Aantekeningen bij de brief van Judas

J.E.v.d. Brink

De schrijver van deze laatste brief die in de nieuwtestamentische canon (lijst van boeken) is opgenomen, is Judas, een broeder van Jacobus. Hij is dus niet de apostel Judas, de zoon van Jacobus, van wie bijvoorbeeld in de handelingen 1:13 gesproken wordt. Hij is een halfbroeder van Jezus en een broeder van Jacobus, de schrijver van de brief die in de oud-christelijke kerk een leidinggevende figuur was, inzonderheid in de gemeente te Jeruzalem. In Mattheüs 13:55 worden de halfbroeders van de Heer genoemd : Jacobus, Jozef, Simon en Judas. Judas is dus waarschijnlijk de jongste van de broeders. Hij maakt zichzelf bekend niet als broeder van Jezus, maar als diens dienstknecht, evenals Jacobus dit doet. Stonden de broeders bij de aanvang van de prediking van Jezus nog sceptisch tegenover de Heer, nu blijkt dat zij Hem werkelijk als hun verlosser en Heer hebben aangenomen en hem niet meer kennen naar het vlees, maar alleen als geestelijk Meester.

In deze brief komt veel overeen met wat Petrus in zijn tweede brief heeft geschreven. Sommige uitleggers concluderen mede op grond van vers 18, waar de brief van Petrus letterlijk wordt aangehaald (2 Petr.3:3), dat Judas de brief van Petrus gelezen had en daarom ditzelfde thema nog eens behandelt.

1- Judas richt zijn brief tot de geroepenen. Dit zijn degenen die Jezus hebben aangenomen en die nu als wedergeborenen overgezet zijn van de duisternis in het Koninkrijk van Jezus Christus. Zij zijn degenen die aan de roepstem van God gehoor hebben gegeven en daarom speciaal geliefden zijn van de Vader. Zij zijn degenen van wie Jezus zegt 'die Gij Mij gegeven hebt'. Zij worden geheiligd en toegerust om de Heer te dienen als levende stenen in de tempel die Christus in de onzienlijke wereld bouwt.

2- Deze geroepenen hebben de barmhartigheid van God reeds ervaren door de schuldvergiffenis en de verlossing. Zij kennen reeds de vrede met God, zoals Paulus schreef : 'Wij dan gerechtvaardig zijnde door het geloof, hebben vrede met God'. Zij weten zijn ontfermende liefde, omdat God de Vader positief is ingesteld ten opzichte van alle mensen, maar speciaal ten opzichte van de kinderen Gods. Zij weten ook hoe met de Heilige Geest ook de liefde van God in hun harten is uitgestort en een vernieuwing van denken en van leven is begonnen. Judas bidt hen toe dat al deze ervaringen met God in hun leven worden vermenigvuldigd of rijkelijk zullen toenemen, zodat zij hoe langer hoe meer kunnen ontplooien als kinderen Gods in het Koninkrijk van Jezus Christus.

3- Toen Judas zich voornam deze brief te schrijven, was het zijn bedoeling de broeders en zusters op te bouwen en op te wekken door nog eens het gemeenschappelijk heil naar voren te brengen. Hij wilde hen nog eens duidelijk voor ogen stellen al het goede, dat het evangelie hen reeds had gebracht en verder nog zou brengen. Hij wilde de weg des heils nog eens duidelijk schilderen. Heil houdt in afzondering van het kwaad, toewijding aan de Heer, maar ook heling en herstel. Het zou geen grote blijdschap voor de schrijver geweest zijn, zich daar tezamen nog eens op te bezinnen. Maar hij was in aanraking gekomen met mensen, die het rechte spoor hadden verlaten. Hij ziet daarom de noodzaak eerst met vermaningen te komen, zodat ze hun voeten weer zouden zetten op de goede weg. Hij weet dat het de boze is, die met leugens en verleidingen de kinderen Gods wil aftrekken van het ware geloof. Dit geloof hecht zich vast aan de woorden van Jezus Christus, zoals Hij die gesproken had ten aanhore van zijn apostelen, van de scharen, waartoe ook de broeders van de Heer menigmaal hadden behoord.

