Verkenningen

rond het boek

Openbaring

HOOFDSTUK I

 

WAT IS HET DOEL VAN DIT BIJBELBOEK?

Over het boek Openbaring is reeds veel gedacht en geschreven. Het is dan ook niet onze bedoeling, een volledige kommentaar te geven op dit bijbelboek, maar het is ons er alleen om te doen, enkele grondbeginselen op te sporen die de achtergrond van dit boek vormen. We willen de hoofdlijnen gaan zien. Dit is namelijk van fundamenteel belang, want als we oog krijgen voor de grondpatronen, voor de achtergrond van het hele eindtijdgebeuren, dan worden we bewaard voor allerlei dwaalwegen bij de uitleg van dit boek.

Om te beginnen ligt dan meteen de vraag voor de hand: waarom is dit boek gegeven? En de tweede vraag die direkt daarop aansluit: aan wie is het gegeven? In Openb.1:1 lezen we als opschrift: 'Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om, zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden'. Dit vers geeft ons meteen al een paar belangrijke aanwijzingen. Het doel van dit bijbelboek blijkt dus te zijn: openbaring te geven.

En het woord openbaring betekent letterlijk 'onthulling'. Het gaat dus om verborgenheden, verborgen ontwikkelingen. God de Vader ziet en doorgrondt deze ontwikkelingen en Hij draagt zijn kennis over aan de Zoon. Jezus op zijn beurt staat in het ambt van profeet en vanuit zijn profetische bediening onthult Hij deze geheimenissen aan de knechten des Heren. In het genoemde vers wordt gezegd: 'om zijn dienstknechten te tonen'. Er wordt dus iets getoond. Dat wil zeggen: men krijgt ergens zicht op, er komt perspektief in de zaak. De achtergrond wordt belicht. Het is goed dat wij deze gedachte als uitgangspunt vasthouden.

Het boek Openbaring is bedoeld om perspektief te geven, niet om ons het perspektief te ontnemen. Het is bedoeld om ons op te bouwen, niet om af te breken. Want in vers 3 zien wij: 'Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij'. Daar blijkt: wie met dit boek bezig is en zich deze gedachten Gods eigen maakt, wie ze bewaart, dat wil zeggen: wie eraan vasthoudt, die is zalig, dat houdt in: die staat volkomen in het heilsplan van God.

Het boek is dus niet bedoeld om ons ongelukkig te maken of om ons in de war te brengen. Het is ook onmogelijk dat het gegeven is als een schrikbeeld. Dan zou het aangehaalde derde vers betekenen: zalig hij die dit schrikbeeld in zijn hart bewaart. Maar dat is in strijd met het wezen Gods. God is geen God die schrik aanjaagt, en zijn kinderen angstwekkende toekomstbeelden voorspiegelt, opdat ze, door die angst gedreven, Hem zullen dienen. God heeft geen behagen in iemand die Hem dient uit angst.

Toch is dat vaak het beeld dat veel christenen hebben als ze spreken over de toekomst. Men zingt dan: 'Rampen en slagen en dreigend geweld heeft Hij reeds voorzegd in zijn Woord'. Men vertoont films waarin alleen maar uitgebeeld wordt, en dan nog op een zeer aanvecht-bare wijze, de evakuatie van de gemeente en al de ellende daarna. Petrus daarentegen sprak over het lijden van Christus en al de heerlijkheid daarna. Maar in deze films valt alle nadruk op de gruwelijke beelden van wat er gebeurt met hen die achterblijven, zo schrikwekkend dat we horen van jonge oprechte christenen die er mismoedig van worden en wier vreugde in de Heer verdwenen is.

De Openbaring van Jezus Christus

Het is daarom van principieel belang te bedenken dat we het boek Openbaring alleen kunnen verstaan, als we God kennen. En we kennen God enkel en alleen vanuit Jezus.

Een ander beeld van God hebben we niet. Een ander beeld mogen we ons niet maken. Want dan zitten we in de leugen. Door Jezus weten we wie God is. Vanuit Jezus kennen we het wezen Gods: dat God enkel licht is, enkel goed.

Daarom is een film die niets laat zien van het wezen Gods, geen christelijke film. En daarom is het niet toevallig dat het boek Openbaring begint met de woorden: 'Openbaring van Jezus Christus'. Daar wordt meteen glashelder aangegeven, met welke God we te doen hebben. Het is niet zomaar een openbaring van een willekeurige God, van wie je van alles kunt ver-wachten, neen, we hebben te maken met de God die zijn karakter getoond heeft in Jezus. Dit is een zeer fundamenteel punt, dat we weten: wie spreekt er tot ons in het laatste bijbel-boek? Het boek Openbaring is geen christelijke science fiction, geen boek om eens evange-lisch te kunnen griezelen, we kunnen het alleen verstaan in het licht van de kennis van het wezen Gods. Godsbeeld en toekomstbeeld hangen onlosmakelijk met elkaar samen.

Alleen als we het juiste beeld van God hebben. kunnen we komen tot een waarheidsgetrouw beeld van de toekomst. Daarom moeten we bij alles wat we verder gaan bezien, dit als basis van ons denken vasthouden: elke gedachte die we in verband met de eindtijd ontwikkelen, moet kloppen met het wezen Gods. Juist ook ten aanzien van de toekomst mogen we niets aan God toeschrijven wat in strijd is met zijn karakter.

Het komt voor ons op één ding aan: God heeft bepaalde gedachten over de toekomst. En die gedachten moeten we ontdekken. Dat is wat Johannes noemt: hetgeen weldra moet geschieden. We kunnen alleen het juiste zicht krijgen op de tijd die gaat komen, als we ons oog richten op de heerlijkheid van Gods gedachten en ons daarin verlustigen. We hebben het boek Openbaring alleen dan goed gelezen, als het ons brengt tot de reaktie: O Heer, hoe heerlijk zijn uw gedachten.

Waarom werd het boek geschreven?

Het boek Openbaring is geschreven, niet om ons dichter bij de krant te brengen, maar om ons dichter tot God te brengen. Niet om ons moedeloos te maken, maar juist met het oog op de volharding in Jezus. (Zie Openb.1:9). Het is bedoeld om ons moed te geven, om ons te inspireren, om ons visie te geven, zodat we door kunnen gaan, zodat we weten waar we naar toe gaan. Er komt strijd maar we weten waar het op uitloopt. Het boek Openbaring moet een bron van vreugde zijn, anders hebben we het niet goed gelezen.

Velen lezen de krant naast de bijbel, of omgekeerd. Het gevolg is dat men vrijwel uitsluitend de negatieve kant van de eindtijd opmerkt. Want meestal vormt de krant dan het uitgangs-punt van het denken en wat de krant zegt, vindt men dan terug in de bijbel. Maar het boek Openbaring is ons niet gegeven om ons dingen te vertellen die we ook wel uit de krant te weten kunnen komen; het is niet bedoeld om ons voorlichting te geven over de atoombom. Ja, zegt men dan, we moeten toch bij de tijd blijven. Maar wat doet men als men de krant leest? Dan loopt men alleen maar achter de feiten aan. De krant biedt ons alleen maar het nieuws van gisteren. Dan is men dus van gisteren. En men ontvangt dan ook vrijwel alleen nog maar het nieuws uit de zichtbare wereld. Het gevolg is dat men dan het boek Openba-ring ook gaat uitleggen in de zichtbare wereld. We vergeten dan dat dit bijbelboek op een heel ander niveau ligt, en hoe kan men nu twee zaken die op een heel verschillend niveau liggen, naast elkaar leggen?

Daarom is het beslissende punt: wij moeten niet denken vanuit de krant, maar vanuit het wezen Gods. Dat staat voorop; daar dienen we ook de meeste aandacht aan te besteden; het wezen Gods bepaalt de richting van ons hele denken. Wanneer we een boek zouden schrijven over de eindtijd en we zouden vele bladzijden vullen met al het onheil in de zicht-bare wereld, en vervolgens zouden we het hele heilsplan van God afdoen met zes woordjes: God heeft alles in zijn hand, dan zouden we daarmee de juiste verhoudingen totaal uit het oog verloren hebben. Want wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen. In de eindtijd gaat het om God. En de vraag is: wat gaat er gebeuren in de geestelijke wereld? Want daar ligt het zwaartepunt; daar vallen de beslissingen; daar wordt de toekomst gemaakt.

Het boek is bestemd voor de gemeente

Daarmee komen we bij onze tweede vraag: aan wie is het boek Openbaring gegeven? We lezen het antwoord in Openb.1:11: 'Hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek en zend het aan de zeven gemeenten'. Duidelijker kan het niet. Het boek is bedoeld voor de gemeente, voor de zeven gemeenten, dat is voor de gemeente in haar totaliteit. Het is dus een gemeente-boek. Dat klopt ook wel, dat hoeft ons niet te verbazen, want het hele plan van God draait om de gemeente. God wil immers zijn veelkleurige wijsheid bekend maken aan de machten in de hemelse gewesten door middel van de gemeente. God heeft ons immers in Christus in de hemelse gewesten geplaatst, met het doel, 'om in de komende eeuwen de overweldigen-de rijkdom zijner genade te tonen naar zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus' (Efez.2:7).

Daar zien we dat alle gedachten Gods met betrekking tot de komende eeuwen zich richten op de gemeente. Aan die gemeenten schrijft de apostel: 'Ik, Johannes, uw broeder en deel-genoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en in de volharding in Jezus' (Openb.1:9). Hier zien we: het gaat in dit bijbelboek over de volharding van de gemeente. Die gemeente gaat niet verdwijnen zij is bestemd om te volharden.

We kunnen het dus ook zo formuleren: het boek gaat over het einddoel van de gemeente. Alles draait om de vraag: hoe komt de gemeente tot haar eindbestemming? Het is logisch dat Johannes een boek met een dergelijk thema aan de gemeenten moet toesturen. Want daar hebben de gemeenten immers alle belang bij. Dat moeten ze weten: hoe bereiken wij het doel? Dat is op en top aktueel. Maar als het boek Openbaring voor het overgrote deel toch niet voor de gemeente bestemd is, zoals velen menen, waarom moest Johannes het dan zo nodig aan de gemeenten toezenden? Alleen maar als een stuk informatie? Zo werkt God niet. God geeft ons nooit zomaar nutteloze inlichtingen, puur om onze nieuwsgierigheid wat tegemoet te komen. God geeft ons geen soort christelijke waarzeggerij, zo met het idee: het is interessant te weten wat er allemaal gaat gebeuren als wij weg zijn. Of als een dreige-ment: zorg dat je voor die tijd vertrokken bent want anders ..... Dan wordt de gedachte aan de opname der gemeente omgeven met een dreigende sfeer: dit is uw laatste kans om te ontsnappen!

Daarom is het ook zo veelzeggend dat we helemaal aan het eind van het boek de uitspraak aantreffen: 'Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden, om ulieden dit te betuigen voor de gemeen-ten' (Openb.22.16). We zien: van het begin tot het eind richt de Heer zich in dit boek tot de gemeenten.

Het is noodzakelijk dat we dit met nadruk vermelden, omdat dikwijls dit boek aan de gemeente ontnomen wordt. Alleen de eerste drie hoofdstukken zijn voor ons, heet het dan. Zo berooft men de gemeente van haar toekomst, zo wordt het woord Gods krachteloos gemaakt. Het plan van God wordt dan op deze wijze opgesplitst; de gemeente heeft weldra haar tijd gehad, zij moet het veld ruimen en dan, na de gemeente, komt er weer iets anders. Dan heeft God weer een ander plan.

Het slotakkoord van Gods plan met de gemeente

Maar als we denken vanuit het wezen van God, dan weten we: God is één (al is Hij tevens een drieëenheid), en zijn plan is één. De gemeente is zijn eeuwig voornemen. Het koning-schap van de gemeente zal op geen ander volk meer overgaan, zoals we dat kunnen lezen in Dan.2:44.

Daarom is het nu de tijd dat het boek Openbaring terug gegeven wordt aan de gemeente, opdat zij haar toekomst zal leren kenen. Opdat zij visie zal hebben en vervuld zal worden met de gedachten Gods.

Net zoals de evangeliën voor ons als gemeenten van fundamenteel belang zijn omdat we daar Jezus, het enige beeld Gods, leren kennen, en omdat we daar de grondleggende prediking van Jezus, het evangelie van het koninkrijk Ieren kennen, evenzo is het boek Openbaring onmisbaar als sluitstuk van het Nieuwe Testament, als slotakkoord van Gods plan met de gemeente.

Geen vernietiging, maar herschepping

Vanuit dit uitgangspunt willen we dan nu een eerste grondgedachte gaan bezien. Het boek Openbaring staat in het teken van de herschepping. Het is merkwaardig hoe weinig men deze gedachte tegenkomt in verband met de eindtijd. Men is vaak meer vertrouwd met het idee: de wereld vergaat. Men spreekt van de planeet die aarde heette: verleden tijd. Of nog erger, zoals de oorspronkelijke titel van het genoemde boek luidt: wijlen planeet de aarde. En hoewel men (terecht) tegen krematie is, neemt men aan dat de aarde wel gekremeerd zal worden. De vraag is dan: hoe moeten we hierover denken vanuit het wezen Gods? Dan is het antwoord: God is naar zijn wezen Heelmeester, Hersteller. Daarom lezen we dan ook: 'En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw' (Openb.21:5). God gaat nieuw maken, dat wil zeggen vernieuwen, herstellen.

Dit is een eigenschap die verankerd ligt in het karakter van onze God. Hij geeft zijn schep-ping niet prijs. Hij verwoest niet, Hij verderft niet. Hij laat haar niet vergaan. Integendeel, de schepping zal bevrijd worden, zegt Paulus in Rom.8. En hij vertelt erbij dat het wachten is op de zonen Gods. Zij worden de herstellers.

Er is een parallel tussen Genesis en Openbaring, tussen schepping en herschepping. Als God alle dingen geschapen heeft, lezen we in Gen.1:31: 'En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed'. God legt er zijn wezen in, zijn goedheid. Hoe zal dan de herschepping wezen? Zal die minder zijn? Beslist niet; de herschepping zal niet minder vol-maakt zijn dan de schepping. Zoals het werk in de beginne voltooid werd, zo zal het ook in de eindtijd voltooid worden. Gods goedheid staat er garant voor. In Genesis moest de eerste mens de hof bebouwen en bewaken. In de eindtijd zal de nieuwe mens de schepping her-stellen. Dat zijn de zonen Gods. Maar dan moeten zij wel geloven dat God goed is. Want wat komt er anders van terecht, als God ook verwoest en vernietigt? Daarom, de zonen Gods zijn zij die Gods scheppingsgedachten overnemen. Zij weten: God is goed, en Gods goed-heid gaat het winnen, door hen.

 

  

HOOFDSTUK I I

 

DE GEBOORTEWEEËN VAN EEN NIEUWE TIJD

In hoofdstuk 1 hebben we gezien dat het in het laatste bijbelboek gaat om het herstel van de gehele schepping. Dit uitgangspunt is bepalend om de grote lijnen te gaan ontdekken en om bewaard te blijven voor een pessimisme, dat alleen maar ondergang en afbraak ziet. Alleen vanuit deze basisgedachte gaan we verstaan dat alles wat er ten aanzien van de toekomst beschreven wordt, samengevat kan worden onder het motto: voorspel. Het zijn de geboorte- weeën van een nieuwe tijd. Jezus gebruikt dit beeld ook uitdrukkelijk als Hij spreekt over de eindtijd, over oorlogen, revoluties en opstanden: 'Doch dat alles is het begin der weeën' (Matth.24:8). Jezus had een positieve visie over de toekomst en ook in dit opzicht moeten wij zijn gedachten overnemen. We kunnen alleen het doel van Jezus bereiken als we dezelfde visie hebben als Hij. Daarom is het beslist noodzakelijk dat we erop toezien dat we onze kijk op de eindtijd halen bij de Heer zelf.

We hebben gezien dat het boek Openbaring gegeven is aan de gemeente. Daaruit volgt dat elke leer die niet bij de uitleg van het hele boek de gemeente centraal stelt, op een zijspoor voert. Elke leer volgens welke de gemeente niet tot haar doel komt, moeten we onderkennen als een dwaling. Het gaat om de volkomenheid van de gemeente. Daarvoor heeft Jezus zijn leven gegeven en Hij zal loon zien op zijn arbeid. Daarom is het onmogelijk dat de gemeente zomaar roemloos en spoorloos verdwijnt. Het is uitgesloten dat de enige indruk die de gemeente achterlaat, zal zijn het beeld van een aantal vermisten. De moeite en strijd van onze Meester zal beloond worden. Zijn loon zal zijn: een gemeente, stralend, vervuld van het wezen Gods.

Daarom is het laatste bijbelboek van zo grote betekenis. Jezus wacht nog op zijn loon. En dit is de vreugde die doorklinkt in het boek Openbaring; een vreugde die we ons niet moeten laten roven. De vreugde: Jezus gaat zijn loon ontvangen. Om die vreugde die voor Hem lag, heeft Hij het kruis op zich genomen. Die vreugde moet ons perspektief zijn voor de eindtijd. Zijn vreugde moet onze vreugde zijn. Daarom kunnen we het boek Openbaring ook niet mis-sen in de bijbel. Het vormt de onmisbare voltooiing.

Waar vallen de beslissingen?

We spraken over geboorteweeën. Daarmee komen we bij een tweede grondpatroon in het boek Openbaring. De vraag is namelijk: waar gaat dat voorspel plaats vinden? Waar vallen de beslissingen? We zien zo duidelijk: het boek Openbaring toont ons een ontwikkeling. Er gebeurt niets bij toverslag. Er is geen sprake van een einde dat zomaar uit de lucht komt vallen. Maar hoe en waar wordt die ontwikkeling op gang gebracht? Wat zijn de drijvende krachten en waar bevinden deze zich?

In dit verband is het van fundamenteel belang te letten op wat Johannes schrijft over de hemel. Een kerntekst vinden we in Openbaring 4.1: 'Na deze dingen zag Ik, en zie, er was een deur geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, alsof een bazuin met mij sprak, zeide: Klim hierheen op en ik zal u tonen, wat na dezen geschieden moet'. Wat gebeurt hier? Er is geen enkel steekhoudend argument om te menen dat hier de opname van de gemeente beschreven zou worden. Wie dat erin leest, mist de sleutel tot het verstaan van de rest van het bijbelboek.

Wat is hier dan aan de hand? Johannes ziet een open deur en hij hoort de oproep: Klim op. Waar is die open deur? Waarheen moet hij opklimmen? In de hemel. Dat houdt dus in dat alles wat hij nu verder te zien krijgt, zich ontwikkelt in en vanuit de hemel. Dat is vanaf dit moment zijn standpunt, zijn gezichtspunt. Eerst moet hij opklimmen en pas dan is het voor hem mogelijk de ontwikkelingen van de eindtijd in ogenschouw te nemen.

Wat is de hemel?

De vraag is nu achter: wat is de hemel? Want daar hangt alles van af, dat we daar een scherp en juist beeld op krijgen. De hemel immers speelt in het hele boek Openbaring een centrale en beslissende rol. Wie dat over het hoofd ziet, komt in de grootste verwarring.

Daarom: wat is de hemel? En hoe komt Johannes daar? Het probleem is vaak dat velen een vaag beeld hebben van wat de hemel in wezen is. Waar denkt u aan bij de hemel? Vaak denkt men: de hemel is een verlengstuk van de aarde. Als men wat aan ruimtevaart gaat doen, komt men er wel.

De hemel wordt veelal beschouwd als een soort droomwereld, een plaats van rust: zalig rustoord, zoete vrede. In de hemel is het schoon, waar men zingt op blijde toon. En als een kind van God sterft, dan gaat hij naar de hemel. De hemel is dan of ver weg, of een zaak van de toekomst alleen. In de bijbel zien we echter dat er met de hemel veel meer aan de hand is. De hemel moet een realiteit zijn voor ons vandaag.

Een bijzonder verhelderend gedeelte in dit verband vinden we in Psalm 115. Daar komt de vraag van de heidenen naar voren. 'Waar is toch hun God?' (Ps.115:2b). De heidenen begrepen niet veel van de godsdienst van het volk Israël, want er was bij dit volk niets te zien: geen beelden, geen afbeeldingen, kortom geen zichtbare goden. Bij de andere volke-ren was dat wel het geval. 'Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van mensenhanden' (vs.4). En wat was nu het antwoord van het volk Gods in het oude verband op deze aantij-ging vanuit het heidense kamp? Natuurlijk, er waren er, zoals Jerobeam, die reageerden: dan maken we ook iets zichtbaars, dan nemen we een paar kalveren. Maar het ware volk Gods reageerde anders. Hun antwoord was: 'Onze God is in de hemel' (vs.3). Dat wil zeggen: Hij behoort niet tot de aarde, Hij behoort niet tot de zichtbare wereld, Hij is van een andere orde.

De psalmist gaat door op deze gedachtegang, als hij in vers 16 verklaart: 'De hemel is de hemel van de Here, maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven'. Hier wordt gesproken over hemel en aarde als een tweedeling, ze vormen een kontrast. Het zijn twee terreinen: de aarde, de zichtbare wereld, is voor de mens; de hemel, de onzichtbare wereld, is voor God. Dat wil zeggen: zo was de stand van zaken voor de mens van het oude verbond.

Voor hem gold: de hemel is van de Here: dat is Gods terrein. Dat was een gebied dat de mens niet betrad. Hij kon nog niet opklimmen. De hemel was boven en de mens was beneden. Men moest zich tevreden stellen met de wetenschap: de hemel is de woonplaats van God. Wat er zich verder in die hemel afspeelde, een enkeling mocht er eens een glimp van opvangen. maar in de regel bleef het voor de mens, ook voor de gelovige, verborgen.

We kunnen dus vaststellen: de hemel is de verborgen wereld, de onzichtbare wereld, en aangezien hij de woonplaats is van een God die Geest is, kunnen we ook spreken van de geestelijke wereld.

 

 

Waarom schreven de gelovigen van het Oude Verbond alles toe aan God?

Nu was de mens van het Oude Testament zich heel duidelijk bewust dat hij beïnvloed, geïn-spireerd kon worden vanuit de geestelijke wereld. Maar voor hem gold het uitgangspunt: 'De verborgen dingen zijn voor de Here, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen voor altijd, opdat wij al de woorden dezer wet volbrengen' (Deut.29:29). De verbor-gen, dus de hemelse, dingen zijn Gods terrein. Dit gezichtspunt heeft achter verstrekkende konsekwenties. En veelal heeft men deze konsekwenties totaal over het hoofd gezien.

Als namelijk de hemel Gods terrein was, en het was een voor de mens verborgen wereld, dan volgt daaruit dat men tot de slotsom kwam: alles wat uit die verborgen wereld, uit de hemel dus, tot ons komt, komt van God. Of het nu goed is of kwaad, alles wat een onzienlijke oorsprong had, moest men wel toeschrijven aan God. Vandaar dat een vrouw als Naomi op een gegeven moment tot de uitspraak komt: 'De Almachtige heeft mij veel bitterheid aange-. daan' (Ruth 1:20). Vandaar dat Job, als de satan hem in de ellende stort, uitroept: 'Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?' (Job 2:10). God in de hemel was immers de bron van alles? Aan het einde van het verhaal moet Job echter wel erkennen: 'Ik verkondigde, zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep' (Job 42:3b).

Zo was het voor de gelovigen van het oude verbond in het algemeen. Zij bleven aards; de hemel was voor hen een afgesloten terrein. Zij hadden immers de sleutels niet. Wat er achter die gesloten deuren gaande was, dat konden zij doorgaans niet bevroeden. Zij konden hun voet niet zetten in de hemelse gewesten.

Een man als Jesaja was er wel mee bezig. Hij verlangde hogerop te komen. Als hij bijna aan het einde is van een jarenlange profetische bediening, dan is de bede van zijn hart: 'Och, dat Gij de hemel scheurdet' (Jes.64:1). Wat bedoelt hij met dit gebed? Hiermede verwoordt hij het hoogste ideaal van de oudtestamentische gelovige: God, ontsluit voor mij die onzienlijke wereld, open voor mij, voor ons de hemel, onthul ons de verborgenheden van de geestelijke wereld, toon ons de dingen achter de dingen, leid ons in, leid ons binnen in dat onbekende gebied: de hemel. Dit gebed stijgt uit boven het niveau van het oude verbond. We kunnen niet anders dan onder de indruk komen van de diepe geestelijke hunkering van deze gods-man. Hij bidt niet om een wolkbreuk of om een natuurramp, zoals een oppervlakkige lezer zou kunnen menen, neen, zijn bede is: Heer, geef mij een blik achter de schermen. Laat mij mogen schouwen in uw wereld, God. Laat mij kennen zoals U kent. Laat mij denken zoals U denkt.

De overgang van het aardse naar het hemelse

Eeuwen later is daar de komst van Jezus. En één van de geweldigste opdrachten waar Hij zich voor gesteld ziet, is: dit gebed, dat Jesaja eenmaal opzond, te verhoren. Jezus is zich bewust: op Mij rust de enorme taak. de hemel te ontsluiten en een volk daar binnen te leiden.

Daarom is het dan ook bijzonder veelzeggend, wanneer we bij de doop van Jezus lezen: 'En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen' (Matth.3:16). Het is niet toevallig dat we dit gaan aantreffen direkt aan het begin van het Nieuwe Testament. Jezus luidt een nieuwe fase in van het plan Gods. De overgang van het aardse naar het hemelse. Waar Jezus zich gereed maakt om zijn bediening te beginnen, daar gaat de hemel open.

Daarmee is het startsein gegeven voor de grote opdracht die Jezus nu gaat vervullen, name-lijk om straks zijn discipelen de verborgenheden van deze hemelse wereld bekend te maken. Om een volk te formeren van hemelburgers.

Door zijn prediking gaat Jezus de geestelijke mens tevoorschijn brengen. Een hoogtepunt is het dan ook als de Meester spreekt tot zijn leerlingen: 'Omdat het u gegeven is de geheime-nissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen' (Matth.13:11). En Hij kan er terecht aan toevoegen: 'Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien' (Matth. 13:17). Voor de profeten was immers de geestelijke wereld nog verborgen, maar nu is het glorieuze moment aangebroken. Jezus kan zeggen: Kom en zie. Jezus ontsluit de hemelen. De ogen van de discipelen worden zalig genoemd, omdat zij mogen zien waar het goede vandaan komt en waar de oorsprong van het kwaad ligt. Wat eeuwenlang verborgen was, wordt hun geopenbaard: het wezen van God en het wezen van de boze.

De deur naar de hemel is open!

Alleen tegen deze achtergrond kunnen we de oproep aan Johannes verstaan: 'Klim hier-heen op' (Openb.4:1). Daar gaat het om in het boek Openbaring. We mogen dit boek nooit losmaken van het evangelie zoals Jezus zelf het bracht. Het gaat over dezelfde hemel. En juist dit is de boodschap voor de eindtijd: volk van God, de deur naar de hemel is open! De poort naar de geestelijke wereld is open. Wie de eindtijd wil verstaan, moet het daar zoeken. En nergens anders. Alleen wie opklimt, krijgt inzicht. Alleen zo ontvangt met het rechte zicht op de toekomst.

Het hele eindtijdgebeuren gaat zich ontwikkelen in en vanuit de hemel. De beslissingen val-len in de geestelijke wereld. Daar moet Johannes zich op richten; daar dient hij zijn aandacht bij te bepalen.

Het volk van God moet leren geestelijk te strijden

Maar op welke wijze klimt de apostel nu op? Hij zegt in Openb.4:2: 'Terstond kwam ik in vervoering des geestes'. Nu is het woord 'vervoering' door de vertalers ingevoegd; letterlijk staat er: terstond kwam ik in de geest. Johannes verplaatst zich in de geest. Met zijn geest mag hij zich verheffen om te aanschouwen wat zich in de geestelijke wereld gaat afspelen. Daarom: alleen als we de geestelijke wereld kennen, als we daar thuis zijn, alleen dan zullen we het boek Openbaring kunnen verstaan. We komen niet in de hemel door wat aan ruimte-vaart te gaan doen, we komen er alleen door onze geest.

Het boek Openbaring spreekt ook over een strijd. Er is een konflikt gaande dat zich steeds scherper gaat aftekenen. Jezus duidde ook reeds op oorlogen en geruchten van oorlogen. Maar waar en hoe wordt die strijd gevoerd en beslecht? Waar en hoe wordt de zaak tot overwinning gebracht? Dan vinden we weer een heel typerende tekst in Openb.12.7: 'En er kwam oorlog in de hemel'. Daar is het front; daar bevindt zich het terrein van de strijd. Dat is mogelijk geworden door de komst van Jezus; nu kan er een volk opstaan dat de vijand aan-pakt op zijn eigen terrein, dat is in de geestelijke wereld. Dat is de boodschap van het boek Openbaring. Die strijd moeten we leren. Alleen zo wordt een volk toegerust met geestelijk inzicht, met de wapenen des Geestes. Alleen zo wordt een leger toebereid voor de eindstrijd in de hemelen. Dat is het volk dat de oproep heeft verstaan: Klim hierheen op.

 

HOOFDSTUK I I I

 

DE BETEKENIS VAN DE PLAGEN

Wat moeten we met al die plagen die in het boek Openbaring beschreven worden? Wordt de toekomst hiermee toch niet tot een troosteloze aangelegenheid? De enige moedgevende gedachte die dan overblijft, is: Gelukkig maken wij dat allemaal niet meer mee. Ons motto is: Na ons de zondvloed. De enige vreugde die men dan aan het boek Openbaring kan beleven, is in dat geval te vergelijken met het genot dat iemand ondervindt bij het lezen van een span- nend griezelverhaal: de rillingen lopen je over de rug, maar gelukkig, in een oogwenk doe je het boek dicht en je blijkt je te bevinden in een veilige fauteuil achter een warme kachel.

Voor velen zijn de plagen een argument: zie je nu wel dat God niet enkel goed is? Kijk maar wat God hier allemaal gaat doen, en je wilt toch niet beweren dat het boek Openbaring oud-testamentisch is? Het is in dit verband merkwaardig hoevelen dapper zingen: Ja, God is goed, zonder evenwel de konsekwenties van die belijdenis te onderkennen.

Als we iets zinnigs willen zeggen over die plagen, dan dienen we als uitgangspunt vast te stellen: er zal een verband moeten zijn tussen die plagen en het centrale thema van het laatste bijbelboek: de openbaring van Jezus Christus in de eindtijd. En de vorige keer heb-ben we gezien: Johannes kreeg een blik in de hemel, dat wil zeggen in de geestelijke wereld. We hebben dus te maken met gebeurtenissen in en vanuit de hemelen. Het heeft derhalve weinig zin de krant te hulp te roepen. Als Johannes een blik in de hemel slaat, moeten wij dan een blik in de krant werpen? Leg alles zoveel mogelijk letterlijk uit, zo luidt vaak het devies. Vreemd is dan achter dat, wanneer men dergelijke letterlijke verklaringen leest de sprinkhanen uit Openbaring 9 plotseling helikopters blijken te zijn, terwijl met de berg die, brandend van vuur, in de zee werd geworpen, natúúrlijk een atoombom bedoeld is. Johan-nes had immers in zijn taal geen woorden voor al die moderne uitvindingen. Nu roepen zulke methoden van uitleg in de regel meer vragen op dan ze beantwoorden. Want men zal dan bijvoorbeeld ook moeten verklaren hoe het mogelijk is dat die helikopters opkomen uit de afgrond. En ook: wat is het verband tussen deze science fiction-achtige verschijnselen en de hoofdlijn van het boek Openbaring: het plan Gods met de gemeente?

Voor velen is het de grootste vreugde wanneer ze in één of andere aardse gebeurtenis een vermeende natuurlijke vervulling kunnen vinden van een bepaalde tekst uit Openbaring. Zo zijn de vogels die in Openbaring 19 aan de maaltijd zitten, natuurlijk de gieren en de buizerds in Palestina, die al begonnen zijn vier eieren te leggen in plaats van twee. Geen van deze beesten zal hebben kunnen bevroeden hoeveel vreugde zij menig christen zouden bereiden door middel van het opvoeren van hun eierproduktie.

