Beelden uit ‘De gemeente in de eindtijd’

Ook : “De Openbaring van Jezus Christus”

 

 

Door C. Beekman jr.

 

 

aardbeving

 

De aarde is beeld van het natuurlijke leven der mensen, zoals de zee dit is voor het religieuze leven.

Een aardbeving in de Openbaring is daarom geen seismisch gegeven, maar duidt op de verstorende en verwarrende werking die haar invloed doet gelden op het maatschappelijke en culturele bestel in de ‘christelijke’ wereld.

De aardse kerk schudt op haar fundamenten als de leer der vaderen, belijdenisgeschriften, formulieren aangetast worden en tradities wegvallen. De kerkmens wordt geestelijk door elkaar geschud, hetgeen zal resulteren in een keuze: vasthouden aan het oude en het voorbijgaande of gaan op de hoge weg in de hemelse gewesten.


aarde

 

De aarde in de Apocalyps is beeldspraak voor ‘hen die op de aarde wonen’, d.w.z. de leden van een instituut dat geen inzicht heeft in de geestelijke realiteit, maar zich toelegt op uiterlijke zaken. De noodzaak van de werking der geestelijke gaven in 1 Cor. 12 en 14 verwijst men met een pseudo-exegese naar een voorbijgegane periode. De determinatieve bijzin ‘die op de aarde wonen’ is dus geen plaatsbepaling van de hele wereld, maar wijst op de gesteldheid van de mensen die zich christen noemen en wier religieus denken gericht is op het zichtbare.


afgrond

 

De afgrond stelt voor het diepste gebied van de (geestelijke) zee, waarin de afschuwelijke demonische monsters zijn.

In de taalwetenschap wordt trouwens ook erkend, dat men ‘afgrond’ veelal figuurlijk, dus als beeldspraak moet interpreteren. Zo zegt het Groot Woordenboek der Nederlandse taal (de grote Van Dale): afgrond - de onderwereld, hel; ook de boze, de bozen, uiterste rampzaligheid, toestand van diepe ellende. In de afgrond bevindt zich het beest, de geest van de antichrist.


altaar

 

De altaren die in het Oude Testament voorkomen, treffen we als beeld ook aan in de Openbaring. Het (brandoffer)-altaar is beeld van de aarde, waarop Jezus zijn leven geofferd heeft voor onze zonden.

Het gouden reukofferaltaar symboliseert de gemeente in haar fase van aanbidding, dat is de innigste gemeenschap met God.

 

 

 

arend

 

De grote arend in 12:14 is beeld van God de Vader; de twee vleugels symboliseren de Heilige Geest, waardoor God Zich op deze aarde manifesteert. Zo wordt de Heilige Geest ook uitgebeeld door de hand Gods, de arm Gods en de vinger Gods.


ark

 

Met de ark van zijn verbond wordt Jezus Christus bedoeld. Het beeld is ontleend aan de tempeldienst.

 

Babylon

 

Het grote Babylon, de grote stad, de grote hoer, is beeld van de afvallige, ontrouwe en aards gerichte kerk.


bazuin

 

De zeven bazuinen kondigen de perioden aan van ‘de Dag’, het ‘te dien dage’, ‘de grote dag des toorns’.

 

beeld

 

In Openbaring 13:14 gingen de mensen een beeld maken of vormen voor het beest uit de afgrond. Dit geschiedt op bevel van de antichrist, het beest uit de aarde. Bedoeld wordt dat zij een gemeente zouden vormen, waarin de geest van de antichrist zou wonen, zoals de gemeente van Jezus Christus een woonplaats vormt voor de Heilige Geest. Zoals ieder lid van de gemeente van Jezus Christus het beeld van zijn Heer gelijkvormig moet worden, zo zal ook ieder die behoort tot de gemeente van de antichrist en zijn merkteken draagt, gelijkvormig moeten worden aan het beeld van deze valse profeet.


beest

 

In de Openbaring is sprake van vier beesten, die in feite twee beesten vertegenwoordigen. Het beest uit de afgrond (11:7) Het beest uit de zee (13:1) Het scharlakenrood beest (17:3) Deze beesten zijn beeld voor dezelfde geestelijke macht, namelijk de geest van de antichrist. Het beest uit de aarde (13:11) is echter de antichrist zelf.

Het beest uit de aarde, de antichrist, een mens dus, staat tegenover Jezus Christus. Het beest uit de afgrond of uit de zee of het scharlaken beest, voorstellende de geest van de antichrist, is het tegenovergestelde van de Heilige Geest.

 

De geest van de antichrist is altijd in de kerk werkzaam geweest, maar nu komt hij met zijn gehele gedaante tevoorschijn. Dit verschijnen is als bij een groot nijlpaard. Als hij zich in het water bevindt, zien we haast niets: een paar ogen, neusgaten en kleine grappige oortjes. Maar wanneer hij opkomt uit het water, verbazen we ons over de kop, de ontzaglijke muil en het zware lichaam.

 

 

bek

 

In de bek van de paarden (geestelijke machten) ligt hun kracht, d.w.z. deze brengt voort de valse leringen en de dwaalleer, die tot de geestelijke dood voeren.


berg

 

Een berg is beeldspraak voor een geestelijke macht. De berg Sion = beeld van de Heilige Geest. De Olijfberg = beeld van de doodsmacht. De berg van Megiddo = beeld van de geest van de antichrist. Bergen zijn het beeld van demonische machten. Ook in het Oude Testament geldt dit, bijvoorbeeld als David zegt in psalm 121: ‘Ik hef mijn ogen op naar de bergen: vanwaar zal mijn hulp komen?’ De oude berijming ‘vanwaar ik dag en nacht des Hoogsten bijstand wacht’ is dus in feite een misvatting en beweert precies het tegenover-gestelde van wat David bedoelt.

 

bloed

 

Het bloed is beeld van het leven, de natuurlijke mens, d.w.z. alles wat betrekking heeft op zijn lichaam en ziel, zijn uiterlijk en zijn innerlijk. Men leeft bij de zichtbare dingen, eten en drinken, cultuur, kerkgang, maar een geestelijk leven en een wandel in de hemelse gewesten ontbreekt. Bij een kankergezwel heeft men alleen oog voor het ziektebeeld, maar men is zich niet bewust dat er een wetteloze geest achter dit demonische antileven staat.

 

De onderscheiding tussen bloed en vlees enerzijds en geest anderzijds wordt ook door Paulus aangegeven als hij zegt in Efeze 6: wij hebben niet te worstelen tegen bloed en v1ees (het uiterlijke of innerlijke van de mens betreffend), maar tegen de machten, die hun wetteloze pijlen afschieten, en daarmee de geesten met 'vlees en bloed', dus de natuurlijke mens, willen infiltreren.


boog

 

Een boog (met pijlen) is het symbool van de geestelijke strijd. De ruiter (Jezus Christus, het Woord Gods) op het witte paard (beeld van de Heilige Geest) heeft een boog, maar de duivel beschikt eveneens over een dergelijk wapen: 'waarmee gij al de brandende pijlen (verzoekingen) van de boze - met het schild des geloofs - zult kunnen doven'.

In de Openbaring wordt nergens gesproken over aardse wapens, maar wel wordt telkenmale melding gemaakt van de geestelijke afweermethoden en geestelijke wapenrusting. Het hele Nieuwe Testament behandelt trouwens de geestelijke weerbaarheid en spreekt niet van dolken, geweren of anti antiraketten.


boom

 

Het is niet verwonderlijk dat in de Openbaring 'boom' als figuurlijke aanduiding voorkomt van mensen die een belangrijke positie in het religieuze of maatschappelijke leven bekleden. In het algemene spraakgebruik kennen we ook dergelijke uitdrukkingen: 'hoge bomen vangen veel wind' betekent volgens Van Dale: personen van aanzien staan aan allerlei beoordeling, nijd, laster en vervolging bloot.

De boom-des-levens is de grote Leider die leven geeft: Jezus Christus.

dier

 

In de Openbaring merken we twee categorieën dieren op.

1. De vier dieren, bijv. in 4:6, zijn beeld van de herstelde schepping, die dan niet meer in het boze ligt, noch aan de vergankelijkheid en vruchteloosheid onderworpen maar volkomen bevrijd is van de machten der duisternis. Dan pas komt de ware natuur openbaar: de leeuw is dan verlost van zijn drift om te verscheuren en een adder zal niet meer giftig zijn (Jes. 11:6).

 

2. De tweede categorie vormen de wilde dieren. Dit zijn geen biologische wezens van vlees en bloed en behoren dus niet tot het terrein der zoölogie (dierkunde) maar tot dat der demonologie (leer 'over de demonen). De wilde dieren in de Openbaring stellen dus voor de boze machten en de onreine geesten.


Hoe men tot een dergelijke exegese komt?

 

* Op grond van de analogie, dit is de waarheid van iets uit overeenkomstige feiten (teksten) afleiden en daaruit conclusies trekken. We lezen bijvoorbeeld in Openbaring 20:2: 'En hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan. . . '. We constateren dan, dat we hier niet te maken hebben met een prehistorisch of biologisch monster, maar met een boze geest, de duivel. Draken en slangen behoren tot de wilde dieren, dus wanneer er sprake is van wilde dieren, wil dit zeggen: de boze geesten, de demonen. Ook op andere plaatsen lezen we hiervan. Jezus zegt in Lucas 10:19: 'Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen. Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand. . . ; evenwel, verheugt u niet hierover, dat de geesten zich aan u onderwerpen...'

 

* Op grond van de zoölogische geografie (d.i. de wetenschap, die zich bezighoudt met de vraag welke dieren op een bepaalde plaats voorkomen). In Marcus 13:13 staat: 'En Hij werd in de woestijn veertig dagen verzocht door de satan en Hij was bij de wilde dieren. . . ' Hoewel er in de woestijn wel enkele dieren voorkomen, is het door het gebrek aan water geen gebied waar dieren graag vertoeven; het gebied bij het oerwoud is het terrein bij uitstek voor de wilde dieren. Bovendien is het zo, dat de moderne samenleving juist een gevaar voor de wilde dieren vormt. Talrijke diersoorten zijn al door de mens uitgeroeid. De bekende natuurreservaten beschermen het dier juist voor de mens.