Dit evangelie van het Koninkrijk der hemelen was door de apostelen op betrouwbare wijze overgeleverd aan hen, die door bekering en wedergeboorte ingegaan waren in het Koninkrijk der hemelen en dus met 'heiligen' worden aangesproken. Hij vermaant hen de woorden van Jezus in geloof vast te houden om zodoende het leven te beërven. Dit zal vaak strijd kosten, wanneer de leugenaar zijn twijfels komt zaaien. We merken op dat het geloof niet overgeleverd kan worden, maar alleen de inhoud ervan. Geloof is een eigenschap van de menselijke geest en het moet zich ergens op richten. Het geloof dat ten leven voert, richt zich op het 'Woord Gods' en houdt dit onverwrikt vast.

4- Dan geeft Judas een beschrijving van de mensen die zich christenen noemen, maar die in werkelijkheid goddelozen zijn. Deze zijn binnengedrongen in de gemeente. Het zijn mensen die de schuldvergeving wel aangenomen hebben, maar die niet wandelen overeenkomstig hun status als kinderen van het licht. Petrus beschrijft deze mensen in 2 Petrus 2:1-3. Het zijn mensen die in de zonde blijven en die telkens weer de schuldvergeving zoeken, zodat telkens weer genade over hun leven kan komen. Vandaar dat zij spreken over een 'dagelijkse bekering', waarvan de bijbel nergens rept. Paulus schrijft over deze 'zondaars tot de dood' in Romeinen 6:1-2. Wij zien dus dat gehele kerkgemeenschappen met deze valse leer doordrenkt zijn. Judas noemt hen geen gelovigen, maar goddelozen, die de genade van onze God in ongebondenheid aan de wetten van God veranderen. Zij houden er geen rekening mee, dat zij behoren tot het lichaam van Christus, door wie de genade is geworden, en dat dit lichaam uit louter rechtvaardigen moet bestaan. Rechtvaardigen zijn mensen die niet alleen gerechtvaardigd zijn uit geloof, maar die ook wandelen in gerechtigheid, wat natuurlijk een groeiproces van deze rechtvaardigen niet uitsluit. Ze kunen misschien weleens in zonde tuimelen, maar Johannes zegt: Índien iemand gezondigd heeft (dit is dus geen regel), hebben wij een voorspraak bij de Vader'. De regel is dat wij het woord van God vasthoudende door de kracht en de begaafdheden van de Heilige Geest, als rechtvaardigen kunnen leven en groeien.

Dat er ook in de gemeente onkruid zou zijn tussen de tarwe, er mensen zouden komen met een gedaante van godvruchtigheid, maar die de kracht ervan verloochenen, was reeds in het plan van God opgenomen. Dit was tevoren opgeschreven. De profeten hadden erover gesproken. Jezus had het voorzegd en ook in al de geschriften der apostelen vinden wij de waarschuwingen tegen de valse kerk, het grote Babylon. Er zal een oordeel gaan over het huis Gods, waarbij een scheiding zal worden gemaakt tussen de tarwe en het onkruid. Let erop dat ook in onze gemeente vele profetieën over deze dingen gaan en de Heer ook een scheiding onder ons teweeg zal brengen, wanneer wij Jezus niet volkomen als Heer erkennen en dus niet oprecht Hem willen volgen.

5- De schrijver Judas heeft gesproken over mensen die wel de verzoening van hun zonden aanvaard hebben of tenminste dit deden voorkomen, maar verder niet in gerechtigheid leefden. Zij erkenden Jezus niet als Heer, luisterden niet naar zijn woorden maar leefden losbandig. Zij hadden ook niet de gezindheid van Jezus Christus. Zij zullen evenwel geen standhouden, wanneer het oordeel van God over 'het huis Gods' begint. Zij zullen dan onder het oordeel vallen.

Uit het Oude testament haalt de schrijver nu verschillende voorbeelden aan van groepen personen of engelen of individuën die eerst de genade en de heerlijkheid van God ervaarden, zijn woord hoorden, maar ongehoorzaam werden, het pad van de zonde bewandelden en de genade tevergeefs hadden ontvangen (2Cor.6:1). De schuldvergeving wordt ons aangeboden, opdat wij ook verder als rechtvaardigen en verlosten zouden leven in de hemelse gewesten.