De sleutel met betrekking tot de plagen vinden we als we bedenken dat er nog een ander bijbelboek is waarin over plagen gesproken wordt. Dat is het boek Exodus. Het is niet toe-vallig dat er zoveel verband bestaat tussen deze beide bijbelboeken. Hier stuiten we op een kerngedachte, die beslissend is voor ons verstaan van het boek Openbaring en die bepalend is voor onze hele visie op de eindtijd. Het laatste bijbelboek beschrijft ten diepste een exodus, een uittocht.

 

Het exodusgebeuren van de eindtijd

God wil dat we zicht gaan krijgen op het exodusgebeuren in de eindtijd. Daarom willen we in verband hiermee enkele vragen stellen. Allereerst komt dan de vraag naar voren: waarom is het zo belangrijk dat we dit exodusmotief ontdekken? Het antwoord is: omdat dit alles te maken heeft met het wezen van God. Daarom willen we onderstrepen: het is niet toevallig dat het laatste bijbelboek een exodusboek is. Dat kon eenvoudig niet anders. Want zo is God. Het is gewoon een absolute noodzaak dat de hele geschiedenis gaat uitlopen op een exodus. Anders komt God niet aan zijn eer. Als iemand God zou kennen zoals Hij is, maar hij zou nog nooit een letter van het boek Openbaring gelezen hebben, en men zou hem vragen: Wat denk je dat de inhoud van het laatste bijbelboek zal zijn? dan zou hij maar één antwoord kunnen geven: Ik denk dat het over een exodus moet gaan.

Hier ontdekken we een grondprincipe van het wezen Gods. God is een God die uitléidt. Dat is niet alleen maar iets wat Hij doet, zodat je zou kunnen zeggen: Hij kan ook nog anders. Neen. zo is Hij. En daarom moet het vóór alles duidelijk voor ons worden: het boek Open-baring heeft in wezen maar één doel: niet om van ons betere krantenlezers te maken, of om te kunnen zeggen: zie je wel, al die ellende die er in de wereld is, staat ook al in de bijbel, dus het zal wel zo moeten wezen. Maar het gaat om iets totaal anders: het doel is, onze kennis van God te volmaken. Dit is het meesterlijke sluitstuk van het wezen Gods. Dit is het toppunt van al de heerlijkheden Gods. Johannes was niet bezig met wat primitieve pogingen om atoombommen en vliegtuigen te beschrijven. Johannes was bezig met God. Met die geweldige, unieke, heerlijke God die uitleidt. En hij kreeg het voorrecht om aan de komende generaties te mogen tonen welk aspekt van het wezen Gods zich in de laatste tijden als het meest opvallende zou gaan ontvouwen. Zoals Jesaja het eenmaal onder woorden bracht: 'Zo hebt Gij uw volk geleid om U een luisterrijke naam te maken' (Jes.63:14). Hier wordt Gods naam, dat is zijn wezen, op het luisterrijkst getoond. Hier komt de goedheid van God tot haar volle ontplooiing. Omdat God goed is, leidt Hij uit. Voor God is dat uitleiden niet iets bijkom-stigs, iets wat Hij naast andere bezigheden erbij doet, iets wat Hij eventueel ook zou kunnen nalaten, een ondergeschikt punt op zijn programma, neen, hier raken we aan het punt waar-om God God is. Hier is Gods diepste wezen mee gemoeid. Hier en hier alleen gaan we ten volle ontdekken: deze God is onze God, Hij is ons deel, ons zalig lot. Dan kunnen we instem-men met de psalmist: 'Waarlijk zo is God, onze God, voor eeuwig en altoos: tot de dood (of zoals er letterlijk staat: over de dood heen) zal Hij ons leiden' (Ps.48:15).

De naam van God en de uitleiding door God zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden

We zien dus: het boek Openbaring toont ons het hart van God. Het draait om de vraag: hoe is Gods karakter in de eindtijd? In dit verband is er nog een bijzonder treffende parallel tus-sen de boeken Exodus en Openbaring, namelijk in het gebruik van de naam van God. Kern-moment in het exodusgebeuren ten tijde van Mozes is de proklamatie van de Naam: 'Ik ben die Ik ben' (Exod.3:14). Nu is deze uitspraak in de Griekse vertaling van het oude testament weergegeven met: 'Ik ben de zijnde', oftewel: 'Ik ben Hij die is'. In het boek Exodus is dit dubbele element een grondmotief: openbaring van de Naam en uitleiding van het volk zijn wezenlijk met elkaar verbonden. Waar God iets van zijn wezen begint te openbaren, daar komt een uittocht. En anderzijds, als God zijn volk wil gaan uitleiden, dan doet Hij dat door allereerst iets van zijn wezen bekend te maken. Uittocht en Naam grijpen in elkaar. We kunnen zeggen: de uittocht is het gevolg van de openbaring van Gods wezen. Dan kan het gewoon niet anders; op Exodus 3 moet eenvoudig een uittocht volgen. Maar ten diepste ligt er nog een nauwer verband: de openbaring van Gods wezen is in feite een uitleiding. Wie het wezen van God gaat zien, wordt op datzelfde moment inderdaad uitgeleid. Wie God gaat kennen zoals Hij is, die is in wezen al uit het diensthuis vandaan. Die is niet meer waar hij vroeger was.

In Exodus 20 komt die dubbele gedachte nog weer eens schitterend tot uiting: 'Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb' (vs. 2). Beide elemen-ten: de naam van God (Ik ben) en de uitleiding, zijn hier weer onlosmakelijk met elkaar ver-bonden. God wil het zijn volk inprenten: Ik ben de God die uitleidt. Dat moet de basis van hun hele denken worden. Als je van nu af aan over God spreekt, dan heb je het over de God die uitleidt. Daarom zegt de Heer er dan ook meteen achteraan: 'Gij zult geen anders goden voor mijn aangezicht hebben' (vs.3). Een ander soort god mag je en moet je er niet op na houden. Want dan ben je met de verkeerde bezig. Zorg dat je de goede voor hebt. De enige

ware God is een uitleidende God. Als je je geest verbindt met een ander godsbeeld, dan ben je inderdaad verkeerd verbonden.

Gods wezen is: uitleiden. Dat is wat God het liefste doet; dan is Hij in zijn element. Uitleiden is, met eerbied gesproken, een kolfje naar zijn hand. Het is een werk naar Gods hart. En als we bedenken dat God in de dagen van Mozes nog maar een klein gedeelte van zijn wezen openbaarde, met als resultaat toch al een grootscheepse uittocht, wat zal er dan niet gaan gebeuren in de eindtijd, waarin God niet een deel, maar zijn gehele wezen gaat bekend maken? Het einde wordt beter dan het begin. Mozes leidde een aards volk uit op aarde. Jezus, de betere Mozes, leidt een geestelijk volk uit in de geestelijke wereld. Mozes bereikte uiteindelijk het doel niet, Jezus zal met zijn volk het doel wel bereiken.

De naam van God is bepalend voor de finale van de geschiedenis

Daarom is het zo frappant dat in het boek Openbaring de Godsnaam uit Exodus herhaalde malen naar voren komt. Het begint direkt al in Openb.1:4: 'Genade zij u en vrede van Hem, die is en die was en die komt'. En dan volgt in vers 6 de fundamentele proklamatie: 'Ik ben de alpha en de omega, zegt de Here God, die is en die was en die komt, de Almachtige'. Deze tekst staat niet toevallig op deze plaats. Hij vormt als het ware de toonzetting van het hele eindtijdgebeuren. Alles wat nu verder volgt, is gevat in dit kader; bepalend voor de finale van de geschiedenis is de Naam van God, met daarin een dubbele verwijzing naar het boek Exodus: Ik ben, en Hij die is. Dit is om zo te zeggen Gods program voor de laatste tijden.

Meermalen vinden we deze regel: wie het thema van een bepaald bijbelboek wil opsporen, moet bestuderen welke namen van God erin voorkomen. Zo is het ook hier: als God tot Johannes en daarmee tot de gemeente begint te spreken in dezelfde trant als eenmaal tot Mozes, zij het dan in een verder gevorderd stadium, dan weten we: de eindtijd is een exodustijd.

Nog driemaal komt deze naamsaanduiding in Openbaring terug. In Openb.4:8 zijn de vier wezens die Gods naam uitroepen als de God die was en die is en die komt. In hoofdstuk 11:17 zijn het de vierentwintig oudsten als vertegenwoordigers van de volgroeide gemeente, die deze proklamatie overnemen: 'Wij danken U, Here God, Almachtige, die is en die was, dat Gij uw grote macht hebt opgenomen'. Tenslotte lezen we dan in hoofdstuk 16:5 de uitspraak: 'Rechtvaardig zijt Gij, die zijt en die waart'.

Dat wil zeggen: Gods karakter gaat het winnen. Dat is het getuigenis van het laatste bijbel-boek; dat is richtinggevend voor ons denken, en voor de toekomst. Dat is het doel van de geschiedenis: dat het wezen Gods zal blijken de waarheid te zijn. Daarom loopt de exodus-naam van God als een rode draad door het boek van de eindtijd heen.

Is de gemeente na Openbaring 3 verdwenen?

De vraag die zich vervolgens aandient, luidt: wat wordt er uitgeleid? En dan zien we: aller-eerst het volk van God. Maar laten we ons daarin niet vergissen, want dit houdt meer in dan veelal gedacht wordt. Vaak meent men: na Openbaring 3 is de gemeente verdwenen. Dat zou dan dus de uitleiding van het volk Gods moeten zijn. De rest van het boek Openbaring zou daar dan dus niets meer mee te maken hebben. In feite zou dus het overgrote deel van het boek, maar liefst negentien van de tweeëntwintig hoofdstukken, niets van doen hebben met de gemeente en haar uittocht.

Kenmerkend voor deze gedachtengang is: de gemeente verdwijnt. En daarbij vallen dan een paar punten speciaal op: die verdwijning is plotseling, zij geschiedt zonder slag of stoot, en zij vindt plaats vóór de beslissende eindfase van de geschiedenis. Zij heeft ook geen enkel effekt, behalve dan zoals men meent, een aantal stuurloze auto's, treinen, etc. Men wordt dan uitgeleid uit het voertuig waar men zich op een bepaald moment in bevindt.

Deze vier punten echter willen we eens wat nader bezien, omdat ze van fundamenteel belang zijn voor het hele verstaan van het eidtijdgebeuren. Want als we deze opvatting vergelijken met de exodus in de dagenvan Mozes, dan is daar een hemelsbreed verschil. Die uittocht geschiedde niet zonder slag of stoot, ook gebeurde het niet plotseling, er ging daarentegen een bepaalde ontwikkeling aan vooraf. En daarbij was die uittocht beslist niet zonder effekt: we lezen in verband met de uitleiding en de daaraan gekoppelde doortocht door de zee: 'Volkeren hoorden het, zij sidderden; beving greep de bewoners van Filistea aan. Toe verschrikten Edoms stamhoofden, huivering greep Moabs machtigen aan: alle bewoners van Kanaän sidderden. Ontzetting en schrik overviel hen, door uw geweldigen arm verstarden zij als steen, terwijl uw volk, Here, doortrok, uw volk, dat Gij U verworven hebt, doortrok' (Exod.15:14-18). We zien: het was een uittocht met een voorspel, en het was een uittocht met uitwerking. Zal dan de uittocht van het volk Gods in de eindtijd minder zijn? Wat zal dan het voorspel zijn, en wat de uitwerking? Op die vragen willen we in het volgende hoofdstuk dieper ingaan.

 

 

ALIGN="CENTER"HOOFDSTUK I V

 

DE GEESTELIJKE BEVRIJDING IN DE EINDTIJD

In hoofdstuk 3 hebben we gezien: het boek Openbaring beschrijft een exodus. We zijn toen geëindigd met een aantal vragen. In wezen gaat het om het punt: welk karakter heeft die uittocht?

Allereerst stellen we dan vast: die exodus van het volk Gods is geen verdwijning. Wat gebeurde er ten tijde van Mozes? Het volk Israël verdween niet, maar het kwam onder de macht van farao vandaan; het was geen verdwijning, maar een bevrijding.

Waar is het nu om begonnen in de eindtijd? Ook om een bevrijding, maar dan een voluit geestelijke. De gemeente wordt niet bevrijd door een beetje aan ruimtevaart te gaan doen; zou iemand dan, wanneer hij buiten de dampkring komt, plotseling een ander mens worden? Hoe zat dat dan met de astronauten, wanneer ze hun ruimtereizen maakten?

God heeft een veel grootser doel: een volk komt onder de machten vandaan, het werpt zijn juk af en het staat op.

Maar in de dagen van Mozes kwam de uittocht niet zomaar uit de lucht vallen. Het was niet zo dat de Israëlieten zomaar van de ene dag op de andere vertrokken waren, zonder dat de farao er iets van af wist. Velen menen: niets staat meer de beëindiging van het gemeente-tijdperk in de weg. Elk moment kan het gebeuren. Bij Mozes zien we echter dat de zaak duidelijk anders ligt. Toen hij door God geroepen werd, kon hij beslist niet zeggen: Nu kan het volk elk moment uitgeleid worden. Die uitleiding was een proces; dat was niet een kwestie van afwachten. En om dat proces op gang te brengen, waren er verschillende kern-momenten nodig; dat ging niet vanzelf. Het was niet genoeg dat het volk klaagde over zijn harde dienst; hun klachten brachten hen niet uit Egypte.

Zo is het ook in onze tijd: het is niet genoeg dat er een volk is dat klaagt over de donkere tijd. Wie klaagt is ongeschikt voor de exodus. Een aantal elementen is onmisbaar: Mozes moet telkens naderen tot God, dat wil zeggen: hij moet God leren kennen (voorzover dat in het oude verbond dan nodig was); bovendien moet Mozes telkens naar de farao. En wat moet hij daar doen? Daar moet hij woorden spreken, woorden Gods, woorden van gezag: Laat mijn volk gaan! Daar zien we iets van een geestelijke strijd. En intussen wordt het volk van God klaar gemaakt, afgezonderd, apart gezet, en tenslotte, door de kracht van het bloed, losgekocht.

De taak van de gemeente in de eindtijd

Drie kernmomenten spelen dus een rol: kennis Gods, konfrontatie met de tegenstander en afzondering. Deze drie momenten vormen als het ware de motor waardoor het exodusproces in beweging wordt gezet.

In dit kader moeten we ook de plagen beschouwen. We willen enkele sleutelteksten in verband hiermee naar voren halen. In Exod.12 lezen we aan het slot van vers 12: 'En aan alle goden van Egypte zal Ik gerichten oefenen'. Het gaat dus in wezen om een strijd tussen God en de goden. Het vonnis wordt voltrokken aan de afgoden, de machten. En naar de woorden van Psalm 149 is dat voltrekken van het vonnis de luister van al Gods gunstgenoten. Zo was Mozes daarmee bezig op aarde, zo zal dit ten volle de taak zijn van de gemeente in de hemelen. De gemeente van de eindtijd zal de gerichten ten uitvoer brengen over de goden dezer eeuw.

Een gedeelte dat ook licht werpt op de plagen van Egypte, vinden we in Psalm 78. God is niet de bron van het onheil, maar we lezen: 'Hun vee gaf Hij prijs aan de hagel en hun kudden aan de vurige schichten. Hij zond tegen hen zijn brandende toorn, verbolgenheid en angstwekkende gramschap, een schare van verderfengelen. Hij baande een pad voor zijn toorn, Hij behoedde hun zielen niet voor de dood, maar gaf hun leven prijs aan de pest' (vs.48-50). Hier blijkt duidelijk dat het om een prijsgeven gaat. De Egyptenaren werden prijs-gegeven aan de machten waar ze mee verbonden waren. De bescherming word weggeno-men; het was voor God onmogelijk, een volk dat zich zo hardnekkig verenigd had met het rijk der duisternis, nog omtuining te bieden. 'Hij onttrok hun ziel niet van de dood', zegt de Statenvertaling. God kon hen ook niet meer aan de dood onttrekken, want zij hadden zich aan de bescherming van de God des levens onttrokken. Alleen als een mens zich volhar-dend verbindt met de machten, komt hij onder het vonnis dat voor die machten bedoeld is; alleen dan komt die mens in het eeuwige vuur, dat niet voor de mens, maar voor de duivel en zijn engelen bereid is.

Het loon dat de duivel uitbetaalt

We zien hier: het gericht wordt beschreven als een schare van verderfengelen. In feite keren zich dus de machten tegen hen die het rijk der duisternis altijd gediend hebben. We zouden het ook zo kunnen formuleren: de boze gaat het loon uitbetalen, het loon dat bestaat in dood en verderf. De farao, die altijd voor de duivel gewerkt heeft en verderf heeft gezaaid, zal nu oogsten wat hij gezaaid heeft. Wat Egypte ontvangt, is de vrucht van hun eigen overleggin-gen, om het met de woorden van Jeremia te zeggen (Jer.6:19).

Dezelfde gedachtegang vinden we in het boek Openbaring. Om daar zicht op te krijgen willen we letten op drie parallel lopende gebeurtenissen. Zoals bekend. wordt er gesproken over zegels, bazuinen en schalen; we hopen daar nog wel nader op terug te komen. Maar bij alle drie is opvallend de manier waarop de zaak op gang komt. Er is als het ware een bepaalde startprocedure.

De opening van de zegels

Allereerst wat de zegels betreft: er is iemand nodig die ze opent, en dat is niet zomaar een willekeurige zaak, daarvoor wordt niet iemand van de straat gevraagd, neen, daar is een speciale bevoegdheid voor vereist. En van welke aard is die bevoegdheid? Daar wordt vaak overheen gelezen; meestal denkt men klakkeloos: natuurlijk, het Lam is de enige die de zegels mag openen, want Hij is God. Maar Openb.5 is veel konkreter, daar wordt een scherp omschreven motivering gegeven: 'Zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen' (vs.5). Hier blijkt: deze bevoegdheid heeft een basis, zij berust op een overwinning. Om de zegels te kunnen ontslui-ten moest Jezus eerst een bepaalde strijd beslechten, Hij moest een bepaalde positie ver-werven in de geestelijke wereld. Het gaat hier immers over een geestelijke overwinning. En op die basis ontvangt en bezit Jezus dan bevoegdheid, waardigheid, zoals Openb.5 dat zo typerend noemt.

En dan ontdekken we een buitengewoon fundamenteel grondprincipe, een grondwet van de geestelijke wereld. Wie iets aan het laatste bijbelboek wil hebben, zal hierop zijn aandacht moeten spitsen. Want dit is nu juist het meesterwerk van de Geest: de Geest van God is erop uit, aan de hand van velerlei beelden te belichten, hoe de eeuwige grondwetten van de geest zich in de eindtijd ten volle gaan realiseren. En God wil ons, zijn knechten, tonen, welke die grondwetten zijn, die ten grondslag liggen aan het hele gebeuren in de hemelse gewesten.

Welnu, welk principe treffen we hier aan? Het Lam heeft gezegevierd, en nu is Hij degene die zegels kan en mag openen. Dat wil zeggen: elke overwinning die in de hemelen behaald wordt, maakt iets los. En als dit principe ergens van kracht is, dan is het hier; we weten immers dat hetgeen Jezus aan het kruis bevochten heeft, de grondleggende overwinning is, we zouden kunnen zeggen: de oeroverwinning, die de bron vormt van alle volgende over- winningen.

Het gevolg van de overwinning van Jezus

Daarom kan het niet anders: nu komt er inderdaad wat los. Als Jezus aan het kruis en in het dodenrijk de legermacht der duisternis verslaat. dan wordt daarmee metterdaad een gigan-tisch proces in beweging gezet. Het is dan ook een logisch gevolg dat Openb.6 begint met de woorden: 'En ik zag, toen het Lam een van de zeven zegels opende, en ik hoorde een van de vier dieren zeggen met een stem als van een donderslag: Kom!' (vs.1).

Dat beeld van die donderslag is niet toevallig; dat betekent meer dan alleen maar: hij had een harde stem. Wanneer het onweert, dan zit er werking in de lucht; krachten ontladen zich. Met andere woorden: de botsing der geesten in de hemelse gewesten wordt ingeluid. Zegels

gaan open, tijden worden in beweging gezet, strijd gaat ontbranden.

Het is dan ook alleszins verklaarbaar dat het openen van de zegels resulteert in het uittrek-ken van een serie paarden. Tenslotte is het paard in de bijbel over het algemeen het strijdros. Het paard wordt opgetuigd tegen de dag van de strijd, zegt ons Spr.21:31. Zo zien we hier in Openb.6 een opmars van geestelijke legerscharen. En deze opmars is het gevolg, de weerslag, van de overwinning die Jezus behaald heeft. We zouden ook kunnen zeggen: wat onze Heer gedaan heeft, brengt een bepaald reaktie teweeg.

De gemeente in het voetspoor van het Lam

En tweede voorbeeld van deze geestelijke grondwet vinden we in Openb.8. We lezen daar over het reukwerk, de aanbidding der heiligen. De gemeente is dus kennelijk niet uitgeran-geerd. Dan vertelt ons vers 5: 'En de engel nam het wierookvat en vulde dat met het vuur van het altaar, en wierp (het vuur) op de aarde; en er kwamen donderslagen en stemmen en bliksemstralen en aardbeving'. Daar zien we: het volk van God brengt door zijn gebeden een geestelijk proces op gang, waarbij enorme krachten gaan meespelen. Precies zoals het Lam dat deed in hoofdstuk 5, zo treedt hier de gemeente in hetzelfde voetspoor: zij wordt werk-zaam, dat wil zeggen zij gaat werken in de geestelijke wereld, en dat niet alleen: zij werkt daar ook wat uit.

Daarom is Openb.8 ook zo'n veelzeggend gedeelte: het laat ons zien wat Gods plan is. God bedoelt een volk dat invloed heeft in de hemelen. Vanuit de gemeente wordt de loop der geschiedenis bepaald. De gebeden van het volk Gods vormen de startsignalen voor de eind-strijd. Er volgt dan ook onmiddellijk op: 'En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, maakten zich gereed om te bazuinen (Openb.8:6). Zij luiden nieuwe etappes van de kamp in.

De strijd wordt ontketend vanuit de gemeente

Het derde voorbeeld treffen we aan in Openb.15. Johannes vertelt daar: 'En daarna zag ik, en de tempel van de tent der getuigenis in de hemel ging open; en de zeven engelen, die de zeven plagen hadden, kwamen uit de tempel, bekleed met rein en blinkend linnen en de borst omgord met een gouden gordel. En een van de vier dieren gaf aan de zeven engelen zeven gouden schalen, vol van de gramschap van God, die leeft tot in alle eeuwigheden (vs.5-7). Daar zien we opnieuw datzelfde geestelijke grondprincipe: de strijd wordt ontketend vanuit de tempel, dus vanuit de gemeente.

In het Oude Testament vinden we een parallel die in dit verband verhelderend kan werken. Als Gideon ten strijde trekt tegen Midian, dan gaat hij naar de buitenrand van de legerplaats, en dan lezen we. 'Toen bliezen zij op de horens, terwijl zij de kruiken stuksloegen, die zij in de hand hadden'. En ze riepen. 'Het zwaard van de Here en van Gideon!' (Richt.6:19-20). Het gevolg is dat het leger van de vijand in beroering komt, en het zwaard van de een keert zich tegen de ander. Gideon met zijn mannen bracht de strijd op gang.

Zo is de gemeente in de eindtijd de gangmaker van wat er zich in de geestelijke wereld gaat afspelen. Het gevolg is dat het rijk der duisternis aan zichzelf ten onder gaat; de boze valt in zijn eigen zwaard. En het woord van Jezus gaat in vervulling: 'En indien de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij niet bestaan, doch is hij aan zijn einde' (Marc.3:26).

 

HOOFDSTUK V

 

LET OP DE NAMEN GODS:

Gods volk wordt uitgeleid. Dat was onze konklusie. En we hebben gezien dat die exodus zich voltrekt, doordat het rijk der duisternis wordt prijsgegeven aan zichzelf.

Nu zijn er nog een paar namen van God die ook op dit exodusgebeuren wijzen. We weten immers: elke naam van God vertelt ons iets over zijn wezen. Iedere naam van God is als het ware een program. Zo'n naam laat ons zien: zo is God en dit is Hij van plan. En we weten ook: God maakt al zijn namen waar. Zoals zijn namen zijn, zo zal ook zijn optreden zijn. En dit geldt dan wel heel speciaal in de eindtijd: dat is de tijd waarin de Heer al zijn namen gaat ten toon spreiden, dat wil zeggen: dan gaat God zijn volledige wezen openbaren.

Daarom: let op de namen Gods. Vaak wordt de christenen geleerd te letten op van alles en nog wat. Men moet letten op kometen en planeten, op Carter (of Bush) en op de Russen, en men moet vooral veel klok kijken in de zichtbare wereld. Maar wie heeft er geleerd te letten op de naam van God? En toch is dat het teken van de eindtijd bij uitnemendheid: dat Gods naam gezien zal worden in zijn volk.

Zo hebben het de profeten voorzegd: 'Zie, de naam des Heren komt van verre' (Jes.30:27). 'Te dien dage zal de Here de enige zijn, en zijn naam de enige' (Zach.14.9). Alleen de naam van God, dat is het wezen van God, blijft overeind; dat is het vaste punt in de geestelijke wereld. Daarmee hangt samen wat Zacharia eerder reeds heeft uitgesproken ten aanzien van het laatst der dagen: 'En Ik zal te dien dage, luidt het woord van de Here der heerscha-ren, de namen van de afgoden uit het land uitroeien, zodat niet meer aan hen gedacht zal worden' (Zach.13:12). Dat is het grandioze perspektief voor de toekomst: alle namen der machten worden teniet gedaan, dat is het wezen, het karakter van het rijk der duisternis, en daartegenover komt de naam van God, het wezen van de Heer, juist uit de verf. Gods naam zal stralen als de zon.

De strijd tussen de namen van de afgoden en Gods naam

Daarom kunnen we het boek Openbaring ook zien als een strijd tussen de namen van de afgoden en de naam van God. Welke naam gaat het winnen? Deze gedachte behoeft ons niet te verbazen, als we bedenken dat het in het boek Exodus eveneens om een strijd tussen namen ging: daar stond immers tegenover de naam van de farao de naam: 'Ik ben die Ik ben'.

Het is dan ook niet toevallig dat we in het laatste bijbelboek nogal wat namen tegenkomen. Want de eindtijd wordt gekenmerkt door de voltooiing van een dubbel proces van openbaar-wording: enerzijds de totale ontmaskering van het wezen van de boze, anderzijds de volle-dige onthulling van het diepste wezen van God. Dat zal weten iedereen: dat de duivel duister is, en vooral dat onze God enkel stralend licht is.

We willen enkele van deze namen gaan bezien, die merkwaardigerwijs zowel in het eerste als in het laatste hoofdstuk van Openbaring naar voren komen. Zij omspannen dus in feite het hele boek. In hoofdstuk 1:17 en 18 lezen we: 'Wees niet bevreesd, Ik ben de eerste en de laatste, en de levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwig-heden, en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk'. Deze uitdrukking: 'de eerste en de laatste', is afkomstig uit een bepaalde achtergrond. Dat blijkt als we even terug gaan naar Jesaja. In hoofdstuk 44 :6 geeft de profeet deze boodschap. 'Zo zegt de Here, de Koning en Verlosser van Israël, de Here der heerscharen: Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is er geen God'. Nu is dit in deze profetieën niet zomaar een losse opmerking. De hoofdstukken vanaf Jesaja 40 handelen over de terugkeer van het volk Gods uit Babel. En die terugkeer wordt helemaal beschreven in beelden uit het boek Exodus; daaruit blijkt: die terugkeer is een uittocht. En in dat kader hoort deze wezensaanduiding van God als de eerste en de laatste thuis. Daarom is het veelzeggend dat deze zelfde benaming in het boek Openbaring ook weer een rol gaat spelen: juist in verband met de eindtijd, die eveneens een uittocht in zich houdt, gaat de Heer zich presenteren als de eerste en de laatste.

'Ik ben de eerste', wat wil dat zeggen?

Wat wil deze naam ons zeggen? Wanneer God verklaart: Ik ben de eerste, dan betekent dat: Hij was er eerder dan de machten; zijn gedachten waren er eerder dan de gedachten van de boze. Het betekent ook: Ik ben de oorsprong, de bron, dat wil zeggen de oorsprong van al het goede, de bron van het licht. Voordat de vijand zijn duistere plannen bedacht, had God zijn volmaakte bestek al gereed. God is de eerste, dat houdt in: aan het begin van de ganse schepping, aan het begin van de totale kosmos, staan de eeuwige gedachten Gods.

En als we datzelfde principe nu gaan toepassen op het eindtijdgebeuren, dan zien we: aan de wieg van de toekomst, aan de bakermat van de tijden die gaan komen, staan de vaste gedachten Gods. Aan het begin van het hele eindproces staat een God wiens wezen wij kennen, van wie we dus weten wat we van Hem kunnen verwachten, namelijk een God die enkel goed is, en daarmee hebben we de garantie dat de ganse schepping goed gaat worden. Gods karakter is het eerste, het uitgangspunt voor ons denken, voor onze verwach-ting. 'Ik ben de eerste', dat betekent: al onze gedachten moeten beginnen vanuit God, vanuit het positieve wezen en het positieve plan van God.

Velen nemen als uitgangspunt voor hun denken: wat doet de duivel allemaal? Maar God prent het ons in: hij is niet de eerste, Ik ben de eerste.

Nu is in genoemde tekst uit Openbaring niet God de Vader aan het woord, maar het is Jezus, die als mensenzoon (zie Openb.1:13) deze woorden Gods uit Jesaja overneemt. Jezus spreekt hier als de mens bij uitnemendheid, als het begin van een nieuwe mensheid. Hij was de eerste volmaakte Mens. En als vertegenwoordiger van een nieuw volk prokla-meert Hij: in het eindtijdgebeuren begint alles met de Mens, met de herstelde en overwin-nende mens. Niet de machten hebben het eerste woord, maar het eerste woord is aan de mens Gods. Aan de start van het hele eindproces staat de mens Gods; dat is de eerste gedachte van God, de eerste in tijd, en de eerste in rangorde, de voornaamste: God is er voor alles op uit, die nieuwe mens voort te brengen, dat is de basisgedachte van Gods plan, want via die mens Gods zal de hele schepping bevrijd worden. Daarom is de mens Gods in elk opzicht de eerste. Hij is de eerste in de eindtijd, hij is de eerste in de geestelijke wereld, zoals Jezus de allereerste was die verrees en die zich verhief in de onzienlijke wereld.

'Ik ben de laatste', wat wil dat zeggen?

God zegt ook: Ik ben de laatste. Hij heeft ook het laatste woord. En buiten Mij is er geen God, staat er dan bij in Jesaja, dat wil zeggen: geen inspirator. Van het begin tot het eind moet de gemeente zich uitsluitend door Hem laten inspireren; Hij is tot het laatste toe de enige bron van ons denken. Geen gedachte buiten God, buiten het wezen Gods'.

Maar dan moeten we daarbij ook weer bedenken: dit slaat niet alleen op God de Vader, dit heeft ook betrekking op Jezus als mensenzoon: ook Hij kan het uitspreken: 'Ik ben de laatste'. Hij houdt het langer vol dan al zijn tegenstanders. De duivel met zijn bondgenoten zal uit de hemel geworpen worden, maar Jezus niet. De mens Gods niet; die mens Gods blijft. De gemeente, die in Efez.4 de volkomen man genoemd wordt, blijft overeind. Het volk dat verbonden is met God, overleeft de machten. Zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden. Aan hen is de toekomst.

Jezus met zijn gemeente is de laatste; na hen komt er niets anders meer. Dit is het plan van God, dat doorgaat tot het einde.