 

* Op 'grond van de 'theologica'. Dit wil zeggen: de theologie in verband met de logische, taalkundige betrekkingen tussen de woorden en het zinsverband. Een voorbeeld ter illustratie. In Openbaring 6:8 e.v. lezen we: 'En ik zag, en zie een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood, en het dodenrijk volgde achter hem. En hun werd macht gegeven over het vierde deel der aarde om te doden'.

 

Een veel voorkomende vraag in taallessen en examenopgaven Nederlands luidt: 'Waarop slaat 'hun'?' Deze vraag kunnen we hier ook stellen en beantwoorden. 'Hun' slaat op het vale paard, de dood en het dodenrijk. Deze groep duivelse doodsmachten gaan nu opereren met de volgende middelen (in de grammatica aangeduid met 'bijw. bepaling van middel').

- met het zwaard ( = valse leringen)
- met de honger (= het ontbreken van geestelijk voedsel)
- met de zwarte dood (= occultisme)

- de wilde dieren.

Het is begrijpelijk dat bij de eerste drie genoemde beelden, die op een geestelijke realiteit wijzen, geen plaats is voor natuurlijke wezens (logica). Bovendien blijkt uit vele andere teksten in de bijbel, dat wilde dieren beelden zijn van geestelijke machten (theologie). Tenslotte duidt het voegwoord 'en door de wilde dieren', op het nevenschikkende, aaneenschakelende zinsverband (grammatica).

 

Bladeren

 

De bladeren van het geboomte des levens wijzen op de heiliging en heil brengende werking van de geestelijke gaven (1 Cor. 12 en 14} in de gemeente. Wat beschadigd is, wordt daar geheeld, tot opbouw en genezing van allen, opdat de mens Gods volkomen zij.


boekrol

 

De volgeschreven boekrol bevat het grootse plan tot herstel van de ganse creatuur. Dit heilsplan wordt door Jezus gekend en door middel van zijn gemeente uitgevoerd.

Wanneer gesproken wordt over de hemel die terugweek als een boekrol, wil dit zeggen: men heeft geen inzicht meer in het grote, geestelijke herstel - en verlossingsplan. De strijd die hiermee gepaard gaat, is immers een kamp op leven en dood in de onzienlijke, geestelijke wereld, de hemel. Deze week echter terug: de geestelijke wereld wordt een gesloten boek.


bron

 

Het water des levens is beeld van de Heilige Geest. De bron waaruit dit water stroomt is 'de troon van God en van het Lam', want de Heilige Geest gaat uit van de Vader en van de Zoon. Ook is er sprake van besmette bronnen, waaruit boze geesten hun leringen putten om deze door middel van dwaalleraars en valse profeten in de kerk te brengen.


bruid

 

De bruid is niet, zoals veelal wordt aangenomen, de gemeente hier op aarde; deze is de vrouw des Lams, dus van Christus. Jezus heeft immers al gemeenschap met zijn gemeente. Met bruid wordt in Openbaring bedoeld de toekomstige vrouw van God, wanneer God zal zijn 'alles en in allen'.


bruiloft

 

Er is sprake van de 'bruiloft des Lams’ (19:7), die een aanvang neemt, wanneer Christus met zijn vrouw, dat is de gemeente, gereed is. God is de bruidegom en de bruid draagt de naam van haar hoofd, het Lam. De Bruiloftstijd omvat de periode van het duizendjarige rijk, waarin nog een deel van de levende mensheid toebereid en de aarde vernieuwd wordt en ook de aeon, waarin op de vernieuwde aarde de rest van de gelovige mensheid, die in onvolmaaktheid gestorven is, klaargemaakt wordt als de vrouw van God. Daarna is 'God alles in allen'.

 

dodenrijk

 

Het dodenrijk zijn de machten die dat rijk vormen, onder leiding van de koning van de dood, Apollyon. Vergelijk hiermee een koninkrijk: een koning met zijn onderdanen.

 

draak

 

De draak oefent zijn macht uit in de onzienlijke wereld, waar ook de gemeente haar wandel heeft. Synoniemen voor de draak zijn satan, dit is tegenstander en duivel, dit is lasteraar of aanklager. Deze antigoddelijke geest klaagt ons aan bij God. Het rossige uiterlijk wijst op zijn wezen; dit symboliseert zijn verzengende, demonische haat tegen de ware gemeente.


eiland

 

Een eiland in de Openbaring is geen geografische grootheid, maar een grootvorst uit het rijk der duisternis. Een eiland is een berg (macht) in de zee. (De zee is weer een beeld van het religieuze leven der mensen).


fakkels

 

De zeven vurige fakkels in 4:5 zijn synoniemen voor de zeven Geesten Gods, werkzaam in de zeven gemeenten, die weer de gemeente van alle tijden voorstellen.

Een fakkel die geen licht geeft, beantwoordt niet aan zijn doel. Een gemeente waarin de Heilige Geest en zijn goddelijke geestesgaven ontbreken, doet dat evenmin.

De Heilige Geest maakt van nutteloze, dode kerkfakkels, levende vurige fakkels in de gemeente. Dan is de gemeente wél in overeenstemming met het doel en plan Gods. Dan verspreidt zij het licht in de duistere wereld, zoals de grote Meester dit ook deed, die Zich immers Zelf het Licht der wereld noemde. Dan volgt de gemeente inderdaad haar Meester en verwarmt de donkere, kille harten. Dan wordt, door de werking van de geestesgaven ook aan iemand die zo maar komt binnenvallen, duidelijk, dat God inderdaad in ons midden is! (1 Cor. 14:25).


getuige

 

De twee getuigen in 11:3 zijn beeld van de zonen Gods, die in de eindtijd geopenbaard worden. Dezen zullen het volledige evangelie van het Koninkrijk aan de gehele wereld prediken, terwijl grote tekenen en krachten de gelovigen zullen volgen.

De kracht van de Heilige Geest neemt toe, maar de wetteloze geesten bundelen hun krachten ook en zullen alles in het werk stellen om te beletten, dat de mens de volkomenheid naar geest, ziel en lichaam bereikt. Daarom is deze periode tevens het tijdperk van de grote verdrukking.


gevogelte

 

Het verfoeide gevogelte is beeld van de machten der duisternis, die de mensen door hun overrompelende tactiek verrassen, en het woord dat in hun hart gezaaid is, trachten weg te roven. In Lucas 8:5 staat: 'En bij het zaaien viel een deel langs de weg en het werd vertrapt en de vogelen des hemels aten het op'. En in vers 11 volgt de exegese van Jezus zelf: 'Het zaad is het woord Gods. Die langs de weg, zijn zij die het gehoord hebben; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg'.

gras

 

In de Openbaring gaat het niet om de schade die aan de flora en fauna worden toegebracht, maar er is alleen sprake van geestelijke schade (die zich daarna wel in het lichaam der mensen openbaart). Zoals een boom een z.g. personificatie (stijlfiguur) is van een belangrijk persoon (zie bij 'boom'), is het groene gras geen beeld van een grasmat, maar van de jeugd. Deze wordt aangetast door het vuur (is demonische machten).

 

gezalfde

 

In veel vertalingen staat bij 12:10: 'Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn Gezalfde'. Gezalfde staat hier dus met een hoofdletter en hiermee hebben de vertalers aangeduid, dat zij Jezus Christus bedoelen.

Deze ogenschijnlijk typografische onbenulligheid van een hoofdletter of kleine letter (gezalfde), heeft echter vérstrekkende exegetische consequenties! En dit naar twee kanten. De ene kant is, dat men beweerd: dit slaat op Christus, wiens naam immers betekent 'gezalfde', en niet op de gemeente. Hiermee wordt de zalving - of doop met de Heilige Geest - gediskwalificeerd, en de uitingen van de Geest (spreken in tongen, profetie e.d.) worden er in zo'n gemeente dan ook niet gevonden.

De andere uitleg heeft niet alleen de voorkeur - namelijk dat met de 'gezalfde' de gemeente wordt bedoeld - maar bewijst heden ten dage in de gemeente waarin de geestesgaven werken, dat dit de juiste exegese is!

 

Voor degenen die toch nog naar een andere exegetisch houvast zoeken, moge het volgende dienen: De sleutel tot de oplossing van het probleem 'Wie is de gezalfde?' vindt men in het tekstgedeelte onmiddellijk daarna (12:10) . . . 'want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neer geworpen. En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood'.

Het woordje 'want' is een redengevend, verklarend voegwoord, dat zinsgedeelten aan elkaar voegt die bij elkaar horen. Wat het zinsverband betreft is er dus geen enkele twijfel: 'want. . . dood' behoort geheel tot het daar bovenstaande, nl. 'Nu. . . gezalfde'. De grammatica verduidelijkt dit nog op een andere wijze. Op de vraag: 'Waarop slaan de voornaamwoorden hen, zij enz.?' is maar één goed ontleedkundig antwoord mogelijk: op 'zijn gezalfde'.

 

En ten slotte is het feit dat 'gezalfde' een meervoudig begrip aanduidt, een normaal stilistisch verschijnsel, een z.g. collectivum. Wie nu nog twijfelt aan de juistheid van het bovenstaande, sla Psalm 28 op, vooral in verband met vers 8, waar staat: 'De Here is hun kracht, een veste des heils is Hij voor zijn gezalfde'.


hagel

 

In hetzelfde vers (8:7) is de hagel daarom geen natuurramp of een bijzonder meteorolo-gisch verschijnsel, maar duidt op het harde, kille en genadeloze karakter van de boze geesten.

