Job wist dat óók. Het boek Job begint al met de satan. In de Septuagint staat aan het eind van het boek Job dat Job in Edom woonde. Hij was Edomiet.

De Israëlieten zeiden: Edom is zo ver weg. Daar hebben wij niets mee te maken.

De Israëlieten zijn er niet mee bezig geweest. Maar juist in het boek Job komt zo duidelijk tot uiting dat de mens een totaal verkeerde voorstelling van God heeft. Jobs vrienden zeiden: 'Job, jij ondervindt ellende. Jij hebt zweren en builen van Egypte. En God heeft gezegd: Als je van Mij afwijkt, sla Ik je met de builen van Egypte (1 Sam. 5:6,9).

Jij hebt die builen, Job. Je bent dus afgeweken!' Maar Job antwoordt:

"Ik heb niets verkeerds gedaan. Aan mijn rechtvaardigheid blijf ik vasthouden!"

Wát is de handelwijze van Gód.

2 Kron. 16:9a. "Want des Heren ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat."

Ik lees graag: "De ogen des Heren gaan alleen over de ganse aarde, ...."

Als Gods ogen over de ganse aarde gaan is dat alleen om iemand te kunnen hélpen.

God zoekt mensen die Hem liefhebben en heeft geen tijd om uitvoerig te gaan bekijken wat de mensen voor kwaad bedrijven. Dát noteert de duivel wel!

De gereformeerde theologie spreekt in verband met het paradijs wel over een proefgebod. God zou de mens beproeven of hij wel of niet van die verkeerde boom zou eten. God dreigt echter niet, maar geeft een waarschuwing: 'Je moet enkel eten van de boom van het leven. Maar als je van de andere boom eet zul je voorzeker de dood sterven.' Een ouder zegt tegen het kleine kind: 'Blijf van de hete kachel af!'

De profeten in het oude verbond hebben menigmaal de stem van God gehoord. Maar het geheimenis (mysterie) van het Koninkrijk der Hemelen werd hun niet meegedeeld.

Matth. 13:35b. "Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen. Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is."

Vs. 16,17. "Maar uw (mijn) ogen zijn zalig omdat zij zien en uw (zijn) oren omdat zij horen. Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij (ik) ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij (ik) hoort, en zij hebben het niet gehoord."

Petrus zegt: "Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, ..." (1 Petrus 1:10,11a).

 

De genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen (Joh. 1:17). Er staat nergens dat Israël de waarheid bezat. God zei tot Abraham: "Uw zaad zal recht en gerechtigheid bewaren." Er staat niet: de waarheid bewaren. De waarheid in de onzichtbare wereld is dat God enkel goed is. God is enkel goed en de duivel is enkel slecht. Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matth. 5:45). De waarheid behoort tot de openbaring van de geheimenissen waarover Matth.13:35 spreekt. Het oude testament eindigt in Maleachi 4:6b met: " ... opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban." St.Vert. "met de ban sla." 'Met de ban slaan' betekende dat alles wat adem had moest worden uitgeroeid en daarna verbrand moest worden. Dat moest Mozes doen.

Deut. 7:2. ".en de Here, uw God de volken aan u overgeleverd zal hebben, zodat gij hen verslaat, dan zult gij hen volkomen met de ban slaan."

20:16,17a. "Maar uit de steden van deze volken die de Here uw God u ten erfdeel zal geven, zult gij niets wat adem heeft in leven laten, maar gij zult ze volledig met de ban slaan."

Maar dát is God plan niet! De zuchtende schepping ziet uit naar de zonen Gods die alles zullen herstellen (Rom. 8:19). Een mooi voorbeeld uit het oude testament waar Gód sprak is de geschiedenis van Elia en de weduwe van Sarfat.

1 Kon. 17:9. "Maak u gereed, ga naar Sarfat, dat aan Sidon behoort, en houd daar verblijf. Zie, Ik heb daar een weduwe geboden u te verzorgen..."

De vrouw wist van niets. Er staat dat God een weduwe geboden had. God bedoelt: 'Het ligt in mijn bedoeling (het is mijn plan) dat je naar Sarfat gaat. Daar zul je een weduwe ontmoeten.' De koningen van Israël stonden ten opzichte van de heidenen bekend als barmhartige koningen.

De Kruistochten in de christenheid zijn begonnen met de slogan: 'God wil het!' Paus Urbanus II gaf hiermee de aanzet tot de eerste kruistocht.

Er zijn zeven grote middeleeuwse kruistochten geweest om het Heilige Land uit handen van de vijandelijke Islamieten te bevrijden.

Het waren de vijanden van het christelijk geloof. Kruistochten: 1096-1291.

De kruisvaarders droegen een rood kruis op de schouder. Zij trokken uit Frankrijk door Zuid-Duitsland. Alle Joden die zij tegenkwamen werden vermoord. De kruistochten zijn één groet bloedbad geweest.

Er waren kruistochten tegen de Albigenzen, een religieuze sekte in Zuid-Frankrijk (1208-1229). Het waren mensen die geestelijke gaven bezaten en profeteerden. Zij hadden zich uit de R.K.K. teruggetrokken. De kerk heeft de kruistocht tegen de Hussieten gepredikt. Het waren volgelingen van Johannes Hus.

In Bohemen werden van 1419-1436 een reeks van bloedige oorlogen gevoerd. Hus werd in 1415 als ketter verbrand. Hij wordt als nationale held (niet als christen) vereerd.

Zijn standbeeld staat in Praag. Eeuwenlang werden de ketters in de ban gedaan en verbrand. Het gebeurde alles in dienst van God. In de Bartholomeüsnacht (bloedbruiloft) werden vele Hugenoten vermoord.

Onderwijl zong de Kerk het Te Deum: Wij loven U, o God, wij prijzen Uwe naam.

Ook bij de heksenvervolging zijn meer dan een miljoen slachtoffers gevallen.

Mensen, meestal vrouwen, met een kleine lichamelijke afwijking werden reeds als heks bestempeld. Maar ook heel schone vrouwen werden als heks verdacht.

Men dichtte de heks alle onheil toe. Een heks kreeg geen verdediging. Als je probeerde een heks te verdedigen, werd je zelf aangeklaagd. Gedurende drie eeuwen heeft de heksenvervolging gewoed. In het volksgeloof was de heks iemand die met een demonische kracht begiftigd was.

Wij kennen de Heksenwaag in Oudewater, waar tot ver in de 18e eeuw, mannen en vrouwen die van hekserij werden verdacht gewogen werden, om te kunnen aantonen dat hun lichaamsgewicht normaal was.

De schuld van de heksenvervolging berust bij de R.K.K. en de Reformatorische Kerk.

De heksenvervolging berustte op Exodus 2:10, waar staat: "De tovenares zult gij niet laten leven."

De Kerken krijgen ook de schuld van de Holocaust (verbranding) van de Joden.

De kranten vermeldden: Bij de holocaust van de Joden is men gaan twijfelen aan het bestaansrecht van de Kerken. Het volk Israël leefde op aards niveau, evenals de Kerk in de middeleeuwen en de Kerk van onze tijd.

De onzienlijke geestelijke wereld is voor hen een verborgen zaak. Het oude testament is gegeven aan het natuurlijke zaad van Israël, om recht en gerechtigheid te bewaren. Van de waarheid had men geen weet.

De verborgen dingen, (d.i. het mysterie van het Koninkrijk der Hemelen), zijn voor God en de geopenbaarde dingen zijn voor de mens (Deut. 29:29).

Men had zijn vijanden in de zichtbare wereld en kende geen onderscheid tussen mens en macht. Het geldt ook voor onze tijd.

De waarheid is door Jezus Christus geworden.

Hij is de volmaakt Rechtvaardige en heeft ons de waarheid doen verstaan, die van de grond- legging der wereld verborgen was (Joh. 8:32). De waarheid zal de mens vrijmaken van de machten der duisternis.

De waarheid geldt voor alle mensen, want in Jezus Christus is de verzoening voor de gehele wereld. God wil dat álle mensen behouden worden (1 Tim. 2:4).

Het oude testament diende de raad Gods voor die tijd. Het nieuwe testament dient de raad Gods voor onze tijd. De Heilige Geest wijst ons de weg tot de volle waarheid die in de geestelijke wereld ligt (Joh. 19:13). Ik heb geen behoefte de bijbel te gaan herschrijven.

De fanatieke Israëlaanhangers zeggen dat het nieuwe testament anti-Judaïstisch is. Men wil het "Zijn bloed kome over ons en onze kinderen" eruit halen, evenals de uitspraak van Jezus tegen de Joden: "Jullie zijn uit jullie vader, de duivel."

 

Een artikel (Han Jansen) luidt:

De Joodse gemeenschap is diep geschokt omdat de kerken zwijgen als het graf over de afschuwelijke uitlatingen van de Goerees.

Er blijven bijbelcommentaren verschijnen die voedsel geven aan het Goereedenken.

Avond na avond kom ik bij spreekbeurten in den lande dit gezegde tegen. Is dat zo verwonderlijk. Eeuwenlang is er op dit punt in de kerken nooit anders gepredikt dan op de wijze die nu de Goerees beoefenen. Laat iedereen zich nu niet onmiddellijk achter een vijgeblad verbergen met het excuus dat er ook uitzonderingen waren. De Goerees zijn niet zomaar uit de lucht komen vallen, maar zij zijn het onvermijdelijk produkt van eeuwenlange christelijke prediking.

Als de christenen nu verontwaardigd zijn over de prediking van de Goerees, dan is dat terecht en ook bemoedigend.