Een andere uitspraak bij Jesaja formuleert het zo treffend: 'Wie heeft dit bewerkt en tot stand gebracht? Hij, die de geslachten van de aanvang af heeft geroepen; Ik, de Here, die de eerste ben, en bij de laatsten ben Ik dezelfde' (Jes.41.4).. Onze God omspant de hele eind-tijd, Hij omspant de totale exodus. God staat aan het begin van de uittocht, God staat ook aan het eind. En dat is zo'n schitterend perspektief: bij de laatsten is God dezelfde; en wie zijn die laatsten? Dat zijn de zonen Gods. Dat zijn zij die overblijven tot de komst des Heren; degenen in wie Hij gezien zal worden. De laatsten, dat is het volk van de eindstrijd. God bedoelt geen gemeente die deserteert voordat de kamp begint; neen, God gaat door met zijn volk tot en met de laatste strijd. Voor die laatsten geldt de belofte: 'Dan zal de Here uittrek-ken om tegen de volken te strijden, zoals Hij vroeger streed ten dage van de krijg' (Zach.14:3). God gaat zich verbinden met de eindstrijders. God trekt zich niet terug; neen, integendeel, God trekt uit. Want ook en juist de laatsten zullen Gods wezen zien, dat Hij dezelfde is.

Het boek Openbaring geeft ons de instrukties voor de laatste strijd; het geeft ons de instruk-ties voor de uittocht. En de beslissende instruktie daarvoor is de waarheid over God. Daarom is het veel betekenend dat die waarheid aan het eind van Openbaring nog een keer terug-komt: 'Ik ben de alpha en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde' (22:13). Want het wezen Gods is de grondslag van de exodus.

Hij is het begin en het einde: het volk dat wordt uitgeleid, begint bij Hem, bij het ontdekken en het kennen van het wezen Gods, en het eindigt in Hem, want het einddoel is de volle kennis, daar leidt de uittocht heen.

Ook de schepping wordt uitgeleid

Maar er is nog meer: niet alleen Gods volk, maar ook de schepping wordt uitgeleid. 'En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde' (Openb.21:1). Dat betekent niet dat de oude hemel en aarde vernietigd worden; God vernietigt de werken zijner handen niet. God heeft geen gedachten van afbraak, maar van herstel. God vernielt niet, Hij vernieuwt. Hemel en aarde worden onttrokken aan de machten, maar dat gebeurt niet automatisch: dat volk dat uitgeleid is, zal de schepping uitleiden. Ook hier knoopt Johannes aan bij een gedachte Gods die we al vinden bij Jesaja: 'Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger was, zal niet gedacht worden, het zal niemand in de zin komen' (Jes.65:17). Vaak trekt men hieruit de konclusie: dus heeft God de oude hemel en aarde laten vergaan. Maar letterlijk staat er dit: Ik schep de hemel nieuw en de aarde nieuw. Dat stemt overeen met de woorden van Openb.21:5: 'Zie, Ik maak alle dingen nieuw'. God

maakt geen nieuwe dingen. Hij maakt de oude dingen nieuw.

 

 

De wedloop van het volk des Heren

Dan is er nog een fundamenteel aspekt: de exodus in de eindtijd is een proces. De mening dat de gemeente bij toverslag volmaakt wordt, heeft zijn duizenden verslagen.

Men heeft het idee dat God in de eindtijd gaat toveren; in één moment wordt het volk Gods plotsklaps tot volkomenheid gebracht. Hoe dat in zijn werk gaat, moet men niet vragen, dat is een mysterie, waar kennis tekort schiet en ons verstand moet falen. Hier past alleen: met begrijpen zal 't niet gaan, neem het onbegrepen aan.

Vaak koestert men de gedachte: de gemeente is al erg oud, al bijna tweeduizend jaar, haar tijd is weldra voorbij; dan wordt zij opgenomen in het vaderhuis, zoals een bejaarde wordt opgenomen in een verzorgingstehuis. De gemeente kan het immers allemaal niet meer aan, zij kan niet meer meekomen, ze heeft bovendien haar leeftijd, dus moet er voor haar een oplossing gezocht worden.

Maar Gods plan met de gemeente is geen experiment. God zegt niet: Die gemeente is toch niet geworden wat Ik ervan verwacht had, nu haal Ik ze maar weg en dan ga Ik weer eens iets anders proberen. Neen, God heeft een volmaakt bestek en Hij zal niet rusten voordat de gemeente het doel heeft bereikt. Er is een doel, maar er is ook een weg naar dat doel. In het boek Openbaring vinden we de weg van de gemeente haar het einddoel. Dat is een weg door de hemelse gewesten heen. Het boek Openbaring tekent ons de wedloop van het volk des Heren. We zouden het hele laatste bijbelboek kunnen beschouwen als een uitwerking van Hebr.12:1. Laten we met volharding de wedloop lopen. Want juist ook in Openbaring speelt die volharding een kardinale rol. Direkt al in hoofdstuk 1:9 lezen we: 'Ik, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking en in het koninkrijk en de volharding in Jezus'. Ditzelfde motief keert meermalen terug, zo bijvoorbeeld in de bekende tekst Openb.3:10, waar het NBG vertaalt: 'Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook Ik u bewaren voor de ure der verzoeking'. De Statenvertaling geeft hier: 'Omdat gij het woord mijner lijdzaamheid bewaard hebt', en dit komt al dichter bij de letterlijke tekst, die zegt: 'Omdat gij het woord van mijn volharding bewaard hebt'. Daar komt het voor de gemeente op aan. En dan geldt voor haar de belofte dat de Heer haar zal bewaren voor, of zoals er eigenlijk staat, uit de ure der verzoeking.

Vaak meent men dan op grond van deze woorden dat de gemeente die ure dus niet meer mee zal maken. Maar het bewaard worden uit de ure der verzoeking heeft een duidelijke parallel in wat er met Jezus gebeurde. Van Hem staat geschreven dat Hij bad tot God, die Hem uit de dood kon redden (Hebr.5:7). Daar hebben we te doen met hetzelfde voorzetsel 'uit'. Zoals Jezus gered werd uit de dood, zo wordt de gemeente bewaard uit de ure der ver-zoeking. Welnu, hoe werd Jezus gered? Hij ging door de dood heen en toen kwam Hij eruit. De drinkbeker ging niet aan Hem voorbij, Hij werd niet voor de strijd weggenomen. Hij moest er wel doorheen, maar als overwinnaar kwam Hij eruit tevoorschijn.

Evenzo de gemeente: zij gaat door de verzoeking, en zij komt uit de verzoeking, dat wil zeg-gen uit de konfrontatie met de boze, tevoorschijn, als een volk dat de proef heeft doorstaan, een volk dat de wedloop ten einde heeft gebracht. God neemt de gemeente niet op bij de start van de wedloop, om haar dan in één moment over te zetten naar de finish, zodat zij dan zou kunnen uitroepen: ik heb gewonnen. Zou dat een eerlijke overwinning zijn? God plaatst ook niet een volk dat nog maar halverwege de wedloop is, eensklaps over naar het eindpunt. Een wedloop is niet: doe maar even je ogen dicht, en als je ze weer open doet, ben je opeens ergens anders. Een wedloop is een weg, en bovendien houdt het in dat je een mededinger hebt. En één van beiden gaat winnen: of het rijk der duisternis of de gemeente Gods. Daarom is het niet zonder betekenis dat al de zeven brieven in Openb.2 en 3 eindigen met: 'Wie overwint.... '

En in hoofdstuk 13:9 gaat het in dezelfde lijn voort: 'Hier blijkt de volharding en het geloof der heiligen'. En nogmaals in Openb.14:12: 'Hier blijkt de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren'. We zien: God maakt een schare van overwinnaars klaar, zij worden in gereedheid gebracht voor de eindstrijd.

Overwinnen is iets anders dan ontsnappen. In hoofdstuk 2:26 komt het ook zo glashelder naar voren: 'En wie overwint en mijn werken tot het einde toe bewaart, hem zal ik macht geven over de heidenen'. Steeds weer ontmoeten we die sleutelwoorden: volharden, en bewaren. Tot het einde toe, wordt er veelzeggend aan toe gevoegd; dat is tot het einddoel toe, dat betekent: doorgaan tot de finish.

De grondwet van de geest is: groei

Gods volk wordt volmaakt door groei. Alles in het koninkrijk Gods komt tot volheid door groei; dat is een basisprincipe van God, een grondbeginsel van de geest. Om het te formuleren met dat prachtige beeld van Jakobus: 'Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld. totdat de vroege en late regen erop gevallen is' (Jak.5:7). Die land-man tovert niet, hij slaat het rijpingsproces niet over, hij gaat niet oogsten als de vrucht nog hard en groen en onooglijk is, neen hij wacht tot de vrucht kostelijk is, pas dan haalt hij ze binnen, want alleen die rijpe vrucht kan hij presenteren aan de wereld.

Daarom is het zo gevaarlijk te menen dat het volk Gods na Openb.3 zomaar, opeens, zonder vorm van proces, zonder groei naar de volmaaktheid, spoorloos verdwenen zou zijn. God handelt nooit in strijd met de wetten van de geest; net zomin als God van een baby in één moment een volwassen man maakt, evenmin maakt Hij van een falende gemeente in één sekonde een stralende gemeente. Daar zijn geestelijke wetten; en de grondwet van de geest is: groei.

Het is dan ook een zaak die we niet over het hoofd mogen zien, dat de lijn van het zeven-voudige 'wie overwint' doorloopt in Openb.12:11: 'En zij hebben hem overwonnen'. En ook in hoofdstuk 15:2, waar we lezen over de overwinnaars van het beest. Dan houdt het nog niet op, want het motiefwoord 'overwinnen' springt er opnieuw uit in hoofdstuk 17:14: ' ... maar het Lam zal hen overwinnen ... en zij, die met Hem zijn'. En dat loopt dan tenslotte uit op de

belofte: 'Wie overwint, zal deze dingen beërven' (21:7). De Statenvertaling zegt: hij zal alles beërven. Hier is duidelijk: dat overwinnen houdt na Openb.3 niet op. Het is een rode draad door het hele boek heen: de overwinnaars gaan rijpen; de eindstreep wordt bereikt.

 

 

UITGAVE: 'LEVEND GELOOF', Postbus 101, 8180 AC HEERDE

Gekopieerd met toestemming van de uitgever

C. du Fossé

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verkenningen

rond het boek

Openbaring

 

HOOFDSTUK V I

 

HET BOEK VAN DE KONTRASTEN

We kunnen het boek Openbaring heel goed typeren als het boek van de kontrasten. En het is juist een kenmerk van de eindtijd dat de tegenstellingen scherper worden. De fronten tekenen zich af. Dat is dan ook de reden waarom het boek Openbaring aan de gemeente gegeven is: om kennis te krijgen van de achtergrond der dingen. Er is een strijd aan de gang; er gaat een eindstrijd komen maar waarom? Met welk doel? Wat is de inzet?

'Er kwam oorlog in de hemel', lezen we in Openb.12:7. Maar dat gaat niet buiten ons om. God doet niets buiten de gemeente om. Daarom staat er dan ook in datzelfde hoofdstuk: 'Zij hebben hem overwonnen' (Openb.12:11). Dat is het volk van God. We zien hier een geeste-lijke wet: door een mens is de satan in de wereld gekomen, ook door de mens zal hij er weer uit moeten. Adam was de mens die de duisternis in de schepping binnenliet; in de eindtijd zal er een mens opstaan die de duisternis weer uit de schepping zal verdrijven; en die mens, dat is de gemeente, de volkomen man, zoals Efez.4 hem beschrijft, het volk van God in zijn mannelijke rijpheid.

Waarom doet God alles niet in één moment? Waarom rekent God niet in één oogwenk met de duivel af? Dat gaan we begrijpen als we iets beginnen te verstaan van de tegenpolen die een rol spelen in de afwikkeling van het eindtijdgebeuren. God strijdt op een wettige wijze. David sprak reeds: de Heer zal opstaan tot de strijd. Maar dan moeten we bedenken: God is Geest, dus wanneer God de strijd aanbindt, dan kan het niet anders of we hebben te maken met een geestelijke strijd. De methode van kracht en geweld is te enen male vreemd aan het wezen Gods. God voert geen aardse oorlogen en Hij verbindt zich daar ook niet mee.

Het rijpingsproces naar twee kanten

Nu houdt God zich aan zijn principe: alles zal geschieden door middel van de gemeente. En dat is dan ook de reden dat het niet in één moment allemaal klaar is. Immers, die gemeente moet eerst tot rijpheid komen. Er is een rijpingsproces nodig, en wel naar twee kanten: het rijk der duisternis wordt volgroeid, en ook het volk Gods komt tot volle wasdom. Om het met een beeld van Jezus te zeggen: onkruid en tarwe groeien beide op tot de oogst.

Dit uitgangspunt, dat zowel het rijk Gods als het rijk van de boze tot volwassenheid moet komen voordat de totale overwinning behaald kan worden, vinden we ook al in het Oude Testament. In Gen.15:16 spreekt God tot Abram: 'het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat der ongerechtigheid der Amorieten niet vol'. Daar zien we de ene kant van de zaak. Het onkruid komt tot rijping.

De andere kant wordt duidelijk belicht in Exod.23:29-30: 'Ik zal hen niet in één jaar voor u uitdrijven, opdat het land geen woestenij worde en het wild gedierte u niet te veel worde. Langzamerhand zal ik hen voor u uit verdrijven, totdat gij zo vruchtbaar wordt, dat gij het land in bezit kunt nemen'. In deze tekst wordt glashelder het verband gelegd tussen het vrucht-baar worden van het volk Gods en de verovering van het land. God gaat niets forceren. God zegt niet: Ik ben toch sterker dan de duivel; Ik zal hem wel even uitzwavelen.

God zegt niet tot de gemeente: Ik reken wel even met de vijand af, doe je ogen maar even dicht, of kijk maar even de andere kant op. Ik roep jullie wel als Ik klaar ben. Neen. God houdt zich aan de wetten van de geest. Ook in de geestelijke wereld geldt: eerlijk duurt het langst. God zegt tot de gemeente: We gaan alles samen doen. Ook de eindstrijd doen we samen. Immers, welke generaal gaat naar het front zonder zijn soldaten? Hebt u ooit gehoord van een veldheer die tegen zijn mannen zegt: De beslissende slag gaat nu begin-nen; komen jullie nu maar naar de kantine; je eten staat klaar. Dan ga ik wel naar het slagveld.

Openbaring 12 vertelt hoe de satan uit de hemel geworpen wordt. Maar dat kan alleen wan-neer eerst de zonen Gods hun plaats in de hemel innemen. Eerst moet de gemeente de hemel in, voordat de boze eruit gaat. Daar is het wachten op: op een volk dat zich volledig, met hart en ziel, gaat vestigen in de hemelse gewesten; dat volk zal de machten der duister-nis uit de hemel verdrijven.

Daarom is het zo belangrijk dat we zicht krijgen op die tegenpolen die voor het eindtijdge-beuren bepalend zijn. We willen er een aantal onder de loep nemen.

Twee soorten koningschap

Allereerst zien we dan dat het in het laatste bijbelboek gaat over het koningschap. Maar daar is tweeërlei koningschap. Er zijn twee soorten koningen. Vaak denken we hier veel te weinig konkreet over. Velen menen: natuurlijk, God is Koning. Hij is immers almachtig. De mens wikt, God beschikt. En zo beschikt God dan ook op een keer: nu is het tijd voor de weder-komst, nu gaat de duivel eraan.

Deze opvatting roept echter wel een serie vragen op. Hoe regeert God eigenlijk? Wat is almacht in feite? Is alles wat er gebeurt, dan de wil van God? En op grond waarvan bepaalt God dan het tijdstip van het einde? Is er verschil tussen almacht en willekeur? En, wat in wezen de kernvraag is in dit geheel: waar blijft in deze zienswijze de mens, waar blijft de gemeente?

Er is echter nog een andere gedachtengang, die vaak onbewust wordt aangehangen. Name-lijk dat men in de praktijk leeft zonder enig besef van wat koningschap in feite is. In theorie is men natuurlijk wel bereid om te erkennen dat God koning is, maar men is zich totaal niet bewust wat dat voor konsekwenties zou kunnen hebben. Men leeft zonder enige gedachte aan koningschap. Misschien heeft men een vaag idee over Gods koningschap in een verre toekomst. Of men stelt vast op grond van een bedelingenleer: Jezus is nu nog geen koning, Zijn koningschap heeft ook niets te maken met de gemeente, dat geldt voor later en voor een ander volk. Op die manier wordt de gemeente beroofd van een van de voornaamste taken en voorrechten, zo niet de allervoornaamste roeping, die zij bezit. In deze tijd reilt en zeilt alles dan maar zoals het gaat, we leven in een soort koningsloze periode, een soort stadhouderloos tijdperk.

Ook deze opvatting laat vele vragen onbeantwoord. Wat is in dit geval nog de zin van het leven? Waartoe dient dan de gemeente? Waar is Jezus dan vandaag en wat doet Hij in deze tijd? Als er dan een koningschap is in de toekomst, voor wie is dat dan, en waar komt dat dan opeens vandaan? Komt dat zomaar plotseling uit de lucht vallen?

In dit alles kan het boek Openbaring ons zo duidelijk op weg helpen. Want fundamenteel voor het verstaan van het hele eindtijdgebeuren is de gedachte van twee soorten koning-schap. En daarbij ook het inzicht, dat alle koningschap begint in de onzienlijke wereld.

In Openbaring 9 lezen we over sprinkhanen die opkomen in de eindtijd. Ze zijn afkomstig uit de afgrond, en er staat in vers 3: 'en hun werd macht gegeven', dus daaruit blijkt dat we te maken hebben met machthebbers. En dan vertelt ons vers 11: 'Zij hadden over zich als koning de engel des afgronds'. Hier wordt uitdrukkelijk gesproken over een bepaalde vorm van koningschap. En tegelijk valt ons ook op de aard van deze heerschappij: het gaat over een engel, dat is een geest, dus het betreft hier een geestelijk koningschap.

Nog een anders uitspraak is veelzeggend in dit verband. In Openb.18 schildert Johannes het einde van Babylon en dan vermeldt hij in vers 7: 'Want zij zegt in haar hart: Ik troon als koningin, ik ben geen weduwe en geen rouw zal ik zien'. Ook deze tekst spreekt glashelder over koningschap. Over hetzelfde Babylon wordt verklaard: 'En de vrouw, die gij zaagt, is de grote stad, die het koningschap heeft over de koningen der aarde' (Openb.17:18). We zien: hier is sprake van een heerschappij in de geestelijke wereld, een anti-goddelijk koningschap.

Nu komen we in Openbaring ook uitspraken tegen over het regeren van God. Maar meer-malen op een heel merkwaardige wijze. Herhaaldelijk ontmoeten we de gedachte dat het koningschap van God gaat beginnen. Was het er dan niet altijd?

De machtswisseling in de geestelijke wereld

Het lijkt een vreemde gedachte: God begint te regeren. En toch kan het heilzaam zijn. dit punt eens scherp naar voren te halen, juist omdat voor velen het koningschap van God een al te vanzelfsprekende zaak is. Natuurlijk is God koning, heet het dan. Maar is dat wel zo natuurlijk?

Er zitten twee kanten aan deze zaak. Enerzijds ziet Johannes in Openbaring 4 de troon van God, als een vast punt, een onwrikbaar bolwerk in de branding van de tijden. Gods troon staat eeuwig vast. Waarom? Omdat God is die Hij is; God is onomkoopbaar. Gods heer-schappij is verankerd in zijn karakter. God laat zich door geen macht der hel beinvloeden. Daarom staat zijn troon vast, omdat zijn wezen vast is.

Maar er is ook nog een anders kant. Er is nog veel gebied dat nog niet onderworpen is aan God. Er zijn nog machten die tot voetbank gemaakt moeten worden. En daarom komen we in Openbaring ook teksten tegen als deze: 'Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden' (Openb.11:15). Daar zien we een verandering van heerschappij; er komt een ander aan de macht. En dat is nu juist het bijzondere, het boeiende, en ook het glorieuze van de eindtijd: het is een tijd van omwenteling, van machtswisseling in de geestelijke wereld. Daarom is het ook zo'n spannende periode.

Maar een revolutie is nooit zomaar een zaak van één moment. Wie een staatsgreep wil plegen, moet zorgen voor een degelijke voorbereiding. Om in de hemelse gewesten een oud bewind te vervangen door een nieuw, daarvoor is een grondige planning vereist.

In het boek Openbaring vinden we veel lofprijzing. Maar opvallend is daarbij dat de inhoud ervan zo vaak betrekking heeft op het koningschap. Om maar enkele voorbeelden te noemen: 'Wij danken U, Here God, Almachtige, die is en die was, dat Gij uw grote macht hebt opgenomen en het koningschap hebt aanvaard' (Openb.11:17). Een andere vertaling zegt: 'Gij zijt begonnen te regeren'. Dat is de jubelroep van de laatste tijden.

En in hoofdstuk 12:10 horen we: 'Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn Gezalfde'. Dat is het kenmerk van het laatst der dagen: het is een tijd van verschijning, een tijd van onthulling. Resultaten van een lange worsteling worden openbaar. Letterlijk staat er: nu is geworden het heil. Daar is een heel proces aan vooraf gegaan. Maar tenslotte komt het eruit.

Gods volk op weg naar het koningschap

Dat is het positieve van de tijd waarin we nu leven: het is een periode van wording. We erva-ren nu de geboorteweeën van het heil, van het koningschap. Want dit heeft niet alleen te maken met God, maar telkens is daar die verbinding van God en zijn gezalfde. Dat is Jezus met zijn gemeente. Want niet alleen van Jezus wordt gezegd dat Hij gezalfd was en is, maar ook tot de gemeente komt het woord: 'Gij hebt een zalving van de Heilige' (1 Joh.2:20). Dit zijn Gods gedachten over de toekomst: Gods volk is op weg naar het koningschap.

In Openb.19:6 klinkt diezelfde juichtoon weer door: 'Halleluja! Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard'.

Men kan spreken over allerlei eindtijdvisies, maar het gaat erom: hebben we visie op het koningschap?

God werkt aan een meesterlijk toekomstplan. God maakt koningen klaar. In de gedachten van God is geen plaats voor pessimisme of berusting. God werkt, Hij werkt door, net zo lang tot al zijn gedachten gerealiseerd zijn. God neemt geen enkele van zijn gedachten terug. Daarom kan het niet anders of het laatste bijbelboek toont ons de uiteindelijke verwezenlij-king van de gedachten Gods. Dat maakt de bestudering van Openbaring ook zo de moeite waard; hier ontdekken we waar al Gods gedachten op uitlopen. En wat een perspektief krijgen we dan. Wat een hemelsbreed verschil. Is het niet oneindig veel heerlijker, binnen te treden in de gedachtenwereld Gods dan in te gaan in de wereld van atoombommen en helikopters? Wie zou de gedachten van de eeuwige God, wiens wezen louter heerlijkheid is, van wie niets uitgaat dan zuiver licht, willen ruilen voor een samenraapsel van aktuele, zoge-naamd profetische kranteberichten? De keuze kan niet moeilijk vallen voor wie iets geproefd heeft van de goedheid Gods zonder eind. Wordt het geen tijd dat we, juist wanneer het gaat over onze kijk op de toekomst en op het boek Openbaring. het oude lied van Johan-nes de Heer eens ter harte gaan nemen en dan ook op zijn ware diepte leren verstaan: 'Neem de wereld, geef mij Jezus, want in Hem heb 'k eeuwig licht, en op 's levens weg met Jezus, blijft geen duisternis in 't zicht'.

Johannes zag op Patmos geen moderne technische uitvindingen, die hij dan op een ietwat onbeholpen wijze moest proberen te omschrijven in de taal van zijn dagen, neen hij had een onvergelijkelijk hogere en kostelijker roeping: hem werd gegeven de voltooiing van de gedachten Gods te schouwen. En wie zou dan niet aanbiddend belijden: 'O, zaligheid niet af te meten, o vreugd, die alle smart verbant'! Dat was de vreugde van de apostel, dat is de vreugde van het volk in de slotfase van de geschiedenis: zij hebben Gods gedachten.

Dat is hun kostbaar goed. Dat is hun schat in de hemel, die mot noch roest verteert. Dat maakt hun voetstap licht, want: 'voor hen die 't heil des Heren wachten, zijn bergen vlak en zeeën droog'.

De strijd om de troon

Twee soorten koningschap. Dit uitgangspunt geeft ons een sleutel tot het verstaan van de tijd die is en gaat komen. Daar is het koningschap van de afgrond, van Babylon, en daar is het Koningschap van God, van de gemeente Gods. Dat betekent dat we het hele boek Openbaring, en daarmee ook het totale eindtijdgebeuren, kunnen samenvatten onder één thema, namelijk de strijd om de troon.

Jezus was de eerste Mens op de troon. Als mens nam Hij zijn plaats in op de troon van David, in de hemelen. Hij werd verhoogd, omdat Hij volmaakt verbonden was met de gedachten van de Vader. Geen aanval, geen strijd, geen macht kon Hem scheiden van de eeuwige gedachten Gods. En daarom kon Hij niet ondergaan. Want de gedachten Gods gaan nooit onder. En iemand in wie de gedachten Gods zijn, kan derhalve ook nimmer ondergaan. Gedachten Gods stijgen altijd boven alles uit; zij worden verhoogd. En zo ook de mens die daarmee met hart en ziel verbonden is.

Sinds eeuwen her is die strijd om de troon al aan de gang. Dat begon al, toen de engel, die nu satan genoemd wordt, het plan opvatte: 'Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden' (Jes.14:13). Maar nu, in de eindfase, gaat de zaak zich toespitsen.

God gaat beginnen met regeren. God aanvaardt de macht. Maar Hij doet niets buiten zijn gemeente om. We lezen dan ook: 'Wie overwint. hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon' (Openb.3:21).

Dat is eindtijd: zonen op weg naar de troon. Dat is wel iets anders dan een schepping op weg naar de ondergang.

Maar als je op weg gaat naar de troon, kom je wel het een en ander tegen onderweg. Er komt ook wel wat in het geweer. En dat gaat uitlopen op de finale, de eindstrijd. Juist dan is daar de grandioze belofte voor de zonen Gods: 'Dan zal de Here uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg' (Zach.14:3).

Alleen zo, vanuit dit uitgangspunt, ontvangen we het rechte zicht op al datgene wat zich nu al begint af te spelen. Er zit werking in de lucht. Krachten komen los in de geestelijke wereld en maken zich op. Er is een enorme beroering in de hemelen.

Het geweldige perspektief voor de eindtijd

Maar ook alleen vanuit dit gezichtspunt gaan we ontdekken waar het allemaal naar toe gaat. Het leidt ergens heen. Het heeft allemaal zin. Die hele geestelijke worsteling, met al het strijdgewoel dat daarmee gepaard gaat, het is de moeite waard. Het geeft ons perspektief.

Het boek Openbaring verstaan, dat betekent de jubelroep overnemen die daarin telkens tot uiting komt. Dat is de zegezang van de zonen Gods. Geen zwanezang, maar een zegezang.

Het boek Openbaring biedt ons geen jaartallen, geen opsomming van troosteloze gebeurte-nissen in de zichtbare wereld. Het geeft ons een boodschap, het is evangelie, goede tijding, het evangelie van het koninkrijk. Het proklameert: de tijd van het koningschap is aanstaande.

En God leert door middel van het laatste bijbelboek zijn volk dit lied, deze zegezang. Zo wor-den zij onweerstaanbaar positief. Dit is het doel van Openbaring: het is ons gegeven om ons te leren denken. Om ons evangelisch te Ieren denken: vanuit het evangelie van het koninkrijk.

En het is gegeven om ons te leren zingen. Het lied van de eindtijd: God gaat regeren en wij met Hem!

 

 

HOOFDSTUK V I I

 

HET BOEK VAN DE AANBIDDING

Een tweede kontrast dat we in het boek Openbaring tegenkomen, heeft te maken met het kernwoord: aanbidding. Het kan niet toevallig zijn dat het woord 'aanbidden' maar liefst drieëntwintig keer in het laatste bijbelboek voorkomt. Dit is maar niet een stuk bladvulling; het boek Openbaring geeft ons niet een serie gebeurtenissen, af en toe onderbroken door een tussenzang. De eindtijd is niet een aaneenschakeling van rampen, met van tijd tot tijd een muzikaal intermezzo. Het is niet een vervolgverhaal van ellende, met af en toe een adem-pauze.

Wat zijn de wezenlijke gebeurtenissen in het boek Openbaring? Dat zijn de momenten van aanbidding. Daar vallen de beslissingen. De lofzangen vormen de scharnieren van het eindtijdgebeuren; daarmee gaan de deuren open naar heil en licht. Zonder lofzang geen eindtijd.

Het einde wordt niet bepaald door de atoombom, het einde wordt bepaald door de lofzang. Want waar de aanbidding volkomen wordt, daar zal het einde zijn van het rijk der duisternis.

Het boek Openbaring is het boek van de voltooiing. Maar de voltooiing waarvan? De vol-tooiing van de gedachten Gods. Al de gedachten die God heeft ontwikkeld van eeuwigheid af, die God heeft neergelegd in de profeten en in het evangelie van Jezus, moeten volein-digd, gerealiseerd worden.

Daar is God mee bezig. Daarom moeten we in het laatste bijbelboek speuren naar die gedachten Gods. Alleen dan zoeken we in de goede richting. Want de vraag is dan: welke gedachten Gods zullen er voltooid worden, en hoe zal dat in zijn werk gaan?

Daarom is het zo belangrijk dat we hier een van de diepste gedachten Gods op het spoor komen: het motief van de aanbidding. Wat is de betekenis hiervan en waarom speelt dit juist in het boek Openbaring zo'n verstrekkende rol?

Wat is de betekenis van aanbidding?

Allereerst zien we: het motief van aanbidding ligt ten diepste verankerd in het wezen van de mens. De mens is het enige schepsel dat de mogelijkheid heeft, God te leren kennen als Vader. Alleen de mens kan op deze wijze komen tot een familieband, een wezensverwant-schap met God. En het verwante wordt door het verwante gekend.

De hele schepping kan Gods lof verkondigen. Maar alleen de mens kan leren God te waar-deren, Hem op zijn waarde te schatten. De mens is immers geschapen als Gods gelijkenis. En het gelijke wordt door het gelijke gewaardeerd. Omdat de mens een geest bezit, kan hij God, die Geest is, waarderen. Een vogel kan jubelen voor zijn Schepper, maar hoe zal hij ooit Gods gedachten kunnen waarderen? Zelfs de engelen zijn slechts toeschouwers wan-neer het gaat om het diepste geheim tussen Christus en de gemeente.

Gods verlangen is: Hij wil gekend worden. Daarom maakte Hij de mens. Zo is de mens van huis uit een aanbidder. Dat is zijn bestemming: God te waarderen. Daaruit volgt: alleen de mens die aanbidt, vindt zijn levensbestemming, alleen hij vindt zijn identiteit. Hij ontdekt wie hij is. In de aanbidding vindt de mens de vervulling van zijn wezen. We zouden kunnen zeg-gen: het is niet goed dat de geest van de mens alleen zij. Een mens zonder aanbidding is als een verdwaalde, een van het anker losgeslagen schip, een van zichzelf vervreemde, een-zaam dolend, op reis naar niemandsland.

De mens zonder God is gaan zoeken: waar kan ik iets vinden wat ik aanbidden kan? Maar alwat hij vond, was te klein. Hij aanbad, maar het was zijn aanbidding niet waard. Hij zocht iets voor de honger van zijn geest, vulling voor de leegte van zijn ziel. Tastend, vragend ging hij rond, maar de honger bleef.

Iets onpersoonlijks kon zijn geest niet verzadigen. Uit heel zijn wezen kwam de roep om een ander, persoonlijk genoeg om lief te hebben, groot genoeg om te aanbidden; persoonlijk genoeg om aan te spreken, oneindig genoeg om alle waardering waard te zijn. De oprechte mens, zoekend naar waarheid, alle goden gingen aan hem voorbij, maar hij zei neen: Zij zijn het niet; zij zijn te klein. Wij zijn goden, zeiden zij; maar te klein voor een hongerig hart, zei hij.