 

Harmágedon

 

Deze 'plaats' geeft geen gebied op deze wereld aan, maar is beeld van de geestelijke eindstrijd - de alles beslissende climax in de hemelse gewesten. Bergen zijn beeld van geestelijke machten. Harmágedon betekent berg van Megiddo. Deze 'berg' stelt hier de geest van de antichrist voor, het beest uit de afgrond.


hoer

 

De hoer, het grote Babylon, is beeld van de valse kerk die over de gehele wereld verspreid is. De mensheid is geschapen om gemeenschap te hebben met God: 'De geest die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid' (Jac. 4:5). De kerk is inzonderheid geroepen tot gemeenschap met de Zoon: 'Door wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here' (1 Cor. 1:9).

 

De valse kerk noemt zich naar Christus, maar heeft geestelijke gemeenschap met boze machten. Vanwege dit overspel wordt zij hoer genoemd. De gevolgen van deze gemeenschap blijven niet uit: de gemeenschap met Jezus Christus resulteert in liefde, blijdschap en vrede, enz, maar de omgang met de boze geesten levert de wrange vruchten van haat, depressie en onvrede.


honger

 

Wanneer in de Openbaring staat (6:8) dat de dood o.a. met de honger zal doden, slaat dit niet op het ontbreken van natuurlijk voedsel als aardappelen, brood, rijst, enz., maar duidt op gebrek aan geestelijk voedsel, het hemelse manna, het Woord.

Ook als er gesproken wordt van hongersnood (18:8) is dit geen voedselramp over de gehele wereld, maar het ontbreken van elk geestelijk besef in de valse kerk, Babylon.

Hongersnoden, in de zin van gebrek aan voedingsmiddelen, zijn er immers altijd al geweest (de broers van Jozef moesten bijvoorbeeld voedsel in Egypte halen); en tegenwoordig is er al in tweederde deel van de wereld honger, dus die hongersnoden behoeven niet meer te komen: zij zijn en waren er reeds lang. Bovendien is Babylon een geestelijke grootheid en geen natuurlijk gegeven. En tenslotte: Wat voor zin zou het hebben om Babylon met een hongersnood te treffen, als de valse kerk toch al ten ondergaat door de dood, en dán nog met vuur wordt verbrand!


horen (hoorn)

 

Een horen is beeld van kracht: hetzij de kracht van de Heilige Geest, bijvoorbeeld in 5:6: 'Ik zag een lam staan, als geslacht, met zeven horens...' - hetzij de kracht van een boze geest, bijvoorbeeld in 12:3: 'En er werd een ander teken in de hemel gezien: een grote rossige draak met zeven koppen en tien horens...'


Jeruzalem

 

Het nieuwe Jeruzalem is geen topografisch gegeven, maar de 'heilige stad, nederdalende uit de hemel, van God', (21:2). Het stelt voor de gelovigen van alle tijden, ook wel aangeduid met de vierentwintig oudsten.

 

kandelaar

 

De kandelaar is beeld van de gemeente van alle tijden en plaatsen, die haar licht (dat verkregen wordt door de olie = beeld van de Heilige Geest) in deze wereld, via de leden van de gemeente, verspreidt.

 

maaltijd

 

In Openbaring 3:20 staat: 'Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij'. De overdrachtelijke betekenis van 'deur' in dit verband hebben wij niet bij de 'd' behandeld, omdat iedereen wel zal begrijpen dat hiermee het 'hart', de innerlijke mens, bedoeld wordt. Deze zaak moet ons echter duidelijk voor ogen staan, omdat anders de beeldspraak 'maaltijd' niet voldoende te verklaren valt. De Heer wil met ons geestelijk maaltijd houden, d.w.z. Hij doet een beroep op de potentie (mogelijkheid) van de menselijke geest om te geloven: Hij klopt op de deur, dat is: roept ons. Dan is de volgende stap aan ons; open doen of niet. Als wij 'ja' zeggen, komt Gods Geest binnen en zal vervolgens met ons maaltijd houden. De maaltijd heeft in het gewone dagelijkse leven een aparte sfeer: die van zekere intimiteit en vriendschappelijkheid, iets feestelijks, waardoor men bovendien gesterkt wordt. Zo wil de Heer ook, dat zijn kinderen door zijn Geest gesterkt worden: 'Die Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn' (Rom. 8:16).


merkteken

 

Het merkteken van het beest is beeld voor de doop in de antichrist. Synoniem van dit merkteken zijn: de naam (van het beest) of het getal (van zijn naam). Het teken op de rechterhand of op het voorhoofd wil zeggen: de daden (hand) en het denken (voorhoofd) worden geïnspireerd door de geest van de antichrist. Gelukkig is er ook nog een ander teken, wat het volk Gods betreft, waardoor het denken en doen geïnspireerd worden: de doop in de Heilige Geest. In de oude schepping ontving de mens alleen een menselijke geest; in de nieuwe schepping ook een goddelijke geest.


morgenster

 

De blinkende morgenster in de natuur, kondigt de nieuwe dag aan. De morgenster van Jezus (en ook van de zonen Gods, die Zijn beeld gelijkvormig zijn geworden) kondigt ook de Nieuwe Dag, een nieuw tijdperk aan in het grootse en volmaakte herstelplan Gods.

 

ogenzalf

 

Zalven met olie en ogenzalf (zalven van de oogleden) zijn in feite equivalente, gelijksoortige beelden van de Heilige Geest. Ogenzalf duidt hier uiteraard niet op zalf voor natuurlijke ogen, maar heeft betrekking op de geestelijke ogen, waardoor men de dingen juist gaat zien, inzicht krijgt. Er bestaat ook een mate van inzicht. Zo wordt er gesproken van helder inzicht (Filip. 1:9), van geestelijk inzicht (Col. 1:9) en een volledig inzicht (Col. 2:2); dit staat rechtstreeks in verband met de 'hoeveelheid' ogenzalf, dus werking van de Heilige Geest

olie

 

Olie in overdrachtelijke zin, is in de hele bijbel een symbolische voorstelling van de Heilige Geest, ook al in het Oude Testament. In de tempel stond de gouden kandelaar, die gevuld moest worden met olie. De vóór-beelden(!) in het Oude Testament zijn afschaduwingen van de zaken in het Nieuwe Testament (zie Hebr. 7:5). Zowel de olie als de kandelaar vinden we terug in de Openbaring: de kandelaren zijn de zeven gemeenten (1:20). Als in Openbaring 6:6 geboden wordt, geen schade aan de olie (en de wijn) toe te brengen, wil dit zeggen, dat de kracht en de werking van de Heilige Geest in de gemeente niet mogen worden verloochend, weerstaan of ontkend. Een bijzondere symboliek van de Heilige Geest treffen we nog aan in Jac. 5:14: 'Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren'.


oudste

 

De 24 oudsten zijn de representanten van een koninklijk, geestelijk priestergeslacht. Ze zijn tevens de vertegenwoordigers van de voltooide gemeente, het nieuwe Jeruzalem, dus de gelovigen van het oude en nieuwe verbond.


paard

 

Een paard in de Openbaring is beeld van een geestelijke macht.


een wit paard

 

(Openb. 6:2) De kleur wit wijst op de reinheid en zuiverheid van deze macht: de Heilige Geest. De ruiter die erop zit, het Woord Gods, is Jezus Christus.


een rossig paard

 

(Openb. 6:4) Dit paard en de volgende paarden behoren niet tot het Koninkrijk van het licht, maar komen uit het rijk der duisternis. Het zijn dus demonische machten, die vanuit de onzichtbare realiteit, de zichtbare realiteit beïnvloeden. De rode of rossige kleur wijst op het vuur (beeld van boze geesten) en tevens op bloed. 'De vrouw (de valse kerk) was dronken van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus' (Openb. 17:6). De ruiter op dit paard had immers een groot zwaard! Het bloed der martelaren heeft gevloeid, de brandstapels hebben hun demonische werk gedaan. 'Christenen' hebben andere, onschuldige mensen, op duivelse wijze gemarteld, zowel van protestantse als katholieke zijde, en dat allemaal door de 'geest van die tijd' zoals men wel eens vergoelijkend hoort zeggen. Welke geest dat was, is nu wel duidelijk.


een zwart paard

 

(Openb. 6:5) Zwart is wel bij uitstek de kleur uit het rijk van de duisternis. De ruiter op het zwarte paard brengt geen licht en leven, maar duisternis en depressie. Hij hanteert een weegschaal en bepaalt zo wat het kerkvolk wel of niet mag weten. De ware kerk hongert naar het brood des Levens, maar deze topfunctionaris houdt de bijbel eeuwenlang in het duister, past bij de vertaling van de bijbel sommige teksten aan conform belijdenis-geschriften, ofwel behandelt verscheidene perikopen in het geheel niet en exegetiseert ze in pseudo-wetenschappelijke verklaringen naar fabeltjesland.

 

een vaal paard

 

(Openb. 6:8) Het vale paard - beeld van de destructieve doodsmachten - draagt de grootvorst uit het dodenrijk: koning Dood himself. Als laatste vijand van het koninkrijk des lichts tracht hij met duivelse volharding het werk van zijn voorgangers grondig af te maken door het hanteren van het zwaard (valse leringen), met de honger (geestelijke hongernood), met de zwarte dood (zwarte magie of occultisme) en door de wilde dieren der aarde (allerlei soorten boze geesten, zoals zondemachten en ziektemachten).

 


paradijs

 

In Openbaring 2:7 is het paradijs Gods, één van de vele beelden van de volkomen (voltooide) gemeente. De boom des levens is beeld van Jezus Christus en het geboomte des levens dat van de gemeente (22:2). Er is een rivier van het water des levens als beeld van de Heilige Geest. De eerste plant in deze hof was de moordenaar aan het kruis, die met Jezus in het paradijs kwam (Luc. 23:43). Op de nieuwe aarde worden ook de rechtvaardigen van het oude verbond ingeplant.


persbak

 

De grote persbak van de gramschap Gods (in 14:20 en 19:15) is beeld van de laatste oordelen over de antichristelijke kerk, als de gemeente al is opgenomen.


poel des vuurs

 

Opgemerkt wordt dat de poel des vuurs in Openbaring 19, 20 en 21 niet hetzelfde is als het dodenrijk; de dood en het dodenrijk worden immers in de poel des vuurs geworpen, ook wel aangeduid met de tweede of eeuwige dood. De eerste dood treedt in als de mens zich losmaakt van God, de oorsprong van alle leven, of omdat de mens God nooit gezocht heeft. Dit is de eerste, geestelijke scheiding van het leven, die evenwel nog in de tijd plaatsvindt.