Maar die verontwaardiging wordt schijnheilig en hypocriet als de christelijke kerken en hun aanhangers hun eigen gewetensonderzoek overslaan. Want zij hebben de Goereetheorie zelf geschapen.

Hervormd predikant Tabaksblad zegt in Hervormd Nederland: (zelf een Jood)

De christelijke Kerk is een ziek lichaam. Vergiftigd door eeuwenlang triomfalisme, hoogmoed en eigenwaan. In al die eeuwen zijn er op dat zieke lichaam etterbuilen ontstaan, die het pus naar buiten spoten. De Goerees zijn zulke etterbuilen. Het zijn geestelijke milieuvervuilers die slachtoffers maken. Het grootste slachtoffer van de kerkelijke luchtvervuiling is het Joodse volk.

Ik ben het niet eens met de Goerees, want God is goed. Dächsel, Mathew Henry, de statenvertaling e.a. leren precies hetzelfde als de Goerees.

Ik heb echter toch iets te vermelden wat aan deze artikelen ontbreekt. Men schrijft wel dat de kerken en de Goerees verkeerd zijn, maar men heeft zich nooit de vraag gesteld hoe het gekómen is dat de Kerken en de Goerees verkeerd zijn gegaan.

Waarom zeggen zij allemaal: 'Israël lijdt onder de vloek die zij zelf over hun hoofden hebben uitgeroepen?' Het antwoord luidt:

Zij hebben de oudtestamentische gedachte van Israël overgenomen. God is de God der wrake.

Psalm 55:24. "Maar Gij, o God, zult hen doen neerdalen in de kuil van het verderf; de mannen van bloed en bedrog zullen hun dagen niet ter helfte volbrengen. Ik echter vertrouw op U!"

Met betrekking tot Jezus concludeerde men: 'Jezus werd op drieëndertigjarige leeftijd gekruisigd. Hij heeft zijn dagen dus niet ter helfte volbracht.'

In Deut. 21:23 staat bovendien dat een gehangene door God vervloekt is. (Gal. 3:13)

De reactie: Zie je wel dat Jezus een vervloekte is. Het klopt precies! Deze oudtestamentische gedachte kom je overal tegen.

Naomi trekt met man en beide zonen naar Moab, vanwege een hongersnood. De mannen sterven in Moab. Naomi gaat met beide schoondochters op de terugreis.

Orpha keert terug naar haar land en Ruth reist met Naomi mee.

Naomi zegt in Ruth 1:13b: "De hand des Heren is tegen mij uitgestrekt."

Dan zijn er mensen die zeggen: 'Naomi had ook niet naar dat heidense land moeten trekken!' Maar de profeet Elisa stuurt de Sunnamitische vrouw juist wél naar het Filistijnse land. Elisa had er geen enkel probleem mee.

Psalm 1:6. "God kent de weg van de rechtvaardigen, maar de weg van de goddelozen vergaat."

Men zegt dan: 'Als je weg vergaat, ben je een goddeloze.' Dat is de logische oudtestamentische uitleg. Als het je goed gaat, is God met je; als het je slecht gaat, is God tegen je. Met betrekking tot de blindgeborene werd gevraagd: "Wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders." Dan redeneert men: 'De jongen was nog onder de twintig én blindgebóren. Hij kan niet gezondigd hebben. Dán hebben zijn óuders gezondigd!' De rijke man (zeer waarschijnlijk een Sadduceeër) heeft, als hij de arme Lazarus, die aan de poort lag passeerde, waarschijnlijk heel vroom gezegd: 'Geloofd zij God, de rechtvaardige.'

De Sadduceeën verdienden veel geld aan de tempel. De handelaren moesten ook het nodige betalen om daar handel te drijven. Menigmaal heeft Jezus de Farizeeën op de korrel genomen. Nu pakt Hij een Sadduceeër.

Toen de arme Lazarus stierf werd hij door engelen in de schoot van Abraham gedragen. Lazarus was zeker geen vervloekte.

Lazarus: God is mijn hulp. De rijke man sloeg na zijn sterven de ogen op in de geestelijke wereld en zag Lazarus van verre in Abrahams schoot. Hij riep: "Ik lijd pijn in deze vlam. Zend mij Lazarus, opdat deze de top van zijn vinger in water dope en mijn tong verkoelt!" Nu waren de rollen omgekeerd! De christelijke Kerken hebben de uitleg van de Joden overgenomen.

Als Jezus gekruisigd is, zegt de hogepriester tegen Petrus: "Jij wilt het bloed van deze mens over ons brengen." (Hand. 5:28). Men hechtte geloof aan een vervloeking.

Wij verbreken een vloek in de naam van Jezus Christus.

De Joden waren zo overtuigd dat Jezus een misdadiger was, dat zij dorsten te roepen: "Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!"

Zij riepen het vanuit hún denkwereld! Wij zeggen dat het bloed van Jezus Christus Gods Zoon ons reinigt van alle zonde (1 Joh. 1:7b).

Wat is ónze opdracht?

Kolossenzen 3:1.2. "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen die bóven zijn, waar

Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods."

Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn!

Bijbelschool Gorinchem (serie 6 / les 4 / 14 - 3 - 87 )

4

14-03-87

Verlost van de zondemachten

Romeinen 6:5-7.

- "Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn met hetgeen gelijk is aan zijn opstanding;

- dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde."

 

Hfst. 11:17. "Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen,....."

Wat is enten?

Nadat de slechte takken verwijderd zijn worden goede twijgen met de stam van de boom verbonden, zodat blijvende samengroeiing volgt. Het vreemde is dat de tak van een wilde boom nooit op een goede boom wordt aangebracht. Je moet een goede tak op een oude boom zetten. De olijfboom vormt hierop een uitzondering. Als de olijfboom oud wordt zet men er wilde takken op.

Vs. 24a. "Want indien gij uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort, weggekapt en tegen (uw) natuur op de edele olijf geënt zijt, ..." Het woordje 'uw' staat er niet. Tegen natuur: tegen de gewoonte.

Hst. 6:5. Can.vert. "Want wanneer wij met Hem zijn samengegroeid door het beeld van zijn dood, dan zullen wij het ook wezen door dat van zijn verrijzenis."

Het beeld van de dood van Christus is de doop.

Als ik zeg: 'Jezus is aan het kruis gestorven en ik ben met Hem samengegroeid', dan identificeer ik mij met Christus. Ik maak mijzelf met Hem gelijk.

Toen Hij aan het kruis hing, hing ík daar. Hij is de Plaatsbekleder die in onze plaats wil staan. Door mijn doop ben ik met Hem samengegroeid. Dat is een zaak van geloof!

De doop reikt echter verder dan het graf. Er is ook sprake van verrijzenis. Als ik met Hem ben samengegroeid dan deel ik in zijn dood én in zijn opstanding.

Jezus heeft met zijn leven voor mij betaald. Het loon der zonde is de dood (Rom. 6:23a). De duivel betaalt met ziekte, ellende en dood. Hij houdt de loonstaat nauwkeurig bij.

Als ik met Christus gestorven ben dan is het loon der zonde aan mij uitbetaald. Daaruit volgt: "Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde." (vs 7) Daarom kan ik mijzelf een rechtvaardige noemen. De basis van mijn geloof is dat ik mij met Christus identificeer. Dit heeft een schriftuurlijke achtergrond. In het oude verbond werd op grote Verzoendag een offerdier geslacht. Het bloed werd op de ark van het verbond gesprengd.

Daarna ging de hogepriester naar buiten en sprak tot het volk: De zonden zijn verzoend.

Het principe is: Eén voor allen.

In Rom.5 is Adam één voor allen. Doordat Adam zondigde is de zonde tot alle mensen doorgedrongen. Nú is het andersom. Jezus Christus was het offerlam en droeg de zonde van de ganse mensheid.

Romeinen 6:3. "Of weet gij niet dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn?"

Wij hebben geen contact meer met het oude leven. De wilde twijg die op de goede olijfboom geënt is wordt niet op hetzelfde ogenblik anders. Het is een levensproces. De wilde twijg ontvangt de levenssappen van de goede olijfboom. Na een bepaalde periode is de wilde twijg ook tam geworden en levert goede vruchten op.

Vs. 6a. "Dit wéten wij immers, (zeker weten door het geloof!) dat onze oude mens medegekruisigd is."

De oude mens is een slaaf van de zondemachten. Men gaat weleens van de gedachte uit dat God nieuwe dingen maakt. Hij maakt geen nieuwe dingen maar Hij maakt alle dingen nieuw. God vernieuwt, herstelt.

Er wordt vaak verondersteld dat de mens bij de wedergeboorte een totaal ander mens wordt. Men zegt dan: 'Je oude hart wordt weggenomen en je krijgt een nieuw hart ervoor terug.' In hetzelfde verband wordt gezegd: De aarde klapt uiteen en dan schept God een nieuwe aarde.(Hal Lindsey - De planeet die aarde heette).

Maar God schept geen slechte dingen! Het is een gevaarlijke gedachte. Jezus Christus vertegenwoordigt God, maar ook de mens. Hij brengt die twee tot een eenheid. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid (Hebr. 13:8). Hij is dezelfde als toen Hij op aarde rondwandelde. Jezus is ten opzichte van de mens onveranderlijk. Hij zegt tot ieder mens: "Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven." (Matth.11:28). De mens moet door het geloof deze dingen goed vasthouden, opdat hetgeen Jezus zegt ook de uitwerking kan hebben die Hij beoogt. Jezus kent de verleidingen en kan meevoelen in onze zwakheden, daar Hij op dezelfde wijze verzocht is geweest.

Doch zonder te zondigen (Hebr. 4:15).