Toen kwam Jezus en Hij zei tot de mens: Kom maar, Ik breng je bij God. En Hij nam hem mee en de mens kwam waar hij nog nooit geweest was en hij stond in ademloze verbazing, heel zijn wezen werd vervuld met verwondering, hier was eindelijk iemand tot wie hij met alwat in hem was, kon zeggen: Gij! Toen wist hij: dit is wat ik heb gezocht, dit is God, dit is mijn God, mijn aanbidding waard. Gij zijt mijn God. U zal ik loven, verhogen uwe majesteit.

Jezus kwam en de mens ontdekte de waarde van God. Jezus sprak erover met de Samari-taanse vrouw: de Vader zoekt aanbidders. Uitgerekend met deze vrouw, beeld van de mens die altijd zoekt en nooit vervulling vindt. Haar dorst werd nimmer gelest. Jezus leerde haar aanbidden in geest en waarheid, vanuit de gedachten Gods. Zo wordt deze vrouw weer mens, zo vindt zij haar bestemming, zo vindt zij haar identiteit in God.

De laatste gemeente is een gemeente van aanbidders

Ditzelfde grondmotief treffen we ook aan in het boek Openbaring. Dit is Gods doel: de schep-ping die zucht, leert weer zingen. De laatste gemeente zal een gemeente van aanbidders zijn.

Nu zien we door de eeuwen heen dat er enorme krachten in het geweer komen rondom die aanbidding. Daar is blijkbaar het een en ander aan de hand. Het is de worsteling die de psal-mist ervoer in zijn eenzame strijd, toen hij moest verzuchten: 'Denk ik aan God, dan kreun ik' (Psalm 77:4). Om dan tenslotte daar, doorheen te komen tot de uitroep: 'Wie is een God, groot als God?' (Psalm 77:14).

Dat is geen oppervlakkige blijdschap; dat is een lied dat door het vuur heengegaan is. In dit verband is er een merkwaardig feit dat we door de bijbel heen telkens weer tegenkomen: steeds opnieuw zijn daar de pogingen om de aanbidding te blokkeren. God sprak bij monde van Mozes: 'Laat mijn volk gaan om te mijner ere in de woestijn een feest te vieren' (Exod.5:1). Maar de farao verzet zich; hij heeft liever een klagend volk in Egypte dan een zingend volk in de woestijn. In wezen zit het hierop vast: hij is tegen aanbidding. En waarom? Hij zegt: 'Ik ken de Here niet' (Exod.5:2). De farao is gewend om zelf aanbeden te worden.

Nebukadnezar maakte een beeld. En iedereen moest daarvoor buigen. Dan zijn er drie die verklaren: wij eren alleen God. En op dat moment wordt het duidelijk welke krachten er los-komen vanuit de geestelijke wereld in verband met de vraag: wie heeft er nu recht op aan-bidding? De koning wordt woedend, de oven wordt opgestookt, dat is de ene kant van de zaak. Maar aan de andere kant zien we: in het vuur worden de zonen Gods openbaar.

Daniël werd in de leeuwenkuil geworpen, waarom? Omdat hij een aanbidder was. Hij was waarlijk mens. Hij hield vast aan zijn bestemming. Hij wist: ik ben er voor God. Hij hield zijn vensters open, want hij besefte: als ik mijn vensters sluit, sterft mijn geest. Dan krijgt mijn geest geen adem meer, dan wordt mijn hart verstikt. Daarom gooi ik onverminderd mijn ramen open, want mijn levensadem en mijn levenslicht is God.

Het konflikt over de aanbidding in de eindtijd

Ditzelfde konflikt rondom de aanbidding vinden we terug in het eindtijdgebeuren. Er is een duidelijke overeenkomst tussen de geschiedenis van Nebukadnezar en zijn beeld enerzijds, en Openbaring 13 anderzijds. In dit hoofdstuk komen we vier keer het woord 'aanbidden' tegen. Zo lezen we in het derde en vierde vers: 'En de gehele aarde ging het beest met ver-bazing achterna, en zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest de macht gegeven had, en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is aan het beest gelijk? en: Wie kan er oorlog tegen voeren?' Daar zien we: waar is het rijk der duisternis het om te doen? Om aanbidding. Precies zoals de satan sprak tot Jezus in de woestijn: 'Dit alles zal ik U geven, indien Gij U nederwerpt en mij aanbidt' (Matth.4:9). Jezus kwam als de eerste volkomen mens Gods, en meteen is de boze erbij om Hem te brengen tot een verkeerd gerichte aanbidding. Maar juist daar blijkt Jezus dan ook mens Gods te zijn: Hij antwoordt: 'De Here, uw God, zult gij aanbid-den en Hem alleen dienen' (Matth.4:10). De mens Gods aanbidt. Maar de mens Gods aan-bidt alleen God. Zijn basis is: de Heer is God en niemand meer.

En net zoals Nebukadnezar dreigde met de doodstraf, zo lezen we in Openbaring. 'En hem werd gegeven om aan het beeld van het beest een geest te schenken, zodat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood werden' (Openb.13:15).

Een aloude toestand gaat zich hier toespitsen: er is een strijd om de geest van de mens. Aan wie zal de geest van de mens toebehoren? Met wie zal de geest van de mens zich verbinden?

De plaats van aanbidding is de tempel Gods

Nu gaat het erom: er is ook een tegenhanger. In Openb.11:1 ontvangt Johannes de

opdracht: 'Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en hen, die daarin aanbidden'. Centraal in het hele eindtijdgebeuren staat de tempel Gods, en die tempel is de plaats van aanbidding. Waar werkt God aan? Aan die tempel. Dat heiligdom is het brandpunt van Gods plan. Vanuit die tempel komt het herstel, die tempel is het begin van de nieuwe schepping; vandaar uit gaan de gedachten Gods uit in de hemel en over de ganse aarde. Die tempel is het bouwwerk Gods dat stand houdt in de laatste tijden.

God sprak reeds door Jesaja: 'Mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken' (Jes.56:7). Huis van aanbidders. Maar waarom? Met welk doel? Dat ontdekken we als we wat dieper ingaan op de inhoud van die aanbidding. De hoofdstukken Openbaring 4 en 5 geven ons in dit verband een grondmotief. Daar treffen we namelijk een paar merkwaardige uitspraken aan, die op elkaar aansluiten en samen in een bepaalde richting wijzen.

In Openbaring 4 wordt verteld van de oudsten dat ze zich zullen neerwerpen voor Hem die op de troon gezeten is en Hem aanbidden. En dan wordt er ook bij vermeld wat ze zeggen: 'Gij, onze Here en God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht' (vers 11).

Het gaat om de waardigheid van God

Het sleutelwoord van deze tekst is: waardig. Het onderwerp dat bijzonder wordt, is de waar-digheid van God. Hier komen we in feite op het diepste thema van het boek Openbaring. Dit is de meest wezenlijke achtergrond van de hele eindstrijd. Als het erop aankomt, draait alles tenslotte om dit ene kernpunt: de waardigheid van God.

Hoe zal de hele wereldgeschiedenis eindigen? Waar loopt het alles op uit? Daar is het immers het laatste bijbelboek om te doen, dat we zicht krijgen op de afloop, de finale. Is het niet zeldzaam, en tegelijk meesterlijk, aan een strijd te beginnen, als je al van tevoren weet wie er zal winnen? Dat is de prognose van het boek Openbaring. Want wat er in de wereld woedt, toch is het God, die wint, en in een elk die Hem behoort, het nieuwe rijk begint.

Waar loopt het op uit? Waar gaan we heen? Aan de eindpaal van de tijden ziet ons oog de geest van 't kwaad, moegeworsteld en ontwapend. Want God heeft het laatste woord, wat Hij van oudsher zeide, wordt aan het eind der tijden in heel zijn rijk gehoord.

Toch is het God, die wint. Dat staat als een vuurtoren in de nacht van de eindtijd. Maar de vraag is: waarom? We zouden geneigd zijn zijn te zeggen: hier past geen verder vragen. Laat het u genoeg zijn, mensenkind. Wees nu maar stil en weet: God zal winnen.

Maar het boek Openbaring nodigt ons uit om wel verder te vragen. Daarom durven we nog een stap te doen en we komen tot de vraag: waarom is het God die wint? Is daar grond voor? Dat is trouwens geen theoretische kwestie; het is een zaak die ook ons aangaat. Hebben wij grond onder de voeten? En welke grond? Welke garantie is ons gegeven?

Diepgaande en verstrekkende woorden horen we in dit verband uit de mond van de oudsten in Openbaring 4. Waarom wint God? Het antwoord is even kort als ontzagwekkend. God wint vanwege zijn waardigheid. God wint door karakter.

Wat het rijk der duisternis mist

Hier raken we aan het kostbaarste geheimenis Gods. En tegelijk wordt daarin aan het licht gebracht het meest wezenlijke verschil tussen God en de boze. Er is welbeschouwd één ding dat het hele rijk der duisternis mist, dat is: karakter, waardigheid. Het ontbreekt de satan aan karakter, aan geestelijke waarde. En dat is de reden waarom hij het nooit en te nimmer zal kunnen winnen van onze God.

In de geestelijke wereld telt uiteindelijk alleen karakter. En wie zou enige waardigheid willen toekennen aan een leugenaar, een slang, een draak? Alleen van onze God kan gezegd worden: 'Komt nader, ziet en proeft, opdat men smake naar waardij des Heren goedheid. Zalig hij die veilig bij Hem toeft.

Gods waardigheid, dat is zijn heerlijkheid. Dit is een wezensaanduiding van God en de grondbetekenis van dit begrip is eigenlijk: gewicht. Van de goddelozen wordt gezegd dat zij in de weegschaal omhoog gaan, zij zijn te licht bevonden. Maar God legt gewicht in de schaal door zijn karakter. Waardoor wint God het? God houdt stand door zijn heerlijkheid, door zijn geestelijke zwaarte. Wat in God is, kan eenvoudig niet ondergaan. Geen bederf, geen besmetting, geen vertroebeling kan het wezen Gods aantasten. God gaat in waarde de machten ver te boven.

In de eindtijd wordt de waarde van God onthuld

De eindtijd betekent: de onthulling van de waarde van God. Door de eeuwen heen heeft de duisternis gewerkt aan een onderwaardering van God. Maar de tijd gaat aanbreken dat God weer op zijn waarde geschat wordt. Dan zal men zingen: Allen die als goden blonken, zijn bij U in 't niet gezonken. God wint niet door kracht of geweld; dat heeft Hij niet nodig. Want God bezit iets beters: zijn waardigheid, daar kan geen macht of kracht tegenop.

In Openbaring 5 komt dit motief opnieuw naar voren. De vraag klinkt: 'Wie is waardig de boekrol te openen en haar zegels te verbreken?' (vers 2). En Johannes vermeldt: 'En ik weende zeer, omdat niemand waardig was gebleken de boekrol te openen of die in te zien' (vers 4). Maar dan staat daar het Lam Gods, de leeuw uit de stam van Juda, die overwonnen heeft, en er wordt een nieuw gezang gehoord: 'Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen' (vers 9). En nogmaals heft men dan de jubelroep aan: 'Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof' (vers 12).

Zoals hoofdstuk 4 de waardigheid van God ontvouwde, zo belicht hoofdstuk 5 diepgaand en uitvoerig de waardigheid van het Lam. Hij is waardig om te regeren. Aan Hem zal de heer-schappij zijn; waarom? Omdat Hij het waard is. Hij zal het volledige bestek van Gods gedachten ten uitvoer brengen, waarom? Omdat Hij de waardigheid daartoe bezit. Niemand kon de boekrol openen. Het wachten was op iemand die voldoende waardigheid zou hebben om het te kunnen doen.

Er is nog een tekst in het boek Openbaring die spreekt over waardigheid. We lezen in hoofd-stuk 3:4: 'Doch gij hebt enkels personen te Sardes, die hun klederen niet hebben bezoedeld, en zij zullen met Mij in witte klederen wandelen, omdat zij het waardig zijn'. Daar zien we: er is een volk, dat mag delen in de waardigheid van hun Heer. Zij delen in zijn wezen, zij zijn bekleed met Christus, zij zijn één met Hem.

Welk gezang zingt het volk van God in de eindtijd?

Hier ontdekken we het geheim van de eindtijd: er zal een volk opstaan dat het gezang gaat leren: Gij zijt waardig. En waardig is het Lam van God. Zij kennen dit gezang niet alleen uit hun hoofd, zij kennen het met hun hart. Zij kennen de waardigheid van hun God. Daarom spreken zij daar ook van. De waardigheid van hun God is hun uit het hart gegrepen. Hun motto is: vertel het aan de mensen wie Jezus is. En ook: vertel het aan de machten wie Koning is.

Zij stemmen niet in met het lied van Openbaring 13: 'Wie is aan het beest gelijk?' (vers 4). Hun hart zingt anders. Voor hen is daar het lied van Mozes en het lied van het Lam: 'Groot en wonderbaar zijn uw werken, Here God, Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Gij, Koning der volkeren! Wie zou niet vrezen, Here, en uw naam niet verheerlijken? Immers. Gij alleen zijt heilig' (Openb. 15:3-4). Zij voelen zich thuis bij de woorden van dat aloude lied dat Mozes eens zong: "Wie is als Gij, onder de goden, Here, wie is als Gij, heerlijk in heiligheid' (Exod.15:11).

Twee tegenpolen: wie is aan het beest gelijk? En: wie is aan God gelijk? Wat is er nodig? Een volk dat proklameert in hemel en op aarde: Gij zijt waardig. Het uiterlijke valt weg. De mens die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten die vergaan. zegt Psalm 49. Vorsten vallen; torens vallen. Maar de waardigheid van onze God houdt eeuwig stand.

Door de proklamatie van dat volk komt de overwinning. Zij zijn de aanbidders van de eindtijd. 'Mijn ernstige aanbidders', zou Zefanja zeggen. (Zef.3:10, Statenvertaling).

Het is hun ernst. Zij weten: ons lied zal zegevieren. Niet het beest heeft het laatste woord. Zij weten: wij zingen niet tevergeefs. Want waardigheid wint.

 

  

HOOFDSTUK V I I I

 

HET DERDE KONTRAST IN HET BOEK OPENBARING

Er is nog een kontrast dat we eens een ogenblik onder de loep willen nemen. Het boek Openbaring spreekt enkele malen over een geheimenis. Vaak zijn er van die woorden die in de bijbel af en toe, op beslissende momenten, opdoemen, en die dan tenslotte in het laatste bijbelboek nog eens weer tevoorschijn treden. Zulke woorden hebben dan al een heel leven achter zich en wanneer ze in het boek Openbaring hun rol gaan spelen, brengen ze al een bepaalde geladenheid met zich mee. Met motieven uit psalmen en profeten gaan de contou-ren van de eindgeschiedenis zich aftekenen. David in zijn liederen heeft vaak veel meer van de eindtijd begrepen dan heel wat christenen vandaag.

Een kerntekst vinden we in dit verband in Openbaring 10:7: 'maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheimenis van God, gelijk Hij zijn knechten, de profeten, heeft verkondigd'. In dit vers treffen we een heel aantal van die geladen, fundamentele begrippen bij elkaar aan. Het eerste punt dat opvalt: God heeft iets verkondigd. En dat woord dat hier voor verkondigd gebruikt wordt, betekent eigen- lijk: evangelie brengen, dus goede boodschap vertellen.

Het is hetzelfde woord dat Jesaja bezigt als hij spreekt over de vreugdebode die vrede aan-kondigt, die goede boodschap brengt. En ook de profeet Nahum heeft reeds getuigd van die vreugdebode die heil verkondigt (Nah.1:15). En van David lezen we: 'Ik verkondig de blijde mare van uw gerechtigheid in een grote gemeente (Ps.40:10). In deze psalm wordt weer het-zelfde woord gebruikt als in de genoemde tekst uit Openbaring. We zien: psalmen en profe-ten zijn bezig geweest met die verkondiging ten aanzien van de eindtijd.

Wat God bekendmaakte aan de profeten

Wat heeft God nu verkondigd aan de profeten? Onze tekst uit Openbaring 10 grijpt in feite terug op nog een andere uitspraak uit de profetische boeken: 'Voorzeker, de Here Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten' (Amos 3:7). Bij Amos gaat het ook over de profeten, en bij hem worden zij eveneens aangeduid met de veelzeg-gende naam: knechten Gods.

Een knecht Gods is iemand die op een heel speciale manier met zijn Heer verbonden is. Zo wordt David, de man naar Gods hart, de knecht van God genoemd. In een leerdicht van Asaf, over het plan van God met de geschiedenis, horen we: 'Hij verkoos David, zijn knecht, en nam hem weg van de schaapskooien; van achter de zogende schapen haalde Hij hem, om Jakob, zijn volk, te weiden, en Israël, zijn erfdeel' (Ps.78:71). David, als knecht van de Heer, ontvangt de taak om het volk Gods te weiden. Daar loopt die lange psalm 78 op uit. De knecht des Heren vormt het hoogtepunt van de geschiedenis. Want van hem wordt gezegd. 'Deze weidde hen naar de oprechtheid van zijn hart, en leidde hen met kundige hand' (vers 72). Daaruit blijkt zijn diepe verbondenheid met God; zijn hand en zijn hart zijn geheel en al afgestemd op de inspiratie van God. Zo deelt hij in datgene wat God eigen is: oprechtheid en kundigheid. Oprechtheid, dat is eigenlijk eenvoud, een onverdeelde gezindheid, en kundig-heid kan men ook weergeven met inzicht, een zeer verstandig beleid, zegt de Staten-vertaling.

Abraham kon zichzelf aanduiden als de knecht van God. En hij zeide: 'Heere!, heb ik nu genade gevonden in Uwe ogen, zo gaat toch niet van Uwen knecht voorbij' (Gen.18:3, Statenvertaling). En van deze knecht zegt de Heer: 'Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?' (vers 19). Als God aan iemand wil vertellen wat Hem bezig houdt, dan kiest Hij daarvoor niet een engel, dan kiest God zijn knecht. Wat verborgen is voor de mensheid, wordt onthuld aan de knecht. Zelfs aan Lot, hoewel hij een rechtvaardige was, wordt het verborgene niet geopenbaard; inzicht ontvangt alleen de knecht.

Zo had Abraham op zijn beurt een man met wie hij heel bijzonder verbonden was: Eliëzer. 'Zo sprak Abraham tot zijn knecht, de oudste van zijn huis, regerende over alles wat hij had: 'Leg toch uw hand onder mijn heup' (Gen.24:2, Statenvertaling). Deze knecht verbindt zich onder ede met zijn heer; zijn hele denken is verweven met het denken van zijn heer; deze knecht regeert. Alwat van zijn heer is. beheert hij. En nu, op dit moment, legt Abraham zijn hele toekomst, de toekomst van zijn zoon, de toekomst van het volk dat geboren zal worden, de toekomst van het volk Gods en van het plan Gods, in de handen van de knecht. En de knecht ging op weg, lezen we dan in vers 10, en in dat gaan van de knecht worden de gedachten van Abraham en daarmee de gedachten Gods gerealiseerd. De weg van de knecht is de weg van God. De gang van de knecht is de gang van God door de geschiede-nis. Zoals tot hem gezegd wordt: 'neem haar en ga heen' (vers 51), zo geldt het ook van God: Hij gaat door de geschiedenis en neemt zich een volk en met dat volk gaat Hij naar zijn doel.

Openbaring spreekt elf keer over de knechten Gods

In dit verband is het zo opmerkelijk dat het motief van de knechten Gods in het laatste bijbel-boek weer heel helder naar voren komt. Maar liefst elf keer treffen we deze term aan. Direkt aan het begin lezen we al: 'Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden' (Openb.1 :1). We zien dat het laatste bijbelboek meteen in het eerste vers als uitgangspunt neemt: het gaat om de knechten Gods. En opnieuw blijkt het speciale voorrecht van de knechten te zijn: aan hen maakt God de toekomst bekend. De knechten zijn de ingewijden.

En waar gaat het over in het laatste hoofdstuk van Openbaring? 'En de troon van God en van het Lam zal daarin zijn en zijn dienstknechten zullen Hem vereren, en zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn' (Openb.22:3-4). Weer is er sprake van de knechten, zij zijn het die de eredienst voor God mogen verrichten; zij zijn het die Gods aangezicht zien, met andere woorden: zij zien Hem zoals Hij is; en de naam van God, dus het wezen Gods, staat op hun voorhoofd, Gods karakter beheerst hun denken, zij weer-spiegelen het wezen van hun Heer.

En van hen wordt ons in het vijfde vers verteld: 'En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node, want de Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden' (Openb.22:5). Natuurlijk licht speelt voor hen geen rol meer, hun leven is in het heiligdom, waar het wezen Gods alleen hun licht is. Zij worden verlicht, dat wil zeggen: een brandende lamp is hun geest, licht is hun wezen omdat God in hen is. En aan hen komt het koningschap voor altijd. Knechten worden lichten; knech-ten worden koningen.

Wanneer dan in het zesde vers vermeld wordt dat God zijn engel heeft gezonden om zijn knechten te tonen hetgeen weldra geschieden moet, dan is daarmee heel duidelijk terugge-grepen op het eerste vers van hoofdstuk 1.

Nog een opvallende uitspraak vinden we In Openbaring 7:3: 'Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen. voordat wij de knechten van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben'. Niet het rijk der duisternis heeft het eerste woord. Eerst moet er iets gebeuren vanuit God. Mensen ontvangen het zegel van de levende God. Wie zijn dat? Dat zijn de knechten van de Heer. En alles begint bij de knechten Gods. We kunnen vaststellen: zonder knechten Gods geen eindtijd. Zonder knechten Gods geen plan Gods. Zonder knechten Gods geen toekomst, geen voleinding.

Het eindtijdgebeuren draait om het geheimenis Gods

Nu gaat God aan zijn knechten iets bekend maken. Wat? Hij openbaart zijn raad, zegt Amos. Het is een geheimenis, zegt Johannes. Het hele eindtijdgebeuren draait om dat geheimenis.

Hier ontdekken we het vaste punt van de ganse geschiedenis: er is een raad Gods. Er is een geheimenis Gods. En alles wat er gebeurt, bestaat ter wille van dat geheimenis. Het is niet zo dat de doelloosheid regeert. Onze God is een God die in alles werkt naar de raad van zijn wil. (Efez.1:11). Hij heeft zijn bestek met wijsheid uitgemeten. God gaat zijn ongekende gang, verborgen majesteit, die in de zee zijn voetstap plant, en op de wolken rijdt. Wat Hij bedoelt, dat rijpt tot zin, wordt klaar van uur tot uur; de knop is bitter, is begin, de bloem wordt licht en puur.

Gods raad, dat is de knop die onweerstaanbaar gaat openbloeien te midden van nacht en ontij. Het is een wortel uit dorre aarde. Maar die wortel is niet te verwrikken. Die raad Gods is door God geplant en geen macht der hel kan uitrukken wat God heeft geplant. God gaat zijn gang. Niet, neen nimmer wijkt Hij af van zijn raad. Gij gaat in 't donker voor ons uit en niemand stuit uw grote gang de eeuwen door, een wereld lang.

Zo is God. En zoals God is, zo is zijn raad. En daarom, voor de eindtijd telt alleen dit: dat we leren denken vanuit de raad van God. Uitgangspunt van de hele geschiedenis, ook van de eindgeschiedenis, is de raad Gods. En het eindpunt van de totale historie, van de ganse wereldtijd zal zijn: de raad Gods. God wordt niet voor niets juist in het boek Openbaring genoemd de alpha en de omega, het begin en het einde. Het begin ligt niet bij de duivel, het begin van de schepping, het begin van de wereldhistorie, ligt in God. In den beginne schiep God, zegt het boek Genesis. In den beginne was het Woord, zegt Johannes. En het is niet zonder zin dat Jezus in het laatste bijbelboek genoemd wordt: 'het begin der schepping Gods' (Openb.3:14).

Het gaat om de raad Gods

Alles is begonnen met God, met het woord Gods. De duivel is er pas later bij gekomen en hij is dan ook in feite iemand die er helemaal niet bij hoort. Een verstekeling. Maar de versteke-ling heeft het schip niet gebouwd, hij heeft uiteindelijk ook niets te zeggen over de vertrektijd, over de koers, de aankomst en het doel van de boot. Dat wordt bepaald door de raad van de kapitein. En als de bemanning eensgezind is. dan nemen zij samen die verstekeling op en ze gooien hem eendrachtig overboord. En de raad van de gezagvoerder zal zegevieren.

Ons begin is God. Wanneer faalt een mens? Wanneer hij afdwaalt van zijn oorsprong. Wan-neer hij afdwaalt van de raad Gods. Waar waren profeten en psalmisten (die in wezen ook profeten waren) dan ook voortdurend mee bezig? Om het volk terug te brengen tot de raad Gods. De mens, op zijn zwerftocht door het land der eeuwen, zoekt waar zijn oorsprong is. Het volk Israël in de woestijn miste zijn doel, waarom? 'Doch spoedig vergaten zij zijn daden en wachtten niet op zijn raad' (Ps.106:13). Ten diepste is de mens bestemd voor de raad van God. Daar komt hij immers vandaan. Uit de raad Gods is hij voortgekomen, tot de raad Gods zal hij gaan. Nergens anders vindt hij hulp of heil.

Wat is duisternis? Leven buiten de raad van God is duisternis. Zoals Asaf het gezien heeft: 'Maar mij aangaande, bijkans waren mijn voeten afgeweken, bijna waren mijn schreden uitgegleden. Ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn ogen, totdat ik in God heiligdommen inging!' Leven buiten het heiligdom is duisternis. Maar dan, maar nu: 'Gij hebt mijn rechterhand gevat, Gij zult mij leiden door uw raad' (Ps.73:2,16,23-24). Dat verandert een mens. Dat maakt duisternis tot licht. Dat zet wankele voeten vast. Uw raad!

Dat is profetisch. Het volk van de eindtijd zal zijn het volk dat deze woorden op de lippen neemt, en ter harte neemt. Voeten glijden uit, duisternis doet dwalen, totdat .... Tot wanneer? totdat een volk gaat vragen naar de raad van God. Gelijk aan 't verre vreemde strand, gedachten gaan naar 't vaderland, zo, midden in het aards gewoel, vraagt mijne ziel naar 't eeuwig doel.

Dit zal de laatste gemeente uit het hart gegrepen zijn. Zij klemt zich vast aan het woord van Asaf. Zij zegt tot God en zij blijft zeggen tot God: Gij zult mij leiden door uw raad.

Het raadsplan van de duisternis

Is er dan geen andere raad? Psalm 1 spreekt over de raad der goddelozen. De volken hebben ijdele raad bedacht, vertelt de tweede psalm. Er is ook een raad van de boze. Hij heeft ook een raadsplan. In het boek Openbaring wordt maar liefst acht keer op Psalm 2 gezinspeeld. 'De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en zijn gezalfde', zegt de psalm (Ps.2:2). En in Openbaring lezen we: 'En ik zag het beest en de koningen der aarde en hun legerscharen verzameld om de oorlog te voeren tegen Hem, die op het paard zat, en tegen zijn leger' (Openb.19:19). We zien: wat Johannes beschrijft, loopt helemaal parallel met de genoemde psalmtekst.

Wat is nu het raadsplan van de duisternis? Het doel is, het volk Gods, de gezalfde van de Heer, uit te roeien. 'Want zie', zegt een andere profetische psalm, 'uw vijanden tieren, uw haters steken het hoofd op, zij smeden een listige aanslag tegen uw volk en beraadslagen tegen uw beschermelingen' (Ps.83:3-4). Let op de term 'beraadslagen', die ook in het zesde vers nog een keer terugkomt: 'Want zij hebben eensgezind beraadslaagd, tegen U een ver-bond gesloten'. Dat is hun raad. Ze keren zich tegen de beschermelingen Gods. Tegen zijn heiligen, zegt de griekse tekst. En wat zien we in Openb.13:7? 'En hem werd gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwinnen'. Eensgezind, lazen we in de psalm. En het boek Openbaring vertelt: 'Dezen zijn één van zin en geven hun kracht en macht aan het beest' (Openb.17:13).

De duisternis heeft een raad, en God heeft een raad. Ook in dit opzicht is het boek Open-baring weer het boek van de kontrasten. In de eindtijd staat daar de raad van God tegenover de raad van de boze. Het rijk der duisternis beraadslaagt. Maar de raad des Heren, die zal bestaan. God bereidt zich een volk; dat zijn zijn beschermelingen. Dat is niet zomaar een volk; een engelse overzetting noemt ze: thy hidden ones, de Statenvertaling zegt: uw verbor-genen. Zij zijn geborgen in de raad van hun God, zij zijn verbonden met de raad van hun God, op hen zal rusten de Geest van raad en sterkte. De raad van God is alles voor hen. Daar leven ze voor, daar ankeren zij in. Zij zijn terug gegaan naar hun oorsprong. En daarom kunnen zij doorgaan tot het einde.

Zij weten het: Wie is er die me aan U ontrukt? Uw merk, mijn ziele ingedrukt, uw zegel in de edelsteen, wijst altijd naar haar oorsprong heen. Vanuit deze achtergrond nu horen wij over het geheimenis.

 

HOOFDSTUK I X

 

HET GEHEIMENIS DAT VOLEINDIGD ZAL WORDEN

Er is een geheimenis van God. En dat geheimenis zal voleindigd worden, vertelt ons Openb.10:7. Het wordt voltooid, het wordt vervuld, het wordt afgerond, volledig gemaakt. De Statenvertaling noemt het: de verborgenheid Gods.

Wat is dat geheimenis, die verborgenheid? Het is het rijk Gods, waarvan Jezus sprak: het is onder u, het is in u, maar het komt niet met uiterlijk gelaat. Dat rijk is als het mosterdzaad, dat geplant wordt in de geest van een mens.

Reeds Daniël hield zich bezig met dit geheimenis. Hij zei tot zijn drie vrienden dat zij barm-hartigheid moesten afsmeken van de God des hemels betreffende deze verborgenheid (Dan.2:18). En dan vervolgt het verhaal: 'Toen werd de verborgenheid aan Daniël in een nachtgezicht geopenbaard'. En op grond daarvan kan hij het dan ook uitroepen: 'God open-baart ondoorgrondelijke en verborgen dingen' (vers 22). En in vers 28 lezen we hoe hij tegenover de koning van Babel verklaart: 'Maar er is een God in de hemel, die verborgen-heden openbaart'.

En wat blijkt dan die verborgenheid te zijn? Dat is de steen die losraakt zonder toedoen van mensenhanden, de steen die het beeld treft zodat het verbrijzeld wordt, de steen die vervol-gens wordt tot een grote berg die de gehele aarde gaat vullen. En wat is de betekenis daar-van? De uitleg luidt: 'Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een konink-rijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan' (vers 44).

Waar alles in de eindtijd om draait

Alles draait om het rijk Gods. Dat is het geheimenis van de eindtijd. Dat rijk zal hemel en aarde vervullen.

God is een koninklijke God. Hij is de God die pal staat voor de zaak van waarheid, ootmoed en recht, om met de woorden van Psalm 45 te spreken. God zal niet rusten voordat Hij zijn rijk heeft gegrondvest met recht en gerechtigheid, zoals Jesaja 9 ons dat schildert. En dan zegt de profeet erbij: 'De ijver van de Here der heerscharen zal dit doen' (Jes.9:6). God is een God van ijver. Hij ijvert voor zijn plan. Hij ijvert voor de waarheid. Hij ijvert voor zijn rijk.

God heeft een koninklijk doel. Gods doel is niet dat iedereen het naar zijn zin heeft. Alleen het rijk is de moeite waard. Alleen wat waarheid is, voldoet aan Gods verwachtingen.

Het boek Openbaring laat ons zien: dit geheimenis gaat God ter harte. Met minder is Hij niet tevreden. Hier werkt Hij aan met onverwoestbare vasthoudendheid. Want dit geheimenis moet en zal voleindigd worden. God is onwrikbaar in zijn plannen. De Heer is recht in al zijn weg en werk. Zijn rijk zal komen. Als het vertoeft, verbeid het, want komen zal het gewis, uitblijven zal het niet.