Als de mens lichamelijk sterft, is dat weer een scheiding, maar dan tussen de inwendige mens (ziel en geest) en het lichaam. Men kan ook zeggen, dat het een scheiding is tussen het zichtbare (lichaam) en het onzichtbare (ziel en geest). Daarna volgt de opstanding tot eeuwig afgrijzen, waarna de tweede dood zijn intrede doet, welke scheiding definitief en absoluut is. De mens komt, of beter, geraakt dan in de poel des vuurs die van zwavel brandt.

De poel des vuurs is daarom de concentratie van alle boze geesten. Daarin komen het beest, de valse profeet of de antichrist, en de duivel met zijn engelen. In dit afschuwelijk en afschrikwekkend broeinest der geesten van felle haat, brutale leugen, teugelloze onreinheid en nutteloos zelfbeklag komt tenslotte ook de mens die reeds de eerste dood gestorven was.


regenboog

 

In Openbaring 4:3 komen we weer een symbool tegen dat ook al in het Oude Testament wordt genoemd, als uitbeelding van Gods trouw ten opzichte van al wat leeft (Gen. 9:17). De regenboog in het Oude Verbond was (is) echter een zichtbare aangelegenheid, die met natuurlijke ogen kon (kan) worden waargenomen.

De volle, geestelijke betekenis ervan was evenwel nog niet geopenbaard; die andere dimensie werd er pas in het Nieuwe Verbond aan toegevoegd, 'want als Hij spreekt van een nieuw Verbond, heeft hij daarmee het eerste (Oudtestamentische) voor verouderd verklaard' (Hebr. 8:13). De mensen die zich houden aan de wet en de letter van Mozes - een bediening des doods genoemd (2 Cor. 3:7) - zullen nooit de geestelijke betekenis

van de beeldspraak in de Openbaring kunnen begrijpen, 'want telkens wanneer Mozes wordt voorgelezen (ook weer beeldspraak: bedoeld wordt natuurlijk, als uit de boeken van Mozes wordt gelezen) ligt er een bedekking over hun hart' (2 Cor. 3:15). De bedekking over de juiste, geestelijke betekenis van de beeldspraak ten opzichte van de regenboog om de troon is echter voor de met Gods Geest vervulde mensen weggenomen: de regenboog in het Nieuwe Verbond is de veelkleurige wijsheid Gods, die weerspiegeld wordt tegen de wolk, beeld van de gemeente. De leden hiervan gaan de heerlijkheid des Heren weerspiegelen; zij veranderen immers naar hetzelfde Beeld - niet plotseling - maar van heerlijkheid tot heerlijkheid (2 Cor. 3:18).


riet

 

Het meetinstrument in Openbaring 11:1 komt overeen met de gouden meetstok in Openbaring 21:15. De maatstaf waarmee de gelovigen gemeten zullen worden, is Jezus Christus. Daartoe wordt de gemeente opgebouwd en opgeleid, 'totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus' (Ef. 4:13).


rook

 

Rook is een gevolg van de werking van vuur. ('Geen rook zonder vuur'). Tengevolge van de demonische machten (= vuur) die alles aantasten en beschadigen, ontstaat de verstikkende en verblindende rook, waardoor het leven voor God en het uitzicht naar God, worden belet.

Rook bestaat in feite uit fijne, vaste deeltjes, die tezamen een eenheid vormen. In Openbaring 9:3 bijvoorbeeld zijn die deeltjes sprinkhanen, beeld van boze geesten. Ook hier weer een overeenkomst en tegenstelling: donkere rookwolken met zijn demonische samenstelling staat tegenover de witte wolk van waterdruppels, beeld van de gemeente van Jezus Christus.


synagoge

 

3:9 wijst op de bijvoeging van valse leringen aan de al of niet ware leer. Een ervan is bijvoorbeeld dat een Jood als nageslacht van Abraham door zijn natuurlijke afstamming een geestelijk voorrecht boven anderen heeft. Bovendien is deze eer niet alleen theologisch onjuist, maar het is een hypocritische leer. 'Zij binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren. Al hun werken doen ze om in het oog te lopen (schijnheilig) bij de mensen' (Matth. 23:4).

 

Rivier

 

Rivieren, bronnen, stromen en wateren zijn beelden van geestelijke stromingen die gebruikt, in beweging gehouden en gevoed worden door demonische dwaalgeesten.

Soms is een beeldspraak zo in het spraakgebruik ingeburgerd, dat niet meer wordt beseft dat het symbolentaal betreft. Bij 'een boom van een kerel' denkt niemand meer aan een letterlijke boom.

In de uitdrukking 'geestelijke stromingen' hebben we ook een dergelijk geval, want niemand zal zich hierbij nog een rivier of iets dergelijks voor de geest halen.

Dat het spraakgebruik de woordgroep 'geestelijke stromingen' heeft aanvaard, is meer dan een toevalligheid. Dit ziet men vooral scherp als men inzicht in de beeldentaal van de Openbaring heeft gekregen.

In verband hiermee is een ander punt opmerkelijk. We zien namelijk een duidelijke overeenkomst tussen een 'leer' (leringen van boze geesten) en een rivier, bron, stroom, enz. Die overeenkomst is de verborgenheid, het occulte (occult = verborgen). Een rivier ziet er immers aan de oppervlakte dikwijls rustig en ongevaarlijk uit, men weet uit ervaring dat er diepe onderstromen en verraderlijke modderpoelen kunnen zijn, waardoor men kan worden meegesleurd en vastgezogen. Denk aan het spreekwoord: 'Stille wateren hebben diepe gronden'. Zo is het ook vaak met een onschuldig lijkende leer: aan de oppervlakte, bij een oppervlakkige eerste kennismaking ziet alles er vredig en ongevaarlijk uit, maar als men zich verder in de stroom waagt, is de kans groot dat men wordt meegesleurd.

Een derde interessant punt in dit verband is het feit, dat bijna in alle talen van dit spreekwoord melding wordt gemaakt. Het gezegde in het Afrikaans laat, wat de diepere betekenis betreft, niemand in het onzekere: 'Stille water, diepe grond, onder draai die duivel rond'. Een volle-evangelie-spreekwoorden variant zou daarom kunnen luiden: 'Stille wateren hebben diepe afgronden'.

Gelukkig is er nog een andere 'stroming', namelijk een 'rivier van water des levens, ontspringend uit de troon van God en van het Lam': beeld van de Heilige Geest (Openb. 22:1).


 Schip

 

In Openbaring 8:9 wordt gesproken over 'het derde deel' van de schepen dat verging. De schepen zijn hier beeld van de kerkelijke organisaties en instituten die op een geestelijke basis (de zee) rusten. De beeldspraak van een schip is niet zo vreemd, want in het algemene taalgebruik kent men ook uitdrukkingen als 'ons schip op de levenszee', 'je zit nu eenmaal in het bootje, dus moet je meevaren'.

Ook wordt er gezongen: 'Scheepje onder Jezus' hoede, met de kruisvlag hoog in top'.

Bepaald merkwaardig in dit verband is het embleem van de Wereldraad van Kerken, dat nu een heel ander aanzien krijgt.

* Punt één is de betekenis van de tekening.
a - het schip = beeld van de organisatie, het kerkelijke instituut
b - het kruis = de 'christelijke' vlag die de lading moet dekken
c - de zee = de basis waarop de valse kerk rust (de zee is beeld van het religieuze leven).

* Punt twee dat opvalt is de zee (c), aanduiding voor het geestelijk leven der mensen.
In het embleem zijn slechts twee golflijnen als beeld van de zee getekend, want 'het derde deel van de zee werd bloed', d.w.z. nam de schutkleur van de (rode) aarde aan, het geestelijke element boet dus steeds meer aan betekenis in.

* Punt drie betreft het woord oikoumene. Dit Griekse woord wil zeggen: de bewoonde wereld. waarmee o.a. het streven naar een wereldkerk (oecumenische kerk, afgeleid van oikoumene) duidelijk is aangegeven.

Men kan over deze verklaring de schouders ophalen en zeggen: dat is toevallig. Maar het is wel frappant dat men deze dingen ook 'toevallig' opmerkt bij een dieper inzicht in de beelden van de Openbaring.


sikkel

 

Het beeld van de sikkel lijkt op dat van het zwaard. Hoewel dit symbool onder de letter Z behandeld zal worden, moeten we er toch iets van zeggen om zowel de overeenkomst als de tegenstelling tussen deze beelden (sikkel en zwaard) te zien. Het 'zwaard' is het Woord Gods, dat oordeelt ofwel scheiding aanbrengt in onze gedachten, woorden en daden. Het Woord beoordeelt dus wat men moet bedenken ('Bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn'), wat men moet spreken ('Spreekt iemand, laat het woorden zijn als van God', 1 Petr. 4:11), en tenslotte wat men moet doen ('Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen', Ef. 2:10).

 

Op een gegeven moment heeft het woord Gods zodanig gestalte in de gemeente gekregen, die dan de mannelijke rijpheid bereikt heeft, dat de zonen Gods volkomen beantwoorden aan het 'beeld' Gods, dus aan zijn Woord. Het Woord heeft dan bewerkstelligd waartoe het aan de mensen gegeven is, namelijk 'opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust' (2 Tim. 3:17). Om de rijpe vrucht (de zonen Gods) binnen te halen, is geen zwaard nodig, maar een sikkel. Een sikkel scheidt ook, maar dit heeft een geheel andere uitwerking dan het zwaard: het maakt los van de aardse sfeer, waardoor het vergankelijke onvergankelijk wordt en het sterfelijke onsterfelijk. De sikkel is dus beeld van het ons nog niet geopenbaarde Woord Gods, op grond waarvan de gemeente in een punt des tijds veranderd wordt en de leden ervan een verheerlijkt lichaam ontvangen. Hoe dit in zijn werk gaat, is nog niet geopenbaard, ook wat betreft degenen die reeds ontslapen zijn als degenen die niet zullen sterven ('Zie, ik deel u een geheimenis mede. . .' 1 Cor. 15:51-53).