Jezus heeft nog dezelfde kracht, dezelfde wil en hetzelfde verlangen om ons te herstellen.

 

Hfst. 6:6b. "..opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht ontnomen zou worden."

Opdat is een doelaangevend voegwoord. De mens moet gescheiden worden van het lichaam der zonde. Zonde is een geest, een slechte engel! De nieuwe mens leeft niet meer in gemeenschap met de boze geesten, die werkzaam zijn in de kinderen der ongehoorzaamheid (Ef. 2:2). Het oude principe is vervloekt. Op het moment dat Jezus aan het vloekhout hing, hing daar de oude mens waarin de machten der duisternis werkzaam waren. De toorn Gods rustte op Hem.

De toorn Gods: de machten der duisternis.

1 Korinthe 15:40,44-49.

- "Er zijn hemelse en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die der aardse."

- "Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam."

  • "Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende
  • ziel; de laatste Adam een levendmakende geest."
  • - "Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke en daarna het geestelijke."

- "De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel."

- "Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen."

- "En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen."

Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid en een geestelijk lichaam wordt opgewekt.

Het geestelijke lichaam heeft wel met het natuurlijke lichaam te maken, want het heeft er zoveel jaren in gewoond. De mens staat niet vanuit de aarde op.

Het geestelijke, onsterfelijke lichaam wordt opgewekt en begint met een natuurlijk lichaam in de zichtbare wereld te functioneren. Het opstandingslichaam kan een natuurlijk lichaam van vlees en bloed openbaren. Vergelijk Jezus. Het opstandingslichaam heerst over de stof en kan op een moment in een onzichtbaar lichaam overgaan en is uit het gezicht verdwenen. Jezus is een levendmakende geest (vs 45b).

Engelen hebben een geestelijk lichaam en zijn onzichtbaar. Zij hebben geen ziel en brengen nooit iets voort. De ziel en geest van de mens zijn ook onzichtbaar. Wij mogen geen verschil tussen ziel en geest maken. De ziel is het hart, het centrum. Het creatieve komt uit het inwendige van de mens. De mens kan iets scheppen (muziek, schilderkunst, schrijven van boeken). De mens kan zich ook voortplanten; engelen niet.

God is geest en heeft een ziel, een centrum. Dat is Gods hart, het scheppende vermogen. God zoekt gemeenschap met de mens.

Hij zoekt een eeuwige metgezel die van zijn niveau is. In deze gemeenschap zoekt God zijn volle bevrediging. Hij zoekt ons geestelijk lichaam, om er één mee te worden.

God zoekt een mensheid, als een eenheid, verbonden met Zijn geestelijk lichaam. Het lichaam van Christus is een verbondenheid, zoals de lichaamscellen deel uitmaken van het natuurlijk lichaam. Het huwelijk van Christus met zijn Gemeente is er een uitbeelding van. Ook de demonen hebben een onzichtbaar lichaam. Engelen zijn dienende geesten voor hen die het heil beërven (Hebr. 1:14).

Demonen dienen de mens in het kwade.

Engelen hebben een organisatorische kracht en hebben geen diepe innerlijke gemeenschap met elkaar. Demonen zijn wezens met een heersende kracht in zich. Dat is zonde! Zonde is een persoonlijkheid, een bestaand wezen.

Romeinen 6:12. "Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen. Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren." (vs 14.)

Alleen persónen kunnen heerschappij voeren.

"Weet gij niet dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, (vs 16) ...... gij waart slaven der zonde." (vs 17.)

Hfst. 7:11. "De zonde heeft mij misleid."

Een vrome geest had Paulus misleid en aangezet om de gemeente Gods te vervolgen. Paulus dacht dat hij naar de wil van God handelde. Jezus zegt tegen de Joden: "Je bent uit de duivel. Dat is je vader."

D.w.z. Je wordt in de geestelijke wereld geleid door de vader der leugen. Daar heb je contact mee. De mensen worden door de misleidende geesten geïnspireerd en overheerst.

1 Joh. 4:1. "Beproeft de geesten of zij uit God zijn"

1 Joh. 3:12. "Johannes zegt dat Kaïn uit de boze was."

Wij zeggen: "Verlos ons van de boze.", en niet: Verlos ons van de zonde.

2 Kor. 4:4. "ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, ...."

De overheden en machten der duisternis zijn personen. Het is geen abstract idee. De duivel wordt 'verleider' en 'verzoeker' genoemd.

De duivel voer in Judas en hij werd een duivel. Judas heeft zich met de duivel geïdentificeerd. Wij identificeren ons met Christus.

Judas voerde het zwaarste karwei van de duivel uit: het doden van de Zoon van God. Petrus sprak tot Ananias: "Ananias, waarom heeft de satan je hart vervuld." Als satan je hart vervuld heeft is hij in je gekomen en heeft je totaal in beslag genomen.

Het lichaam der zonde moet van zijn kracht beroofd worden. Jezus ging rond, genezende allen die door de duivel overweldigd waren, waaronder een vrouw die achttien jaar door de satan gebonden was. Zij was geheel verkromd. Paulus zegt: "Een engel van satan slaat mij met vuisten." Dat kwam omdat Paulus het evangelie Gods verkondigde.

Als de Heilige Geest iemand uitzendt in een gevaarlijke omgeving, dan komt die mens aan allerlei verzoekingen bloot te staan.

De machten vallen op hem aan. Jezus werd door de Heilige Geest in de woestijn geleid om van de boze verzocht te worden. Wij hebben de Heilige Geest ontvangen om de overwinning te kunnen behalen. Wij staan in een wereld waar de verzoeking van alle kanten op ons afkomt. De Heilige Geest versterkt ons in de strijd. Wij worden niet boven vermogen beproefd. Bij de verzoeking van Jezus in de woestijn kon de boze geen enkele aansluiting vinden. Hij kwam en had niets aan de Heer. De Geest van God bleek oneindig veel sterker te zijn. Wij moeten weerstand bieden aan de boze. Als wij dat doen zal hij van ons vlieden. Je kunt alleen weerstand bieden als je in de verzoeking bént. Als je geen weerstand biedt dan blijven de zondemachten zitten (Jak. 4:7). De tegenstelling is: "Nadert tot God en Hij zal tot ú naderen." (vs 8)

Van de duivel wordt gezegd dat hij zijn wijsheid en luister is kwijtgeraakt (Ez. 28:17b). Dit geldt voor alle boze engelen. In de engelenwereld is hiërarchie. De boze engelen dienen de machten die boven hen gesteld zijn. Zij moeten naar hun meerdere luisteren. Anders worden zij gestraft.

In het demonenleger heerst geweld. Het is een leger dat geen liefde kent. Zij treiteren elkaar. Paulus zegt dat het lichaam der zonde binnendringt zoals lucht ergens onzichtbaar binnendringt. De boze geesten hechten zich aan het geestelijk lichaam van de mens. Dat is de onnatuurlijke zonde.

God wil een intieme relatie met de mens onderhouden. Dat is de engelen verboden.

Judas 6,7. "en dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden; zoals Sodom en Gomorra en de steden in hun nabijheid, die op gelijke wijze als genen haar hoererij hebben botgevierd en ander vlees achterna gelopen zijn, daar liggen als voorbeeld, onder een straf van eeuwig vuur."

De boze engelen hebben hun eigen woning: beginsel, identiteit, roeping, verlaten en zijn een ander vlees nagelopen.

Zij begeren het vlees van de mensen.

Kol. 2:11 spreekt over het lichaam des vlezes.

De boze engelen zoeken onnatuurlijke gemeenschap, die vergeleken wordt met Sodom en Gomorra, wat óók onnatuurlijke gemeenschap is. Als wij sterven verlaten wij ook ergens onze eigen woning. Maar wij ontvangen een woning bij de Heer. Dat is een woning die bij ons past. (2 Kor. 5:1) Demonen zijn niet bekwaam om met de mens om te gaan. Zij dringen met hun eigen onreinheid, slechtheid en irritatie in de mens. Zij kunnen zich door de mens heen in de zichtbare wereld openbaren. Iemand die in drift uitbarst weet niet wat hij doet. Een boze geest heeft hem volkomen overmeesterd. De boze geest begint aan de buitenkant en oefent pressie uit op de mens. Zijn begeerte gaat naar de mens uit.

Die moet over hem héérsen. Als de mens dat niet doet dan komt de boze macht bij hem naar binnen. Vergelijk Kaïn in Gen. 4:6.

In Romeinen 7:13-26 geeft Paulus een levensbeschrijving van zichzelf. Hij wilde het goede doen en ging de gemeente Gods uitroeien.

Vs. 18. "Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig. Maar het goede uitwerken kan ik niet."

Vs. 24. "Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?"

Er staat hier geen uit, maar van. Drie vertalingen hebben uit en drie hebben van. De Engelse bijbel heeft from the body en niet of the body. From wil zeggen: Het hóórt niet bij mij. Het Nederlands heeft geen woord om het duidelijk aan te geven wat hier bedoeld wordt. In vs. 23b wordt de verlossing van óns lichaam bedoeld. Mijn lichaam wordt verlost als ik verlost word van het lichaam van de boze.

"wij zuchten bij onszelf in verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam."

In Hfst. 7:4 geeft Paulus als antwoord op "wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?: Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!"

D. w. z.: door het evangelie van het Koninkrijk der Hemelen. Door het evangelie en de kracht van Gods Geest wordt de mens verlost.

De mens komt vrij van een macht door absoluut te geloven dat de boze geen enkele vat op hem heeft als hij belijdt: 'Ik ben met Christus gestorven. Ik ben medegekruisigd en vrij van schuld. Ik ben een nieuwe schepping en behoor een ander toe. Ik ben rechtens vrij van de zondemachten.' De weg van de bevrijding is: 'Belijd wat je gelooft.' De duivel heeft geen recht meer op ons.