Het eerste voorbeeld waaraan Judas herinnert, is er een dat zij allen goed kenden. Het betreft het volk Israël dat bij zijn uittocht uit Egypte de wonderen Gods had beleefd en zijn stem had gehoord, maar later in de woestijn ongehoorzaam was, de Heer en zijn dienstknechten niet meer geloofden en al murmurerende God verzochten. Hun oordeel bleef niet uit, want allen die 20 jaar en ouder waren toen zij uit Egypte trokken, kwamen in de woestijn om. Zelfs Mozes en Aäron gingen het beloofde land niet binnen. Slechts Jozua en Kaleb mochten er hun voeten zetten, want zij hadden zelfs in de kritiekste momenten in geloof op de Heer vertrouwd en dit ook uitgesproken. God had meer beloften aan Iraël gegeven dan alleen zijn woord dat het uit Egypte zou trekken. Hij had ook gesproken dat zijn volk het land vloeiende van melk en honing zou binnengaan en daar als overwinnaars in gerustheid zouden leven. Deze laatste belofte hielden zij niet in geloof vast. Zo zijn er christenen die wel de schuldvergeving willen aannemen, maar niet geloven in de rijkdommen van heil en heerlijkheid die verder zijn toegezegd.

6- Het tweede voorbeeld neemt Judas uit de engelenwereld. Deze geestelijke wezens zijn allen door God heerlijk geschapen. Hij was hun oorsprong. Hij gaf hen zijn wetten mee en bepaalde de plaats die zij in zijn plan zouden innemen. Niet alle engelen bleven evenwel trouw aan de gedachten van God. Toen de mens geschapen werd, wisten zij dat zij allen uitgezonden waren ten dienste van hen die de zaligheid zouden beërven, dit wil zeggen het volmaakte zouden ontvangen. Zij wisten dat Gods vermaak was met de mensenkinderen en dat God die geest is, zichzelf een woning toebereide in de mens. Toen werd een gedeelte van de engelen ontrouw en verloor daardoor het contact met God die leven is en licht. Voortaan waren zij aan dood en duisternis voor eeuwig verbonden, of liever gebonden en hun werk was ontbinden en verderven. Zij verlieten hun eigen woning, de hemelse sfeer en zochten contact met de mensen, niet om hen te dienen, maar om over hen te heersen en indien mogelijk in hun leven de plaats in te nemen die God zichzelf had toegedacht. Nog zetten zij hun luguber werk voort, maar slechts tot hun veroordeling op de grote dag, wanneer zij allen zullen zijn verwezen naar de poel des vuurs. Zoals de christenen die in gerechtigheid en waarheid wandelen voor Jezus Christus 'bewaard' zijn (zie vers 1), zo worden deze onheilige engelen tot de oordeelsdag 'bewaard' voor de poel des vuurs.

7- Het derde voorbeeld van ongehoorzaamheid en straf wordt ontleend aan de steden Sodom en Gomorra en de steden in hun nabijheid, Adama en Zeboïm, welker bewoners Gods wetten met voeten traden, slechts leefden voor eigen wellust en om elkaar te behagen. Ze deden dit in zorgeloze rust. De streek van deze steden was rijk en vruchtbaar, de inwoners leefden in een welvaartsstaat in 'overdaad'. Zij waren verwaten en 'trots' en in 'zorgeloze rust' bedreven zij hun gruwelijke zonden, zonder zich verder te bekommeren om de wetten Gods en de gedachten Gods met de mens (Ez.16:49-50). Ook kenden zij geen ontferming en barmhartigheid.

Het 'nalopen van ander vlees' wijst op homosexualiteit van de Sodomieten, dus op het najagen van tegennatuurlijke lusten, wat een gruwel is in het oog van God. Het oordeel is over hen gekomen en nog altijd wijst een Zoutzee of Dode Zee, waarin geen enkel leven wordt gevonden, de plaats aan, waar het oordeel is voltrokken. Zoals de engelen deden in de geestelijke wereld, waar zij zich verbonden met de geesten van de mensen, zo zochten de inwoners van Sodom een onnatuurlijke omgang met hun eigen seksegenoten. Zoals het einde van de engelen de poel des vuurs zal zijn, zo was het einde van deze steden verbranding en omkeer in de zichtbare wereld.