 

Een bijzonderheid is nog, dat de sikkel gehanteerd wordt door engelen. Ook hun functie in het heilsplan is ons nog niet bekend, maar in ieder geval zijn het dienende geesten, uitgezonden ten dienste van hen die het heil zullen beërven (Hebr. 1:14).

In feite is er sprake van twee sikkels (Openb. 14:15 en 17). De andere engel met de andere sikkel dient niet tot het oogsten van de volle aren (zonen Gods) maar tot de oogst van de trossen druiven van de wijngaard der aarde, dit is beeld - ook van een volkomen gemeente - maar dan volkomen in de ongerechtigheid, dus de gemeente van de antichrist, de zonen des verderfs. Dezen zullen ook opstaan; niet tot heerlijkheid, maar tot eeuwig afgrijzen.

 

Samenvattend kan men dus zeggen: de sikkel is beeldspraak voor het nog niet geopen-baarde machtswoord van God, dat op beschikking van engelen, in het beslissende stadium van de eindtijd bekend wordt, tengevolge waarvan zowel de gemeente van Jezus Christus als ook de gemeente van de antichrist, met een onvergankelijk lichaam in de eeuwigheid - ieder naar zijn werken zullen ingaan.

 

Sleutel

 

Openbaring 1:18 zegt: 'Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk'.

Jezus kan door zijn sleutelwoorden binnendringen in het territorium van de dood. Hierdoor kan Hij de dood en zijn trawanten niet alleen ontmoeten, maar hun de sleutels ontnemen, ze opsluiten en er vervolgens Zelf uitkomen!

De sleutels stellen dus voor een beeldspraak van de kennis die nodig is om in de onzien-lijke wereld te komen, dus op wettige wijze, met sleutels en niet zoals gebruikers van LSD e.d. die het slot forceren of op een andere manier binnenkomen ' . . . wie niet door de deur binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover ' (Joh. 10:1). Opmerkelijk is dat in Matth. 16, aan vers 19: 'Ik zal u de sleutels (kennis) geven van het Koninkrijk der hemelen', voorafgaat: '... en de poorten van het dodenrijk zullen haar (de gemeente) niet overweldigen'. Dat de sleutel beeld is van de kennis van de onzienlijke wereld, wordt bovendien duidelijk gezegd in Luc. 11:52: 'Wee u, wetgeleerden (dit zijn dus mensen die kennis hebben), want gij hebt de sleutel der kennis weggenomen; zelf zijt gij niet binnengegaan (wat dus op grond van hun kennis wel mogelijk was) en hen die trachten binnen te gaan (in de onzienlijke wereld), hebt gij tegengehouden'. Hoe? Door hun deze kennis te onthouden

 

Sprinkhanen

 

Ook in dit beeld is het weer duidelijk dat in Openb. 9:3: 'En uit de rook kwamen sprinkhanen op aarde te voorschijn. . .' het hier geen zogenaamde sprinkhanenplaag betreft, zoals wel eens voorkomt (we denken ook aan de achtste plaag in Egypte, Ex. 10), want er staat dat zij uit de put des afgronds komen, en vers 7 van Openb. 9 zegt: 'En de gedaante der sprinkhanen was als van paarden .. en hun aangezichten waren als aangezichten van mensen. . .' En om alle twijfel weg te nemen: 'Zij hadden over zich als koning de engel des afgronds, Apóllyon'. Sprinkhanen, schorpioenen e.d. zijn dus beelden voor demonische machten.


staart

 

Komen veel beelden van de Openbaring op andere bijbelplaatsen ook wel voor, het symbool van de staart treffen we merkwaardigerwijs alleen aan in dit laatste bijbelboek (behalve dan nog in Jes. 9:14, maar daar verwijst het beeld weer naar de eindtijdperiode).

Een tweede vermeldenswaard punt is dat de staart van een ding, op een eind van iets duidt - hier het laatste stadium van de eindtijd. Zowel in overdrachtelijke als in letterlijk meet- kundige zin ziet dit symbool dus op het allerlaatste einde (een staart heeft immers óók een begin en een eind).

In de Openbaring komt dit symbool op drie plaatsen voor:

a. 9: 10 'En zij (= sprinkhanen) hadden staarten als schorpioenen en angels... om de mensen schade toe te brengen. Zij hadden over zich de engel des afgronds '

b. 9: 19 'Want de macht der paarden (beeld van demonische machten) ligt in hun bek en in hun staarten. Want hun staarten zijn als slangen, met koppen. . .'

c. 9: 12 'En zijn staart (van de draak) sleepte een derde van de sterren (= boze engelen) des hemels en wierp die op de aarde'.

 

Een staart als een schorpioen, ofwel een angel, wil zeggen, dat de geest van de mens door het gif (dwaalleer) uit die angel, verdoofd en machteloos gemaakt wordt, om in het Koninkrijk Gods te kunnen functioneren.

Dit blijkt ook duidelijk uit 9:19: 'Want hun staarten zijn als slangen met koppen', waarin immers de dodelijke giftanden zitten.

Het beeld onder c. wijkt in zoverre van a. en b. af, dat hier sprake is van een totale demonie, geïncorporeerd in een mens: de antichrist, ook wel aangeduid met de valse profeet, zoals er ook staat in Jesaja 9:14: 'De profeet die leugen (dwaalleer) onderwijst, die is de staart',


staf

 

'En hij zal hen hoeden met een ijzeren staf' (Openb. 2:27). De ijzeren staf is een beeld van de onbetwistbare macht (woord van gezag), het ijzeren verdelgingswapen, gehanteerd door de overwinnaars en de grote Overwinnaar in Openb. 12:5. De staf of scepter is in de natuurlijke wereld (die werkt dus ook met symbolen!) een teken van macht en autoriteit. In de autoriteit van de Geest Gods drijven de gelovigen - evenals Jezus en zijn volgelingen - duivelen uit. Zij kunnen deze staf hanteren, omdat zij immers koningen zijn in de onzienlijke wereld, om daarmee onzienlijke maar effectieve slagen uit te delen.

De staf is dus hun wachtwoord, waardoor zij de wetteloze geesten gelasten, uit te varen.


stam

 

Met de stammen der aarde, b.v. in Openb. 1:7 wordt niet bedoeld: alle mensen op de hele aarde. Het betreft alleen de categorie gelovigen die weet hebben van Jezus Christus, want er staat, dat de stammen der aarde over Hem zullen weeklagen, en men kan pas over iemand treuren die men kent of gekend heeft. Dit beeld heeft dus betrekking op de afvallige, trouweloze, gesocialiseerde, naar structuren zoekende, aards geworden kerkgemeenschap, die zijn leden onder elke stam of natie over heel de wereld heeft (zie verder onder 'aarde').

 

Ster

 

De beeldspraak inzake de 'ster' lijkt op het eerste gezicht vrij eenvoudig: een ster is een beeld in de zichtbare wereld, om een engel, in de onzichtbare wereld, aan te duiden. Openb. 1:20 laat ons hierover niet in het onzekere - 'het geheimenis der zeven sterren = de engelen der zeven gemeenten'.

Maar als men zijn gedachten over deze, op zichzelf vrij eenvoudige mededeling laat gaan, kan men enkele merkwaardige zaken ontdekken.

Sterren zijn aanduidingen voor geestelijke wezens (engelen). Dit kunnen de engelen zijn 'die voor God staan', maar er kunnen ook gevallen engelen of demonen mee bedoeld worden (Matth. 25:41 - 'Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is').

 

Behalve de gewone sterren zijn er nog enkele bijzondere, die niet in groepsverband worden genoemd, maar apart worden vermeld. - en grote ster, de zgn. Alsemster (Openb. 8:10 en 11), een grootvorst uit de duistere zijde van het koninkrijk der hemelen, die zich evenwel voor kan doen als een engel des lichts; - de blinkende morgenster, waarmee Jezus Christus wordt aangeduid in Openb. 22:16. Hiermee is dan meteen duidelijk dat de tekst in Openb. 2:28 betekent: '... en Ik zal hem de morgenster geven', d.w.z. Ik zal Mij aan hem openbaren, hem 'verlichten': de duisternis verdrijven en zijn last wegnemen. (Hierbij zij opgemerkt dat de 'morgenster' een ander soort beeldspraak is dan die voor de gewone ster. De morgenster stelt Jezus Christus voor, maar dat is geen engel, want die heeft geen lichaam, terwijl Jezus wel een verheerlijkt lichaam bezit. Er zijn wat dit betreft nog wel enkele andere moeilijke punten, die echter buiten het kader van dit beeld vallen).

 

Bij de bestudering van deze beelden raadpleeg ik dikwijls handboeken, encyclopedieën e.d. om te kijken of er op een bepaald punt nog een ander licht geworpen wordt. Men zou zo denken dat de bijbel zelf in Openb. 1:20 overduidelijk is: 'de zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten.' Maar wie 'Beknopt commentaar op de bijbel' van dr. P. G. Kunst hierop naleest, wordt als volgt 'voorgelicht': 'de zeven sterren (zie bij vs. 20) zijn de lichten der gemeenten: de opzieners, die de gemeente moeten voorlichten.'

En bij vs. 20 staat dan: 'De sterren en kandelaren hebben een betekenis.(!) De sterren zijn (cursivering van dr. Kunst) d.w.z. betekenen de engelen, de ambtsdragers van de gemeenten. Die ambtsdragers zijn in onderscheiden gemeenten als boden van God om zijn Woord te verkondigen en een licht te zijn, Joh. 17:18; 20:21 . ..' (Het is interessant deze teksten in het Johannes evangelie er zelf eens op na te slaan en ze in de context te lezen!)