 Gods rijk komt als een verborgenheid

Het rijk komt. Maar hoe? Het komt als een verborgenheid. Het is Gods eer een zaak te ver-bergen, zegt Spr.25:2. God wil waarheid in het verborgene. God zoekt niet het spektakel, Hij is de God der waarheid. En waarheid is wars van alle uiterlijk vertoon. Waarheid geschiedt in de geest. Zoals Johannes het formuleert. 'En de Geest is het, die getuigt, omdat de Geest de waarheid is' (1 Joh.5:6). Alleen de God die Geest is, leidt tot de waarheid; alleen de God die Geest is, is de waarheid.

God kiest de weg van de geest, God kiest de weg van de waarheid. Dat is de enige weg die in overeenstemming is met zijn wezen. Uitsluitend langs die weg bouwt God zijn rijk. Elke andere weg weigert Hij te gaan. Het pad van het kompromis, het pad van het sukses, is voor God een onbestaanbare zaak. God beperkt zich tot de weg der waarheid. En in de beperking toont zich de meester.

Gods geheimenis heeft ook te maken met de gemeente

Er is nog een fundamenteel punt. Het geheimenis heeft te maken met het rijk, maar het heeft tegelijkertijd ook alles te maken met de gemeente. Paulus schrijft: 'Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente' (Efez.5:32). De gemeente is het geheimenis. Bij de zevende bazuin is zij voleindigd. In verborgenheid wordt zij gereedge-maakt. Dit komt overeen met de woorden van Openb.19: 'zijn vrouw heeft zich gereedge-maakt' (vers 7).

We leven nu in de tijd waarin God zijn geheimenis voltooit. Dat is het volk dat God gaat presenteren aan de ganse schepping. Het volk waarin God zijn Naam heeft gelegd. Het volk waarin Gods wezen is geplant.

Nog een ander gebeuren in de geestelijke wereld

Nu wordt er echter in het boek Openbaring nog over een ander geheimenis gesproken. In hoofdstuk 17 lezen we dat Johannes in de geest wordt weggevoerd naar een woestijn. En daar ziet hij een vrouw. Ook hier gaat het uitdrukkelijk om een gebeuren in de geestelijke wereld. En dan vertelt ons het vijfde vers: 'En op haar voorhoofd was een naam geschreven, een geheimenis: het grote Babylon'.

Hier ontdekken we de twee tegenpolen: het ene geheimenis is de vrouw uit Openb.17, het andere geheimenis is de vrouw uit Openb.19. Het gaat om twee vrouwen, we kunnen ook zeggen: het gaat om twee steden. Want de ene vrouw wordt genoemd Babylon, van de andere lezen we in hoofdstuk 21: 'En er kwam een van de zeven engelen met de zeven schalen, die vol waren van de laatste zeven plagen, en hij sprak met mij, zeggende: Kom hier, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams. En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God' (vers 9-10).

We zien: de vrouw van het Lam is een stad.

Twee steden staan in de eindtijd tegenover elkaar. Hier stuiten we op één van de grond-thema's van de hele Bijbel. Telkens komen we die twee steden tegen. Het kontrast tussen deze beide bolwerken is ook weer een hoofdlijn in het laatste bijbelboek. In de slotfase van de geschiedenis gaan de grenzen zich aftekenen. Hier kan men nu met recht spreken van polarisatie. En daarom wordt de vraag klemmend: waar wonen wij? In welke van die beide steden bevinden wij ons? Het is nu een tijd van beslissingen. Nu moeten wij onze woon-plaats bepalen.

Daarom is het ook buitengewoon aktueel, eens na te gaan: worden er in het boek Openba-ring ook bepaalde kenmerken van die steden genoemd? Aan de hand daarvan kunnen we dan opmaken waar het in de eindtijd en in de eindstrijd tenslotte op aan komt.

Het geheimenis van Babylon

De ene stad heet Babylon. Die naam is een geheimenis, wordt er uitdrukkelijk bij vermeld. Dat houdt in: we hebben geestelijke ogen nodig om er iets van te kunnen onderscheiden. Het gaat hier niet over een stad die men even op de landkaart kan opzoeken. Dan zou men heel vlot tot de slotsom kunnen komen: Babel ligt gelukkig ver bij ons vandaan. Babel is een verborgenheid. Het is een geestelijke woonplaats. Het gaat dus ook niet aan, voor Babylon dan maar even Rome in te vullen.

Wat is er dan wel aan de hand? Laten we een paar kenmerken opsporen. De naam van de stad kan ons verder helpen, en ook de oorsprong. In de geeestelijke wereld wordt alles bepaald door de oorsprong. Iets is goed wanneer de oorsprong goed is. En omgekeerd: wanneer de oorsprong niet deugt, dan weet men dat de zaak fout zit.

Voor de naam en de oorsprong van Babylon moeten we teruggaan naar Genesis. Daar vinden we de bakermat van dit geheimenis. Gen.11 vertelt ons over de torenbouw van Babel. Nu is dit niet een op zichzelf staand verhaal. Het vormt een deel van een heel boek. We kunnen het alleen verstaan in het verband van het hele boek Genesis. En het boek Openbaring is op zijn beurt weer niet te begrijpen zonder de achtergrond vanuit het eerste boek van de bijbel.

We zullen dus moeten bedenken: het thema van het boek Genesis is: de wording van het volk van God te midden van de volkeren. En in dat kader gaan we pas werkelijk ontdekken wat de torenbouw van Babel betekent. Het is een groots opgezette poging om de wording van het Godsvolk te voorkomen. Een komplot om het plan Gods te saboteren.

We merken de parallel op tussen Genesis en Openbaring. Ook in de eindtijd draait alles om de wording van het Godsvolk. En ook dan zien we dat de vijand van God een tegenplan ont-werpt. een tegenvolk formeert, een tegenstad opricht.

We lezen in Gen.11: 'Ook zeiden zij: Welaan. laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot de hemel reikt, en laten wij ons een naam maken' (vers 4). Het gaat om een stad en een naam. En een toren waarvan de top tot, letterlijk staat er: in de hemel reikt. Ze wilden in de hemel komen. Doordringen in de geestelijke wereld. En als God de zaak gaat bezien, dan konstateert Hij: 'Zie, het is één volk. Op die manier wordt de geboorte van een Godsvolk onmogelijk gemaakt.

Wat betekent de naam Babel?

En dan komt daar de naam van de stad naar voren. In hoofdzaak zijn er twee betekenissen. Babel beduidt in het babylonisch: poort Gods. Dat hadden de bouwers er zich van voorge-steld: de toren zou een poort worden naar de onzienlijke wereld.

Maar in het hebreeuws betekent Babel: verwarring of vermenging. En daar hebben we dan ook het kenmerk van het Babylon in de eindtijd: het is gebouwd op een verwarring van denken. Het fundament van Babel is: vermenging. Men vermengt waarheid en leugen, licht en duister, goed en kwaad, hemel en aarde, het natuurlijke en het geestelijke.

Babel mist het fundamentele kenmerk van het koninkrijk Gods: zuiverheid. Alwat uit God voortkomt, zal het onmiskenbare stempel dragen van klaarheid, puurheid, want zo is God. Bij God is alles onvermengd.

En daarmee zijn we bij de oorsprong van de stad. Die vinden we beschreven in Gen.10. Daar wordt een overzicht gegeven van de volkeren die de achtergrond zullen vormen waar-tegen de wording van het Godsvolk zich zal gaan aftekenen. En te midden van die opsom-ming van naties gaat het dan opeens over Nimrod. Deze was de eerste machthebber op aarde; hij was een geweldig jager voor het aangezicht des Heren, vertelt ons vers 8 en 9. En dan zien we in het tiende vers: 'En het begin van zijn koninkrijk was Babel'.

Let ook op de betekenis van Nimrod!

Nimrod is de eerste man in de bijbel die een koninkrijk heeft. Ook de naam van deze figuur is weer veelzeggend. In het assyrisch zal zijn naam een verbastering zijn van Ninurta, de god van oorlog en jacht. In het hebreeuws betekent hij zoveel als: rebel, opstandeling. Hij was de eerste machthebber. En hij was een jager voor het aangezicht des Heren, dus in de onzien-lijke wereld. En hij bouwde aan een rijk. Nu is het merkwaardige van dat rijk, dat het een heel duidelijk beginpunt had. Daar wordt hetzelfde woord gebruikt als in de allereerste tekst van de bijbel: In den beginne schiep God.

We zien derhalve dat het in Genesis gaat over twee soorten begin. Er is een begin vanuit God. Een er is een begin vanuit Nimrod. En die staan lijnrecht tegenover elkaar. In Gen.1: God formeert hemel en aarde; in Gen.10: Nimrod formeert Babel. In Gen.1 begint het koninkrijk Gods, in Gen.10 begint het koninkrijk van Babel.

Dezelfde twee rijken vinden we terug in het boek Openbaring. Genesis spreekt over twee soorten begin; Openbaring toont ons twee soorten einde. Daar zien we waar die twee koninkrijken op uitlopen.

Het woord 'begin' kunnen we ook vertalen met 'beginsel'. Het grondbeginsel van het konin-krijk der duisternis is Babel. Hier wordt ons een sleutel gegeven. Babel is niet maar een willekeurige stad, Babel is niet één vorm van duisternis naast vele andere, neen, Babel is het beginsel, het basisprincipe, het uitgangspunt van alle dwaling. Babel is de grondslag, het fundament van het hele rijk der duisternis. Zoals de gemeente gebouwd wordt op het funda-ment van Hebreeën 6, zo is het fundament van de valse kerk: Babel.

Er zijn in wezen maar twee beginselen. Het ene beginsel is: God schept. In den beginne schiep God. Het anders beginsel is: de boze mengt. De satan kan niet scheppen. hij kan alleen maar vermengen. Zo bederft hij het goede dat God heeft gemaakt.

De oproep van alle eeuwen: trek uit Babel!

Daarom klinkt door de eeuwen heen telkens weer de oproep: Trek uit Babel. Dat begint direkt al. In Gen.11 wordt de toren gebouwd, en meteen in Gen.12 spreekt God tot Abram: Ga uit. En daar waar Abram uitgaat, daar geschiedt iets met een ongelooflijk verstrekkende zin. Daar is niet zomaar sprake van een verhuizing, een emigratie. Daar gebeurt iets wat oneindig veel groter is en dieper gaat. Daar wordt volk Gods geboren. Het uitgaan uit Babel is als een nieuwe geboorte. Het gaan van Abram zet de wording van het Godsvolk in gang.

De profeten knopen weer bij dit grondbeginsel aan: 'trekt uit Babel', horen we bij Jesaja, 'ontvlucht de Chaldeeën. Verkondigt het met jubelgeklank, doe dit horen, verbreidt het tot aan het einde der aarde; zegt: De Here heeft zijn knecht Jakob verlost' (Jes.48:20).

Merkwaardig: waar komt het volk Gods vandaan? Uit Babel. Het zijn de verlosten uit Babel. Het zijn degenen die zich losmaken, zich los laten maken uit de vermenging. God bouwt zijn rijk met wat uit het rijk van Nimrod uitgaat.

Jeremia spreekt er ook van: 'Vlucht uit Babel weg en trekt uit het land der Chaldeeën en weest als bokken voor de kudde uit' (Jer.50:8). 'Wij hebben Babel trachten te genezen, maar het is niet te genezen; verlaat het en laten wij gaan, een ieder naar zijn land' (Jer.51:9).

Waarom is het niet te genezen? Omdat het een grondbeginsel betreft. En dan is er maar één oplossing: van beginsel veranderen. Wat vermengd is, kan men niet genezen. De enige

weg is: uittrekken. God bouwt niet op een vermengd fundament.

En daarom is het niet toevallig dat die oproep van de profeten in het boek Openbaring opnieuw gehoord wordt: 'En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen' (Openb.18:4). Mijn volk, wordt er gezegd. Nog eenmaal gaat het om de wording van het Godsvolk. Zoals God sprak tot de aartsvader, zo spreekt God opnieuw in de eindtijd: Gaat uit. En waar dat gebeurt, daar wordt volk Gods geboren. God bouwt zijn rijk niet in Babel, God bouwt zijn rijk buiten Babel. Daar is het land van louter licht, waar heiligen heer-sers zijn.

Dat is het wezen van de eindtijd: twee geheimenissen, twee beginselen. Beide komen tot volheid.

Beginsel van schepping en beginsel van afbraak. Maar het beginsel van God gaat het win-nen. Want God kan meer scheppen dan de boze kan afbreken.

God plant zijn beginsel in ons. Het beginsel van het rijk. En dat beginsel ontkiemt, draagt vrucht, stoelt uit. En de hemel en de aarde wordt stralende en puur, God zal zich openbaren in heel zijn kreatuur.

  

HOOFDSTUK X

 

DE KENMERKEN VAN DE STAD GODS

We hebben gezien: het gaat in de eindtijd om twee geheimenissen, om twee steden: de stad Babel en de stad Gods. De vraag is nu: wat zijn de kenmerken van de stad Gods? Hoe wordt zij gebouwd? Hoe wordt dit geheimenis voleindigd?

Een eerste kenmerk wordt genoemd in Openb.21:2. 'En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is'. Daar zien we om te beginnen: deze stad is heilig. Dat onderscheidt haar van alle andere steden. 'De steden der volkeren stortten in', lezen we in hoofdstuk 16 :19. Maar deze stad blijft. Zij zal bestaan in eeuwigheid. Waarom? Omdat zij heilig is en onbesmet.

Heilige stad. Daar sprak Jesaja al over: 'Waak op, waak op, bekleed u met sterkte, Sion; bekleed u met pronkgewaden, Jeruzalem, heilige stad' (Jes.52:1). En wat houdt die heilig-heid in? Jesaja vervolgt: 'Want geen onbesnedene of onreine zal meer in u komen'. Hiermee stemmen overeen de woorden van Johannes: 'En in haar zal niets onreins binnenkomen, en niemand, die gruwel en leugen doet, maar alleen zij, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam' (Openb.21:27}.

Hoe komt iemand de stad Gods binnen? Alleen langs de weg van totale scheiding en totale toewijding. De stad Babel wordt gekenmerkt door vermenging, de stad Gods door scheiding. Dat wil zeggen: het ingaan in de stad des Heren is een afscheid. Om het met de woorden van Jezus te zeggen: 'Zo zal dus niemand van u, die niet afstand doet van al wat hij heeft, mijn discipel kunnen zijn' (Luk.14:33). We kunnen ook vertalen: die niet afscheid neemt.

Het is afscheid nemen van Babel, afscheid nemen van de vermenging, afscheid nemen niet zoals de vrouw van Lot. Zij trok uit Sodom maar nooit heeft zij een stad bereikt. Waarom niet? Zij trok uit maar haar geest trok niet uit.

Lot trok uit, maar nimmer heeft hij een stad gezien. Waarom niet? Noodgedwongen ging hij uit. Van hem kon niet gezegd worden: uw volk is één en al gewilligheid.

Abraham trok uit. Met hart en ziel. Eén en al gewilligheid. Hij verwachtte een stad, stad met fundamenten. Abraham nam afscheid.

Zij die wonen in de stad, allen hebben zij afscheid genomen. Met heel hun geest en wezen hebben zij hun intrek genomen bij God. Niemand die gruwel en leugen doet, komt daar binnen. Het kenmerk van de stad Babel is leugen. Openb.22 vertelt ons: 'Zalig zij, die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad' (vers 14). Dat zijn degenen die ingaan. Zoals Jesaja reeds zei: 'Opent de poorten, opdat een rechtvaardig volk binnenga, dat zijn trouw bewaart' (Jes.26:2).

God bouwt zijn huis met het volk der waarheid

Tegenover de leugen staat daar de trouw. Tekenend voor de eindtijd zal zijn: verraad of trouw. Leugen of waarheid. Welk volk gaat in? Het volk der getrouwheid, het volk der waar-heid. Met waarheid bouwt God zijn huis.

'Buiten zijn de honden en de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendie-naars en ieder, die de leugen liefheeft en doet', zo lezen we in Openb.2.2:15. Wie zich verbindt met de leugen, staat buiten de stad. Het volk der getrouwen gaat in.

Dit kontrast speelt een fundamentele rol in het laatste bijbelboek. Negen maal komen we er de term 'leugen' en aanverwante begrippen tegen, een tiental keren treffen we er de woor-den 'waar' of 'waarachtig' aan.

Nu is het wellicht goed dat we hier wat dieper op ingaan, omdat we hier in feite te maken hebben met de basis van beide steden, de grondslag van de twee geheimenissen.

Wat zegt het boek Openbaring over leugen en waarheid?

Wat ontdekken we in het boek Openbaring over deze twee grondbegrippen: leugen en waar-heid?

Nu kunnen we een kernwoord als dit niet verstaan, los van zijn hebreeuwse achtergrond. En wanneer we ons in die achtergrond verdiepen, dan stuiten we op een woord dat in de Staten-vertaling meestal weergegeven wordt met 'waarheid', terwijl het Nederlands Bijbel Genoot-schap in de regel vertaalt met 'trouw'. De grondbetekenis van het woord is: datgene wat vast is, wat bestendig is. Het heeft dus alles te maken met betrouwbaarheid, met waarachtigheid.

En dit is maar niet een bijkomstige zaak; dit is de achtergrond van het hele plan Gods. Zo is God zelf. Dit is het wat Hem tot God maakt. Juist hierin onderscheidt God zich van de goden. Jesaja laat ons dit, speciaal ook met het oog op de laatste tijden, zien als hij profeteert: 'Maar zijn knechten zal Hij met een andere naam noemen, zodat wie zich in den lande zegent, zich zal zegenen in de God der waarheid, en wie in den lande zweert, zal zweren bij de God der waarheid; want de vroegere benauwdheden zijn vergeten, ja, zijn verborgen voor mijn ogen' (Jes.65:15-16).

We zien: waarheid is het wezenskenmerk van onze God. En die waarheid Gods blijkt daar, waar Hij zijn volk door de benauwdheid heen leidt. Dit is uniek. De leugenprofeten pleisteren met kalk, maar onze God werkt met rotsgrond. Zijn grondslag, zijn onwrikbre vastigheden heeft God gelegd op bergen Hem gewijd. God zal het hele rijk der duisternis overwinnen, maar hoe? God overwint door zijn trouw, door zijn betrouwbaarheid.

Typerend voor de eindtijd is: het verraad. Jesaja spreekt het uit: 'Verraders plegen verraad, ja, verraders handelen verraderlijk' (Jes.24:16). Driemaal wordt in het boek Openbaring mel-ding gemaakt van de valse profeet. of zoals er letterlijk staat: de leugenprofeet. De kracht van het rijk der duisternis is de leugen.

Maar de kracht van God is de waarheid. In Psalm 111 wordt dit bezongen: 'De werken zijner handen zijn waarheid en recht, betrouwbaar zijn al zijn bevelen, vastgesteld voor immer en altoos, volbracht in waarheid en oprechtheid' (vs.7-8). Hier zien we het geheim voor de eind-strijd. God is waarachtig, en God zal zegevieren door middel van een gemeente die waar-achtig is. Dat is het grondprincipe van het boek Openbaring. De waarachtigheid Gods houdt het eenvoudig langer vol dan de leugen van de boze.

Daarom is het ook zo veelzeggend dat we dit woord ook tegenkomen in het verhaal van de strijd tegen Amalek in Exodus 17. Een prachtig beeld van de eindstrijd. Zoals Mozes, de leider, daar op de heuveltop stond, zo zien we in Openbaring 14 het Lam staan op de top van de berg Sion, als de aanvoerder van zijn volk.

En wat was het geheim van de overwinning van Amalek? Er wordt verteld van Mozes: zijn handen bleven onbeweeglijk tot zonsondergang (Exod.17:12). In de geestelijke wereld hief Mozes zijn hand op en zo verbond zich zijn geest met de troon des Heren. En het sleutel-woord van het verhaal? Onbeweeglijk. Letterlijk staat er: zijn handen bleven getrouwheid. Zijn handen bleven waarachtigheid. Zijn handen bleven betrouwbaarheid.

In de eindstrijd zal Christus en zijn gemeente triomferen!

Hier hebben we het sleutelwoord voor de eindstrijd. God is bezig om iets voor te bereiden wat vast is, iets wat solide is. Het gaat God om een volk waarin de vastheid van Hemzelf gestalte krijgt. Mozes stond, het Lam zal staan. Er is maar één ding dat zal winnen in de hemelse gewesten, dat is de vastheid, de waarachtigheid Gods. Alleen zo zal Amalek vallen.

Het is dan ook niet toevallig dat de Heer zich aan de gemeente van Filadelfia als volgt presenteert: 'Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel Davids heeft, die opent en niemand zal sluiten, en Hij sluit en niemand opent' (Openb.3:7). Hier kondigt de Zoon des mensen aan dat aan Hem gegeven is de sleutelmacht in de geestelijke wereld, welke macht Hij wil delen met zijn volk. Het is de macht om deuren te openen voor God, voor het rijk Gods, en om deuren te sluiten voor de boze. En dan blijkt dat daar beslissingen vallen die definitief zijn. Hij spreekt zijn wil uit en voortaan wordt daar nooit meer aan afgedaan. Als de Heer met zijn volk een deur opent, krijgt geen macht die deur meer dicht; als Jezus met zijn gemeente een deur voor het rijk der duisternis dichtgooit, zal geen wereldvorst die poort meer kunnen forceren.

En waarom is Hij in staat om deuren te openen en te sluiten? Omdat Hij de waarachtige is. Waarachtigheid wint. Juist aan en in de eindtijdgemeente wil en zal Hij zich betonen als de betrouwbare. En waar blijkt die betrouwbaarheid? 'Ik zal u bewaren voor de ure der verzoe-king, die over de gehele wereld komen zal', zo lezen we in diezelfde brief aan Filadelfia (Openb.3:10). De Heer bewaart zijn volk, Hij haalt ze door de eindverzoeking heen. Hij doet dat en kan dat doen omdat Hij de waarachtige is.

Daarmee houdt ook verband de belofte die daar in vers 12 op volgt: 'Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan'. Gods waarheid houdt ons staande. Omdat onze Heer de betrouwbare, de waarachtige is, bouwt Hij aan een huis dat dezelfde kwaliteiten bezit: tempelzuilen die er niet meer uitgaan, maar die vast en zeker staan. Hij is de Heer der waarheid, die waarachtig en getrouw, vastheid geeft aan 't Godsgebouw.

Ook in de brief aan Laodicea komt dit motief weer naar voren, als we horen in vers 14 van hetzelfde hoofdstuk: 'Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige'. Hier wordt zelfs letterlijk op het hebreeuwse woord teruggegrepen dat vastheid aanduidt. Amen bete-kent immers: vast, zeker, bestendig. De Heer is zelf de bevestiging van de gemeente, de vastheid van zijn volk, degene die garant staat voor de toekomst van zijn schepping.

 

Waarheid is een zaak van geest en hart

We zien hoe deze grondgedachte al in de eerste hoofdstukken van Openbaring aan de dag treedt, juist naar mate de eindfasen van de gemeente belicht worden. In de eindstrijd gaat alles zich toespitsen op trouw. Het is goed hierbij op te merken dat we hier heel duidelijk te maken hebben met een innerlijk gefundeerde houding. Waarheid is een zaak van geest en hart.

Waarheid is meer en gaat dieper dan het verstandelijk aannemen van een aantal waarhe-den. Het is een levenshouding, hart en geest geankerd in God.

Merkwaardig is dan ook dat dit grondmotief in de laatste hoofdstukken van Openbaring weer tevoorschijn komt. In Openb.19:11 wordt ons de overwinnaar van de eindstrijd getekend en welke eigenschappen springen dan het meest eruit? 'En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard; en Hij, die daarop zat, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig'. Zo wordt Hij genoemd; dat is dus zijn naam, en zijn naam is zijn wezen. En wat blijkt zijn meest typerende naam te zijn in verband met de oorlog die Hij moet voeren? De dubbele naam Getrouw en Waarachtig. Die dubbele naam is de overwinnende naam. Die dubbele naam is een bolwerk. Dat is het bolwerk bij uitstek van de eindtijd. Die naam is inderdaad een sterke toren.

Johannes vervolgt in vers 13: 'Zijn naam is genoemd: het Woord Gods'. Immers, de woorden Gods zijn de uitdrukking van zijn waarachtigheid. En heerscharen die in de hemel zijn, vol-gen Hem. Zij sluiten zich aan, niet zomaar bij een willekeurig leger, neen, zij sluiten zich aan bij Hem wiens wezen is: waarachtigheid. Zij willen meedoen met Hem. Zij gaan in zijn spoor, in het spoor der getrouwheid. Zij zijn geworden als Hij. Zij hebben hun hart gezet op duur-zaamheid. Daarom houden zij stand in de hemelen.

Nog tweemaal wordt deze zelfde gedachte herhaald, in verband met het uiteindelijke totale herstel. Openb.21:5 vertelt ons: 'En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig'. God is waarachtig, juist wanneer het gaat om het wederherstel van alle dingen. Dat is voor Hem een erezaak.

Deze lijn loopt door in hoofdstuk 22. Waar gaat het hele plan Gods naar toe? 'En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node, want de Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden. En Hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig' (vers 5-6). Wie leeft vanuit de waarachtigheid Gods, heeft geen ander licht meer nodig. Nooit gaat de gouden dag daar dicht.

Het volk Gods zal het koningschap beërven, omdat zij vast houden aan de waarachtige en getrouwe woorden Gods. Wanneer God in het eindtijdgebeuren bezongen wordt, dan is het veelzeggend dat ook in de liederen deze kerngedachte weer het accent krijgt. De overwin-naars die staan aan de glazen zee, waar zingen zij over? Zulke mensen houden er geen oppervlakkige liedjes op na; hun zangen gaan diep want zij zijn door de diepte gegaan.

'En zij zingen het lied van Mozes, de knecht Gods, en het lied van het Lam, zeggende: Groot en wonderbaar zijn uw werken, Here God, Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Gij, Koning der volkeren' (Openb.15:3).

Zij bezingen de waarachtigheid Gods. Zij hebben de wegen van God leren kennen; zij heb-ben op zijn wegen gewandeld, zij hebben met Hem gewandeld, door woestenij en wildernis, door zand en zee, door vuur en glas. En nu is één ding gegrift in hun hart. Zij hebben God getrouw bevonden. Zij weten: God is waar.

De proklamatie aan de ganse schepping

De laatste gemeente zal juichen, zingen. weten: God is waar. Dat proklameren zij aan de ganse schepping.

In hoofdstuk 16 wordt deze gedachte doorgetrokken. 'En ik hoorde het altaar zeggen: Ja, Here God, Almachtige, uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig' (vers 7). Gods oordelen: Hij maakt scheiding tussen licht en duister. Hij zuivert het kwaad uit zijn schepping uit. Hij zal de aarde, de wereld richten, dat wil zeggen: Hij zal recht spreken, en recht zetten. En dat doet Hij in waarachtigheid.

Wanneer Babel gevallen is, lezen we: 'Hierna hoorde ik als een luide stem ener grote schare in de hemel zeggen. Halleluja! Het heil en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God, want, waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen' (Openb.19:1-2). Waardoor komt Babel aan zijn eind? Babel wordt overwonnen door de waarheid Gods.

En als tenslotte de vrouw van het Lam zich gereed gemaakt heeft en zij als een volmaakte bruid aan God gepresenteerd kan worden, dan wordt er in verband daarmee vastgesteld: 'Dit zijn de waarachtige woorden van God' (Openb.19:9). Daar wordt de waarachtigheid Gods op het luisterrijkst ten toon gespreid: daar waar God zijn volk tot de volkomenheid voert. De gemeente die de gestalte Gods ontvangt, is het teken van de eindtijd. Zij zal zijn het teken, het bewijs van de waarachtigheid Gods, waardoor de mond der leugensprekers wordt gestopt.

Van degenen die met het Lam staan op de berg Sion, en die Hem volgen waar Hij ook heen gaat, wordt vermeld. 'En in hun mond is geen leugen gevonden; zij zijn onberispelijk' (Openb.14:5). Zij zijn waarheid geworden, de leugen vindt in hen geen plaats. Van hen kan gezegd, worden zoals van hun Heer: de overste dezer wereld komt en heeft aan hen niets. Want hij heeft in hen niets.

De waarachtigheid van God op volkomen wijze in zijn volk

Wat is hun geheim? Hun hart, hun geest gaat hiernaar uit. Zij willen voor honderd procent deel hebben aan de waarachtigheid van hun God. Zij willen zich volledig verenigen met de vastheid, de getrouwheid van hun Meester.

Zo sluit de visie van het boek Openbaring helemaal aan bij het woord dat de profeet Zacharia eenmaal doorgaf: 'Alzo zegt de Here: Ik ben wedergekeerd tot Sion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen en Jeruzalem zal geheten worden een stad der waarheid, en de berg des Heren der heerscharen, een berg der heiligheid' (Zach.8:3, Statenvertaling). Stad der waarheid. Daar wil God wonen. Dat is de stad van de eindtijd. Die stad zal staan.

Op de heuveltop, op de berg der heiligheid, zal zij verrijzen, zal zij staan als Mozes, staan als het Lam. Zij is waarheid, want waarheid is in haar. Haar waarheid, haar vastheid is God.

Haar handen blijven onbeweeglijk tot zonsondergang. Zo wordt de laatste slag gewonnen.

 

UITGAVE: 'LEVEND GELOOF', Postbus 101, 8180 AC HEERDE

Gekopieerd met toestemming van de uitgever. C. du Fossé

 

Verkenningen

rond het boek

Openbaring

HOOFDSTUK X I

DE BETEKENIS VAN DE BAZUINEN

Als we het boek Openbaring lezen, dan komen we heel wat bazuinen tegen. En daar moeten we niet overheen lezen, want juist hierin wordt ons weer een sleutel aangereikt om het eindtijdgebeuren te verstaan.

Direkt in hoofdstuk 1:10 vertelt Johannes al: 'Ik kwam in vervoering des geestes op de dag des Heren, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin'.

Het gevaar is dat we zo gewend zijn aan die bazuinen dat we ons niet meer realiseren wat ermee bedoeld wordt. Het is mogelijk, een hele uiteenzetting erover te geven en dan toch de boot te missen. We kunnen denken: die bazuinen kondigen de oordelen Gods aan. Als we onder oordeel verstaan: scheiding tussen licht en duister, dan kunnen we daar in zekere zin mee instemmen. Maar toch is er veel meer aan de hand. En dat moeten we nu gaan ontdekken.

Waar komen die bazuinen in het boek Openbaring vandaan? In het Oude Testament komen we ze ook al tegen. En daarom is het van groot belang dat we nagaan wat daar hun betekenis is.

De bazuin in Exodus 19 en in Openbaring 4

De eerste maal dat er in het Oude Testament sprake is van een bazuin, betreft meteen een bijzonder geladen situatie, namelijk de openbaring Gods op de Sinaï. In Exod.19:13 lezen we: 'Eerst bij de langgerekte toon van de hoorn mogen zij de berg bestijgen'. Nu wordt hier in deze tekst een nogal speciaal woord gebruikt, een woord dat alleen hier en in de geschie-denis van Jericho voorkomt. Dit woord heeft in wezen een heel eigen klank; daarom moeten we nu eerst maar eens even de achtergrond van deze term onderzoeken.

Dan vinden we aan de hand van het gebruik van dit woord alvast een drietal basispunten. Om te beginnen zien we vanuit Exodus 19 dat de hoorn het signaal geeft tot het beklimmen van de berg. Het is het startsein voor een volk dat zich los wil maken van de wereld beneden en dat wil opstijgen naar het Godsrijk. Nu leert ons het vervolg van het hoofdstuk dat dit voor het volk onder de wet niet mogelijk was, maar dit doet niets af aan het geestelijke principe dat we hier aantreffen en dat tenslotte in het nieuwe verbond gaat functioneren. Dat is het eerste punt: de bazuin roept ons op om bergbeklimmers te worden. Veelzeggend is in dit verband Openb.4:1, waar we horen: 'Na deze dingen zag ik, en zie, er was een deur geo-pend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, alsof een bazuin met mij sprak, zeide: 'Klim hierheen op'. Daar verrast ons diezelfde kombinatie: het gaat over een stem als een bazuin en over een uitnodiging om op te klimmen. Wat het volk bij de Sinaï niet kon en mocht, dat is wel weggelegd voor Johannes, als prototype van het volk in de eindtijd.

