Notities bij de brief aan Filémon

J.E.v.d.Brink

De brief aan Filémon is een particulier schrijven aan een broeder over een onderwerp uit het natuurlijke leven. Men vindt er geen dogmatische besprekingen in of profetieën. Het is van belang om te zien hoe Paulus die in de brieven aan de gemeenten of in zijn instructies aan zijn medewerkers altijd met zoveel gezag spreekt, zich hier gedraagt tegenover een medebroeder.Paulus rept hier niet van zijn apostelambt op de wijze, waarop hij zijn andere brieven aanvangt.

In Colosse woonde een welgestelde broeder Filémon met zijn vrouw (?) Apfia, die zich de weelde kon permitteren slaven er op na te houden. Ook had hij een groot huis, want de huisgemeente was bij hem. De voorganger van deze gemeente was Archippus, die ook in Colossenzen 4:17 genoemd is. Filémon had een slaaf Onésimus, die op zekere dag gevlucht was. Waarom is ons onbekend. Wanneer wij zien hoe de verhouding van Paulus tot Filémon was, kunnen wij ons niet voorstellen dat het de schuld van Filémon was. Hoe de slaaf tenslotte bij Paulus in Rome terecht gekomen was, weten wij niet. Paulus vertelt wel dat deze slaaf bij hem tot bekering gekomen was. Paulus mocht in zijn eigen gehuurde woning mensen ontvangen en hij had daar het evangelie gebracht aan de man, die natuurlijk in grote nood verkeerde. Als bekeerde slaaf werd Onésimus van groot nut voor de apostel. Hij diende Paulus (vers 13). Paulus wilde hem graag bij zich houden maar wilde dit niet buiten medeweten van Filémon doen. Toen de apostel Tychicus met een brief naar Colosse stuurde (Col.4:7), gaf hij Onésimus mee. Hij noemde deze slaaf zelfs in zijn brief aan de Colossenzen zijn trouwe en geliefde broeder en ook een der hunnen. Het was voor die tijd voor een weggelopen slaaf niet gemakkelijk om terug te keren, of indien hij opgepakt werd. De straffen waren zeer zwaar en de heer mocht naar willekeur met de slaaf handelen. Daarom gaf Paulus een brief mee, enerzijds om te vertellen dat de slaaf veranderd was en anderzijds om Filémon te verzoeken de slaaf barmhartigheid te bewijzen, en hem als broeder in Christus te zien. Ten derde wil Paulus er voorzichtig op aandringen dat Filémon eigener beweging zijn slaaf weer naar Rome zou terugsturen en hem af te staan aan Paulus om deze verder te kunnen dienen. Paulus wil hem echter niet buiten voorkennis van Filémon houden, want dan zou Filémon voor een voldongen feit staan (vers 13). Paulus wil zich dus niet dekken achter zijn gezag als apostel. Wij merken in alles hoe discreet Paulus zich gedraagt als een goede oudste, die een voorbeeld is voor de kudde. Hij voert geen heerschappij, commandeert niet, maar stimuleert de chistelijke levenshouding bij de leden van de gemeente.

Als voorbeeld van stiptheid en fatsoen biedt de apostel aan om Filémon het gemis van de slaaf te vergoeden en de bewezen diensten van Onésimus te betalen. Hij begrijpt wel dat Filémon dit niet accepteren zal, want deze heeft zelfs zijn redding en dat van zijn gezin aan de prediking van Paulus te danken.. Alles bij elkaar spreekt deze brief van een wonderlijke leiding van de Heer. Waarom was Onésimus in het huis van zijn meester, waar toch de samenkomsten gehouden werden en waar hij misschien dikwijls de kamer in orde moest maken voor de samenkomst, daar niet tot de Heer gekomen? Waarom was hij zo'n geweldig eind gevlucht, helemaal van klein Azie naar Italië om dan uitgerekend naar Paulus te gaan, die hij natuurlijk eerder ontmoet had of over hem had horen spreken.

Men ziet dat een eigen kind in een christelijk gezin niet tot bekering komt en later bij vreemde broeders en zusters de Heer aanneemt.

Nog enkele opmerkingen bij de verzen:

1-3. Paulus noemt zich geen apostel en ook geen gevangene van de keizer te Rome, maar hij weet dat hij deze verdrukking ondergaan moet om Christus ' wil.

4-7. Hij noemt Filémon een geliefde broeder, een medearbeider en roemt zijn liefde en zijn trouw ten opzichte van de Heer Jezus en tot de andere broeders. Paulus dankt God ervoor en bidt voor deze serieuze en geestelijk gevorderde broeder, die deel heeft aan het ware geloof. Hij bidt dat hij nog steeds grondiger kennis mag krijgen van het goede en daarmee werkzaam mag zijn. In het lichaam van Christus ziet de apostel deze goede dingen functioneren als in een kringloop. Door het goede dat Filémon van God gekregen heeft, vertroost hij de broeders. Paulus heeft hiervan gehoord en is daarmee op zijn beurt weer blij en vertroost. Hij bidt dat Filémon steeds meer van het goede van God mag leren kennen en uitdragen, opdat allen versterkt mogen worden.

8-13. Paulus komt met zijn verzoek, hoewel hij het recht heeft te bevelen. Het gebieden moet men echter onder broeders vermijden, evenals in een gezin de ouders de kinderen iets verzoeken te doen, liever dan het hun te gebieden. Paulus werkt hier zelfs op het gevoel. Hij noemt zich een oude man die bovendien nog gevangen zat om der wille van Christus. Hij vraagt echter niets voor zichzelf, maar wel voor een slaaf die zich misdragen had, maar zich thans bekeerd had. Met zijn verandering was ook zijn gezindheid gekeerd en ook zijn instelling. Hij was nu bruikbaar en een goede knecht voor Paulus en zou dit zeker ook zijn voor Filémon. Paulus had hem lief gekregen en noemt hem mijn hart, dus een deel van zichzelf.

14-24. Paulus pakt Filémon tactisch , met vriendelijke en zelfs humoristische wijze aan., om hem te overreden. Hij schrijft: "Ik zal het wel betalen, hoewel je mij eigenlijk nog meer schuldig bent. In vers 21: Ik weet dat je zult doen wat ik je vraag en zelfs nog meer. In vers 22: Broeder, je moet er nog op rekenen mij als gast te ontvangen. Hij rekent er zelfs op dat Filémon hiervoor bidden zal met de gehele gemeente. Alles een voorbeeld van tact en goede, opgeruimde verstandhouding in liefde en blijmoedigheid, zoals vrienden onder elkaar de dingen bespreken.

23-25 Epafras is de boodschapper uit Col.1:7 en 4:12, die aan Paulus heel wat verteld heeft over de gemeente te Colosse. Hij is ook gevangen genomen. Paulus heeft echter goede vooruitzichten vrij te komen. Marcus is Johannes Marcus, de neef van Barnabas, waar Paulus wel eens een conflict mee gehad had (hand 12:12, col 4:10). Aristarchus (zie hand.19:29 en Col.4:10). Demas kwamen wij ook tegen in 2 Tim.4:10. Hij is hier nog bij Paulus. Lucas is de schrijver van de handelingen en van het evangelie. Hij was een reisgenoot van Paulus en dokter van beroep.