Zo ziet men dat nota bene een doctor in de godgeleerdheid het geheimenis van de beeld-spraak aantast en er zelf een eigenmachtige uitleg aan geeft.

Een andere geleerde, ditmaal een professor doctor, zegt: 'Wij willen de mogelijkheid openlaten dat op sommige van deze plaatsen geheel of althans ten dele beeldsprakig wordt gesproken...' (prof. dr. F. W. Grosheide in de Chr. Encyclopedie). Petrus waarschuwt ons ervoor en noemt zulke voorlichters 'onkundige en onverstandige lieden die de schriften verdraaien' (2 Petr. 3:16).


Stroom

 

'En de slang wierp uit haar bek water achter de vrouw als een stroom, om haar door de stroom te laten meesleuren' (Openb. 12:15). Stromen, wateren en rivieren alsook bronnen zijn beelden van uitingen van een geest, door middel van woorden; dit is duidelijk, want er wordt gesproken van een 'bek' (op andere plaatsen 'mond') waaruit een stroom van woorden of een woordenstroom komt. Indien men in een geschrift leest over, een woorden-stroom of dat woord zelf ergens gebruikt, denkt men niet aan water of iets dergelijks, evenmin ziet men een 'rivier van woorden'. Het gaat hier weer om een vergelijking, een z.g. metafoor: de 'vloed' van woorden lijkt op een stroom; een paar aspecten van een echte stroom of rivier worden erbij gehaald om de hoeveelheid en de kracht ervan aan te tonen. Zoals een natuurlijke stroom iemand mee kan sleuren, zo ook een geestelijke stroom. Onze taal - en ook andere talen - zitten vol met dergelijke vergelijkingen (zo glad als een aal - men denkt dan niet aan paling, maar aan een z.g. notie ervan: de gladheid. Zo sterk als een beer, een beer van een vent, ja zelfs kortweg: Een beer! enzovoort).

De slang (de duivel) werpt water (valse leringen) uit zijn bek, om de vrouw (de ware gemeente van Jezus Christus) mee te sleuren, te overweldigen.

De beeldspraak van de 'stroom' was ook aan de oudtestamentische Jood niet onbekend: 'Stromen van verderf hadden mij overvallen' (meegesleurd) Ps. 18:5, 137:1.

Hebr. 13:9 waarschuwt ons dan ook, dat we ons niet 'omver' moeten laten praten door mensen die allerlei vreemde leringen verkondigen, anders zal men niet staande kunnen blijven, net zomin als in een sterke stroom van een rivier.


Tempel

 

'Wie overwint, hem zal ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods'. Openb. 3:12.

Het symbool van de tempel dat hier gebruikt wordt, is weer een typisch voorbeeld van de werkelijkheid. De oudtestamentische tempel was immers niet de werkelijkheid, maar een schaduw ervan. En Stéfanus zegt duidelijk: 'De Allerhoogste echter woont niet in wat men met handen maakt' (Hand. 7:48). Paulus vervolgt in 2 Cor. 6:16: 'Wij toch zijn de tempel van de levende God'. Een dergelijk beeld uit het Oude Testament levert ook altijd z.g. parallellen op: in de tempel mochten alleen priesters dienstdoen, d.w.z. mensen die tot priester gezalfd waren. De nieuwtestamentische gelovigen vormen nu echter zelf de 'tempel', als zij tenminste gezalfd (gedoopt) zijn met de Heilige Geest. Wanneer zij deze Kracht in zich hebben, kunnen zij ook overwinningen behalen op de geestelijke vijanden, en daarom zijn het niet alleen priesters, maar ook koningen (1 Petr. 2:9).

 

Zij die alleen in schuldvergeving geloven en in Jezus ontslapen, vormen de stad Gods, maar zij die gedoopt zijn met de Heilige Geest vormen samen de tempel. Deze tempel is daarom beeld van de gemeente van Jezus Christus die de volmaaktheid hier op aarde bereikt. Verder kan de gelovige een 'steen' zijn, maar ook een zuil. Een zuil is hij die tot het zoonschap gekomen is.

 

Tent

 

Het belang van de gemeente wordt in de bijbel telkenmale onderstreept en geïllustreerd met talrijke beelden (b.v. een wolk, het paradijs Gods, een kandelaar, tempel, enz.), zie aldaar.

Het begrip 'tent' heeft verschillende 'noties'; in de eerste plaats zien we de functie van beschermen en tegelijkertijd van apart zetten (van Grieks 'hieros' = heiligen, apart zetten). Openb. 7:15 zegt: 'Daarom zijn zij voor de troon van God en vereren Hem dag en nacht in zijn tempel (het gelijkwaardige, synonieme beeld van tent); en Hij die op de troon gezeten is, zal zijn tent over hen uitspreiden'.

Wat betekent dit nu? Als we uitgaan van de gedachte dat de 'tent' beeld van de gemeente is, staat er volgens deze vertaling van het NBG, dat de gemeente zich over hen = de gemeente zal uitspreiden, wat natuurlijk niet de bedoeling kan zijn.

De Statenvertalers hadden kennelijk ook moeite met de overzetting van het Griekse skènaoo of skènoöo, want hun versie luidt: '... en die op den troon zit, zal hen overschaduwen'. Hoewel hun translatie de grondtekst meer benadert dan die van het NBG, blijken beide vertalingen niet geheel juist. We willen ons hier niet te veel gaan verdiepen in taalkundige, wetenschappelijke details, maar voor een helder begrip van deze tekst is toch enige toelichting nodig. Laten we eens zien wat de grondtekst betekent. Hier staat: skènaoo - 'zich vestigen, wonen; ook (in de tent) een maaltijd houden'. Nu wordt het al duidelijker: het 'wonen' en 'maaltijd houden' zijn immers bekende gegevens in dit verband. Joh. 14:23 zegt: 'Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen'. Openb. 3:20: 'Hij zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden' en Ezechiël profeteerde reeds (Ez. 37:27): 'Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn' en Paulus, de dienst der schaduwen van het Oude Verbond achter zich latend, betuigt: 'Wij toch zijn de tempel (tent) van de levende God, gelijk God gesproken heeft: (en dan haalt hij de woorden van de oude profetie voor de nieuwtestamentische gemeente aan): 'Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn' (2 Cor. 6:16). Het hele probleem zit hem in het feit dat de vertalers wel deskundigen waren op het gebied van de filologie en de linguïstiek (speciale wetenschappen voor een zo 'getrouwelijk' mogelijk overzetten van de grondtekst), maar ze misten het geestelijke inzicht betreffende de gedachte dat God door de Heilige Geest daadwerkelijk in de mens kan 'wonen', 'tabernakelen', zoals God destijds ook in de tabernakel vertoefde. Een andere plaats waarmee de vertalers kennelijk moeite hebben gehad, betreft Openb. 13:6: 'En het beest opende zijn mond tot lastering en tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tent en hen die in de hemel wonen'.

Als we deze tekst goed bekijken, zien we dat achtereenvolgens gelasterd worden:

a) God, b) zijn Naam, c) zijn tent, d) hen die in de hemel wonen.

Wanneer we nu ook willen verstaan wat we lezen, stuiten we op verschillende moeilijkheden: heeft God een 'tent', zo ja, wat is dat dan, kan men een 'tent' (een 'ding' dus) lasteren?

De oplossing van het probleem is weer gelegen in het nauwkeurig, verstandelijk lezen van de (grond)tekst, gepaard gaande met een verlichting van dat verstand door de Heilige Geest.

Degenen die catechetisch onderwijs hebben genoten, weten misschien nog wel, dat de Naam van God en zijn Wezen in feite hetzelfde betekenen. (De oude rabbijnen namen nooit het woord God of Jaweh in hun mond, maar spraken altijd over 'de Naam'.) We hebben hier te maken met een toegevoegde verklaring, een zogenaamde bijstelling; zelfs zou men van twee gelijkwaardige begrippen, synoniemen, kunnen spreken.

Hetzelfde verschijnsel treffen we aan bij c) zijn tent en d) hen die in de hemel wonen. Volgens de Statenvertaling:' . . . om zijnen naam te lasteren, en zijnen tabernakel, en die in den hemel wonen'.

 

Volgens velen is de Statenvertaling de beste overzetting, omdat elk woord zo getrouw mogelijk werd weergegeven, ja deze vertaling vermeldt zelfs een woord cursief, dat de vertalers er voor een goed begrip van de tekst hebben bijgevoegd. De lezer is dan gewaarschuwd dat dit woord niet in de grondtekst voorkomt.

Maar wat nu is het geval? Genoemde vertaling geeft het woordje 'en’ in het gedeelte 'en die in de hemel wonen’ niet cursief, daarmee suggererend dat hier ook het Griekse 'kai' (= en) staat, wat niet getrouw is. Dit ontbreekt immers in de grondtekst, zodat er letterlijk te lezen valt: zijn tabernakel (tent), degenen die in de hemel tabernakelen, d.w.z. degenen die in de hemel wonen, wier burgerschap in de hemel is. Zijn tent en degenen die erin wonen, zijn dus weer synonieme begrippen en geen aparte categorieën. Het beest lastert dus de gemeente, degenen die in God geloven, degenen die hun wandel hebben in de hemelse gewesten.

Ten slotte zij nog als bijzonderheid opgemerkt dat deze uitleg ook past in de stilistische vorm van dit gedeelte, het z.g. woordparallellisme: God ~ zijn Naam en tent ~ tentbewoners.

 

Troon

 

De Apocalyps is het bijbelboek dat begint met de troon (Openb. 1:4... 'de zeven geesten die voor zijn troon zijn') en het eindigt ermee (Openb. 22:3 . . .' En de troon van God en van het Lam zal daarin zijn). Het is ook het boek voor de troonpretendenten, de gelovigen die gedoopt, verzegeld zijn met de Heilige Geest, de zonen Gods, aan het beeld van de Zoon gelijkvormig geworden. Van deze overwinnende christenen wordt immers gezegd, dat zij samen met Jezus zullen zitten op zijn troon, zoals Jezus gezeten is met zijn Vader op diens troon (Openb. 3:21). De troon van God is vanzelfsprekend geen materiële constructie in het heelal, waarop God, die geest is, zou zitten. Een geest heeft geen stoel of rust nodig, want het kenmerk van een geest is juist zijn voortdurende activiteit.