8- Zo gaan ook deze mensen die ingeslopen zijn in de gemeente van Jezus Christus en die zich misschien wel opwerpen als leraars en profeten, een vleselijke weg. Zij leven niet als burgers in het Koninkrijk der hemelen, maar naar het vlees en de begeerten die van deze aarde zijn. Om zich nog een tintje van geestelijkheid te geven, vertellen zij hun dromen, zoals ook de valse profeten in de dagen van Jeremia deden (lees vooral Jer. 23:25-32). Verder zijn deze dromenzieners en 'woordenkramers' (mauwers) voor het volk van God ook niet van het minste nut, zoals Jeremia zegt. Zij leven naar het vlees en brengen ook de vruchten van het vlees voort (zie Gal. 5:19-21). Ook de profeet Ezechiël vergelijkt het ontrouwe Jeruzalem met de inwoners van Sodom en Gomorra. Hij verwijt hen dat hun zonden nog groter zijn (Ez. 16:47). Zij hebben immers meer kennis en rijkere beloften ontvangen en wanneer ze deze negéren en niet in geloof aanvaarden en ernaar handelen, zullen zij des te zwaarder oordeel ontvangen. Zij verwerpen alle heerschappij : in de eerste plaats erkennen zij Jezus niet als Heer en luisteren niet naar zijn stem. Ten tweede luisteren ze ook niet naar de vermaningen van de herders van de kudde. Zij strekken zich ook niet uit naar de doop in de Heilige Geest of naar de ontplooiing van de geestelijke gaven, dat zijn de heerlijkheden die de toerusting vormen om de volmaaktheid te bereiken en de heerlijkheid met Christus te delen. Zij lasteren deze heerlijkheden.

9- Judas is nog steeds bezig te spreken over mensen die wel het bloed van Jezus tot reiniging aangenomen hebben, maar die niet leven als vernieuwde christenen. Zij geven zich dan nog dikwijls uit voor leraar of dienaar van God en verheffen zich zo, dat zij veroordelend of lasterend spreken over de heerlijke weg Gods en over degenen die daarop wandelen. Zelfs de heilige engelen die zeer nauwkeurig zijn in het volbrengen van Gods wil in de hemelse gewesten, zullen zulk een veroordelend vonnis niet uitspreken. Dit schreef ook Petrus in 2 Petrus 2:11: 'Terwijl engelen, hun meerderen in sterkte en macht, bij de Heer geen smadelijk oordeel tegen deze inbrengen'. Judas neemt nu als voorbeeld de aartsengel of archangel Michaël, de enige grote vorst (zie Dan. 10:13) die met deze bijzondere naam wordt aangeduid. Aartsengel of archangel betekent voornaamste engel. Men heeft dit woord 'aarts' ook in aartsbisschop en aartsbedrieger. Van deze hemelvorst wordt in Daniël 12:1 gezegd, dat hij de zonen van Gods volk terzijde staat. Hij schijnt met het volk Israël meegetrokken te zijn in de woestijn en speciale opdracht gehad te hebben om de leider van het volk, Mozes, te beschermen en bij te staan.

Van nature, dus zoals hij vroeger was en leefde, was Mozes een opvliegend man, die gemakkelijk in toorn ontstak. Toen een driftmacht hem in Egypte aangreep, doodde hij een Egyptische opzichter die iemand van zijn broeders, sloeg. (Ex.2:11)

Maar in de leerschool van God werd hij tot een man, van wie de schrift getuigt, dat de man Mozes zachtmoediger was dan enig mens op de aardbodem (Num.12:3). Hij verdroeg met groot geduld de murmureringen en weerspannigheden van het volk. Tot op zekekre dag het volk opnieuw met hem twistte vanwege het gebrek aan water. De Israëlieten verweten Mozes dat hij hen opzettelijk weggehaald had uit een kostelijk land om hen in de woestijn met hun vee te doen omkomen. Niettegenstaande hun rebellie wilde God toch water geven en Hij beval Mozes tegen de rots te spreken. Hiervoor was zelfbeheersing nodig. Toen greep de driftmacht Mozes na zovele jaren weer aan. Michaël wilde tussenbeiden komen en hij twistte met de duivel, opdat deze het lichaam van Mozes niet zou aangrijpen en gebruiken. Als Mozes evenwel zijn zelfbeheersing verliest en zich openstelt voor de boze macht, kan Michaël hem niet helpen en ondersteunen, of de macht tegenhouden. Deze aartsengel stelde zich terzijde op, maar sprak geen veroordelend vonnis over Mozes uit. Hij gaf de beoordeling van Mozes over aan God en zei toen: 'De Here straffe u'. Uit het vervolg van het verhaal blijkt, dat God geen aanzien des persoons kent en ook van zijn trouwe dienaar gehoorzaamheid verwachtte. Ook Mozes en Aäron stierven in de woestijn vanwege hun ongehoorzaamheid.