Dat is de rechtskracht. Als ik met hem verbonden ben en zijn slaaf ben, dan heeft hij wél recht op mij. Jezus is gestorven en opgestaan. Hij heeft de dood van zijn kracht beroofd, door zijn overwinningsevangelie.

Paulus zegt: "Ik ben der wereld gekruisigd en roem in het kruis"

Gal. 6:14. "..maar ik moge ervoor bewaard blijven te roemen anders dan in het kruis van onze Here Jezus Christus, door wie de wereld mij gekruisigd is en Ik der wereld."

Het kruis heeft ons verzoening aangebracht en ons vrijgemaakt van de macht van de zonde. Aan het kruis kwam de verlossing tot stand. Hiermee kwam een eind aan het oude verbond.

Het oude verbond heeft het niet kunnen schenken. Daarom roemt Paulus in het kruis waar de basis van het nieuwe werd gelegd.

Daar is de vijand ontmaskerd en openlijk ten- toongesteld. Daar eindigde de macht van de dood over het leven (ons leven, mijn leven). De dood heeft geen recht meer op mij want ik ben al gestorven. Ik hóef niet tweemaal te sterven.

Paulus spreekt in vs 14 over 'de wereld'. Hij was een Griek, geboren in Troas. Hij was een Romein want zijn vader bezat het Romeinse burgerschap. Hij was ook een Jood, grootgebracht aan de voeten van Gamaliël.

De religieuze wereld in Jeruzalem was de grootste vijand van Paulus. Voor al deze dingen acht Paulus zich gekruisigd. Het heeft hem niets meer te bieden. Hij heeft er geen enkel contact meer mee. Wij nemen de kruisiging en de dood van Jezus over in eigen leven. Jezus is voor kerk en wereld gekruisigd. Beide hebben hem uitgestoten. Het belangrijkste voor ons is dat wij door vernieuwing van denken de machten der duisternis kunnen overwinnen. Het lichaam der zonde wordt van zijn kracht beroofd. Wij moeten wat Paulus zegt, ten uitvoer brengen.

 Romeinen 5:21. "..opdat, gelijk de zonde als koning heerste in de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid, ten eeuwigen leven door Jezus Christus, onze Here."

Wat is genade?

  1. de verzoening;
  2. de Doop met de Geest;
  3. de heiligmaking;

4. de verheerlijking.

Het is een proces. Het mosterdzaadje moet groeien. De geënte tak moet volledig één worden met de boom. Dan zal de Heilige Geest door tekenen en wonderen in ons werken. Jezus zegt: "Deze tekenen zullen de gelovigen volgen: ..." (Mark.16:17).

De Heilige Geest is het teken van Gods aanwezigheid in ons. Het spreken in tongen is het gevolg van de Doop met de Geest, en niet de oorzaak.

Door de Geestesdoop ben je meerder en krachtiger. De genezingen volgen. Gods Geest in mij doet wat mijn natuurlijke geest niet kan, nl. een volledig herstel uitwerken. De Geest heeft wijsheid om met de mens om te gaan. Een wonder is geen daad van herstel. Daar is een scheppingsdaad voor nodig.

Het lichaam wil zich altijd herstellen. Maar er zijn zaken die het herstel tegenhouden. Het lichaam der zonde, der ziekte, der wetteloosheid moet verwijderd worden. De schepping zucht naar het openbaar worden van de zonen Gods.(Rom.8:19) De zonen Gods hebben als hoogtepunt de verlossing van hun geestelijk lichaam, zodat niets van het rijk der duisternis meer daaraan gehecht is.

Mattheüs 6:24. "Niemand kan twee heren dienen (personen!), want hij zal óf de ene haten en de andere liefhebben, óf zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen én Mammon!"

Onderzoek jezelf aan wie je gehecht bent! Wij hebben gauw de neiging om eerst anderen te onderzoeken! Onderzoek jezelf! Jezus zegt: "Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt."

1 Korinthe 2:10,11a. "Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods. Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is?"

Je weet zelf het beste waar je nog aan gebonden bent. Ook de Geest van God weet het.

Onderken dat het lichaam der zonde je van je kracht berooft! Maar het lichaam der zónde moet van zijn kracht beroofd worden!

Misschien houdt een boze geest zich schuil in de mens. Dan spreekt de bijbel niet van een boezemvriend, maar van een boezemvijand. Een boezemzonde is een ingeworteld kwaad dat zich in sterke mate aan de mens heeft gehecht. Ieder mens weet voor zichzelf wie zijn boezemvijand is.

Het resultaat van zo'n gebondenheid is: angst, jaloersheid, bezorgdheid, eerzucht, irritatie, onreinheid, negativisme,.....

Als iemand in drift uitbarst is hij niet zichzelf. De geweldgeest, de macht uit het dodenrijk, kan door occulte praktijken van waarzeggerij, spiritisme enz. binnengekomen zijn.

Deze geesten dringen de mens binnen en begeren diens lichaam te gebruiken.

Vaak wordt gedacht dat de mens bij het ouder worden de machten kwijtraakt. Dat is niet waar. Bij het ouder worden verzwakken de geestelijke vermogens. De machten krijgen nog meer ruimte dan voorheen. Als wij naar bijbelse maatstaven leven zullen wij fris en groen blijven.

Alleen door de vernieuwing van denken worden de boze geesten uitgedreven. De leer van de geestenwereld is na de apostolische tijd geheel verdwenen. De wet is gericht op de natuurlijke wereld. "Gij zult niet stelen, echtbreken, liegen,....."

De boze geesten behoren tot de onzienlijke wereld. Daar ligt de oorsprong en daar is onze strijd. Als de mens het evangelie dat Jezus zelf bracht afwijst, komt hij niet verder. Het wil niet zeggen dat iemand die de boodschap op z'n duimpje kent, de overwinning heeft. Het is ook een zaak van het hart.

Als de mens in de onzienlijke wereld de overwinning behaalt dan doet hij de wet vanzelf. Wij moeten al deze zaken vanuit een positief denken benaderen.

Daarom zullen wij voortdurend jagen naar het doel: de openbaring van de zonen Gods.

Dit komt niet óver je als de meiregen. Het is iets, wat zich door de kracht van de Heilige Geest, in je ontwikkelt. De zonen Gods zullen in een punt des tijds veranderd worden!

= = = = = = = = = = = = = = = = = =

Bijbelschool Gorinchem (serie 7 / les 1 / 26 - 9 - 87 )

7

26-09-87

 

De geestelijke besnijdenis.

De stenen wet en de geestelijke wet.

 

 

  • "Doch toen het feest op de helft was, ging Jezus op naar de tempel en leerde.
  • De Joden dan verbaasden zich en zeiden: Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?
  • Jezus antwoordde hun en zeide: Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heeft;
  • indien iemand diens wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij uit God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek.
  • Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van zijn zender, die is waar en er is geen onrecht in hem.
  • Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Waartoe tracht gij Mij te doden?
  • De schare antwoordde: Gij zijt, bezeten; wie tracht U te doden?
  • Jezus antwoordde en zeide tot hen: Eén werk heb Ik verricht en gij verwondert u allen.
  • Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven - niet, dat zij van Mozes komt, maar van de vaderen - en gij besnijdt een mens op de sabbat.
  • Als een mens op sabbat de besnijdenis ontvangt, opdat de wet van Mozes niet verbroken worde, zijt gij dan op Mij vertoornd, omdat Ik op sabbat een gehele mens gezond gemaakt heb?
  • Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel."

Deze diepzinnige woorden van Jezus hebben betrekking op de geestelijke wereld. Waarom begint Jezus in dit verband over de besnijdenis te spreken? In dit gedeelte wordt ook over de sabbat gesproken. Sabbat en besnijdenis maken iemand tot een jood. Via dit gedeelte zullen wij trachten te komen tot de strijd in de hemelse gewesten. Het Loofhuttenfeest was één van de drie grote feesten waarbij Israël naar Jeruzalem moest omtrekken. Jezus staat hier voor een groot publiek en is bezig om van zijn leer te getuigen en te rechtvaardigen dat die uit God is.

Het feit dat Jezus korte tijd ervoor een man die achtendertig jaar ziek was had genezen lag de mensen nog vers in het geheugen. De genezen man had op Jezus' bevel zijn matras opgenomen en die door de tempel gedragen. Het was sabbat op die dag (Joh. 5:1-18). Mozes had uitdrukkelijk gezegd dat de mensen op sabbat geen lasten mochten dragen. Nu gaat Jezus zichzelf rechtvaardigen over zijn daad en over de woorden die Hij hierbij gesproken heeft.

Vs. 15. "De Joden dan verbaasden zich en zeiden: Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?"

 

Jezus bracht de Leer van het Koninkrijk der Hemelen. Vóór Hem had niemand dat gedaan. Als twaalfjarige jongen sprak Jezus tot zijn ouders: "Wist gij niet dat Ik bezig moet zijn in de dingen van mijn Vader ?"

Als Jezus zich aan het voorbereiden was, sprak de Vader tot Hem. In het Huis des Vaders was Jezus Kind aan Huis. Als Jezus tot de Vader ging, was dat in de eerste plaats om door de Vader geleerd te worden. Als wij tot God om hulp roepen, dienen wij hierbij goed te bedenken dat wijzélf van Jezus de opdracht ontvangen hebben om op slangen en schorpioenen te treden (Luk. 10:19).