De troon van God is beeld van de macht, de heerlijkheid en heerschappij over hemel en aarde.

Trouwens, het spraakgebruik kent deze metonymia ook in uitdrukkingen als: de troon beklimmen = de regering aanvaarden, op de troon zitten = regeren, iemand van de troon stoten = hem van de heerschappij beroven, en de dichter Staring klaagt:

'vreêbestand noch recht mag baten, waar 't grauw ten troon geheven zit'.

 

Voorhof

 

'Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, er buiten en meet die niet; want hij is aan de heidenen gegeven' (Openb. 11:2)

 

Hier opnieuw een parallelbeeld van het Oude en Nieuwe Verbond: de voorhof en de tempel worden als illustratie gebruikt om de geestelijke betekenis van deze tekst duidelijk te maken. Voor een goed begrip is het nodig even de situatie te bekijken zoals die in het Oude Testament was.

De tempel, met het heilige en heilige der heiligen, vormde het religieuze centrum; daaromheen bevonden zich verschillende voorhoven, een soort pleinen, die weer omgeven waren door andere voorhoven en muren. Vlakbij de tempel lag de voorhof der priesters, iets verder bevond zich de voorhof der Israëlieten, waar dus alleen de Joden mochten komen, dan volgde de voorhof der vrouwen en ten slotte de grote voorhof - ook wel genoemd de buitenste voorhof of voorhof der heidenen, omdat alleen dit plein betreden mocht worden door niet Joden, dus heidenen. Alles bij elkaar vormde het een heel complex. Als bijzonderheid zij nog vermeld, dat de Joden de herbouw en tegelijkertijd nieuwbouw van de tempel te danken hadden aan Herodes de Grote, die de genegenheid van de Joden wilde winnen. Dezen waren daar natuurlijk blij mee, maar dat Herodes in zijn grondige aanpak en welwillendheid ook de burcht Antonia - zetel van de Romeinse overheid - belangrijk uitbreidde, vond men minder geslaagd. Deze burcht was tevens het hoogste gebouw van het tempelcomplex en lag voor een groot gedeelte in de buitenste voorhof (zie tekening).

Tussen de 'gewijde' grond en de voorhof der heidenen (buitenste voorhof) was een hekwerk opgericht dat duidelijk de scheiding aangaf tussen Jood en heiden. Bovendien had men er ook nog een groot bord aan bevestigd, waarop stond te lezen dat iedere niet-Jood die toch voorbij deze 'middelmuur des afscheidsels' werd aangetroffen, dit met de dood moest bekopen.

Bij het nauwkeurig analyseren van de tekst uit Openb. 11:2 kan men het volgende ontdekken:


1. Voorhof (der heidenen)

 

De voorhof ligt wel op het tempelplein, maar is in feite geen deel van de eigenlijke tempel. De voorhof der heidenen waarvan hier wordt gesproken, ligt juist meer naar de buitenzijde en staat in nauw contact met de wereldse autoriteiten (hier de Romeinse burcht Antonia). Deze voorhof heeft dus enerzijds verbinding met de tempel en de religieuze clerus, en anderzijds met de wereldlijke machthebbers. Het misleidende van deze voorhof is, dat de mensen die zich in deze groep bevinden, niet zien in welk een valse geloofsgemeenschap ze verzeild zijn geraakt: men is zeer begaan met de nood in de wereld, de verwarring in de kerk, de onduidelijkheid in de politiek, ja er kan geen ding genoemd worden, of men is verontrust. Jezus sprak echter: 'Wees niet verontrust'.

Iemand heeft eens gezegd: 'We verbazen ons méér over de onwetendheid van anderen dan van die van onszelf' en in dit verband kan gezegd worden dat men zich meer over de afwijkingen en dwalingen van een ander verbaast dan over die van zichzelf of van zijn groep waartoe men behoort. Men beschuldigt anderen ervan een dwaalleer te verkondigen, terwijl men zichzelf niet aan de Waarheid houdt, door bijvoorbeeld niet naar de gaven des Geestes te streven of het spreken in tongen als overbodig te beschouwen. God vindt het dan ook overbodig Zijn heil - dat is de totale heling van geest, ziel en lichaam, verder aan hen te schenken door middel van de gaven van Zijn Heilige Geest, want hoewel deze punten duidelijk in de Bijbel worden genoemd, wijst men ze als sektarische stokpaardjes, als voor 'vroeger' geldende omstandigheden of op grond van een ander duistere theologische uitleg van de hand.


2. Tempel

 

De tempel, ook op het grote religieuze plein gelegen, geeft gelukkig een heel ander beeld. De mensen die hierin verkeren, aanvaarden onvoorwaardelijk alles wat God in Zijn Woord zegt, ook al is deze houding volgens de oude of huidige theologische inzichten niet juist of extreem. Zij geloven dat na bekering, (water)-doop en wedergeboorte, de doop met de Heilige Geest noodzakelijk is om tot volwassen christenen te kunnen uitgroeien, en de werken te gaan doen die ook hun grote voorganger, Jezus Christus, deed - en dit is inderdaad het toppunt: zelfs nog grotere dan Hij gedaan heeft. .. (Joh. 14:12). Zij bezitten genoeg realiteitszin om te weten dat dit een groeiproces is, maar als zij zich aan de volle waarheid houden en niet heen en weer geslingerd worden door allerlei wind van leer, groeien zij in elk opzicht naar Hem toe (Ef. 4:14). Dan blijven zij - in dit leven - geen kinderen Gods meer, maar bereiken de mannelijke rijpheid, de maat die Jezus Christus aanlegt. En zij zijn niet de enige die dit geloven: de 'redeloze' schepping ziet met meer reikhalzend verlangen uit naar het openbaar worden van deze zonen Gods dan menig redelijk wezen.

(Voor de andere aspecten van de tempel als beeld van de gemeente wordt kortheidshalve verwezen naar 'tempel' in KvO nr.19, 34e jg.).


3. Meten

 

Opnieuw een aspect van het beeld dat samenhangt met de voorhof en de tempel, dat bij aandachtige lezing verrassende elementen bevat. Om die te ontdekken, moeten we ook een gedeelte van vers 1 in onze beschouwing betrekken. Daarin staat onder meer: 'Sta op en meet de tempel Gods'.. . (en nu naar vers 2) - 'Maar laat de voorhof. . . er buiten' - 'en meet die niet'. Wat zien we nu?

 

a. Twee imperatieven (gebiedende wijzen) in vers 1, en twee soortgelijke vormen in vers 2: Sta op en meet, …Laat er buiten en meet niet.

Het betreft hier een bijzonder verschijnsel van zinsparallellie-in-de-imperatief, d.w.z. twee gebiedende wijzen in de ene zin lopen parallel met twee dezelfde wijzen in de andere zin.

 

b. Het zal de aandachtig lezer opgevallen zijn, dat de imperatieven in vers 1 verschillen van die in vers 2: 'Sta op' en 'meet' zijn bevestigende vormen, maar 'Laat' en 'meet niet' behoren tot de ontkennende imperatieven. De geestelijke tegenstelling tussen de tempel en de voorhof wordt bovendien aangegeven door het woordje 'maar', dat men in de 'natuurlijke' taalkunde tegenstellend voegwoord noemt.

 

c. Het derde punt dat onze aandacht verdient, is een stijlfiguur, de z.g. tautologie. Een tautologie is een stijlmiddel om één begrip twéémaal met andere woorden te zeggen, met het doel, op dat begrip de nadruk te leggen. Bekende woord tautologien zijn: enkel en alleen, Hij sprak en zeide, e.d. Het bijzondere in onze tekst is de zintautologie, die niet veel voorkomt: 'Maar laat de voorhof er buiten' en 'meet die niet!'

 

We zien nu welk een accent deze verzen zowel naar de inhoud als naar de vorm (stijl) krijgen. Op dit punt aangekomen, behoeven we nog maar een klein stapje te doen en we ontdekken de verklaring van de beeldspraak 'meten': de gemeente van Jezus Christus wordt maar met één maatstaf (meetriet) gemeten: de maat die de Meester hanteert. En aangezien Hij niet wil dat wij onder de maat blijven, wordt ons ook door de doop in de Heilige Geest het instrumentarium van de geestelijke gaven verstrekt. Via deze hoge weg zal de gelovige de 'mannenmaat', zoals de Canisiusvertaling luidt, bereiken. De maat - maar dan in gunstige zin - is dan vol: de zonen Gods zullen van hetzelfde formaat zijn als de Zoon van God. Of zoals Efeze 4:13 het zegt: '. . . wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus'.


4. Heidenen

 

Over de in feite simpele vraag wat een heiden is, bestaan toch verschillende meningen. Om een lang verhaal kort te maken: een heiden is iemand die God niet dient en zich daarmee buiten het heilsplan van God stelt. Vroeger situeerde men de heidenen wel voornamelijk in Afrika en dergelijke gebieden, maar mensen 'die er niet meer aan doen' behoren bijvoorbeeld in het christelijke westen evengoed tot het heidendom, omdat ze, direct of indirect, met leringen van boze geesten in verbinding staan. Het vasthouden aan verouderde geschriften of het blijven omhelzen van de leer der vaderen die niet als doel hebben: de mens Gods volkomen te doen zijn en met hem Christus te doen heersen op de troon van God, noemt de Bijbel net zo aards, ongeestelijk en duivels als iemand die op directe wijze de afgoden en demonen vereert, ook al gebeurt dat vaak in een schijn van vroomheid en religiositeit.