De bazuin in Jozua 6 en Openbaring 8

Een tweede kernpunt springt naar voren wanneer we de geschiedenis van Jozua 6 bezien. Vijfmaal wordt in dit hoofdstuk gesproken van de hoorn, de bazuin, zoals we die ook in Exodus tegenkwamen. De bazuin blijkt hier een beslissende rol te spelen bij de verovering van een stad. Het gaat hier echter niet om zomaar een stad. Wat hier ingenomen wordt, is niets minder dan de sleutelstad van het beloofde land. Het is de intocht in Kanaän. De eerste doorbraak vindt plaats. Het eerste en voornaamste strategische bolwerk valt.

Nu wordt deze overwinning behaald op grond van goddelijke instrukties. Gedurende zeven dagen moeten priesters op zeven ramshorens blazen. Is het in dit verband niet merkwaardig dat ook Openbaring spreekt van zeven bazuinen? 'En ik zag de zeven engelen, die voor God staan, en hun werden zeven bazuinen gegeven', zegt Openb.8:2. Er loopt dus duidelijk een lijn van Jozua 6 naar het boek Openbaring.

Als we dan ook horen van de zeven engelen in Openbaring 8, worden we onmiddellijk herin-nerd aan de priesters uit het boek Jozua. Het begin van Openbaring 8 voltrekt zich trouwens ook helemaal in een priesterlijke sfeer: reukwerk wordt daar voor God gebracht. Een half uur lang is er stilte in de hemel, en ook in Jozua 6 komen we een soortgelijk motief tegen: 'Gij zult niet juichen en uw stem niet laten horen, ja, laat er geen woord uit uw mond uitgaan tot op de dag, dat ik u zeg: Juicht!' (Joz.6:10).

We zouden dus kunnen zeggen: bij de zeven bazuinen in Openbaring gaat het ten diepste om een verovering van Jericho en een intocht in het beloofde land. Dat zijn de grondmotie-ven van de zeven ramshorens. De zeven bazuinen zijn geen onheilsbazuinen; het zijn intochtsbazuinen. Jericho, het anti-goddelijke bolwerk, wordt prijsgegeven aan de ban. Zo komt er ruimte voor het rijk van God.

De gemeente Gods gaat haar erfenis verwerven

Zo is er ook in de eindtijd een intocht voor het volk van God. Geen terugtocht, maar intocht. Met de inneming van Jericho nam een nieuwe fase van het plan Gods een aanvang, name-lijk het in bezit nemen van de erfenis. Zo duiden ook de bazuinen in het boek Openbaring erop: de tijd is gekomen dat de gemeente Gods haar erfenis gaat verwerven. We lezen dan ook in Openb.21:7: 'Wie overwint, zal deze dingen beërven', of, zoals de Statenvertaling het formuleert: 'Wie overwint, zal alles beërven'. En dat wordt gezegd in verband met uitspraken over de vernieuwde hemel en aarde. Hemel en aarde worden de erfenis van de zonen Gods. En de bazuinen begeleiden de opmars van het Godsvolk, wanneer het aantreedt om zijn erfdeel op te eisen uit de hand van de gevestigde machten. De bazuinen zeggen ons: eind-tijd is intocht.

Er is nog een derde punt. Hetzelfde woord dat in de genoemde teksten van Exodus en Jozua voor bazuin gebezigd wordt, komt nog ergens in het Oude Testament voor, alleen dan in een iets andere betekenis. We vinden het namelijk maar liefst twintig keer in Leviticus. Dat begint in Lev.25:10, waar God gebiedt: 'Gij zult het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen voor al zijn bewoners, een jubeljaar zal het voor u zijn, dan zal ieder van u tot zijn bezitting en tot zijn geslacht terugkeren'. Hier is hetzelfde woord dat in de voorgaande teksten met 'hoorn' of 'bazuin' vertaald is, weergegeven met 'Jubeljaar'. Dit verband is veelbetekenend. Het gaat om de bazuin, de jubel, het jubeljaar. Dat heeft alles met elkaar te maken.

 De betekenis van het woord 'jubeljaar'

Wat betekent nu eigenlijk dat woord 'jubeljaar'? Wanneer wij dat woord horen, denken we wellicht in eerste instantie aan jubelen, juichen. Dat begrip is er in feite via de latijnse vertaling, de Vulgaat, ingekomen. Maar oorspronkelijk was er met dit woord nog een andere betekenis verbonden; namelijk het thuisbrengen. We zouden het begrip dus letterlijk kunnen vertalen met: het jaar van het thuisbrengen. En dat klopt ook, want het was inderdaad het jaar waarin ieder terug mocht keren naar zijn eigen grond. Zoals we gezien hebben: gij zult vrijheid afkondigen in het land voor al zijn bewoners. Of, wat er eigenlijk staat. gij zult uitroe-pen: vrijlating, in het land. Het is een uitroepen, een proklamatie. En in dat jaar komt een volk naar huis. De tijd van vervreemding, van ontheemding is voorbij.

Er ligt een diep verband tussen Leviticus 25 en Jozua 6. In beide hoofdstukken domineert het getal zeven. In zeven dagen werd de tocht om Jericho volbracht. In zeven dagen voltooide God de hemel en de aarde. Zeven dagen: beeld van schepping, beeld van herschepping.

En in Leviticus lezen we: 'Voorts zult gij u zeven jaarsabbatten tellen, zevenmaal zeven jaren' (Lev.25-8). En was in wezen de intocht in Jericho ten tijde van Jozua niet een jaar van thuiskomst? De opmars rondom de Palmstad, het blazen der bazuinen, het beeldde uit: Gods volk wordt thuis gebracht. Het eerste jubeljaar is daar. De thuiskomst wordt ingeluid.

Tegen deze achtergrond moeten we de bazuinen in Openbaring zien; deze drie lijnen komen daar samen: het beklimmen van het Godsvolk. In Openbaring 7 lezen we over die thuis-komst: 'Daarom zijn zij voor de troon van God en zij vereren Hem dag en nacht in zijn tempel; en Hij die op de troon gezeten is, zal zijn tent over hen uitspreiden' (vers 15). Zij zijn uit de grote verdrukking thuisgekomen.

Dezelfde gedachte keert in hoofdstuk 22 terug: 'Zalig zij, die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad' (vers 14).

Als we dan opmerken wat er in Openbaring 6 en 9 allemaal plaatsvindt, dan hebben we daar duidelijk te maken met allerlei krachten die loskomen in verband met die intocht, die thuiskomst.

Nog enkele aanvullende gezichtspunten over de bazuin

Nu hebben we hiermee echter nog maar één van de woorden die het Oude Testament voor bazuin gebruikt, in de beschouwing betrokken. Er komt namelijk nog een ander woord voor, en dat geeft ons nog enkele aanvullende gezichtspunten.

Het betreft hier het woord 'sjofar', dat niet minder dan 72 maal in het Oude Testament gebezigd wordt. Ook dit woord treffen we in de eerder behandelde tekstgedeelten, Exod.19, Lev.25 en Joz.6, aan. Maar daarnaast willen we nog enkele kernteksten belichten.

Ook bij dit woord kunnen we weer in hoofdzaak een drietal punten onderscheiden. Allereerst zien we, wanneer we erop letten bij welke gelegenheden de bazuin gehanteerd werd: 'Blaast de bazuin op nieuwe maan' (Psalm 81:4). Daar blijkt: de bazuin luidt een nieuwe periode in. De sjofar speelde een heel belangrijke rol in de nieuwjaarsliturgie. De bazuin proclameert: het nieuwe is gekomen. Een nieuwe tijd breekt aan. Daarom, wanneer in Openb.1 en 4 Johannes een stem hoort als een bazuin, dan betekent dat: God kondigt een nieuwe tijd aan. De eindtijd is een nieuwe tijd. Het is een nieuwe etappe. Het is niet een voortzetting of herha-ling van wat er altijd al was. Nu gaat God tot zijn doel komen.

Een tweede gedachte vinden we heel duidelijk in Joël 2:1: 'Blaast de bazuin op Sion en maakt alarm op mijn heilige berg. Dat alle inwoners des lands sidderen, want de dag des Heren komt'. Daar zien we de bazuin die oproept tot de strijd. De sjofar betekent: mobilisatie. Sion wordt gealarmeerd. En alarm wil letterlijk zeggen: te wapen: En dat heeft direkt te maken met de dag des Heren. Dat is de dag van de eindstrijd.

Hetzelfde verband legt ook Zefanja; hij spreekt ook over de dag des Heren, 'nabij en hij nadert haastig' (Zef.1:14). En dan geeft de profeet een reeks omschrijvingen, waarin we dan onder meer tegenkomen: 'een dag van bazuingeschal en van krijgsgeschreeuw (of: jubel-kreet) tegen de versterkte steden en tegen de hoge hoektorens' (vers 16). Daar bemerken we weer die kombinatie van bazuin, strijd en dag des Heren.

De bazuinen in Openbaring zijn signalen van de eindstrijd

Zo zijn ook de bazuinen in Openbaring de signalen van de eindstrijd. Een volk wordt gemo-biliseerd. Van de richters lezen we het ook meermalen. Zo horen we van Ehud: 'Toen hij daar aangekomen was, blies hij de hoorn op het gebergte van Efraïm, en de Israëlieten daalden met hem het gebergte af, hij zelf voorop. Hij zeide tot hen: Volgt mij, want de Here heeft uw vijanden, de Moabieten, in uw macht gegeven' (Richt.3:27-28). De ramshoren is weer het instrument om het volk op te roepen tot de krijg.

Bij Gideon ontdekken we dit principe eveneens. 'Wanneer ik op de hoorn blaas met allen die bij mij zijn, dan moet ook gij op de horens blazen rondom de gehele legerplaats, en roepen: Voor de Here en voor Gideon!' (Richt.7:18). Zo werd het kamp van Midian omsingeld en met de ramshorens proklameerde men in de geestelijke wereld de overwinning. Zo werd dit kamp vanuit de onzienlijke wereld ingesloten en opgerold. Heel de legerplaats werd opgeëist voor God en voor Gideon.

De bazuin en het koningschap

Daarbij sluit een derde kernpunt onmiddellijk aan. De bazuin blijkt ook een rol te spelen in enkele koningspsalmen. Daaronder verstaan we die psalmen die speciaal het koningschap van God als thema hebben. Zo vertelt ons Psalm 47: 'God is opgevaren onder gejuich (of weer: jubelroep), de Here onder bazuingeschal' (vers 6). En vers 9 geeft daarvan een nadere toelichting: 'God regeert onder de volken, God gezeten op zijn heilige troon'. Een andere vertaling zegt het nog helderder: 'God aanvaardde het koningschap over de volken. God zette zich op zijn heilige troon'. Hier kunnen we vaststellen: de bazuin luidt het koningschap van God in. De sjofar proklameert: God is Koning.

In Psalm 98 klinkt ditzelfde motief door: 'Psalmzingt de Here met de citer, met de citer en met luide zang, met trompetten en met bazuingeschal; juicht voor de Koning, de Here' (vers 5-6). Weer wordt de bazuin verbonden met het koningschap van God, dat baan breekt.

En vanuit deze psalmteksten kunnen we de lijn doortrekken naar Openbaring 11: 'En de zevende engel blies de bazuin en luide stemmen klonken in de hemel zeggende: 'Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als Koning heersen tot in alIe eeuwigheden' (vers 15).

Let op de parallel: zoals er geroepen werd voor de Here en voor Gideon, zo klinkt het hier: Aan de Here en aan zijn Gezalfde. De geschiedenis van Gideon is helemaal een model van de eindstrijd. Het is in diepste zin de strijd om het Koningschap. En zo zien we ook in Open-baring 11 dat de zevende bazuin, de laatste, geblazen wordt en daarmee is de hele wereld rijksgebied geworden van Christus. Het koningschap is kompleet geworden. De zeven bazui- nen hebben hun doel bereikt. Laten we ons dat heel diep bewust worden: de bazuinen in Openbaring zijn bazuinen van het koningschap. Elke bazuin betekent weer een verdere doorbraak naar het volledige Koningschap van God en de gemeente.

De bazuin wordt geblazen, treedt dan aan !

Daarom moeten we ons heel goed realiseren: Johannes vertelt ons niet over die bazuinen opdat we daar een interessante bespiegeling over kunnen houden. Of om daar ach en wee over te roepen en te zeggen: wat wordt het allemaal ellendig. We zullen maar hopen dat we dat niet meer meemaken.

Neen, het gaat om één ding: dat wij vandaag de bazuin horen! De bazuin van de mobilisatie, de bazuin van het koningschap. De bazuin klinkt voor ons. De hoorn wordt geblazen, treedt dan aan!

Over bazuinen moet men niet speculeren, men moet ze horen. Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeente zegt.

De profeet Zacharia vat in één tekst het hele beeld van de bazuinen samen, als hij zegt: 'Dan zal de Here hun verschijnen, en zijn pijl zal als de bliksem uitschieten en de Here Here zal de bazuin blazen en optrekken in de zuiderstormen' (Zach.9:14).

De bazuin betekent: God trekt op. God verschijnt aan en in zijn volk. Een volk dat de bazuin heeft gehoord.

  

HOOFDSTUK X I I

 

DE BETEKENIS VAN DE ZEGELS EN HET VERZEGELEN

Zegels gaan open. Zo zouden we in één zin het hele eindtijdgebeuren kunnen typeren. Nu willen we in dit verband enkele vragen stellen. Allereerst: waarom is er sprake van zegels? Openb.5:1 vertelt ons: 'En ik zag in de rechterhand van Hem, die op de troon zat, een broekrol, beschreven van binnen en van buiten, welverzegeld met zeven zegels'.

Verscheidene malen wordt er in de profeten gesproken over verzegelen. Bij Jesaja lezen we: 'Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijn leerlingen' (Jes.8:16). Het gaat hier over de getuigenis, een woord dat slechts drie keer in het hele Oude Testament voorkomt. Het is datgene wat God betuigt aan zijn volk. Parallel daarmee is er sprake van de wet, maar hierbij moeten we niet denken aan het statische begrip van een wetboek; wat met wet vertaald wordt, betekent in wezen onderwijzing. Wanneer nu de opdracht gegeven wordt om dicht te binden, om te verzegelen, dan houdt dit in: de ontvouwing van de gedachten Gods worden stilgelegd. God had aan Jesaja bepaalde gedachten bekend gemaakt, maar voorlopig moch-ten deze niet verder aan de openbaarheid prijsgegeven worden. Het waren zaken die in besloten kring moesten blijven; alleen de leerlingen van de profeet zouden er kennis van nemen.

Waarom werd in de dagen van Jesaja de onderwijzing verzegeld? Eenvoudig omdat de tijd niet rijp was. De bedoeling is duidelijk: als we de onderwijzing verzegelen, betekent dat: we sluiten de school, de boeken gaan dicht, er wordt geen les meer gegeven, vingers naar beneden, er worden geen vragen meer beantwoord. Alleen Jesaja en een kleine groep ingewijden begrepen iets van het onderwijs dat God gaf, de overigen van het volk hadden er geen zintuig voor. Het was de tijd nog niet voor de verdere en volledige onthulling van de plannen Gods.

Daarom vervolgt de profeet dan ook met de veelzeggende opmerking: 'En ik zal wachten op de Here, die zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, ja, op Hem zal ik hopen' (Jes.8:17). Het sleutelwoord voor Jesaja is: wachten. Wachten op God. Want God heeft bepaalde tijden in zijn plan. God doet niet alles in één keer. God maakt ook niet al zijn gedachten in één keer bekend.

God verzegelt, als de tijd nog niet rijp is

Zo zien we: in de dagen van een man als Jesaja was er reeds een bepaald voornemen Gods aanwezig. God had al bepaalde gedachten vastliggen. Er was echter nog geen volk waar-door Hij deze gedachten kan realiseren. Vandaar de verzegeling.

Later keert dit motief bij Jesaja nog een keer terug. We lezen in hoofdstuk 29: 'Zo werd het gezicht van dit alles voor u als de woorden van een verzegeld boek, dat men aan iemand geeft, die lezen kan, terwijl men zegt: Lees dit eens; maar hij antwoordt: Ik kan niet. want het is verzegeld' (vers 11). Zelfs voor degenen die kunnen lezen, blijkt de zaak nog dicht te zitten. Wanneer er sprake is van mensen die kunnen lezen, dan betekent dit dat ze al het een en ander aan onderwijs achter de rug hebben. En toch moet de profeet vaststellen: ook zij die onderricht genoten hebben. haken nu af. Gezichten Gods verstaan ze niet. Het is voor

hen een verzegeld boek. Voor de besten van het volk blijft de toekomst verborgen. Hun inzicht wordt geblokkeerd. Ze komen er niet doorheen.

Ook bij Daniël treffen we datzelfde punt aan. In hoofdstuk 8:26 vernemen we: 'En het gezicht van de avonden en de morgens, waarvan gesproken werd, dat is waarheid. Gij nu, houd het gezicht verborgen, want het ziet op een verre toekomst'. Eén van de Griekse vertalingen geeft deze tekst als volgt weer: 'En gij, verzegel het gezicht'. Waarom werd het verzegeld? De reden wordt hier heel duidelijk vermeld: omdat de tijd nog niet aangebroken is. Het is een zaak van verre toekomst.

Daarop sluit aan de opdracht die de profeet in het twaalfde hoofdstuk ontvangt: 'Maar gij, Daniël, houd de woorden verborgen, en verzegel het boek tot de eindtijd; velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal vermeerderen' (vers 4). Waarom wordt het boek verzegeld? Het wachten is op de tijd van God, de eindtijd of zoals de Griekse vertalingen het formuleren: de tijd der voleinding. En merkwaardig is dat juist in dit verband de belofte naar voren komt: velen zullen onderzoek doen. En wat zullen ze onderzoeken? De woorden der profetie; daar spreekt immers dit hele gedeelte over. En de kennis zal vermeerderen; maar welke kennis is dat? Wanneer het oudtestamentische hebreeuws de term 'kennis' bezigt, ook als dit in absolute zin gebeurt, zonder nadere aanduiding of toevoeging, dan is daarmee in de regel maar één ding bedoeld, namelijk kennis van God. Daniël 12 is het antwoord op Hosea 4. In de dagen van Hosea moest God uitroepen: Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis, maar in het laatst der tijden zal de kennis vermeerderen. Er is maar één soort kennis die van belang zal blijken in het eindtijdgebeuren, en dat is de kennis Gods.

Daniël haakt daar in het achtste vers op in met de vraag: 'Mijn heer, waarop zullen deze dingen uitlopen? Doch hij zeide: Ga heen, Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd'.

Openbaring onthult waarom de profeten moesten wachten

Telkens zien we zo dit motief dat de achtergrond vormt van Openbaring 5: de verzegelde boekrol. En dan is het merkwaardige: Jesaja en Daniël konden, slechts één ding doen: wachten. En in Openbaring ontdekken we waarom ze moesten wachten. Want dan blijkt dat het openen van de zegels geen automatische of vanzelfsprekende zaak is. Een heel hoofdstuk lang besteedt Johannes er aandacht aan om uiteen te zetten hoe dat openen van die zegels dan wel tot stand komt. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde. Er wordt ook een heel sterk woord gebruikt in dit verband: in het tweede vers van Openbaring 5 horen we over het verbreken der zegels, of, zoals we ook kunnen vertalen: het losmaken. Er is blijkbaar geestelijke kracht voor nodig.

Dit verklaart ook waarom de profeten van het oude verbond moesten wachten. Er was im-mers nog niemand die de kracht bezat om het verzegelde boek te ontsluiten. Het was maar niet een kwestie van wachten op een bepaald door God van tevoren vastgesteld jaartal in de geschiedenis, neen, het wachten was op de eerste volmaakte Mens.

Gods hele plan ligt in handen van de mens

Heel de schepping wacht op de mens. Heel de schepping moet zuchten om de mens. Zij gaat gebukt onder het falen van de mens. De mens is immers haar heer. Verademing komt er voor haar, als haar heer hersteld zal zijn. Niet eerder. Maar dan ook ten volle. Wat een verademing zal dat zijn. Als de mens weer mens wordt. Heel de schepping zal dan juichen,

als zij haar heer en meester ziet. De grootste vreugde voor de schepping zal zijn, haar heer in hernieuwde harmonie te zien met zijn God. Zoals kinderen opbloeien wanneer vader en moeder weer met elkaar verzoend zijn, zo zal de schepping in al haar delen verkwikt open-bloeien wanneer God en mens het weer helemaal met elkaar kunnen vinden.

God heeft zijn hele plan gelegd in handen van de mens. Daarom is het gebeuren in Open-baring 5 dan ook zo onuitsprekelijk gewichtig. Eindelijk is daar de eerste Mens die aan de gedachten van het Vaderhart voldoet. Vandaar ook dat Openbaring 5 zo'n vreugdevol hoofd-stuk is. De lofprijzing is er niet van de lucht. De jubel breekt er aan alle kanten uit. Engelen, levende wezens, oudsten, ja zelfs alle schepsel, ze stemmen samen. Ze zingen een nieuw gezang en dat moet ook wel, want wat hier gebeurt, is nog nooit eerder gebeurd, daar zijn gewoon geen woorden voor, althans zeker geen oude woorden.

Want het moet ons niet ontgaan dat Jezus in Openbaring 5 met nadruk beschreven wordt als degene die aan onze kant staat, de Mens voor ons, de Mens met ons. Niet zonder reden wordt Hij in het vijfde vers genoemd de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids.

Zo tintelt Openbaring 5 van de vreugde om de mens Gods. Jezus, hoofd van een nieuwe mensheid. De mens in wiens hand God zijn plan kan leggen. De mens in wie God ten volle vertrouwen heeft.

Jezus was de mens voor God. Hij was er helemaal voor de Vader. Beschikbaar van begin tot eind. En het heeft Hem wat gekost, de rol te kunnen openen. Niet voor niets wordt er in dat-zelfde vijfde vers speciaal vermeld dat Hij heeft overwonnen. En waarom moest Hij overwin-nen? Er staat: 'Hij heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen'. De mens Gods moest de strijd aanbinden, Hij moest zegevierend tevoorschijn komen, voordat Hij de boekrol in ontvangst kon nemen. Blijkbaar was er dus het een en ander te overwinnen; blijkbaar waren er krachten die heel bewust het openen van de zegels tegenstonden.

De beslissende betekenis van de boekrol

Wat zit daar achter? Waarom is er zoveel verzet tegen het opengaan van de zegels? Dat is niets anders dan het verzet tegen de realisering van de gedachten Gods. Die boekrol is kennelijk van beslissende betekenis. Er is een buitengewone geestelijke doorbraak voor nodig om hem open te krijgen. En de ontsluiting is een reden tot ongekende vreugde voor de hele schepping in al haar geledingen.

Tegen welke achtergrond moeten we deze rol bezien? Nu wordt Jezus in het onderhavige hoofdstuk de wortel Davids genoemd en in verband daarmee is het wel opvallend dat ook David over een boekrol heeft gesproken. In Psalm 40 lezen we: 'Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de boekrol is over mij geschreven; ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste' (vers 8 en 9). En daarbij is het merkwaardig dat David, wanneer hij het heeft over die boekrol, er meteen aan toevoegt over wie of wat daarin gehandeld wordt. Hij zegt: Het gaat over mij. Het is Gods blauwdruk voor mijn leven. Er staat beschreven wat God bedoelt met mijn toekomst, met mijn koningschap. David was tot de wetenschap gekomen: ik ben koning niet voor mezelf, ik ben koning voor God. De boekrol is het program voor het koning-schap Gods. David herkent zich daarin en zo wordt Gods wil volbracht. Hij is de mens met de wet Gods, de onderwijzing Gods, in zijn binnenste.

Jezus nam dit woord van David over en maakte het tot het zijne, zoals het tiende hoofdstuk van de Hebreeënbrief ons laat zien. Jezus wist dat Hij de mens Gods was over wie de boek-rol sprak; Hij wist dat Hij zou zijn de priester-koning voor God. Het voornemen des Heren zou door zijn hand voortgang hebben.

Daarom kan ook Hij alleen de boekrol opnemen en ontsluiten. Slechts degene over wie de boekrol handelt, is gerechtigd om haar zegels te verbreken.

De profetische zegen van Jacob wordt uitgewerkt

Daarom is het ook zo veelzeggend dat juist in verband met de macht en de bevoegdheid om de rol te openen de naam 'Leeuw van Juda' naar voren gehaald wordt. Immers, die titel is niet zonder inhoud en komt ook niet bepaald zomaar uit de lucht vallen; daarmee bevinden we ons namelijk op profetische bodem van de zegeningen van Jakob uit Genesis 49. Over Juda horen we daar: 'Juda, u zullen uw broeders loven' (vers 8). Dat woord gaat in het boek Openbaring, en met name in hoofdstuk 5, heel duidelijk in vervulling. Jezus ontvangt daar inderdaad de lof. Van wie? van zijn broeders; Hij is immers de eerste onder vele broederen.

De profetische zegen in Genesis vervolgt: 'Een leeuwewelp is Juda; na de roof zijt gij om-hoog geklommen, mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als een leeuwin; wie durft hem opjagen? ' Dit beeld vormt de achtergrond van het gebeuren met de boekrol. Jezus bond de strijd aan, Hij nam de satan de sleutels af en na deze roof is Hij omhoog geklommen om te zitten op de troon aan de rechterhand van de Vader.

En dan wordt er nog aan toegevoegd de glorieuze toezegging: 'De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn' (vers 10). Dit wordt beloofd aan Juda als stamvader en stamhoofd. en zo geldt dit woord dan voor Jezus, eveneens in de funktie van stamhoofd, Hij is immers het hoofd van dat nieuwe volk, de gemeente.

Hem zullen de volken gehoorzaam zijn. Dat is de belofte en tegelijk de roeping die de leeuw van Juda door God is toebedacht. Welnu, precies daarover handelt het laatste bijbelboek. We zouden kunnen zeggen: het hele boek Openbaring is de uitwerking van deze profetische zegen van Jakob. In Openbaring 5 zien we hoe de leeuw van Juda aantreedt om zijn erfrecht in bezit te nemen. Wat is zijn erfenis? Dat is het koningschap over de volkeren. En de boek-rol is als het ware het protokol voor de nieuwe koning: daarin vindt hij de gang van zaken in verband met zijn troonsbestijging. De boekrol is het draaiboek van zijn machtsovername.

Daarom sprak de aartsvader Israël ook: Totdat Silo komt. Silo kan betekenen: de vorst. Het kan ook aangeven: degene die het toekomt, degene die er recht op heeft. Vanuit deze bete-kenis van de naam Silo treft ons opnieuw de bijzondere geladenheid van Openbaring 5. Het is een sleutelhoofdstuk. We kunnen vaststellen: in Openbaring 5 komt Silo. Hij die er recht op heeft, is daar. Dat is de jubelroep van oudsten, engelen en ganse schepping: hier is Hij, Hem komt het toe.

Daar hebben de volkeren op gewacht. Het is dan ook niet toevallig dat Johannes op een gegeven moment opmerkt: 'En er werd tot mij gezegd: Gij moet wederom profeteren over vele natiën en volken en talen en koningen' (Openb.10:11). Het gaat om de volken.

Waarom Openbaring 4 en 5 zo belangrijk zijn

God heeft een plan met de volken. Hij heeft de volken lief, sprak reeds eenmaal Mozes (Deut.33:3). Het wachten is op degene die er recht op heeft. Hem zullen de volken gehoor- zaam zijn.

Dat is het perspektief van Openbaring 5: de leeuw van Juda treedt aan om de volkeren op te eisen. Zoals het geformuleerd wordt in de bekende psalm van de troonsbestijging: 'Want de Here, de Allerhoogste, is geducht, een groot Koning over de ganse aarde. Hij brengt volken onder ons, natiën onder onze voeten' (Psalm 47:3-41).

Daarom zijn de hoofdstukken 4 en 5 van het boek Openbaring zo van beslissende betekenis. Zij vormen de poort tot alles wat er verder volgt. Openbaring 4 immers is het hoofdstuk over de Troon, terwijl Openbaring 5 de blik richt op de Koning. De Koning van de eindtijd, de mens Gods, die bestemd is om de boekrol ter hand te nemen en zo het plan Gods af te wikkelen.

Openbaring 4 en 5 horen bij elkaar. Troon Gods en mens Gods zijn niet van elkaar los te denken. Zonder hoofdstuk 5 zou hoofdstuk 4 niet af zijn, het zou in de lucht hangen. Zonder de mens Gods zou de troon Gods geen grondvlak, geen draagvlak hebben, geen weg om zich te realiseren. Via de mens Gods krijgt de troon Gods gestalte.

Zo wordt de troon Gods opgericht onder de volken. Dat is het doel van de boekrol. Daarom is het zo belangrijk dat de mens Gods, de Mensenzoon, de drager van de gedachten Gods over Juda, die rol in handen krijgt. Dat is de grootste vreugde, we zouden kunnen zeggen: de basisvreugde van het hele boek Openbaring: het gaat de goede kant op, want de boekrol is nu in goede handen. Nu kan het voornemen Gods niet meer mislukken. Als we Openbaring 5 goed begrepen hebben, dan weten we: nu kan het in wezen niet meer verkeerd aflopen.

Het plan Gods en de mens Gods kunnen niet falen

Na Openbaring 5 staat het onomstotelijk vast: het plan Gods kan niet meer falen. Want in Openbaring 5 hebben plan Gods en mens Gods elkaar gevonden.

De bedelingenleer houdt ons voor: elke bedeling eindigt met een totaal falen van de mens. Openbaring 5 echter laat een volkomen ander geluid boren: de mens Gods faalt niet.

Integendeel, de mens Gods krijgt de rol in handen. Niet de boze wordt belast met de afwik-keling van het eindgebeuren, maar de mens Gods. Jezus is de mens die niet faalt. Daarom loven Hem de broeders. Jezus is de mens die alle bedelingen doorbreekt. Want zijn koning-schap heeft geen einde.

Hier is de Zoon des mensen van wie Daniël sprak: 'En zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen. en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem' (Dan.7:13-14). Aan wie wordt de macht gegeven? Aan de men-senzoon. En dan is het opvallend dat aan het slot van het hoofdstuk die mensenzoon door Daniël omschreven wordt als het volk van de heiligen des Allerhoogsten. Vers 27 vertelt ons namelijk: 'En het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen'.

Welnu, in Openbaring 5 gaat dit gebeuren. De mensenzoon treedt aan en wordt gepresen-teerd aan God en aan de ganse schepping. Wie is de mensenzoon? Het is Jezus, als hoofd van de gemeente. Het is Jezus en zijn volk, zij vormen samen de nieuwe Mens, de mens Gods.

Hem zullen de volken en de machten gehoorzaam zijn. Daarom is het ook zo frappant dat bij de opening van het eerste zegel een wit paard zijn opmars begint. Wit is de kleur van ge rechtigheid, van zuiverheid. Het witte paard gaat uit, overwinnende en om te overwinnen. Dit moet wel zijn de zegetocht van het evangelie, zoals Jezus die beschrijft in zijn rede over de laatste dingen: 'En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn' (Matth.24:14).

Wat is weer het doel? Alle volken. Het witte paard gaat uit, overwinnende. Alle volken zullen Hem gehoorzaam zijn. Het evangelie van het Koninkrijk gaat uit. Dit is het teken van het einde; immers, zo en alleen zo wordt het einddoel bereikt.

Het eerste zegel vertelt ons van een wereldwijde voortgang van de heilsboodschap, een doorbraak van het rijk Gods. De eindtijd is een tijd van zending. Het witte paard beeldt

het uit: het heil zal gaan tot alle volken. 'Zegt onder de volken: De Here is Koning' (Psalm 96:l0).