Reeds in het paradijs sprak God: "Het zaad van de vrouw, (de Gemeente) zal de slang de kop vermorzelen." Het is goed daaraan te denken als je in de strijd bent! "Biedt weerstand aan de duivel en hij zal van u vlieden." (Jak. 4:7b)

Wij kunnen in de geestelijke strijd ook de voorganger of de oudsten om bijstand vragen. Wij zullen ons hierbij tot een mens wenden. Wij kunnen ook bij de Mens Jezus terecht. Hij bidt voor ons. (Hebr. 4:16; 7:25. s.v.)

De Vader heeft Jezus alles in handen gegeven (Joh. 13:3). De Vader wacht af!

Als er staat: "Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen", werd bedoeld: Hij heeft niet eens de rabbijnenschool bezocht. Ook vandaag de dag wordt het gelovigen weleens kwalijk genomen dat zij niet via de officiële weg hun brevet van vermogen behaald hebben. In Joh. 6:45 haalt Johannes Jesaja aan: "En zij zullen allen door God geleerd zijn."

Jesaja 54:13. "Al uw zonen zullen leerlingen des Heren zijn en het heil uwer zonen zal groot zijn."

Wij sluiten hierbij de studie zeker niet uit. Wij hebben kennis van zaken nodig. Natuurlijke kennis kunnen wij uit allerlei boeken vergaren. Geleerden kunnen verklaringen geven waar je veel aan kunt hebben. Maar natuurlijke kennis is slechts een grond waarop je geestelijke kennis kunt ontvangen. De gééstelijke wereld moet Gód je doen zien.

Vs. 16,17. "Jezus antwoordde en zeide: Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heeft. Indien iemand diens wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek."

Paulus zegt in:

1 Korinthe 2:13. "Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken."

Galaten 1:12. "Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus."

Genezing op de sabbat

Met de genezing van de zieke man had Jezus de sabbatswet overtreden.

Dat zat de joden erg hoog. Als er sprake is van indien iemand diens wil wil doen, dan brachten de joden dit in verband met het houden van de wet. Maar de sabbat is er voor de méns! De mens is er niet voor de sabbat.

De mens was aan de sabbat ondergeschikt gemaakt.

De wil van God voor de mens is: Het goede, het welgevallige, het volkomene (Rom. 12:2). God had bepaald: zes dagen arbeiden en één dag rust. De rustdag was een verademing voor de mens, die zes dagen hard en lang moest werken. God wil dat de schepping aan het doel beantwoordt.

"Opdat de mens volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust." (2 Tim. 3:17).

God wil de volmaakte mens! Jezus is begonnen met de wil van de Vader te openbaren. Wij moeten dat werk voortzetten.

"Al wat Jezus begonnen is te doen en te leren." (Hand. 1:1)

'Te doen': de wérken die Hij gedaan heeft. Wie de waarheid dóet, gaat en wandelt in het licht.

Vs. 18a. "Wie uit zichzelf spreekt zoekt zijn eigen eer."

Wie uit zichzelf spreekt heeft er zélf leringen bij gemaakt. De joden hadden leringen en inzettingen bij duizenden. Ook óns zijn veel dingen van de vaderen overgeleverd.

1 Petr. 1:18. ".de ijdele wandel die u van de vaderen overgeleverd is. Gij zijt ervan vrijgekocht."

Het zijn leringen van mensen waarmee je het Koninkrijk Gods niet kunt binnengaan.

Vs. 18b. ".maar wie de eer zoekt van zijn zender, die is waar en er is geen onrecht in hem."

Onze ogen moeten altijd op het Koninkrijk Gods gericht zijn, waarvan Hijzelf het centrum is. Een leer van mensen maakt de méns tot middelpunt. Wij moeten ons door de Geest van God laten leiden. Wij zijn boodschappers. Een boodschapper geeft iets door. Wij zijn boodschappers van goede tijding: vreugdeboden! De erfzondeleer maakt de mensen niet vrolijk maar depressief, somber. De calvinistische leer zegt dat God mensen tot een eeuwig verderf heeft uitverkoren.

De mens wordt in zonde geboren en blijft zondaar tot zijn dood.

Men leert God alleen kennen door het evangelie van Jezus Christus!

Johannes 1:18. "Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen."

Opspringen van vreugde

Paulus zegt: "De wet is een bediening des doods geworden" (2 Kor. 3:7). Wet op wet, regel op regel, gebod op gebod. Hard en onvermurwbaar. De wet (óók: het woord) was 'steen' geworden. Het gevoelsleven was weggemoffeld. De mens moest onbewogen blijven. Maar Jézus kon wenen, zich verheugen en lofzangen.

Het opspringen van vreugde is beeld van het loskomen van de aarde. Jezus zegt: "Springt op van vreugde en verheugt u als de mensen u smaden" (Luk. 6:23). D.w.z.: verhef je in de gééstelijke wereld! Paulus zegt: "Opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, is mij een engel van satan gegeven om mij met vuisten te slaan" (2 Kor. 12:7).

Paulus werd gegeseld, leed schipbreuk, werd gevangen gezet. In zulke omstandigheden wil je je graag tot God verheffen, in de hemelse gewesten.

Men heeft ervan gemaakt dat Paulus misschien te hoogmoedig zou worden, dus: Opdat ik niet te zeer hoogmoedig zou worden, is mij een engel van satan gegeven.

Vs. l9a. "Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet."

Als men Mozes geloofd had, zou men Jezus gevolgd zijn. Mozes had van Jezus gesproken :

Deut. 18:15. "Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Here, uw God, u verwekken; naar Hem zult gij luisteren."

In zijn toespraak tot het volk haalt Petrus dat aan (Hand. 3:22). Mensen zoals Zacharias, Elisabeth, Simeon, Anna, Maria en Jozef hadden het wél begrepen. De joden brachten de wet naar de aarde. Zij gaven precies hun tienden en brachten hun offers naar de tempel.

Jezus zegt in :

Matth. 23:25. "Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel, de barmhartigheid en de trouw."

God zegt: "Ik haat uw offers en uw feesten." (Jes.1:10)

De mensen kenden de geestelijke realiteit van de wet niet: God liefhebben en de naaste als jezelf. Met al hun wetskennis wisten zij niet wie God was. Het gevolg van hun gebrek aan inzicht was dat zij van Jezus zeiden: 'Hij heeft de sabbat geschonden.'

Vs. 19b. "Waartoe tracht gij Mij te doden?"

20. "De schare antwoordde: Gij zijt bezeten. Wie tracht U te doden?"

De schare was niet op de hoogte van wat de leidslieden al beklonken hadden, nl. Jezus te doden. Niet álle joden hebben Jezus uiteindelijk gedood. Jezus is gedood door een wetsysteem, een leersysteem. Een wetsysteem heeft een leiding nodig. De leiders van het leersysteem hebben gezegd: 'Hij is des doods schuldig!' Het woord van God was een leersysteem geworden.

Als Jezus zich voor zijn sterven voor de Joodse Raad verantwoorden moet, zegt Kajafas: "Wij hebben een wet. En volgens onze wet moet Hij sterven" (Joh. 19:7). Mensen van het wetsysteem hebben later de brandstapels opgericht. Wat de slachtoffers beleden klopte niet met de leer van de Kerk. Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt nog steeds dat de overheid geroepen is om de valse godsdienst uit te roeien. De orthodoxen: de mensen van het leersysteem maken dan uit of iemand een valse godsdienst heeft. Dan zet men de overheid aan het werk, want 'de Kerk vergiet geen bloed.' In Num.15:32-36 staat dat een man die op sabbat hout sprokkelde werd gestenigd. Een sabbatschender was des doods schuldig.

 

Vs. 21. "Jezus antwoordde en zeide tot hen: Eén werk heb Ik verricht en gij verwondert u allen."

Jezus bedoelt: 'Maak je daar nu zo'n drukte over.'

 Vs. 22. "Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven - niet, dat zij van Mozes komt, maar van de vaderen - en gij besnijdt een mens op de sabbat."

Een jongetje werd op de achtste dag besneden. Als het kind op zaterdag geboren werd, werd het op sabbat besneden. Ook vandaag aan de dag houdt men aan de besnijdenis op de achtste dag stipt de hand. Ook Jezus werd op de achtste dag besneden. Paulus ook (Fil. 3:5). Jezus zegt: 'De besnijdenis komt niet van Mozes maar van de vaderen.' (12a)

 

Genesis 17:10. God spreekt tot Abraham :

  • Dit is mijn verbond dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u alles wat mannelijk is besneden worde.
  • Gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u.
  • Wie acht dagen oud is zal bij u besneden worden al wat mannelijk is in uw geslachten, ....

Abraham besneed zijn zoon Izak op de achtste dag, zoals God hem geboden had (Gen. 21:4). Abraham leefde 430 jaar vóór de wet gegeven werd. De besnijdenis komt van de vaderen. Mozes spreekt er echter maar één keer over, en dan nog terloops.

Leviticus 12 handelt over de reiniging van de vrouw na de geboorte.

In vs. 3 staat terloops: "En op de achtste dag zal het vlees ven zijn voorhuid besneden worden." (Naar gewoonte) Het is slechts een opmerking van Mozes er tussendoor.

Jezus zegt: 'Als Ik de sabbat schend door die ene daad dan schenden jullie de sabbat iedere week, dan hier, dan daar. Er zijn mensen die zeggen dat de besnijdenis een gezondheidsreden heeft.

Maar als de voorhuid moet worden weggenomen omdat het zo gezond is, waarom heeft God de mens dan met voorhuid gemaakt?