Practisch alle uitleggers menen dat Michaël tot de duivel sprak: 'De Here straffe u'. Waar Michaël zo dikwijls in strijd gewikkeld is met de boze, lijkt ons dit onwaarschijnlijk. Dan had Michaël bij wijze van spreken deze woorden dagelijks kunnen spreken. De duivel wist evenwel zijn straf en zijn verstoting was bekend.

10- Deze onvernieuwde mensen zijn nog vleselijk en een geestelijk leven kennen zij niet, zodat zij onmogelijk over geestelijke kinderen Gods of over de heerlijkheden die God schenkt en die Hij voor zijn kinderen bereid heeft, een oordeel kunnen vellen. Zij kennen alleen een natuurlijk leven, dat dan nog beïnvloed en misbruikt wordt door de machten der duisternis. Vanaf dit niveau willen ze over anderen een oordeel vellen. Ze zijn goed op de hoogte met eten, drinken en met seks en ook met de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en de grootheid van het leven. Omdat hun leven daarmee vervuld is, gaan ze er zelfs mee ten verderve en willen zij door hun lasterend spreken ook anderen omlaag trekken. Vanuit hun vleselijk gedachtenleven en hun laag niveau beoordelen zij dus hun medechristenen.

11- Nogmaals laat Judas een waarschuwend 'wee hun' horen. Zij konden beter weten, want ze hebben het evangelie gehoord, maar wanneer ze daarnaar niet luisteren, doen ze als Kaïn, die ook gewaarschuwd was en die wist, dat wanneer hij wél deed, er verhoging was. Toch volhardde deze in zijn boosheid.

Dezelfde weg ging Bileam, die ook gewaarschuwd was, maar die toch de begeerte naar een geldelijke beloning niet los wilde laten. God belette hem om het volk te vervloeken, maar toen gaf Bileam aan Balak de raad om Israël te doen zondigen (Num.25 en 31:16).

Ook Korach en zijn vrienden Dathan en Abiram verzetten zich in de woestijn tegen de raad Gods, die Mozes en Aäron als leiders van het volk had aangesteld. Zij spraken heel vroom : 'De gehele vergadering bestaat uit heiligen en de Here is in hun midden. Waarom verheft gij u dan boven de gemeente des Heren?' (Num.16:3). Zij verwierpen daarmee wat heerschappij heette (vers 8). God strafte de aantasting van het gezag van zijn dienstknechten zwaar, zodat Korach, Dathan en Abiram levend naar het dodenrijk voeren, toen de aarde zich opende.

12- Evenals Petrus duidt Judas deze christenen die in ongerechtigheid en leugen leven, aan met schandvlekken bij hun maaltijden. Ook Petrus schrijft in 2 Petrus 2:13 over schandvlekken en smetten bij de gezamenlijke feestvieringen. Judas noemt in het bijzonder de liefdemalen waar de gemeente tot ongeveer de vierde eeuw te zamen kwam om in de vergaderplaats te zamen de maaltijd te gebruiken en avondmaal te vieren (zie Cor.11:20). Hier kwam de onderlinge liefde en saamhorigheid en eenheid sterk naar voren. Het maakte zulke maaltijden tot een feest. Deze soort christenen hoorden hier echter niet thuis, want hun leven was niet in overeenstemming met de geboden van Jezus Christus. Zij kwamen dan ook met grote brutaliteit om zichzelf te goed te doen, bekommerden zich niet om hun medechristenen en hadden geen enkele positieve inbreng. Het woord 'schandvlekken' betekent letterlijk 'een verborgen rots onder water' waarop een schip te pletter loopt.

Daarom noemt Judas hen ook wolken die geen water geven. Regen was in Israël een belangrijke zaak, omdat hij vruchtbaarheid, groei en zegen bracht. Wanneer mensen een wolk zagen naderen, verblijdden zij zich hierover. Denk aan Elia op de Karmel, wiens knecht een wolkje als een mans hand aan de horizon zag. Groot was dan de teleurstelling wanneer de wind de wolk voorbijjoeg zonder dat er een druppel regen viel. Zo ook brachten deze mensen geen enkele zegen in de gemeente, geen hulp en geen opbouw, want de machten der duisternis joegen hen voort en zij verwekten enkel teleurstelling en verwarring. Wat is onze inbreng in de gemeente?