 

HOOFDSTUK X I I I

 

DE OPMARS DER PAARDEN

Openbaring 6 toont ons de opmars der paarden. Beslissend is daarbij dat het witte paard voorop gaat. 'En ik zag, en zie, een wit paard, en die erop zat, had een boog en hem werd een kroon gegeven, en hij trok uit, overwinnende en om te overwinnen' (Openb.6:2).

Aan het begin van de eindstrijd staat het witte paard. God heeft het eerste woord. En dat-zelfde beeld komt in hoofdstuk 19 weer terug, aan het slot van de eindstrijd. Dan lezen we: 'En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard; en Hij, die daarop zat, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig, en Hij velt vonnis en voert oorlog in gerechtigheid' (Openb.19:11). We zien: het beeld van het witte paard omspant het hele gebeuren van hoofdstuk 6 tot hoofdstuk 19. Alles wat daartussen beschreven is, staat ten diepste in het teken van de opmars van het witte paard. Merkwaardig is ook de parallelle opbouw. In hoofdstuk 5 zien we het Lam Gods dat gereed staat, en meteen daarna is daar het witte paard dat uittrekt. In hoofdstuk 19 zien we de vrouw van het Lam, die zich gereed gemaakt heeft, en meteen daarna lezen we weer van het witte paard. Daaruit blijkt: wanneer het Lam overwonnen heeft, kan het witte paard zijn zegetocht beginnen, en wanneer de vrouw des Lams gereed is, kan het witte paard zijn zegetocht voltooien.

De ruiter op het witte paard

De naam van de ruiter op het witte paard wordt vermeld als: het Woord Gods. En inderdaad: na de overwinning, door het Lam Gods behaald, kan het Woord Gods, het evangelie van het koninkrijk, zijn opmars beginnen. En evenzo is er ook een onlosmakelijk verband in de eind-fase: alleen als de vrouw des Lams gereed komt, dan is de tijd aangebroken dat het Woord zijn overwinningstocht kan en zal voleindingen.

Twee wapens worden genoemd in verband met het Woord Gods. In Openb.19 is sprake van een scherp zwaard, in Openb.6 wordt een boog vermeld. Sommige uitleggers hebben moeite

met die boog. Christus wordt nooit afgebeeld met een boog zo wordt dan opgemerkt. Maar als we nu eens Psalm 45 opslaan, de schitterende koningspsalm die ook in Hebr.1 geciteerd wordt met betrekking tot de Christus, dan komen we tot een heel andere ontdekking. In het vierde vers van deze psalm wordt de koning aldus aangesproken: 'Gord uw zwaard aan de heup, gij held, uw majesteit en uw luister; ja uw luister. Rijd voorspoedig uit, voor de zaak van waarheid, ootmoed en recht'. En dan vervolgt vers 6: 'Uw pijlen zijn gescherpt, volken zijn onder u - zij dringen in het hart van des konings vijanden'. Beide beelden vinden we hier terug: zowel het paard als pijl en boog. In het boek Openbaring zien we hoe deze profetische psalm in de laatste tijden in vervulling gaat.

Eén verklaarder maakt het bij Openb.6 wel erg bont. Hij meent: de ruiter op het witte paard is typisch een beeld van de antichrist. Immers, hij heeft een boog, maar geen pijlen. Een merk-waardige uitleg. Moeten we, volgens deze methode redenerend, dan konkluderen dat de koning uit Psalm 45 wel pijlen bezit, maar geen boog?

Woord Gods en volk Gods trekken samen op

De Koning trekt uit. Dat is het uitgangspunt voor de eindstrijd. Het Woord trekt uit. Dat is ons perspektief voor de toekomst. Daarom is het van zo groot belang dat we hier oog voor krij-gen en dat we de eenheid van Openb.6 en Openb.19 niet verbreken. Het is hetzelfde beeld dat we ook bij de profeet Jesaja aantreffen. 'Alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren. maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend' (Jes.55:11). Ook Jesaja proklameert: het Woord gaat uit.

We kunnen dit niet genoeg onderstrepen: bepalend voor de finale van de geschiedenis zal zijn: het Woord dat uitgaat. Opvallend is trouwens dat Jesaja hier onmiddellijk op laat volgen: 'Want in vreugde zult gij uittrekken en in vrede geleid worden' (vers 12). Waar het Woord uittrekt, daar trekt ook het volk Gods uit.

Datzelfde verband vinden we ook in Openb.19, want direkt nadat er gesproken is over het Woord Gods dat uitrijdt, wordt eraan toegevoegd: 'En de heerscharen, die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen' (Openb.19:14). Waar het Woord optrekt. daar trekken de zonen Gods op. Woord Gods en volk Gods zijn onaf-scheidelijk verbonden. Zij trekken samen op.

Zien wij wat Johannes zag?

Velen zien alleen de opmars van het kwaad. Daar is geen geloof voor nodig om dat te zien. Johannes zag nog iets anders. En God maakt vandaag een volk klaar van zieners. Zieners zijn zij die zien wat Johannes zag.

Wat zien wij? De psalmist sprak reeds een diep geestelijk geheim uit toen hij beleed: 'Voor eeuwig, o Here, houdt uw woord stand in de hemelen' (Psalm 119:89). Hij besefte: het Woord Gods is de grootste kracht in de geestelijke wereld. Zijn Woord houdt stand in eeuwigheid en zal geen duimbreed wijken. Johannes schouwde het in de geest: het Woord dat door de hemelen trekt. Het Woord dat in de hemelen staat. Het staat onverwrikt, het blijft overeind tot het einde.

Wat geloven in het Woord werkelijk betekent

Velen zeggen: wij geloven in het Woord van God. Maar zijn we ons dan wel goed bewust wat we daarmee uitspreken? Het is onmogelijk tegelijk te geloven in het Woord des levens en in de ondergang van de schepping. Geloven in het Woord betekent: geloven in de herschep-pende kracht van dat Woord, geloven in de overmacht van dat Woord. Het betekent: weten dat het Woord het wint op alle fronten.

Wie gelooft in de vernietiging, wie ervan uitgaat dat de afbraak het zal winnen, geeft daar-mee blijk, niet te geloven in het Woord Gods. We kunnen niet zeggen dat we staan op de beloften en dan in één adem beweren dat de gemeente roemloos en naamloos zal verdwijnen.

Weten we wel wat het inhoudt: staan op de beloften? Het is niets minder dan staan op de eeuwige gedachten van een eeuwig God. Een God bij wie geen verandering is en zelfs geen zweem van ommekeer. God keert niet om op zijn eenmaal ingeslagen weg. Hij bewandelt die weg ten einde toe. En daaruit volgt: ook zijn Woord keert niet om. Nimmer keren gedach-ten Gods op hun schreden terug. Ledig keren zij nooit weer. God rust niet, totdat Hij daarge-steld zal hebben de gedachten zijns harten. Gedachten Gods zijn nimmer grillig, nooit onbe-rekenbaar, in geen geval gespleten. Ook het witte paard is niet onberekenbaar in zijn gang, integendeel, het heeft een vaste koers. een vastomlijnd doel: het gaat uit, overwinnende en om te overwinnen. Met deze dubbel uitdrukking wordt een absoluut sluitende taakomschrij-ving gegeven. Hier kunnen negatieve gedachten geen speld tussen krijgen. Het plan Gods is waterdicht. God is er garant voor.

Daarom luidt het parool voor de laatste tijd: geloof in het Woord. Volg het Woord. Immers, wie vormen de heerscharen in de hemel? Daartoe behoren zij die het Woord volgen.

Het Woord brengt de mens Gods voort

Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods. Nu zijn er vele beloften Gods, vele woorden heeft God gesproken, en toch is het één Woord, alle tezamen vormen zij het ene ongedeelde Woord. Dat kan ook niet anders: Gods gedachten zijn immers één, ongedeeld, zoals God in zijn wezen één is. Alle tweeslachtigheid, alle hinken op twee gedachten is Hem te enen male vreemd.

Het Woord is de gebundelde kracht van al de gedachten Gods. Zoals Jezus. Van Hem kon gezegd worden: Hij is het Woord. Want Hij was de eerste mens in wie al de woorden Gods zich realiseerden.

Evenzo zal in de eindtijd het Woord de mens Gods voortbrengen, de mens in wie al de gedachten Gods tot aanzien zullen komen.

Dit Woord overwint. Wat betekent dat? Het is niet zomaar een leuze, een vage aanduiding. Neen, het wil zeggen: dit Woord zal alle weerstanden tegen het plan Gods teniet doen. Met andere woorden: de mens Gods zal er komen, alle blokkades ten spijt. De aarde zal vol wor-den van de kennis des Heren, dwars tegen alle sombere voorspellingen in. De schepping zál stralen met vernieuwd gelaat, en alle leugenprofeten zullen beschaamd staan.

Dit Woord zal doen datgene waartoe het gezonden wordt. Daarom: zalig is hij die zich houdt aan het Woord. Van die mens, van die gemeente kan gezegd worden: zij zullen niet ledig wederkeren. Zij gaan uit met het Woord en zij keren weder met overwinning. Zoals David zong over Saul en Jonathan: 'Zonder het bloed der verslagenen en het vet der helden keerde de boog van Jonathan nimmer terug, en ledig kwam het zwaard van Saul niet weder' (2 Sam.1:22). Ook in deze tekst zien we weer die kombinatie van zwaard en boog. De Staten-vertaling zegt: 'En Sauls zwaard keerde niet ledig weder'. Zo zal het zijn met het leger Gods, de heerscharen in de hemel. in de eindtijd. Hun zwaard zal niet ledig wederkeren. Zij zullen juichen bij het verdelen van de buit. Omdat zij zich verbonden hebben met het Woord, geldt voor hen wat Jesaja sprak: 'Met machtigen zal Hij de buit verdelen'.

De achtergrond van het beeld van de paarden

In Openbaring 6 passeert een reeks van vier verschillende paarden achtereenvolgens de revue. Maar waarom krijgt Johannes eigenlijk paarden te zien? Wat is de achtergrond van dit beeld?

Ook hier hebben we weer te maken met een gedachte die verworteld is in de profetische visie van het Oude Testament. Het paard is dikwijls een beeld van geweld en kracht. Zo lezen we in de Psalmen: 'Geen koning wordt behouden door een machtig leger, geen held wordt gered door geweldige kracht; het paard faalt ter overwinning, en doet niet ontkomen door zijn geweldige sterkte. Zie, des Heren oog is op hen die Hem vrezen, die op zijn goedertierenheid hopen' (Psalm 33:16-18). Hetzelfde motief klinkt ons tegen vanuit een andere psalm: 'Hij heeft geen welgevallen aan de kracht van het paard, noch behagen in de benen van de man; de Here heeft welbehagen in wie Hem vrezen, die op zijn goedertieren-heid hopen' (Psalm 147:10-11). In beide gedeelten vinden we precies hetzelfde kontrast: tegenover de kracht van paarden staat het volk dat God vreest, met Hem rekent, het van Hem verwacht. Zij verwachten zijn goedertierenheid. Dat zijn zij die, hoe het ook moog' tegenlopen, gestadig op zijn goedheid hopen.

Geen paardekracht maar Geesteskracht

Het koninkrijk Gods wordt niet gebouwd door paardekracht, maar door geesteskracht. Geen aardse macht begeren wij, die gaat welras verloren. Bij Jesaja speelt deze gedachte ook een belangrijke rol. 'Want zo zegt de Here Here, de Heilige Israëls: Door bekering en rust zoudt gij verlost worden, in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn, - maar gij hebt niet gewild. Gij hebt gezegd: Neen, op paarden zullen wij voortvliegen -; daarom zult gij vlieden; en: Op snelle rossen zullen wij rijden -; daarom zullen uw achtervolgers snel zijn' (Jes.30:15-16). Ook hier worden weer, net als in de genoemde psalmen, twee geestelijke principes tegen-over elkaar gesteld: de weg van geweld en voortvliegen, en de weg van stilheid en vertrou-wen. De weg van haast en rusteloosheid tegenover de weg van ontspannenheid en rust. De weg van pressie tegenover de weg van geloof. En Jesaja is er juist alles aan gelegen dat zijn volk deze twee wegen scherp zal onderscheiden. Dit zijn ten diepste de twee wegen door alle tijden heen: de weg van het paard en de weg van de geest.

En nu zien we het merkwaardige: juist het godsdienstige volk blijkt altijd weer een sterke geneigdheid tot het steunen op paarden te bezitten. In hoofdstuk 31 gaat Jesaja daarop door, als hij waarschuwt: 'Wee hun die naar Egypte trekken om hulp, die steunen op paarden en hun vertrouwen op wagens, omdat zij talrijk zijn, en op ruiters, omdat zij machtig in aantal zijn, maar de blik niet richten op de Heilige Israëls en naar de Here niet vragen' (vers 1).

De weg van het paard of de weg van de Geest?

Deze hele gedachtengang van stil zijn en weigeren te steunen op het zichtbare, op macht en geweld, is al zeer oud en hoort oorspronkelijk thuis in de sfeer van de oorlogen des Heren. Wanneer het volk Gods, uit Egypte geleid, voor de Rode Zee staat en achterhaald dreigt te worden door het leger van de Farao, dan luidt voor hen de opdracht: de Here zal voor u strijden en gij zult stil zijn. Als zij aan deze oproep gehoor geven, mogen zij er vervolgens getuige van zijn hoe de paarden en wagens va n Egypte verzwolgen worden in de zee. Zo merken we reeds in het boek Exodus deze kontrastwerking op: tegenover de paarden van de vijand stelt het volk des Heren het wapen van de geest: stil zijn in verbondenheid met zijn God. Dat is geen passiviteit; integendeel, dat is een intense gerichtheid op God. Het volk is zo met hart en ziel gekonsentreerd op God dat je als het ware een speld kunt horen vallen. Het is een vol verwachting de adem inhouden, het is een geladen stilte. Waar die stilte heerst, daar gaan paarden onder.

Dat is de aloude strijdmethode Gods. Daarom is het van zo fundamenteel belang dat het volk des Heren zich strikt houdt aan de weg Gods. Zodra de gemeente de methode van de reli-gieuze wereld overneemt, is zij verkocht. Het is dan ook veelzeggend dat reeds Mozes voor de toekomst een waarschuwing gaf in verband met de koning die over Israël zou regeren: 'Maar hij zal niet veel paarden houden en het volk niet naar Egypte terugvoeren om zich veel paarden aan te schaffen; want de Here heeft tot u gezegd: Op deze weg zult gij nooit meer terugkeren' (Deut.17:16). De koning van het Godsvolk mocht nooit ofte nimmer de weg van Egypte gaan volgen. De methode van Egypte is de methode van het paard. Maar wie koning wil worden in de geestelijke wereld, volgt een andere weg.

Ook Jesaja zag reeds waarom het ging

Daarom legt ook een man als Jesaja hier zo de nadruk op. Hij spreekt helemaal in de lijn van het aangehaalde woord van Mozes. Wat is het oogmerk van de profeet? Hij heeft maar één doel: het volk terugvoeren tot zijn oorspronkelijke goddelijke strijdmethode. Hun ogen weer openen voor de oorlogen des Heren, die hoger zijn dan de oorlogen op aarde. Want Gods wegen zijn hoger dan de wegen van Egypte. Het volk moet weer in waarheid volk Gods wor-den, handelend en levend, wandelend en strijdend vanuit het grondbeginsel Gods.

Daar gaat het om, ook in deze tijd, en niet om de vraag of de Russen misschien in staat zullen zijn om nog een leger met paarden en ruiters op de been te brengen. Jesaja begreep het: het volk des Heren moet losgemaakt worden van aardse, natuurlijke strijdmethoden en steunpunten. Niet meer steunen op macht en meerderheid, op getal en geweld, op invloed-rijke bondgenoten. Wees het je bewust: je kracht ligt in de geest. En je bondgenoot is God.

Waarom Zacharia over paarden spreekt

Het is in dit verband wel bijzonder veelbetekenend dat met name de profeet Zacharia zo vaak over paarden gesproken heeft. Hij is immers bij uitstek één van de profeten van het herstel. En de thema's die hij daarbij aansnijdt, zoals tempelbouw en eindstrijd, vinden we in het laatste bijbelboek weer uitvoerig terug. Daarom nog een enkele opmerking over de paarden bij Zacharia.

In het eerste gezicht dat de profeet ontvangt, wordt reeds vermeld: 'Zie, een man, gezeten op een rood paard, en staande tussen de mirten in de diepte, en achter hem rode, vos-kleurige en witte paarden' (Zach.1:5). En de betekenis blijkt te zijn: 'Dit zijn zij, die de Here heeft gezonden om de aarde te doorkruisen' (vers 10).

Vervolgens komt dit motief weer naar voren in het achtste gezicht, in hoofdstuk 6. De paar-den gaan uit, vertelt ons het vijfde vers: 'Deze gaan uit naar de vier windstreken des hemels'. En dat wordt dan nader uitgewerkt: 'Die met de zwarte paarden gaan uit naar het Noorder-land, de witte gaan uit, hen achterna' (vers 6). De nadruk ligt hier duidelijk op het Noorder-land, dat is Babel, het gebied van de ballingschap. En de kerngedachte, de konklusie, wordt gegeven in het achtste vers: 'Zie, die uitgegaan zijn in het Noorderland, brengen mijn Geest in het Noorderland tot rust'.

We treffen hier de kleuren aan die ook in Openb.6 een rol spelen. Wat is nu de grondge-dachte? Het zou te ver voeren, op alle details in te gaan, maar we zien dit: het hoofddoel is dat de ballingen teruggebracht worden uit het Noorderland. Waarom gaan de witte paarden op weg? Zij gaan het volk Gods ophalen. De witte paarden brengen ballingen samen, opdat de tempel Gods gebouwd kan worden. Vers 15 van hetzelfde hoofdstuk verklaart dan ook: 'Die verre zijn, zullen aan de tempel des Heren komen bouwen'. Dat is het doel. Ballingen worden tempelbouwers. Alleen dan en alleen zo komt de Geest des Heren tot rust.

Zo ook in Openb.6. Dit is uitsluitend te verstaan tegen de achtergrond van het profetische woord van Zacharia en andere Godsmannen. Johannes ziet: het witte paard trekt uit. Het Woord gaat hemel en aarde doorkruisen. En wat doet het ? Het Woord brengt het volk van God tezamen. het Woord maakt hen gereed, opdat zij zullen bouwen. Opdat daar zal zijn een tempel, een woonstede voor God. Dat is Gods plan voor de eindtijd: het verstrooide wordt bijeengebracht om een huis te vormen voor Hem. Daarom verlangt het witte paard om uit te gaan. En het zal zijn doel bereiken.

De ondergang van de demonische legermacht

Wanneer Zacharia vervolgens de eindstrijd gaat belichten, vertelt hij in verband met de belegering van de stad Gods: 'Te dien dage, luidt het woord des Heren, zal Ik alle paarden treffen met verbijstering, en hun berijders met krankzinnigheid; over het huis Juda zal Ik mijn ogen openhouden, doch alle paarden der natiën zal Ik treffen met blindheid' (Zach.12:4).

Met een soortgelijk beeld schildert ook Johannes het leger dat zich opmaakt voor de laatste strijd: 'En het getal der legerscharen van de ruiterij was tweemaal tienduizend tienduizend-tallen; ik hoorde hun aantal. En aldus zag ik in dit gezicht de paarden en hen, die erop gezeten waren: zij hadden rossige en blauwe en zwavelkleurige harnassen, en de koppen der paarden waren als leeuwenkoppen, en uit hun bek kwam vuur en rook en zwavel' (Openb.9:16-17).

Een demonische legermacht rukt op tegen de stad des Heren. Maar wat is het dan een kostelijk perspektief als we daarbij lezen wat Zacharias reeds in zijn tiende hoofdstuk heeft opgetekend. Daar komt het kontrast tot zijn volle ontvouwing. Enerzijds vers 5: 'Maar die op paarden rijden, komen beschaamd te staan'.

Anderzijds vers 3: 'Maar de Here der heerscharen bezoekt zijn kudde, het huis van Juda, en maakt hen als zijn prachtig ros in de strijd'. Dat wordt het strijdros voor God. Het paard zijner majesteit, zegt de Statenvertaling,. Dat is het koninklijke paard.

Gods volk wordt klaargemaakt

Daar is God mee bezig in onze dagen. Hij bezoekt zijn volk. Hij maakt gereed. Die twee woorden zijn bepalend voor vandaag en morgen: God maakt. Wij leven niet bij de afbraak, wij leven bij wat God maakt. Wij leven bij wat God maakt van ons.

God maakt zijn ros gereed. Machten zullen beschaamd staan, paarden zullen verbijsterd zijn, ruiters raken verward, wanneer de Here der heerscharen uitrijdt.

HOOFDSTUK X I V

 

HET GROTE TEKEN VAN OPENBARING 12

'En er werd een groot teken in de hemel gezien'. Zo luiden de beginwoorden van Openbaring 12. Het is heerlijk te weten dat het hierop uitloopt: God stelt een teken. Willen wij de machti-ge en diepe betekenis van Openbaring 12 verstaan, dan is het noodzakelijk dat wij ons bezinnen op de vraag: Wat is een teken? En waarom wordt hier van een teken gesproken? Waarom staat er niet gewoon: En ik zag, en zie, er was een vrouw?

Een teken is allereerst iets wat de aandacht trekt. Dat is een bijzonder fundamentele zaak: waar moeten we onze gedachten bij bepalen? Er wordt veel verstrooiing geboden in deze tijd. Mensen zoeken overal afleiding. Gedachten dwalen zo gemakkelijk af. Daarom is het zo verblijdend dat God ons een houvast geeft voor ons denken. God geeft een koers aan, een richting. God zegt: Bepaal hier je aandacht bij. Hier moet je op letten.

Namelijk op dit teken. En wat is dat? Het is een vrouw. Een prachtig beeld van de gemeente. Immers, wanneer Paulus het heeft over het huwelijk. dan zegt hij: 'Ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente' (Efez.5:32). En tot de gemeente van Korinthe richt de apostel zich met deze woorden: 'Ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen' (2 Kor.11:2). De gemeente is de vrouw van het Lam

God wil ons instellen op het wezenlijke

Waar moet dus onze aandacht op geconcentreerd zijn? Op de gemeente. Het is dan ook niet toevallig dat de vijand alles in het werk stelt om ons juist hiervan af te brengen. Hij vindt het best als we met van alles en nog wat bezig zijn, mits we ons maar niet richten op Gods gedachten over de gemeente. Maar God wil dat we ons instellen op het wezenlijke. Het is een tijd om bijzaken te vergeten, om in te keren tot de eenvoud Gods.

God is een God van eenvoud. Martha maakte zich bezorgd en druk over vele dingen, maar weinige waren nodig of slechts één. Vaak zijn wij in beslag genomen door tal van indrukken, aktiviteiten en problemen en juist hun veelheid kan ons verwarren. We zien door de bomen het bos niet meer. Daarom moeten wij leren ons los te maken van de dingen van de dag en in te gaan in de eenvoud van God.

In de beperking toont zich de meester. God is eenvoudig: Hij stelt één teken. Maar van dat ene teken wordt dan ook gezegd dat het groot is. "En er werd een groot teken in de hemel gezien". Het is groot in zijn eenvoud. majestueus in zijn ongecompliceerdheid.

In de eindtijd brengt de Geest ons tot het wezen aller dingen. Alle schijn valt weg. God brengt tot eenheid. Het zal worden één kudde en één Herder. Zalig is hij die de eenvoud Gods ontdekt. Zijn geest zwerft niet langer rond op aarde, zijn geest komt thuis bij God. Zijn hart is niet langer als Kaïns hart: 'gij zult zwervende en dolende zijn op aarde'; zijn hart komt tot rust bij eenvouds verlichte waters.

Het tweede dat opvalt: het is een teken in de hemel. Dit teken zal zichtbaar zijn voor allen die in de hemel zijn, voor overheden en machten, voor engelen en krachten. Geen macht zal erom heen kunnen. Als God de Heer een teken stelt, dan kan niemand zich daaraan ont-trekken. Niemand kan zeggen: Dat gaat mij niet aan; ik doe gewoon of er niets aan de hand

is. Dit zal de meest unieke gebeurtenis zijn in de geschiedenis: heel de wereld zal het weten. Allen zullen het erkennen: dit is uit God.

Het andere teken in de hemel

Als we nu iets verder doorlezen in Openbaring 12, dan vernemen we in het derde vers: 'En er werd een ander teken in de hemel gezien, en zie, een grote rossige draak'. Het gaat dus om twee tekenen in de hemel. Twee tegenpolen. Daartussen ontbrandt de strijd. Daarom zegt het zevende vers dan ook: 'Er kwam oorlog in de hemel'. En dan blijkt dat de ganse hemel gemobiliseerd wordt: 'Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog' (Openb.12:7). Alle legerscharen in de hemelse gewesten worden in staat van paraatheid gebracht. Maar hoe?

Hier komen we op een gezichtspunt dat ons geweldig kan helpen om een lijn te ontdekken in het hele eindtijdgebeuren. Op aarde zien we een wirwar van gebeurtenissen, maar in de hemel concentreren alle troepen zich rondom twee centrale punten, namelijk het teken uit vers 1 en het teken uit vers 3. In de hemel gaat het om twee legermachten. Het ene leger verzamelt zich rondom de vrouw, het andere verzamelt zich rondom de draak.

Betekenissen van het woord 'teken'

In dit verband is het interessant dat het Griekse woord voor 'teken' ook kan aanduiden: herkenningsteken. Waar de engelen de vrouw van het Lam herkennen, daar komen zij in actie. De gemeente geeft de toon aan. Zij is het volk dat zijn stem doet horen in den hoge; het volk dat de naam van God bezingt. En dit bezingen van de Naam is als het ware de herkenningsmelodie in de hemelse gewesten. Waar de naam wordt aangeheven als een zegezang, daar stellen de dienende geesten zich in slagorde op. Zoals Daniël 12 het zo treffend formuleert: 'Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat' (vers 1). Michaël en zijn helpers doen niets buiten het volk Gods om; zij werken daar waar de zonen zijn. Daarom zijn de engelen verheugd wanneer de zonen hun plaats innemen; dan weten zij: daar hebben we op gewacht, nu kunnen we uit de voeten.

Het woord 'teken' kan ook de betekenisnuance in zich dragen van: vaandel, veldteken. Dat is typerend voor de eindtijd: de vaandels worden geheven. Zoals de psalmist reeds profetisch sprak: 'Wij willen juichen over uw overwinning, en in de naam van onze God de vaandels opsteken' (Psalm 20:6). Zo is de gemeente het vaandel dat door de Here de heerscharen geheven wordt in de hemelen, ten teken dat de strijd gaat beginnen. Immers, dat beeld zien we ook in het oude Israël: 'De Israëlieten zullen zich legeren ieder bij zijn vendel onder de veldtekenen van hun families' (Num.2:2).

Dat is de vreugde van de eindtijd: God heft het vaandel. Het volk van God is nu gereed voor de strijd. Daar is heel wat aan vooraf gegaan. Tijd van voorbereiding, tijd van stilte, van ver-borgenheid. Met Christus verborgen in God. Maar verborgenheid is niet vergeefs; verborgen-heid brengt vrucht voort. Verborgenheid wordt tot teken.

Daarop wordt gewacht. Daarop wacht God. En daarom zal de Here wachten, opdat Hij u genadig zij. God heeft geduld tot het volk gereed is dat Hij kan presenteren in de hemel. Dat is het meest glorieuze moment voor Hem die hemel en aarde gemaakt heeft, dat Hij tot over-heden en machten kan zeggen: Zie hier mijn volk. Daar heeft de eeuwige God alles voor over. Daar heeft Hij zelfs eeuwen voor over. God forceert niets. God overhaast geen ding, want haast is geen geloof.

Gods plan gaat niet over één nacht ijs

Als dit teken komt, gaat het niet meer onder, want wat God heeft voorbereid, is goed. Wan-neer God tevoorschijn treedt, komt Hij niet met een volk dat half gereed is, of met een volk dat nog kan mislukken. Dan is God zeker van zijn zaak, Het plan Gods gaat niet over één nacht ijs. Daarom is God nu in deze tijd bezig om elke zwakke plek die nog in de gemeente gevonden wordt, eruit te halen, opdat er een volk zal zijn, degelijk en solide, een volk dat in de hemel kan bestaan.

Alles wacht op het teken Gods: 'een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd' (Openb.12:1). Hier wordt niet zomaar gesproken over een vrouw zonder meer, neen, zij wordt hier beschreven met de karakter-trekken van de bruid uit het Hooglied. 'Wie is zij, die opgaat als de dageraad, schoon als de blinkende maan, stralend als de gloeiende zon, geducht als de krijgsscharen?' (Hoogl.6:10). Is het toevallig dat zij nu ook in het laatste bijbelboek op deze wijze getekend wordt.

Waarom nu juist dit teken? Zon, maan en sterren, alle lichtbronnen, behoren toe aan deze vrouw. Zo kan zij elke vorm van duisternis overwinnen. Alle licht gaat uit van de gemeente. Nu weten wij dat de zon beeld is van God: de Here God is een zon en schild. Hier mogen we niet overheen lezen: deze vrouw is bekleed met de zon, dus zij is bekleed met God. Dit is nu de bedoeling des Heren. Dit en niets anders is het teken in de hemel. Dit is het enige teken dat ooit in de hemelen zal kunnen standhouden: het volk dat bekleed is met het wezen van God. Een ander teken van God is er niet.

We leven in een periode van geboorteweeën

Nu wordt van deze vrouw nog iets vermeld: 'en zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren' (Openb.12:2). Daarmee is opnieuw een uiterst rake en diepgaande typering gegeven van het huidige tijdsgewricht. We leven vandaag de dag in een periode van geboorteweeën. Dit gaat lijnrecht in tegen alle pessimisme en doemdenken van de moderne mens en ook van de vrome mens. De gemeente mag weten: haar pijn en moeite zijn niet tevergeefs. Want Johannes vervolgt: 'En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf' (vers 5). Zoals Jeremia profeteerde: 'Zo zegt de Here: Weerhoud uw stem van wenen, uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid' (Jer.31:16).

Een nieuwe tijd wordt geboren. Zonen worden geboren. Maar het gebeurt door middel van de vrouw, de gemeente. Er is loon voor haar arbeid.

Alleen via deze weg van barensweeën zullen de zonen voortgebracht worden. Daarom is het noodzakelijk dat het volk des Heren in deze tijd de strijd leert. En dat is niet alleen de strijd om persoonlijk het hoofd boven water te houden. Onze persoonlijke overwinningen zijn in feite nog slechts de eerste oefeningen. Op die wijze maakt God ons klaar voor de worsteling van Openbaring 12.

Er is momenteel een heel subtiele verzoeking voor vele kinderen Gods. We lopen gevaar te denken dat ons persoonlijk geluk het einddoel is. Als we in ons eigen leven de vijanden verdreven hebben en de zaken op orde gebracht zijn. We behoeven dan alleen nog maar te zorgen dat onze dagen verder in rust en vrede verlopen en ons lijflied kan dan worden: Hoe genoeglijk rolt het leven van een tevreden Godskind voort. We beperken ons tot wat kleine schermutselingen om de boze buiten de deur te houden, maar aan de eigenlijke strijd komen we niet toe. We worden in de geestelijke wereld gezapige vriendelijke burgers, die geen vlieg kwaad doen. Het is goed dat we ons heel diep bewust zijn dat, door onze persoonlijke strijd heen, God bezig is ons toe te bereiden voor iets wat verder reikt. Het gaat erom, de Here een wel toegerust volk te bereiden.

Dat kan maar één volk zijn. Het is het volk dat volledig is ingegaan in de eenheid met God. Het volk dat de gedachten Gods niet alleen in het hoofd heeft, maar ook in het hart. Het zal zijn een volk dat geheel en al strijd vanuit God. Dit volk ontvangt zijn instructies vanuit God, het ontvangt zijn macht vanuit God, het ontvangt zijn denken vanuit God. Daarom wordt het dan ook genoemd: het volk dat Ik Mij geformeerd heb. Dat wil zeggen: hun hele denken, hun diepste wezen is door Hem gevormd.