Wij gaan ervan uit dat God de mens goed geschapen heeft. Wat is de werkelijke betekenis van de besnijdenis? Als een mens besneden werd betekende dat dat hij tot het geslacht van Abraham behoorde. Dan behoorde je tot een volk apart.

De jood kenmerkt zich door de besnijdenis. De mens werd apart gesteld om rechtvaardig te leven en God te dienen.

Genesis 18:19. "Want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des Heren zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Here aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft."

Er was geen gerechtigheid en recht op aarde. Israël moest dit uitdragen. Gods bedoeling was: 'Zet een volk apart zodat de Verlosser geboren kan worden uit een rechtvaardig volk.' Jezus ís geboren uit een kring van rechtvaardige mensen.

Bij de besnijdenis haalde men iets weg en wierp het weg.

Jozua maakte zich stenen messen en besneed de Israëlieten op de Heuvel der voorhuiden (Jozua 5:3). Als iemand in de gééstelijke wereld besneden wordt gaat er óók iets weg. Dat is de 'besnijdenis van het hart' (Rom. 2:29). De besnijdenis heeft ook iets te betekenen voor het nageslacht. De besnijdenis in de geestelijke wereld betekent dat iemand tot het volk van Abraham behoort.

Op een nieuwe wijze! "Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen" (Gal. 3:29).

Kolos. 2:11. "In Hem zijt ook gij met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus."

Je hebt het contact met de boze verbroken! Toen Abraham met de zijnen uittrok liet hij Ur der Chaldeeën achter zich. Hij verbrak het contact met het verleden. Jezus zegt: 'Jullie besnijden en mens op de sabbat en je veroordeelt Mij omdat Ik een hele mens gezond maak.' Jezus heeft de man naar het lichaam én naar de inwendige mens gezond gemaakt, met de woorden: "Ga heen en zondig niet meer, opdat je niet wat ergers overkomt." De man behóefde dus niet meer te zondigen! Jezus brengt dit gebeuren in verband met de besnijdenis. Hij had de mens besneden, vrijgemaakt met de besnijdenis van Christus.

Exodus 19:3-5.

  • Toen klom Mozes op tot God, en de Here riep tot hem van de berg en zeide: Zo zult gij zeggen tot het huis van Jakob en meedelen aan de Israëlieten:
  • gij hebt gezien wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan, en dat Ik u op arendsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb.
  • Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij.
  • En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit
  • zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult.

God heeft het volk op arendsvleugelen gedragen; d.w.z. God is met dat volk de hoge weg gegaan. Hij heeft het uit Egypte verlost en brood uit de hemel gegeven (manna). De kleren van de Israëlieten verouderden niet en het schoeisel versleet niet. Toen Israël tegen Amalek strijden moest, legde Mozes de hand op de troon des Heren.

In de zichtbare wereld hief hij zijn hand op en werd door Aäron en Hur ondersteund. Op deze wijze werd de overwinning behaald (Ex. 17). God wilde het volk stellen tot een volk van koningen en priesters. Tot een volk dat net als Abraham in geloof wandelen zou.

Vs. 8. "Het volk antwoordde eenparig: Alles wat de Here ons bevolen heeft zullen wij doen."

M.a.w. Geef ons maar een wet, want wij gaan iets dóen. Elke godsdienst dóet iets en heeft wetten en verordeningen.

Abraham had geen wet. Hij leefde 430 jaar vóór de wetgeving. De wet was in zijn hart geschreven. Abraham was een vriend van God. Abraham is het voorbeeld van de mens zonder wet. Hij was een man van geloof!

Israël had een wet op aarde. Maar de Israëlieten stierven in de woestijn vanwege hun ongeloof (Hebr. 3:19). De wet was 'steen' geworden. Tot een hard juk. Maar bij Jézus werd het woord vlees Dat drukte het herstel van de mens uit. In begeerten, verlangens en gevoelens. Paulus zegt in verband met de wet: "Een bediening des doods, met letters op stenen gegrift" (2 Kor. 3:7). De wet voert naar de dood. Van de wet wordt gezegd: "Doe dat en gij zult leven." Maar de wet houdt geen rekening met de geestelijke wereld, met de machten der duisternis. De mens die de wet dóen wil bemerkt op een zeker ogenblik dat hij niet bij machte is om die geheel te volbrengen. De mens kan niet doen wat hij eigenlijk wil. De mensen stranden op de wet. Paulus zegt van de tijd voor zijn bekering: Het gebod dat ten leven leiden moest, bleek voor mij juist ten dode ( Rom. 7:10).

Vs. 24. "Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Heer."

Jezus zegt: 'Ik ben gekomen om de wet te vervullen. Als je naar Mij luistert, is de wet niet meer nodig. Dan komt de wet in je binnenste.'

Rom. 5:12. "Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld in binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de zonde tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben."

 

De Romeinenbrief spreekt ervan dat door Adam en Eva een barrière is doorbroken. De zonde is binnengekomen: de zonde en ziektenachten. Maar ook de dood!

Van God wordt gezegd: "De landman wacht af" (Jak. 5:7). De dood wacht óók af.

De dood wacht af tot de zonde en ziektemachten hun werk hebben verricht. Zonde en ziektemachten voeren naar de dood. Wij hebben te strijden tegen de aanvoerende machten. Als de aanvoerlijn afgesneden is dan houdt de dood vanzelf op. Het is moeilijk om tegen de dóód te strijden!

Zondemachten voeren het geestelijk lichaam naar de dood. Ziektemachten voeren het natuurlijk lichaam naar de dood. De mens heeft twee lichamen! "Is er een natuurlijk lichaam dan is er ook een geestelijk lichaam." De bijbel spreekt van de "innerlijke mens des harten." (1 Kor. 15:44b).

De innerlijke mens heeft ogen en oren.

"Verlichte ogen des harten." (Ef. 1:18).

De natuurlijke ogen en oren hebben contact met de geestelijke ogen en oren. Als ik slaap dan is mijn gehoororgaan niet stuk. Maar mijn innerlijke oren nemen het geluid niet meer op. Je kunt door een onweer of storm heenslapen. De mens is sterfelijk én onsterfelijk. Naar de zichtbare mens is hij sterfelijk. Naar de onzichtbare mens is hij ónsterfelijk. De besnijdenis van Christus, die geen werk van mensenhanden is (de natuurlijke besnijdenis) en waarbij het lichaam des vlezes wordt afgelegd, staat tegenover de joodse besnijdenis.

De besnijdenis

Als Jezus een gehele mens gezond maakt, heeft hij een besnijdenis aan die mens verricht. Bij de verlamde kwam een scheiding tussen zijn natuurlijk lichaam en de ziektemacht die met verlamming op hem was ingewerkt.

In het geestelijk lichaam van de man werd scheiding aangebracht tussen zijn geestelijk lichaam en de zondemacht die zich aan hem had gehecht.

De bezetene van Gadara dwaalde tussen de graven en sloeg alles kort en klein. Jezus genas hem, en zei: "Ga maar aan je familie en aan ieder die het horen wil vertellen wat de Heer in zijn ontferming aan je gedaan heeft" (Mark. 5:19,20). De Heer maakte hem gelijk tot een getuige van de grote daden Gods.

Zowel kwade als goede engelen hebben een geesteslichaam. De boze zoekt gemeenschap met de mens. Wie zich aan een boze geest hecht wordt daar één geest mee.

Het onzienlijke geesteslichaam van de boze engel hecht zich aan het geesteslichaam van de mens.

De Heilige Geest zoekt óók gemeenschap met de mens. Wie zich aan de Here hecht is één van geest met Hem. In de geschiedenis van de maanzieke knaap is sprake van een boze geest die stom en doof is. Deze boze engel had zijn eigen doofheid en sprakeloosheid op de jongen gelegd. Een leugengeest is verleugend en deelt zijn eigenschappen mee als hij de mens binnenkomt. Hij deelt zichzélf mee!

De Heilige Geest deelt ook zichzelf mee. Men leert wel dat de doop voor de besnijdenis in de plaats gekomen is en baseert dit op Kol. 2:12: ".... het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus, daar gij met Hem begraven zijt in de doop." De doop volgt dan op de natuurlijke besnijdenis. Maar de doop is een zichtbaar iets en kan nooit de besnijdenis vervangen.

Tegenover de natuurlijke besnijdenis staat de gééstelijke besnijdenis.

De joden hadden de proselietendoop. Johannes de Doper doopte ook. Maar deed dit niet in plaats van de natuurlijke besnijdenis.

De doop in water is het getuigenis van de wedergeboorte! Je getuigt in de zichtbare wereld dat je een nieuwe mens geworden bent. Abraham was een rechtvaardige tot hij werd besneden.

Wij zijn kinderen van Abraham en geen kinderen van de wet. D.w.z. Je bent eerst een rechtvaardige. En dán word je besneden. Wij dopen gééstelijke kinderen: kinderen Gods!

Romeinen 4:1.

  • Abraham was niet uit werken gerechtvaardigd.
  • Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.

Hij was onbesneden een rechtvaardige!

Wij zingen mét de psalmist: Het verbond met Abraham zijn vrind, bevestigt Hij van 'wedergeboren kind tot wedergeboren kind'. Wij zijn rechtvaardigen als wij in het bloed van Christus geloven.

Tegenover de natuurlijke besnijdenis staat de besnijdenis van het hart. Mozes en Jeremia hebben daar ook over gesproken. De doop is de bede van een goed geweten tot God, (1 Petr. 1:23). Het goede geweten houdt in dat je een rechtvaardige bent. Als iemand zich laat dopen belijdt hij hiermee dat hij een 'weg' wil gaan.

Het allereerste wat de wedergeboren mens doet is: bidden om de Heilige Geest.