Sommige bevonden zich al langere tijd in de gemeente, maar zij waren als bomen die zelfs in de late herfst, de uiterste termijn om vrucht voort te brengen, nog geen goede opbrengst vertoonden. Zij waren met Christus gestorven en met hem opgestaan tot een nieuw leven, maar zij hadden dit nieuwe leven weer verloren. Door Jezus werden zij vergeleken met zaad dat op de rotsbodem valt, een ogenblik opwast, maar dan weer sterft zonder vrucht voort te brengen (Luk.8:13). Petrus zegt ervan in 2 Petrus 2:20: 'Want, indien zij, aan de bezoedelingen der wereld ontvloden door de erkentenis van de Here en Heiland, Jezus Christus, toch weer erin verstrikt raken en erdoor overmeesterd worden, dan is hun laatse toestand erger dan de eerste'. Voor hun bekering waren ze dood en nu zijn ze weer dood. Wij zien hieruit dat de Schrift het afvallen van de heiligen, mogelijk acht.

Toen deze mensen Jezus aanvaard hadden, werden zij overgeplant in zijn Koningkrijk en konden zij hun wortels uitslaan in de liefde van God (Ef. 3:17), maar na korte tijd lieten hun wortels de rijke voedingsbodem los en verdorden zij.

13- Judas vergelijkt hen met hoog opgejaagde golven in de zee, waarvan het witte schuim beeld is van hun zonde die openbaar wordt. Het zijn twijfelaars die hun vast geloof kwijt zijn en opgejaagd worden door de demonen. Jacobus zegt dat de ware christen moet bidden in geloof zonder te twijfelen (Jac. 1:6-8).

Judas vergelijkt ze tenslotte met dwaalsterren of meteorieten, die zich door het luchruim bewegen zonder vast doel of richting. De verschrikkelijke conclusie is dan, dat zulke mensen naar het verderf snellen, daar zij zich voor eeuwig verbonden hebben met de leugen en met zondemachten die hen meevoeren naar de buitenste duisternis of absolute duisternis, het diepste punt in de afgrond. Zij hadden immers de duisternis liever dan het licht. Petrus zegt van hen dat het beter was, dat zij geen kennis hadden gekregen van de weg der gerechtigheid dan met die kennis zich af te keren van het heilig gebod dat hun overgeleverd is (2 Petr. 2:21).

14-15- Er staat letterlijk: 'Henoch, zevende van Adam', want ook Lamech behoorde via Kaïn tot de zevende generatie. Reeds toen al, zo vroeg in de geschiedenis, heeft de Heer aan Henoch die zelf rechtvaardig leefde en die zich bezig hield met het probleem van de zonde, een getuigenis gegeven. God maakte deze profeet duidelijk dat er een oordeel zou gaan over alle mensen. Henoch zelf kreeg het getuigenis dat hij een rechtvaardige was en hij mocht dan ook zonder te sterven het nieuwe Jeruzalem binnengaan (zie ook de uitlegging van Hebreeën 11:5 en 6). De zonde zou niet ongestraft blijven, maar de Heer zou komen met zijn heilige tienduizenden om over allen de vierschaar te spannen. Onder de vierschaar verstond men in de middeleeuwen de vier schepenbanken (schepen of rechter). Met spannnen dat is sluiten bedoelde men waarschijnlijk het met een touw omgeven van de banken , waarbinnen de beschuldigde stond. Het vonnis werd tussen deze touwen uitgesproken. Ook de afvallige christenen zouden in het dodenrijk terecht komen en in de oordelsdag zou blijken, dat hun namen niet meer geschreven stonden in het boek des levens. 'De Here met zijn heilige tienduizenden ' is Christus met zijn gemeente, die zich ten oordeel heeft gezet op de grote witte troon, waarvan Openbaring 20:11 spreekt. De tienduizenden zijn dus geen engelen, maar het volk van God. Paulus schreef: 'Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?' (1Cor.6:2).

De vraag rijst hoe Judas aan deze profetie van Henoch kwam. Ze staat niet in de bijbel. Er bestaat wel een apocrief boek van Henoch, waar deze woorden voorkomen. Men kan echter niet met zekerheid beweren dat Judas zijn kennis aan dit boek ontleende.