Het teken van de regenboog

Telkens in de geschiedenis zien we dat God mensen deze ene les leert: let op het teken dat Ik geef. Niet op iets anders maar enkel en alleen op mijn teken. Zo sprak God tot Noach: 'Dit is het teken van het verbond, dat Ik geef tussen Mij en u en alle levende wezens, die bij u zijn, voor alle volgende geslachten: mijn boog stel Ik in de wolken, opdat die een teken zij van het verbond tussen Mij en de aarde' (Gen.9:12-13). Wat moest Noach doen? De wolken konden samenpakken, een stortregen kon losbreken, maar Noach moest aandacht hebben voor slechts één ding: het teken Gods. En als hij de boog zag in de wolken, de boog Gods, dan wist hij: golven kunnen slaan en stormen kunnen woeden, maar de schepping gaat niet onder.

Dat was het geloof van Noach. Noach geloofde niet in ondergang, Noach geloofde in het teken Gods, in de boog die de schepping omspant. En wat lezen we in Openb.4:3, wanneer Johannes de troon des Heren aanschouwt? 'En een regenboog was rondom de troon, van aanzien de smaragd gelijk'. Zo blijft het van kracht tot in het laatste bijbelboek, tot in de laat-ste tijd. De gemeente van de eindtijd zal moeten zijn net als Noach; zij zal moeten geloven in de regenboog, in de boog Gods. Die boog omspant de troon. Heel het regeren van God staat in het teken van de regenboog. Bij God is er geen troon zonder boog. Bij Hem heerst geen willekeur. Koningschap is bij God altijd omsloten door trouw, altijd geankerd, gevat in de smaragdgroene tint van trouw aan zijn schepping.

Ook Ezechiël zag het, toen hij geroepen werd: 'Zoals de aanblik is van de boog, die in de regentijd in de wolken verschijnt, zo was de aanblik van die omhullende glans. Aldus was het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des Heren' (Ezech. 1:28). Dit is toch wel veelzeggend, dat deze profeet de troon ziet, maar niet zonder boog in de wolken. Uitgerekend in die donkere dagen van ballingschap en neergang, van verlaten land en treur-zang, is daar de regenboog.

Zo was en is het voorkomen, de aanblik van de Koning. In Openbaring 10 keert dit motief nog eenmaal terug: 'En ik zag een andere sterke engel nederdalen uit de hemel, bekleed met een wolk, en de regenboog was op zijn hoofd en zijn gelaat was als de zon' (vers 1).

Zo is en zal zijn de verschijning, de gestalte van de Here en van zijn boden. Zo stelt God een teken. Teken van zijn wezen, van zijn karakter. Dat is de belofte voor de laatste dagen. Zoals de boog verschijnt in de wolken, zo zal de trouw van God gezien worden in zijn zonen. Het zal zijn als in de dagen van Noach.

Wij moeten leren ons profetisch op te stellen

Soms gaat het volk des Heren door een nacht heen waarin niets gezien wordt. Door de nacht van smart en zorgen, schrijdt de stoet der pelgrims voort. Daar heeft Asaf over gespro-ken, toe hij zei: 'Uw tegenstanders brulden in uw vergaderplaats en hebben er hun tekenen als tekenen opgesteld' (Psalm 74:4). En dan moet hij het uitroepen: 'Onze tekenen zien wij niet, geen profeet is er meer, niemand onder ons, die weet tot hoelang' (vers 9). Er is geen teken te zien.

Juist in zulke dagen komt het erop aan dat we leren ons profetisch op te stellen. Immers, juist wanneer de machten zich opmaken, stelt God zijn teken. In die donkere nacht, toen de machten van de dood door Egypte trokken, toen was daar het teken van het bloed. En het is bepaald niet toevallig dat nu uitgerekend in Openbaring 12 het bloed weer naar voren komt: 'Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam' (vers 11). Daar ligt een diepe een-heid in dit twaalfde hoofdstuk van dit laatste bijbelboek. Omdat het bloed kracht, ongekende, unieke kracht heeft in de geestelijke wereld, daarom en daarom alleen zal dat teken van God tot stand komen. Daarom kan het niet missen. Daarom is het onmogelijk dat dit teken er niet komt. Want het kan eenvoudig niet anders: het bloed van Jezus zal uitwerking hebben, het bloed is toch niet vergeefs vergoten?

De kracht van het bloed bewerkt een smetteloos volk

Om deze reden is Openbaring 12 wel heel in het bijzonder een kostbaar hoofdstuk, want het toont ons de uiteindelijke doorwerking van het bloed. Speciaal in de slotfasen van het plan Gods zullen we meemaken dat het bloed zijn volledige, intense overwinningsmacht ten toon zal spreiden. De geschiedenis zal eindigen, niet met een aftocht, maar met een uittocht, dank zij de kracht van het bloed. En dan niet meer een uittocht van een vermengd volk, zoals eenmaal in de dagen van Mozes, maar nog grootser en veel heerlijker: een uittocht van zonen. Reine zonen, mensen Gods, stralend en puur.

Die uittocht zal er komen, omdat het bloed niet in waarde vermindert. Bij God gaan de din-gen niet langzaam maar zeker achteruit. Het koninkrijk Gods kent geen aftakeling. God kent geen inflatie. Het bloed is als het ware geladen met energie, boordevol werking, en het wacht op het moment dat het zich totaal, ongeremd, onbeperkt, in al zijn kracht kan gaan manifes-teren. Het bloed komt pas tot zijn doel wanneer het de kans krijgt om een volk geheel en al, door en door, van top tot teen te reinigen en te zuiveren. In de eindfase zal het bloed laten zien wat het kan. En wat zal het resultaat zijn? De uittocht van een smetteloos volk.

Het is merkwaardig dat de profeet Jesaja ook meermalen bezig geweest is met het teken van de eindtijd. We lezen in hoofdstuk 7: 'En de Here ging voort tot Achaz te spreken: vraag voor u een teken van de Here, uw God, diep in het dodenrijk of boven in den hoge' (vers 10:11). Uit het tekstverband blijkt dat Jeruzalem op dat moment benauwd wordt door een dubbele vijandelijke legermacht. En dan, in die noodtoestand, mag Achaz een teken vragen. Daarmee geeft Achaz precies aan waar het in de eindgeschiedenis om draait. Juist wanneer de machten samenspannen, is het tijd voor het teken van God. Maar helaas, Achaz is niet paraat in de geest, hij wil geen teken vragen. Zijn motto is: Ik zal de Here niet verzoeken. Valse bescheidenheid. Maar dan komt het geweldige woord van God: 'Daarom zal de Here zelf u een teken geven' (vers 14). Dat is profetisch, deze belofte klinkt door tot in het laatste bijbelboek, tot in het laatst der dagen. Zo is onze God: temidden van het tumult der machten zet Hij zijn plannen door.

En wat is dat teken dan? 'Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven' (vers 14). Een profetie die niet alleen vervuld wordt in Jezus, maar ook in degenen die met Hem verbonden zijn. De parallel is opvallend. Jesaja 7 spreekt van de jonkvrouw die een zoon zal baren. Openbaring 12 zegt: 'En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen'. Het woord 'jonkvrouw' betekent eigenlijk: zij die rijp geworden is. Zo zal de gerijpte gemeente zonen voortbrengen die de naam dragen: Immanuël, want zij weten en ervaren: met ons is God. En zo zijn zij het teken van de eindtijd.

Gods heerschappij in zijn volk is het ware teken

De Farizeeën en de Sadduceeën kwamen tot Jezus en vroegen dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen. Op dat punt was er geen verschil tussen deze beide groeperingen. Maar het ware volk des Heren zoekt niet een teken te ontvangen; het zoekt een teken te zijn.

Jezus zat niet op een teken uit de hemel te wachten; Hij wàs het teken uit de hemel. Zo is het altijd met zonen; hun doel is niet een teken te zien, hun doel is een teken te zijn.

Wanneer de discipelen komen met de vraag: 'Zeg ons, wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?' (Matth.24:3), dan luidt het antwoord van Jezus: 'En dit evangelie van het koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn' (Vers 14). Wat is het teken van het einde, ofwel van het einddoel? Dat is de voortgang van het evan-gelie. Maar niet in de zin van: als alle volken nu maar het evangelie gehoord hebben, dan kan het einde komen, dan staat niets het einde van de wereld meer in de weg. Neen, het gaat om iets heel anders. De boodschap van het koninkrijk, van de heerschappij Gods, zal moeten worden tot een getuigenis. Dat wil zeggen: de heerschappij van God zal gezien moeten worden. Waar? In de gemeente. Dan is en wordt het einddoel bereikt, namelijk als de gemeente geworden is een getuigenis voor alle volken. In haar zullen alle volken zien het koningschap van onze God. De Koning geeft getuigenis aan de natiën: en dat getuigenis is het volk Immanuël.

De finale: het teken van de volmaakte Mens

En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel. Zo kondigt Jezus het aan in het dertigste vers van hetzelfde hoofdstuk. Dat is de finale, het hoogtepunt van de historie. Daar loopt alles op uit: op het teken van de volmaakte Mens, de hemelse mens, de mens die in de hemel heerst. Onmiddellijk eraan vooraf wordt dan ook vermeld: 'En de machten der hemelen zullen wankelen'. De machten storten in, om plaats te maken voor de mens Gods.

Jesaja spreekt over dit teken in zijn laatste profetie. 'De tijd komt om alle volken en talen te vergaderen; zij zullen komen en mijn heerlijkheid zien. Ik zal onder hen een teken doen' (Jesaja 66:18-19). En wat is dat teken? 'Ik zal uit hen de ontkomenen zenden naar de volken - naar Tarsis, Pul en Lud, die de boog spannen, naar Tubal en Jawan, de verre kustlanden, die de tijding aangaande Mij niet hebben gehoord noch mijn heerlijkheid hebben gezien - opdat zij mijn heerlijkheid onder de volken verkondigen'.

Het begin van vers 19 kan men ook vertalen: Ik stel door hen een teken. Hoe geeft God een teken? Door hen; door mensen, door ontkomenen. Zij die ontkomen zijn aan ballingschap en bedreiging, zij worden gezonden door God, gezonden om te zijn een teken voor de volken.

Zo zal de zon opgaan over de natiën en de einden der aarde zullen de heerlijkheid zien van de Allerhoogste.

'Voor een doornstruik zal een cypres opschieten, voor een distel zal een mirt opschieten, en het zal de Here zijn tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden' (Jes.55:13). Daar werkt God aan: aan een teken dat eeuwig zal zijn. Dit volk zal staan als een naam voor Hem. Zo zal de naam des Heren geschreven staan in de hemelen, opdat de machten zullen weten: zo is God. Dan zullen machten in de hemel en volkeren op aarde de Naam des Heren lezen. En zij zullen weten: zo is zijn naam, zo is zijn wezen, dit is zijn teken, deze God is enkel licht.

 

HOOFDSTUK X V

 

DE TEMPEL GODS IN DE EINDTIJD

Openbaring 11 zet in met de woorden: 'En mij werd een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en hen die daarin aanbidden'. Zestien maal wordt de tempel door Johannes genoemd. Daarom is de vraag gerechtvaar-digd: wat is de plaats van de tempel in het geheel van het eindgebeuren? Waarom wordt er zo dikwijls melding van gemaakt?

Om te beginnen is het goed dat we opmerken dat heel Openbaring 11 over de tempel handelt. Niet alleen in de beginverzen. Want het laatste vers van dit hoofdstuk zegt: 'En de tempel Gods, die in de hemel is, ging open'. En uitgerekend in dit tempelhoofdstuk klinkt de proklamatie: 'Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en zijn gezalfde' (vers 15). Het koningschap staat in het kader van de tempel. Opvallend is trouwens dat er met nadruk gezegd wordt: ónze Here. Hier ligt een bewust onderscheid in opgesloten: heren en goden zijn er genoeg, maar het koningschap zal zijn aan ónze Here, aan ónze God.

Heel uitdrukkelijk wordt er dan ook, zowel aan het begin als aan het eind van Openbaring 11, gesproken over de tempel Gòds. Niet zomaar de tempel zonder meer, maar temidden van alle tempels en beelden is er maar één tempel waar God zijn naam aan verbindt. Want straks in Openbaring 13 horen we van het beest, en over het beeld van het beest, maar vóór dit alles zien we hier hoe er een huis oprijst voor God.

Dat is het profetische perspectief dat Johannes ons doorgeeft: er zal een huis zijn voor God. Het kan nog zo donker en demonisch worden, nacht en ontij kunnen samenpakken, machten maken zich breed, maar het kan niet zo duister worden of er zal een huis zijn voor God.

God bouwt zijn tempel. Dat staat als een eeuwig schrift boven de eindtijd gegrift. Ook het beest dat in hoofdstuk 13 opkomt, kan wat God in hoofdstuk 11 heeft vastgelegd, niet meer ongedaan maken. Men zou haast geneigd zijn te zeggen: dan had het beest vroeger moeten opstaan.

Het huis van onze God houdt niemand tegen. Daarom is die opdracht om te meten ook zo veelbetekenend. 'Sta op en meet de tempel Gods'. Er is een opstaan vereist. Een geestelijk in actie komen. Want dat meten is niet zomaar een aardig tijdverdrijf. De opdracht die Johan-nes hier ontvangt, komt maar niet uit de lucht vallen; zij heeft een profetische achtergrond. Ook in het Oude testament treffen we namelijk soortgelijke metingen aan en die kunnen ons op weg helpen om de diepe zin van deze handelingen beter te verstaan.

De profetische achtergrond van de tempelmeting

Ezechiël is één van de profeten bij wie we dit tegenkomen. Hij vertelt: 'In gezichten Gods bracht Hij mij naar het land van Israël en zette mij neer op een zeer hoge berg; daarop was iets als een stad gebouwd aan de zuidzijde. Toen Hij mij daarheen gebracht had, zie, daar bevond zich een man, die er uitzag als was hij van koper, met een linnen snoer en een meet-roede in zijn hand; hij stond in de poort' (Ezech.40:2-3).

Nu is het woord 'meten' duidelijk een sleutelwoord in de hoofdstukken 40 tot 48 van Ezechiël. Als we het aantal keren optellen dat daar sprake is van meten en meetroede, komen we maar liefst tot eenenzestig. We zien de grondgedachte van het meten loopt als een rode draad door dit laatste deel van het boek Ezechiël heen. Alles draait om de meetroede.

En nu is het merkwaardige dat die meetstok voor het eerst tevoorschijn komt in hoofdstuk 40: daar immers begint juist een heel nieuw onderdeel van het boek Ezechiël en tegelijk ook een heel nieuwe fase in de roeping van deze profeet. Vanaf dit moment moet hij zich namelijk heel grondig en uitvoerig gaan verdiepen in het herstelplan van God. Niet voor niets klinkt tot hem het woord: 'Mensenkind, zie met uw ogen en hoor met uw oren en richt uw opmerkzaamheid op alles wat ik u zal laten zien' (Ezech.40:4). Letterlijk staat er: zet uw hart op alles wat ik u doe zien. Het is een zaak van het hart. De profeet moet er met hart en ziel bij zijn. Dit eist hem helemaal op.

En wat gaat er dan gebeuren? Hij zette mij neer op een zeer hoge berg, en daar was een stad. Ook van Johannes lezen we: 'En Hij voerde mij weg in de geest op een zeer grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad' (Openb.21:10). Er is maar één berg waarvan uitein-delijk nog gezegd kan worden dat hij hoog is: dat is de berg des Heren. De vaste grondslag waarop de tempelstad verrijst. Die berg wordt niet gemeten; daarvan wordt alleen uitgespro-ken dat hij hoog is, zeer hoog. Dat laat zich ook wel verstaan: de macht van de Geest is immers niet te meten. Onmetelijk is de spankracht van de Geest. Zij gaat alle aardse maten ver te boven. Deze berg is de hoogste der bergen; daarmee is genoeg gezegd. Deze berg zal vaststaan. Vaststaan tot in de laatste tijden.

Gods herstelplan gaat in vervulling

Maar dan krijgt de profeet daar het bestek van God uitgemeten. En waar gaat het om? We halen enkele kernpunten naar voren uit hoofdstuk 43. Daar wordt beschreven hoe de heer-lijkheid des Heren het huis binnengaat. Dat is geen vanzelfsprekende zaak; hetgeen hier geschiedt, is een unieke gebeurtenis: God keert terug! De ballingschap is ten einde. Dat is een reden tot diepe vreugde. Dat meten is maar niet een droge, wiskundige bezigheid, het is een intens geestelijke aangelegenheid. Want dat meten heeft te maken met herstel. Herstel van het bestek Gods. En dat houdt in: herstel van heerlijkheid. Dat is het meesterlijke waar het meten op uitloopt: God herstelt de heerlijkheid.

De eindtijd is een tijd van restauratie: Gods oorspronkelijke plan komt nu uit de verf. En, zegt Ezechiël, de aarde straalde vanwege zijn heerlijkheid.

Meten betekent: oog krijgen voor de maten Gods. Zoals Paulus het formuleert: 'de maat van de wasdom der volheid van Christus'. Of, met andere woorden: de volle maat, de volwassen maat van de Christus. Aan die maatstaf wordt het huis Gods gemeten. De gemeente moet de volle maat bereiken van de Christus, van de gezalfde. En stemt dat niet overeen met wat Openbaring 11 beschrijft: de tempel wordt gemeten en dan... Wat volgt er dan? Het koning-schap zal zijn aan de Here en aan zijn Christus, aan zijn gezalfde. Dat is de gemeente die de maat van de Christus heeft bereikt. Meten betekent: erop acht geven hoever we al zijn in het plan Gods. Meten is een bij uitstek profetische bezigheid; het betekent: we stellen ons in op de heerlijkheid die gaat komen. We stellen ons in op herstel. We stellen in op het bestek van God.

Wat is het doel van de tempel?

Meten is het begin van een nieuwe tijd. Meten geschiedt met het oog op morgen. Hij die meet, denkt aan de toekomst.

Want wat is het doel van de tempel? Ezechiël hoort een stem: 'Mensenkind, dit is de plaats van mijn troon en de plaats mijner voetzolen, waar Ik wonen zal onder de Israëlieten tot in eeuwigheid' (Ezech.43:7). Het doel van het huis is: de troon. Zien we niet dezelfde lijn in Openbaring 11? De lijn van tempel naar koningschap. Het gaat om de plaats waar God troont, en waar Hij woont. En het Griekse woord voor tempel, dat zestienmaal in Openbaring voorkomt, heeft als grondbetekenis: woning.

Eindtijd betekent: God vindt een woning. Eeuwenlang was het: God kwam en ging. Jezus was de eerste mens bij wie de Allerhoogste kon wonen. Van Hem staat er geschreven: de Geest bleef op Hem. Niet komen en gaan, maar blijven, Op Hem kwam de Geest tot rust. Zo zoekt God in deze dagen naar het volk dat woonplaats biedt voor hem.

Dat is de jubelroep van het laatst der dagen: God heeft een woning gevonden. God is thuis-gekomen in zijn volk. Daar gaat de geschiedenis naar toe.

Daarom zijn de verzen 10 en 11 van Ezechiël 43 zo verhelderend in verband met het thema van het meten. We laten ze hier volgen in een letterlijke vertaling: 'Gij nu, mensenzoon, ver-meld het huis Israëls het huis, dat ze zich schamen voor hun afwijkingen; dan mogen zij het model nameten; wanneer zij zich schamen voor alles wat ze deden, maak hun bekend, schrijf hun voor ogen de vorm van het huis en zijn orde, zijn uitgangen en zijn ingangen, geheel zijn vorm, daarbij al zijn inzettingen, al zijn vormen, daarbij al zijn aanwijzingen, dat ze zijn vorm en al zijn inzettingen bewaren en die doen'.

We zien dat hier opnieuw gesproken wordt over meten. En waarom is dat van zo verstrek-kende betekenis? Het volk moet terug naar het model. Het model is de oorspronkelijke gedachte van de Schepper, het originele, het onvervalste plan van de Architect.

Ze zullen zich schamen voor hun afwijkingen, namelijk de punten waarop ze afgeweken zijn van het origineel. Hun ogen moeten weer opengaan voor de vorm die God bedoelt. Wat is de vorm? Dat is de gestalte Gods.

Dat is het glorieuze van God. Hij gaat niet het model veranderen. Hij gaat onze gedachten veranderen. God doet niet een stuk van de meetstok af. Integendeel, dat is nu juist de unieke boodschap van Openbaring 11: de meetroede Gods komt weer tevoorschijn. Er zal dus een tempel zijn die de moeite waard is om te meten. Er zal een huis tot stand komen dat beant-woordt aan de maten Gods.

Juist in de dagen van Ezechiël, dagen van ballingschap, is daar opeens de meetroede Gods. Als een moedgevend teken: Gods plan is niet verkort. Juist dan klinkt daar de roep: Terug naar het model!

Juist in dagen als van het boek Openbaring is daar opeens de opdracht: sta op en meet de tempel.

De meetroede is het symbool van de hoop

Ook de profeet Zacharia heeft zich met deze gedachte beziggehouden. Hij vertelt in zijn tweede hoofdstuk: 'En ik sloeg mijn ogen op en ik zag toe, en zie, een man met een meet-snoer in de hand. Toen vroeg ik: Waar gaat gij heen? En hij antwoordde mij: Ik ga Jeruzalem opmeten en zien hoe groot zijn breedte en lengte zal zijn' (vers 1-2). Het is merkwaardig dat ook dit gedeelte betrekking heeft op de periode die volgt op de ballingschap. De meetroede is wederom het symbool van hoop. Er zal een stad verrijzen die niet onder de maat blijft.

Als we nu het vervolg van Openbaring 11 bestuderen, dan blijkt daar nogmaals een verbin-dingsschakel te liggen met de boodschap van Zacharia. Openb.11:3-4 vertelt ons: 'En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang. Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Here der ganse aarde staan'. Dit stemt geheel overeen met Zacharia 4 waar we lezen van de twee gezalfden die vóór de Here der ganse aarde staan' (vers 14).

Het gezag van de twee getuigen

Op het woord van twee of drie getuigen zal iedere zaak vaststaan. De weg die deze twee getuigen gaan, kan in wezen getypeerd worden door drie kernbegrippen: macht, dood en opstanding. Zo tonen zij de weg van de laatste gemeente. Zij hebben macht om de hemel te sluiten, macht over de wateren, macht over de aarde. En hoe komt het dat ze macht heb-ben? Eigenlijk staat er: gezag, autoriteit. Het is bij hun niet een zaak van kracht en geweld, maar van bevoegdheid. En waaraan ontlenen ze dit gezag? Ze staan daar als olijfbomen, als gezalfden.

Zoals David eenmaal getuigde: 'Maar ik ben als een groenende olijfboom in het huis van God' (Psalm 52:10). Dat was het geheim van Davids koningschap: de voortdurende zalving, de voortgaande inspiratie van de Geest. Daarom kwam David door de woestijnperiode heen: hij was niet afhankelijk van de dorre, doodse wildernis om hem heen, hij had een bron van binnen. Zijn bron droogde niet op, zijn olie raakte niet uitgeput, hij behoefde geen olie te gaan zoeken of te gaan kopen, zoals de dwaze maagden, hij had een geheim: hij was zelf een olijfboom. In de zichtbare wereld trok hij door de woestijn, maar in de geest stond hij in het huis van zijn God, daar ontving hij levenssappen voor zijn inwendige mens, en zo werd zijn geest als een boom, fris en groen, een boom die groeide tegen de verdrukking in.

Datzelfde geheim vinden we ook bij Zacharia: 'Niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest, zegt de Here der heerscharen. Wie zijt gij, grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte; hij zal de gevelsteen naar voren brengen onder het gejubel: heil, heil zij hem!' (Zach.4:6-7). Hoe zal het tot stand komen? Door de Geest, net als bij David. Het is dezelfde weg, hetzelfde grondprincipe. David, de olijfboom is het huis van God.

Hier de twee olijfbomen die staan voor God. Want hun bron is Hij die eeuwig leeft. En zo worden zij bronnen van heil. Het geschiedt door de Geest, door mijn Geest, spreekt God met nadruk: niet door een andere geest. Wat is het geheim? Zij doen als David: zij laten zich maar door één Geest inspireren. Zij zijn mensen van één Geest. Daarom worden zij ook gezalfden genoemd; letterlijk staat er in het veertiende vers: zonen van de olie. Merkwaar-dige uitdrukking, maar wel veelzeggend. Zo beheerst de Geest hun leven dat ze naar hun wezen zonen van de olie zijn, zonen van de Geest. Hun geest is doordrenkt met Gods Geest. Zo is God voor hen de Vader der geesten. Zij staan voor God. Openbaring 11 neemt die gedachte over: zij staan voor het aangezicht van de Here der ganse aarde. Het is opvallend dat we diezelfde uitdrukking ook bij Elia tegenkomen. Het is het eerste wat van Elia in het Oude Testament vermeld wordt. Hij komt bij Achab en zegt: 'Zo waarachtig als de Here, de God Israëls, leeft, voor wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij naar mijn woord' (1Kon.17:1, Statenvertaling). Ook Elia stond voor Gods aangezicht. En daarom had hij gezag.

In de geest en kracht van Elia

De twee getuigen in Openbaring 11 lijken in hun optreden veel op Elia. Ook zij hebben bevoegdheid om de hemel te sluiten. Zo zal de laatste gemeente staan in de geest en de kracht van Elia. Zij wacht niet op een persoon die zichzelf komt aanmelden met de aankon-diging: ik ben Elia. Zij wacht op de Geest. Zij zoekt de Geest.

Zij zoekt te staan voor God. Dat is haar vreugde, dat is haar leven. En staande voor God wordt zij door God onderhouden. Staande voor God ontvangt zij autoriteit in de geest. Zij kan de hemel sluiten; dat betekent dat zij sleutels bezit, sleutels van het rijk der hemelen.

Waarom sluit zij de hemel? Dat lijkt op het eerste gezicht een vrij negatieve bezigheid. Maar waarom sloot Elia de hemel? Hij voerde een strijd tegen de Baälsdienst. En Baäl was de god van regen en vruchtbaarheid. Men bad tot de afgod om regen en men ontving de regen uit zijn hand. In feite was het dus de regen uit een okkulte bron. En wat doet Elia nu? Hij sluit de hemel door zijn woord. De okkulte bron wordt door hem afgesneden. Hij sluit de okkulte hemel toe. De vereerders van de regengod komen droog te staan.

De twee getuigen sluiten de hemel

Precies hetzelfde speelt zich af in Openbaring 11. De twee getuigen sluiten de hemel. Dat wil zeggen: zij draaien de okkulte kraan dicht. Zo snijden zij de okkultisten af van hun bron. Zij maken dat tovenaars en waarzeggers geen informatie meer hebben. Net als de torenbou-wers van Babel worden zij afgesneden van hun hemel. Zo staan de getuigen voor God en de valse profeten staan droog. Zoals de Baälspriesters in de tegenwoordigheid van Elia niets konden uitrichten, niets vermochten op te roepen, zo leggen deze getuigen de okkulte hemel lam. Vanuit hun verbondenheid met de Geest stijgen zij tot ongekende hoogten, zij heersen in de hemel. Hun woord regeert.

Het is dan ook geen wonder dat het beest zelf zich tegen hen keert en hun de oorlog aan-doet. Zo worden zij gedood. De weg van de laatste gemeente is een weg zoals de Meester ging, door druk en dood heen.

Maar na drie en een halve dag voer een geest van leven uit God in hen en zij gingen op hun voeten staan. De Geest laat hen niet alleen. Door mijn Geest immers zal het geschieden. Zij zijn altijd met de Geest verbonden geweest. Zij waren immers zonen van de geest? Ze staan op hun voeten en ze horen een stem. De stem die altijd hun leven beheerste. Het is voor hen geen vreemde stem. Voor hen een vertrouwd geluid. Klimt hierheen op, roept de stem. Dezelfde woorden die Johannes hoorde aan het begin van hoofdstuk 4. Zij mogen opklim-men, opgaan naar Gods huis. Hun einde is een opgang.

Zij eindigen net als Elia. En net als hun Meester. En dan is het toch wel bijzonder de moeite waard, in dit verband te letten op het slot van Openbaring 11. We hebben al gezien hoe in het vijftiende vers het koningschap van God en zijn gezalfde, zijn olijfboom, geproklameerd wordt. En daarop volgt dan het glorieuze slotakkoord van vers 19: 'En de tempel Gods die in de hemel is, ging open en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel'.

De laatste berg die verdwijnen gaat

Waar loopt de hele strijd van de twee getuigen op uit? Op de tempel. Zij waren als olijf-bomen, staande in het huis des Heren. En Zacharia sprak reeds: Door de Geest zou het geschieden. Maar nu de vraag: wat zou er door de Geest geschieden? Ook dat heeft Zacharia erbij vermeld: de berg zou tot een vlakte worden en de gevelsteen zou naar voren worden gebracht.

Welnu, ook dit gaat in vervulling in Openbaring 11. De laatste berg die tot een vlakte wordt, is de berg van de dood. De twee getuigen overwinnen tenslotte de dood. De laatste berg die in het boek Zacharia tot een dal wordt is de Olijfberg.

De olijfberg wordt gespleten en daar is een weg ter ontkoming, en de zonen Gods zullen staan als olijfbomen tot aan het eind der tijden. En dan is daar sprake van een gevelsteen. Waarom is dat zo'n reden tot vreugde? Dan is het einddoel bereikt.

Christus wordt openbaar in zijn volk

Daar is heel wat aan vooraf gegaan, voordat het zover was. Daniël sprak erover dat de stad herbouwd zou worden in de druk der tijden. Bergen moesten uit de weg geruimd worden. Maar tenslotte is daar het moment dat de sluitsteen wordt aangebracht. Paulus zegt in de Efezenbrief dat Christus Jezus zelf de hoeksteen is, of naar een andere vertaling: de sluit-steen. Hij is het begin en het einde. Hij is het fundament, maar Hij is ook de voltooiing van het bouwwerk.

Zo eindigt Openbaring 11. De tempel gaat open. De verborgenheden die zich in het huis Gods bevinden, worden onthuld. In de eindtijd gaan alle dingen open. Het is de tijd der onthulling. Wat verscholen was, komt in het zicht.

En wat wordt er dan zichtbaar in de tempel? De ark des verbonds. Zo wordt Christus open-baar in zijn volk. Waarom nu juist de ark? 'Zodra gij de ark des verbonds van de Here, uw God, ziet en de levitische priesters, die haar dragen, dan zult ook gij van uw plaats opbreken en achter haar aantrekken' (Jozua 3:3).

De ark des verbonds: God trekt voor ons uit. God gaat overwinnen. Als hij de ark zag, dan begon het hart van de ware strijder sneller te kloppen. De ark: begin der legerscharen Gods. Dan hief men aan met de woorden van de oude overwinningspsalm: O stoet van wie het heil bevocht en grote overwinningstocht, o Heer die zijt geprezen!

De ark werd gezien. Dan wist de man die zijn God kende: God is zelf vooraan geschreden, Hij verlicht het pad dat wij betreden, en verjaagt de donkre wolk.

De ark werd gezien. Dan wordt de laatste strijd gestreden. Ook de laatste vijanden zullen vallen, waar de ark optrekt samen met de bondgenoten Gods.

God alles in allen

Dan is de laatste fase ingegaan. Dan herleven nog eenmaal de woorden van Mozes uit Numeri 10: 'Wanneer nu de ark opbrak, zeide Mozes: Sta op, Here, opdat uw vijanden verstrooid worden en uw haters van uw aangezicht wegvluchten' (vers 35).

Sta op, Here. En God zal opstaan tot de strijd. Nu is er nog een wapenstilstand. De ark breekt op.

Totdat gezegd kan worden: 'En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam' (Openb.21:22). Dan is God alles in allen. Dan is de vreemdelingschap vergeten, want God en mens zijn thuis gekomen.

 

K. D. Goverts, UITGAVE: 'LEVEND GELOOF', Postbus 101, 8180 AC HEERDE

Gekopieerd met toestemming van de uitgever

C. du Fossé