Gods Geest is nodig voor bevrijding en opbouw. Jezus zegt:

"Gij zijt rein ( voor God ) door het woord wat Ik tot u gesproken heb" (Joh. 15:3). Het unieke werk van Jezus Christus is dat Hij je zondeschuld heeft betaald. Daar getuig je van in de waterdoop. Als je van de boze geesten gescheiden wordt, word je een gaaf mens.

Paulus zegt: "Besneden zijn of onbesneden zijn betekent niets, maar of je een nieuwe schepping bent" (Gal. 6:15).

Bij de natuurlijke besnijdenis moet de wond die door het wegnemen van de voorhuid is ontstaan, herstellen (Zie Gen. 34:24,25). Als de innerlijke mens bevrijd is, moet deze óók herstellen. Het herstel is bij de mens ingeschapen. God heeft het herstel in de schepping gelegd.

Vandaar dat de aarde niet ondergaat. In elke periode in de geschiedenis komt er weer een mens tevoorschijn waar God opnieuw mee beginnen kan. Ook bij het vasten in de natuurlijke wereld onthoudt de mens zich iets. Het is een beeld van het góddelijke vasten!

Jesaja 58:6. Het goddelijke vasten (lees ook verder).

  • "Is dit niet het vasten dat Ik verkies: de boeien der goddeloosheid los te maken, de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken."

Vs. 12.

  • "En de uwen zullen de overoude puinhopen herbouwen, de grondvesten van vorige geslachten zult gij herstellen, en men zal u noemen: Hersteller van bressen, herbouwen van straten."

De Chinezen b.v. hebben eeuw in eeuw uit de occulte voorvaderendienst gehad.

Wat een puinhopen liggen er niet in het occultisme en in de asociale omgevingen.

De overoude puinhopen zijn generaties mensen. De orthodoxie heeft leringen van erfzonde en uitverkiezing. Het maakt mensen somber, depressief. Men hult zich in het zwart.

De leer der vaderen leert dat de mens een nietswaardig wezen is. Met het zingen van 'Heer, verbreek mij', schuif je God iets in de schoenen wat de duivel doet! Jezus is gekomen om gebrokenen van hart te helen.

Wij worden hersteld naar Gods beeld, wat van oorsprong reeds in ons aanwezig is. Naar de inwendige mens zijn wij geschapen naar Gods beeld.

God heeft ook een geestelijk lichaam: een hart (of: ziel) Dat is het centrum van het leven. In Gods geestelijk lichaam ligt heel de schepping besloten. Alles in het lichaam van de mens groeit omdat er geest, in zit.

God geeft de mens eeuwig leven. Ook het bloemetje leeft vanuit de Geest van God. De geest van de mens is veelzijdig. Gods Geest is óók veelzijdig! God is overal! God is ook in het dodenrijk.

De arme Lazarus was in de schoot van Abraham. Daar is ook water des levens.

Water: beeld van het leven. De rijke man was daar aan de andere kant van de onoverbrugbare kloof. Hij riep tot Abraham: "Zend Lazarus naar mij toe, opdat hij de top van zijn vinger in water dope en mijn tong verkoele want ik lijd pijn in deze vlam" (Luk. 16:19-31).

De mens wordt wedergeboren als hij anders gaat denken.

Wij worden wedergeboren door het eeuwige en blijvende woord van God (1 Petr. 1:23).

De macht van het woord is dat het het dénken van de mens verandert. In Rom.7:24 zegt Paulus, zich inlevend in de tijd dat hij nog farizeeër was: "Wie zal mij verlossen ván het lichaam dezes doods?" (niet: uit) Ik moet van het lichaam des doods verlost worden! Engelse bijbel: from: gescheiden van. Luth. en Can. vertaling: van. ( Interlineair )

Dood en Dodenrijk

De Dood is óók een persoon. De dood én het dodenrijk (Op. 20:13,14). D.w.z. De dood én zijn rijk. De macht van de dood is een ontbindende macht. De dood wacht af tot hij ontbinden kan. Ontbinding is een situatie die door de zonde begint te werken. De ontbinding betreft het natuurlijk én het geestelijk lichaam. Ontbinden: scheiden van God. Eerst moet het geestelijke lichaam vrijgeraakt worden van de dood. Als de boze geesten verdwijnen dan verdwijnt ook het loon van de zonde (bezoldiging van de zonde).

Het loon (gevolg) van de zonde is de dood (Rom. 6:23).

Als de mens zondigt kan de dood zijn kans grijpen in de innerlijke mens. Het leven verdwijnt. De mens is dood door overtredingen en zonden (Ef.2:1). Als het zondeproces zich voortzet wordt dat ook in de zichtbare wereld kenbaar, in spreken en handelen.

Romeinen 8:11. "En indien de Geest van Hem die Jezus uit de doden heeft opgewekt in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest die in u woont."

Er staat niet: gestorven lichamen, maar: stérfelijke lichamen!

Die stérfelijke lichamen gaan functioneren naar de wetten Gods! De genezing van het sterfelijk lichaam behoort te volgen op de genezing van het geestelijk lichaam. Dat is de gedachte van de gelovige. Ik spreek hier dus niet over de tekenen en wonderen die de Heer bij de ongelovigen kan verrichten. Daar wordt het evangelie door vergezeld.

Bij wat wij sterven, noemen, wordt het aardse lichaam van het geestelijk lichaam, gescheiden. Het aardse lichaam ontbindt en wordt een prooi van de dood. Het innerlijk geestelijk lichaam blijft. Wij nemen bij het sterven onze intrek bij de Here (2 Kor. 5:8). God heeft een geestelijk lichaam dat de hele schepping omspant. In het centrale deel van Gods lichaam (hart) bevindt zich het Lichaam van Christus. Jezus Christus is gezeten op de troon: het centrum van de geestelijke wereld.

Als wij ons in het Lichaam van Christus bevinden, bevinden wij ons niet ergens aan de omtrek, maar hebben deel aan het leven dat in het hart van God aanwezig is. Als er in het hart van de gelovige of in de gemeente innerlijke verdeeldheid komt, ontstaat een situatie waarvan Paulus zegt: "Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en ontslapen er niet weinigen" (1 Kor. 11:30). Je kunt niet onderling verdeeld zijn én gezond blijven! Paulus zegt niet dat de zieken daar de schuld van zijn. Maar zij bevinden zich in een lichaam dat niet het Lichaam van Christus weerspiegelt.

Romeinen 8:23. "En niet alleen zij, maar ook wijzelf die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam."

Verlossing van óns lichaam is allereerst de bevrijding van óns geestelijk lichaam. Daarin verwachten wij het zoonschap. Het zijn de zonen Gods die de boze in zichzelf overwonnen hebben. Johannes zegt ervan: "Ik heb u geschreven jongelingen, want gij zijt sterk en het woord Gods blijft in u en gij hebt de boze overwonnen" (1 Joh. 2:13). Wij willen vrijkomen van de zondemachten en tenslotte ook van de dood. Wij hebben de Geest als eerste gave ontvangen (8:23). Ik citeer liever de Engelse interlinearvertaling: first fruit: eerste vrucht. "Wij, die de eerste vrucht van de Geest gesmaakt hebben." De eerste vrucht van de Geest is de tongentaal!

Romeinen 8:26. "En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp, (om van de macht der duisternis gescheiden te worden. Dat wij de besnijdenis des harten met het woord Gods kunnen uitvoeren) want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen."

Als je in strijd bent tegen de boze geesten en niet weet hoe je een zaak precies moet aanpakken, gebruik dan de eerste vrucht van de Geest: het spreken in tongen. Dan bidt God zélf door je heen. De Geest Gods ként onze zwakheid. Paulus moedigt ons aan om vaak in tongen te spreken.

Doe dat héél bewust, voor je eigen opbouw! Ten einde de overwinning op het rijk der duisternis te behalen. De Heilige Geest weet precies hoe een boze geest moet worden aangepakt. De Geest woont ook liever in een gaaf dan in een geschonden lichaam en kan meer doen in een vrij dan in een gebonden mens. De Geest kan het allerbeste werken in een verheerlijkt lichaam: in een zoon van God: de mens Gods.

Bidt bewust en regelmatig in tongen. Je verheerlijkt God ermee. De Heilige Geest heeft er belang bij dat mijn lichaam verlost wordt.

1 Kor. 15:51-53. Wat het sterfelijk lichaam betreft, zegt Paulus:

  • "Zie, ik deel u een geheimenis mee. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden, want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen."

Het is niet een passief wachten tot de gemeente in een punt des tijds wordt opgenomen. De landman slaat de sikkel niet in koren dat maar net boven de grond gekomen is. Eerst komt de halm, dan de aar.

Tenslotte het volle koren in de aar. Als het koren rijp is slaat de landman de sikkel er in (Mark. 4:28). Het rijpe koren is beeld van de mens Gods. Jezus komt met de ontslapen heiligen terug als zijn gedachte met betrekking op de Gemeente vervuld is.

Dan is ook het tijdstip aangebroken dat de dood in het sterfelijk lichaam overwonnen is (Ook 1 Thess. 4:16). De ouden in de bijbel hadden bepaalde voorstellingen van de kosmos. Zij dachten dat het dodenrijk zich in de diepten der aarde bevond. In het oude testament wordt veel over de diepten der aarde gesproken. Van daag de dag zijn er ook mensen die denken dat het dodenrijk zich in het binnenste van de aarde bevindt. Maar het is slechts een beeld van de

werkelijkheid, die gééstelijk is. God noemde het uitspansel 'hemel' ( Gen. 1:8a ). Datgene wat 'omhoog' is.