Tenslotte wordt erop gewezen, dat het oordeel Gods niet alleen gaat over wetteloze werken, maar ook over de wetteloze woorden die gesproken zijn. Jezus waarschuwde: 'Van elk ijdel woord dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag van het oordeel, want naar uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden en naar uw woorden zult gij veroordeeld worden' (Matth.12: 36,37). Het is dus wel belangrijk om op onze woorden te letten en niet zo maar wat te wauwelen.

16- Judas spreekt hier over de ontevredenen, die altijd vol kritiek zijn en vol zelfbeklag. Ze zijn zwak van geest en stellen hun vertrouwen ook niet op de Heilige Geest, maar zij geven toe aan allerlei begeerten en lusten, die door misleidende geesten worden opgewekt. In de gemeente zoeken zij geen contact met geestelijke mensen, maar zij letten op de leden die rijk zijn of invloedrijk en die hen voordeel kunnen bezorgen. Tegenover hen hebben zij geen kritiek op de levenswandel, maar zij vleien hen en zij doen zichzelf voor als heel vrome mannen, die rijke geestelijke ervaringen hebben, waardoor zij dus menen dat de aanzienlijken hen eerder zullen accepteren. Zij noemen zich bijvoorbeeld graag 'gezalfden des Heren' of 'mannen Gods', spreken over hun visioenen en over hun bijzondere openbaringen die zij van 'hun Heer' ontvingen. Zo verblinden zij de ogen en proberen hieruit munt te slaan en zichzelf te bevoordelen.

17-18- Heeft Judas eerst op velerlei wijzen vermaningen doorgegeven en gewaarschuwd voor hen die wel in de gemeente zijn, maar die niet als rechtvaardige en geestelijke mensen wandelen naar het plan van God, nu richt hij zich tot de geliefden, d.w.z. tot hen die wél als geestelijke mensen willen wandelen. Het woordje 'echter' geeft een scherpe wending aan zijn betoog, zoals Paulus wel eens schreef : 'Gij geheel anders'. Hij herinnert de oprechte broeders en zusters eraan, dat hij niet de eerste is die hen wijst op het gevaar, dat de vleselijke broeders in de gemeente brengen. Ook andere apostelen hebben daarvoor gewaarschuwd, Paulus schreef in 1 Cor.3:1-3 over zulke vleselijke christenen, die hoewel ze zelfs geestelijke gaven bezaten, toch vleselijk leefden en die de oorzaak waren van nijd, twist en tweedracht. Ook in 2 Tim.3:1-9 waarschuwt deze apostel voor de manier van leven van christenen 'wier denken bedorven is, en wier geloof de toets niet kan doorstaan'. Judas gebruikte dezelfde uitdrukking als Petrus, die voorspelde dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerte wandelen' (2 Petrus 3:3).

Zij trokken zich dus van het heil van de gemeente weinig aan, maar handelden buiten de broeders om naar eigen goeddunken.Hoewel ze zeggen tot de gemeente te behoren, zijn hun begeerten goddeloos, doordat ze beinvloed worden door de machten der duisternis en zij zich niet conformeerden (houden) aan de wetten en regels van God. Nu zijn er altijd al zulke huichelachtige en innerlijk verdeelde mensen in de gemeente geweest, maar speciaal 'in de tijd als hij op het laatst is', wanneer de gemeente zich naar de volmaaktheid gaat ontwikkelen., zullen deze dubbelhartigen zich duidelijker openbaren. Een waarschuwing ook voor onze gemeente. Het verschil wordt immers groter. Vroeger leerde men immers dat allen zondaars bleven en zelfs de beste werken met zonde waren bevlekt, naar in de eindtijd worden de zonen Gods geopenbaard, die de boze overwinnen en die naar de wetten Gods leven.

19- Paulus zei reeds in 1 Cor. 1:10 dat zulke mensen de oorzaak waren van nijd en twist en dat zij door hun partijschappen scheuringen veroorzaakten. Zij werden niet geleid door Gods Woord en door de Heilige Geest, die naar eenheid voeren, maar door hun natuurlijke begeerten gedreven. Zij bleven bij de aarde en werden geen geestelijke mensen en veroorzaakten zo spanningen en scheuringen in de gemeente.

20-21- Weer richt Judas zich tot de 'geliefden', tot degenen die werkelijk in Christus zijn en in het Koninkrijk van God willen leven. Judas geeft nu duidelijke aanwijzingen hoe de ware kinderen van God zich op moeten stellen in de geestelijke wereld. In de eerste plaats moeten zij zichzelf bewaren in de liefde Gods. Hoe blijft een dicipel hierin? Op dezelfde wijze als Jezus, door de geboden van de Vader te bewaren, dus te leven naar zijn wetten (Joh. 15:9-10). Wij blijven in de liefde van God door Hem gehoorzaam te zijn, zoals een kind ten opzichte van zijn ouders. Worden wij ongehoorzaam, dan wenden wij ons af van de positieve instelling van God en zoeken contact met het rijk der duisternis.

Ten tweede draagt daartoe bij dat wij onszelf opbouwen in ons allerheiligst geloof. Dit is het geloof dat zich alleen richt op de woorden Gods en geen dwaling of leugen in het denken toelaat. Hoe meer beloften en woorden Gods het geloof aangrijpt en vasthoudt, hoe meer het geloof groeit en opgebouwd wordt. Het is dus van groot belang voor het kind van God de bijbel te leren kennen en te verstaan.

Ook werkt mee het bidden in de Heilige Geest. Dit is een bezig zijn in de hemelse gewesten onder leiding van de Heilige Geest. Dit kan zijn door het spreken van vreemde talen zoals de Geest die geeft uit te spreken, het kan ook zijn het brengen van een lofoffer of een dankbetuiging en het kan ook een bezig zijn met het gebruik van geestelijke gaven of om zieken te genezen.

Bij dit alles moeten wij de hoop vasthouden, die op het eeuwige leven is gericht. In zijn barmhartigheid en ontferming heeft Jezus immers toegezegd dat wie in Hem gelooft, het eeuwige leven zal beërven. De Heer sprak: 'Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leve hebbe' (Joh. 6:40, zie ook 17:2).

22-23- Nu geeft Judas een aanwijzing hoe de 'sterke' zich op moet stellen tegenover de 'zwakke' broeders. Hij zegt dat zij medelijden moeten hebben met christenen die nog op bepaalde punten twijfelen, die dus geen overwinning hebben. Dezen zullen dan weer geloven en dan zien ze het wel weer zitten. Judas wijst aan dat deze mensen in de vuurgloed zijn, en wekt de geliefden op hen te helpen en te ondersteunen, zodat ze uit het vuur gerukt worden en op vaste grond terecht komen. Wanneer dit gelukt, is er weer een broeder gewonnen voor het heil. Tegenover degenen die in zonde leven, moet de gemeente zich anders opstellen. Men moet niet hard tegenover hen zijn, maar zich wel van hen distantiëren, dus afstand van hen nemen om ook niet besmet te worden en geen deel te hebben aan hun ongerechtigheid. Misschien zullen zulken, wanneer zij bemerken dat zij alleen komen te staan en niet langer geaccepteerd worden in de gemeente, tot inkeer komen. Paulus druk het zo uit: 'leveren wij in den naam van de Here Jezus dien man aan de satan over tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in den dag des Heren' (1 Cor.5:5)

24-25 Judas eindigt met een lofzang, waarbij hij tevens de kinderen van God bemoedigt. De verheerlijking geldt de enige God, onze Heiland, die glorie, grootheid, kracht en macht in alle eeuwigheden toekomt door het werk van Jezus Christus. Dat God onze Heiland wordt genoemd vindt zijn oorzaak dat Hij het verlossingsplan heeft ontworpen en gerealiseerd door zijn Zoon. Wanneer er staat vóór alle eeuwigheid, en nu en in alle eeuwigheden zouden wij dit ook kunnen vertalen door 'van eeuwigheid tot eeuwigheid'. Het is deze God en deze Heer die ons voor struikelen kan behoeden. Wanneer wij acht geven op zijn Woord en luisteren naar de leiding van de Geest en blijven in de gezindheid van Jezus Christus, zal de Geest ons opmerkzaam maken op alles wat de boze op onze weg legt om ons te doen vallen. Wij zullen evenwel door de kracht van God blijven staan en door Hem geleid het einddoel bereiken, zodat wij deel krijgen aan zijn heerlijkheid en in jubelende vreugde zullen staan voor de zoon des mensen in zijn glorie. Dit zal zeker en gewis geschieden; vandaar dat Judas besluit met het woordje: 'Amen'.