Het is de hemel niet, maar een beeld ervan. Ook de 'lucht' is een beeld. In Ef. 2:2 wordt gesproken over 'de overste van de macht der lucht'. De 'lucht' staat in betrekking met de aarde. Daar werken de boze geesten in de mensen die God ongehoorzaam zijn. De duivel werd bij zijn val uit de hemel in de lucht geworpen (Ez. 28:17).

De mens ademt onzichtbare lucht in. In elke vezel van het menselijk lichaam is lucht aanwezig. Als de lucht verontreinigd wordt, komt de verontreiniging in het hele lichaam van de mens terecht. Lucht is allesdoordringend. Het is een beeld van de doorwerking van het kwaad in de mens van buitenaf. De aarde is aan de ménsen gegeven (Ps. 115:16).

Het 'dodenrijk' is een andere sector. De bijbel noemt het 'diepten der aarde' ( Ps. 95:4 e.a.). Matth.12:40 spreekt over het 'hart der aarde', waar de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten zijn zal. Het is allemaal domein van God. Maar: bezet gebied!

Psalm 139:8-10.

  • "Steeg ik ten hemel Gij zijt daar, of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde Gij zijt er;

nam ik vleugelen van de dageraad, ging ik wonen aan het uiterste der zee, ook daar zou uw hand mij geleiden, uw rechterhand mij vastgrijpen."

 

De dood en de overste van de macht der lucht zitten op een terrein waar zij niet horen. Dat terrein moet vrijgemaakt worden. De lucht moet gezuiverd en het dodenrijk gereinigd worden. Vandaar: de opstanding uit de doden. Het dodenrijk moet leeg!

Toen Jezus uit de dood opstond, stonden vele heiligen mét Hem op. Dood en dodenrijk gaven hun doden terug (Matth. 27:52,53).

Het is een beeld van wat er aan het eind óók gaat gebeuren. Bij de eindopstanding, na het 1000-jarig Rijk, geven dood en dodenrijk de doden terug (Op. 20:13). Dan zullen de zonen Gods bewerken wat Jézus na zijn opstanding deed met vele ontslapen heiligen.

Aan het eind zullen de zonen Góds oordelen.

Het gebeurt dus niet bij de wederkomst van Jezus naar de aarde. De leden van zijn lichaam zijn niet in het dodenrijk als zij gestorven zijn. Zij zijn bij Jezus en komen mét Hem terug (2 Cor. 5:8). Degenen die in het boek des levens geschreven zijn komen terug op de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal. De onrechtvaardigen niet (vs 15).

Dood en dodenrijk worden in de poel des vuurs geworpen (vs 14). De poel des vuurs is het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen bereid is (Matth. 25:41)

De poel des vuurs is een nieuw begrip, dat Jezus ingevoerd heeft. Het was er wel, maar er is nog niemand ingeworpen.

Het is een onuitblusbaar vuur, waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt (Mark. 9:44).

De worm: de mens in zijn totale ontluistering. Het rudiment van zijn geestelijk lichaam (onontwikkeld). De poel des vuurs is een totaal afgesloten iets.

Vuur in een totale duisternis. Als de duivelse bende er in geworpen is, dan is die volkomen gebonden in een afgesloten gebied zonder enig licht. Volkomen machteloos gemaakt!

Waar is de poel des vuurs gesitueerd?

De ouden dachten dat het dodenrijk zich in het hart der aarde bevindt. Het wordt nog steeds door velen zo verklaard. De aarde heeft een aardkorst van 70 kilometer.

Vanaf de bovenkant tot het middelpunt bedraagt een afstand van 6370 kilometer.

De aardmantel zit op 1200 kilometer diepte. Het binnenste der aarde bestaat uit gesmolten steen, met een druk van 300.000 atmosfeer en een temperatuur van 2000 graden Celsius. Het gesmolten gesteente in het binnenste der aarde is vloeibaar. Maar het staat toch volkomen stil (Vgl. vloeibaar glas).

Het zijn beelden die de onzichtbare wereld betreffen. Je kunt de geestelijke wereld niet verklaren zonder het gebruik van beelden. Jezus deed dat ook. Ik zie het dodenrijk dan als een poel des vuurs. Een geheel afgesloten gebied, in zijn wezen. Hoever Jezus in het dodenrijk geweest is, is niet bekend. Hij is in dat gedeelte geweest waar Hij het evangelie kwijt kon.

Hij heeft het gepredikt aan de geesten in de gevangenis (dodenrijk) die eertijds gezondigd hebben, ten tijde van Noach (1 Petr. 3:19,20). Wat voor evangelie zou Jezus moeten brengen aan degenen die zich in de uiterste diepten bevinden? Boze geesten hebben er geen deel aan. Jezus brengt alleen het evangelie van bevrijding en herstel. Hij heeft het gebracht aan mensen die op aarde barmhartigheid bewezen hebben.

De barmhartige Samaritaan kende Jezus niet, maar werd toch gered.

Mensen zoals Ebed-Melech, die Jeremia uit de put trok en Pua en Siffra, de vroedvrouwen van Mozes hebben ook barmhartigheid bewezen.

De 'zee' is beeld van de geestenwereld, die opkomt. Er zijn machten die 'boven' ons zijn: de verleidende machten. Maar er zijn ook machten die uit de afgrond opkomen. Het gebied aan de oppervlakte der zee ontvangt nog licht van de zon. Daar is ook 'water des levens' (Vgl. schoot van Abraham ). Daar bevinden zich de geesten der rechtvaardigen.

De afgrond: de zeetroggen die in de diepte der zee gelegen zijn. Daar komt geen straaltje licht meer. Het zijn troggen (krochten) der duisternis. Daar bevindt zich de geestenwereld die uitgeworpen wordt.

De engelen, die gezondigd hebben heeft God voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid bewaard gehouden (Judas 6).

Iemand die wederomgeboren wordt, stijgt door de warmte van de zon óp uit de zee. De wedergeborene vormt, tezamen met de andere wedergeborenen een wolk. Vergelijk waterdruppels die door de warmte van de zon verdampen en opstijgen.

In de zee was de mens dood door zonde en misdaden (Ef. 2:1; Kol. 2:13).

Als Jezus, samen met de ontslapen heiligen terugkomt, daalt Hij vanuit het Rijk Gods af naar de lucht, die in betrekking met de aarde staat. De lucht is het terrein waar Hij geleden en gestreden heeft. Daar werd Jezus omringd door de machten der lucht.

Vanuit de lucht is Jezus in het dodenrijk gekomen. Bij zijn opstanding was Jezus óók in de lucht: in de sfeer van de aarde.

Kolos.3:4. "Wanneer Christus verschijnt die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid."

'Verschijnen' doe je aan mensen op aarde. Bij Jezus' opstanding zijn de door Hem meegevoerde heiligen aan velen verschenen.

Uit dat verschijnen bleek dat deze mensen waren opgestaan.

Opstanding betekent dat het geestelijk lichaam op aarde gaat functioneren. Het geestelijk lichaam ontleent zijn kracht niet aan iets uit de zichtbare wereld. Vandaar ook geen graven die opengaan, waaruit doden herrijzen!

Deze opstanding gaat zich herhalen!

Als de ontslapen heiligen met Christus op aarde zullen verschijnen, zal hun geestelijk lichaam zo krachtig zijn dat het stoffelijke vormen kan aannemen.

Zij kunnen eten, drinken, spreken.

Lucas 24:39. De opgestane Heer zegt:

  • Ziet mijn handen en mijn voeten en betast Mij, en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet dat Ik heb.
  • Zij reikten Hem een stuk gebakken vis toe.
  • En Hij nam het en at het voor hun ogen (vs 41,42).

 

Degenen die verschijnen zullen, net als Jezus verschillende gedaanten kunnen aannemen (Mark.16:12). Zij verschijnen in een gedaante die voor ons te herkennen zal zijn. De leden van Jezus' Lichaam, die bij de wederkomst nog op aarde zijn, bereiken de volheid en worden in een punt des tijds veranderd. Zij ervaren in hun sterfelijk lichaam wat bij Jezus met zijn gestorven lichaam gebeurde.

Het geestelijk lichaam wordt verzwolgen in de overwinning! Dan zijn zij óók in de lucht. Daar vindt de Slag van Harmagedon plaats. De dingen die bij Jezus' opstanding gebeurden, gaan zich herhalen.

  • Jezus is aan het kruis gegaan. In de lucht!
  • Is in het dodenrijk geweest.
  • Is verschenen
  • Ten hemel gevaren
  • Heeft de Heilige Geest uitgestort.

Jezus is heengegaan om de Heilige Geest te geven (Hand. 1:11; 14:15-31). Hij zal op dezelfde wijze wederkomen. D.w.z. Op soortgelijke wijze. De eerste Pinksterdag hebben wij al gehad. Wij zitten in de tijd van de spade regen: de tweede Pinksterdag.

  • Jezus komt terug met de ontslapen heiligen en verschijnt met hen in heerlijkheid.
  • De gemeente die nog op aarde is verandert in een punt des tijds.
  • De Slag bij Harmagedon (Vgl. Getsemane).

De duivel wordt in de afgrond geworpen en duizend jaar gebonden (Op. 20:2,3). De antichrist en het beest worden in de poel des vuurs geworpen (Op. 19:20). Dan volgt het 1000-jarig Vrederijk. De Gemeente gaat doen wat Jezus gedaan heeft. Zij gaat de wereld herstellen. Zij gaat rond, goeddoende en genezende allen die door de duivel overweldigd zijn; want God is met hen! (Hand. 10:38).

 

 

= = = = = = = = = = = = = =