5. heilige stad

 

Het zal bekend zijn dat met de heilige stad niet het aardse Jeruzalem wordt bedoeld, maar de geestelijke, zich christelijk noemende kerk van alle tijden, wel gevormd door kinderen Gods, maar die onder invloed gestaan hebben van dwalingen en afwijkingen en die het volle woord van God niet gekend of beleefd hebben. Zij zijn wel inwoners van 'de heilige stad', omdat zij rechtvaardigen zijn, maar zij werden niet opgebouwd tot een tempel van God in de geest. Tot deze stad behoren de velen die beschadigd zijn door vuur, maar wel behouden werden (1 Cor. 3:15). Degenen die nog op aarde zijn en zich in zulk een toestand bevinden, worden niet gerekend bij de tempel Gods, maar wel tot 'de heilige stad'. Over hen valt de grote verdrukking als een zware last, doordat zij niet uitgerust zijn met de volle geestelijke wapenuitrusting.

6. Vertreden

 

Aangezien 'vertreden' consequent verder gedacht, geen letterlijke betekenis kan hebben in de zin van 'met de voeten trappen', dienen we te denken aan de overdrachtelijke functie van dit woord. Op zichzelf is dit zo vreemd niet, want het gewone spraakgebruik kent gezegden als 'iemand met voeten trappen', d.w.z. hem gewelddadig vernederen en verder: 'de wet met voeten treden', dat is moedwillig in strijd ermee handelen.

Met dit beeld wordt geaccentueerd dat het beginsel der wetteloosheid en de afval, nu in volle omvang gestalte krijgt. Met geweld prest de opkomende antichristelijke geest de gelovigen leringen te aanvaarden, waartegen ze zich wellicht met hand en voet verzetten, maar waaraan ze ten slotte toch geen weerstand kunnen bieden, doordat hun geestelijke wapenrusting niet in orde of incompleet is. Men dacht altijd het met de voorzeide leer wel af te kunnen, maar nu komen er machten openbaar, de grootvorsten uit de hemelse gewesten, waartegen ze niet opgewassen zijn; hun wasdom blijkt onvoldoende, met als gevolg dat ze aan handen en voeten worden gebonden.


7. Twee en veertig maanden

 

De tijdsaanduiding in de gehele Openbaring is overal symbolisch en dus niet in overeenstemming met onze tijdrekening. Dezelfde periode van drieënhalf jaar, alsmede de aanduiding tijd, tijden en een halve tijd, komen behalve in de Openbaring, voor in het apocalyptische boek Daniël. Hoe lang genoemde periode duren zal, is dus niet bekend, noch het 'uur' waarin dit alles gebeuren zal, want dit weet alleen de Vader.

De gelovige wordt echter wat dit betreft niet in het onzekere gelaten, aangezien dit proces van rijping - zowel van de goeden als de kwaden - duidelijk in de Apocalyps uiteen wordt gezet.

 

Vrouw

 

Het is een merkwaardig verschijnsel dat in de Openbaring over een 'vrouw' gesproken wordt, terwijl geen vrouw in de gewone betekenis van het woord is bedoeld: dit in tegenstelling tot de andere bijbelboeken, waarin de vrouw als biologisch wezen ruim tweehonderd keer wordt genoemd.

De vrouw-als-beeld (namelijk van de gemeente) komt zeventien keer in de openbaring voor.

Deze mededeling zal voor velen geen opzienbarende ontdekking zijn. Maar wie het door de pers zo geroemde 'Bijbels historisch woordenboek' (zes delen, Aulareeks) hierop naslaat, zal bij het artikel 'vrouw' een andere ontdekking doen: wel allerlei gegevens vanuit het Oude en Nieuwe Testament over de vrouw als vrouw, maar geen enkele zinspeling over de vrouw als beeldspraakvorm, de gemeente aanduidende. We zouden geneigd zijn ietwat trots op beide ontdekkingen te worden, ware het niet dat we heel goed weten dat alle kennis en inzicht van God komen. Hieruit blijkt bovendien dat men nog zoveel verstand, met name van theologische zaken kan hebben, als dat verstand niet door de Heilige Geest verlicht wordt, blijft de zaak duister en zijn de verklaringen vaag en voor velerlei 'uitleg' vatbaar. Een voorbeeld van een dergelijke pluriforme exegese trof ik aan in het 'Pastoraal Bijbels Woordenboek' (r.k.), waarin staat:

'De Apocalypse verheerlijkt de 'Vrouw' die met sterren gekroond is, die een mannelijk kind baart, die door de draak in de woestijn vervolgd wordt en hem door haar kroost zal overwinnen. Deze vrouw is op de eerste plaats de Kerk, de nieuwe Eva, die het leven schenkt aan het Lichaam van Christus. Verder is zij volgens de traditionele uitleg Maria, ten slotte kan men ze zien als ideale vrouw, zoals iedere vrouw in haar hart zou wensen te zijn'.

 

Wel een veelkleurige uitleg, maar niet een die van veel wijsheid betuigt. Hoe kan de Kerk, die immers het lichaam van Christus is, weer het leven schenken (baren) aan het lichaam van Christus? Kan de Kerk de Kerk voortbrengen? Wat de tweede 'verklaring' betreft, hiermee hebben de protestantse theologen kennelijk ook moeite om de traditionele opvatting geloofwaardig te maken.

Dr Greijdanus ziet wel dat in dit beeld (Maria die Jezus voortbrengt) een taalkundige en stilistische onmogelijkheid schuilt. Terecht merkt hij op, dat het in de Openbaring gaat om dingen 'die weldra geschieden moeten' en niet om te laten zien wat al een eeuw geleden is gebeurd.

Trouwens, wat voor zin zou het hebben, geschiedkundige feiten in beeldspraak weer te geven. Dit zou in strijd zijn met elke vorm van wetenschappelijke geschiedschrijving, terwijl het hier dan tevens de enige plaats in de Openbaring zou betreffen waarop men een dergelijke a-logisch principe zou moeten toepassen. Aan de derde uitleg (de ideale vrouw) behoeven we geen woorden te verspillen.

 

Een ander (ver-)taalkundig punt dat onze aandacht verdient, is de zin: 'En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf' (Openb. 12:5). Hoe komt het eigenlijk dat in het algemeen de zoon die geboren werd, met Jezus wordt geïdentificeerd? Als men natuurlijk denkt, komt men al gauw tot zo'n uitleg; een vrouw baart immers een baby, en geen volwassen zoon. En 'een mannelijk wezen' zou dan als z.g. bijstelling opgevat moeten worden. Taalkundig is dit onzin, want wie zou er spreken of schrijven: 'Zeg, heb je 't al gehoord? Mevrouw A. heeft een dochter gekregen, een vrouwelijk wezen'!

De bijbel verkondigt geen onzin en heeft dus kennelijk een andere bedoeling, namelijk om aan te geven dat het hier geen baby betreft, maar dat het gaat om een volwassen zoon, een 'huion arsèn', zoals er in het Grieks staat. Dat 'arsèn' komt o.a. ook voor in Matth. 19:4: 'Hebt gij niet gelezen dat de Schepper hen (= Adam en Eva) van den beginne als man (arsèn) en vrouw heeft gemaakt?'

Het Griekse woordenboek geeft van dit 'arsèn' en van de ermee verwante woorden, de volgende verklaringen: 'zich mannelijk gedragen, manhaftig. onverbreekbaar, onverwoestbaar en onvermoeibaar!'

 

De zoon in onze tekst is dus wel een kind van zijn moeder (want sommigen zullen misschien dit als laatste argument aanvoeren), maar het bijzondere, zeldzame is nu juist, dat deze zoon bij de geboorte manhaftig en onverbreekbaar is. (Een zoon is een kind van zijn moeder, maar een kind hoeft geen baby te zijn. Duidelijk zien we dit als opa en oma zeggen: 'De kinderen komen vandaag').

We hebben in deze tekst te maken met een z.g. zeldzaam epitheet (épithète rare), dienend om iets zeer karakteristieks aan te geven.

Het betreft ook een zeldzaamheid. Wat nog nooit gebeurd is, zal nu plaatsvinden: de vrouw (= beeld van de gemeente van Jezus Christus) zal ondanks, of dankzij, alle tegenstand en tegenkanting, een volwassen, sterke zoon (= beeld van de zonen Gods) voortbrengen.

 

Dezen zullen de heidenen hoeden met een ijzeren staf, dat wil zeggen: zij zullen op hun woord van gezag (= hun staf), op de naam van Jezus, effectieve klappen uitdelen in het rijk der duisternis, dat is de demonen uitdrijven bij hen die door duivelse machten gebonden zijn (de heidenen).

Men behoeft zich niet te verbazen over het feit dat met de 'mannelijke zoon', de zonen Gods (meervoud) worden bedoeld. De 'vrouw' is immers ook beeld van de gemeente, die weer uit verschillende leden bestaat. 'Vrouw' en 'zoon' zijn hier z.g. collectiva (verzamelnamen), zoals 'bos' een verzameling bomen aangeeft, en zo zijn er honderden collectiva (volk, overheid, politie, bibliotheek enz.). Nu is de 'zoon' ook weer een beeld, nl. van het volwassen zijn, de mannelijke rijpheid bezittend, of zoals de Engelse vertaling geeft:

a. perfect man, b. complete man. De Griekse grondtekst formuleert het nog duidelijker: een man die het doel (telos) van God met de mens bereikt heeft: de volkomenheid naar geest ziel en lichaam (1 Thess. 5:23).

 

Ten slotte moet nog een andere vrouw worden genoemd, in Openb. 17 :3: 'En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest, dat vol was van godslasterlijke namen'.

Tegenover de ware, trouwe vrouw, de gemeente van Jezus Christus, staat de valse, ontrouwe vrouw, de hoer, het grote Babylon, zich bevindend aan vele wateren (= allerlei geestelijke stromingen). Dit beeldt uit de afvallige kerk die zich over de hele wereld verspreid heeft, en die loochent dat de mens het zoonschap, de mannelijke rijpheid, de volkomenheid, hier op aarde bereiken kan, hoewel God dit duidelijk heeft gezegd.

KvO 36e jaargang nummer 20, 21 juli 1972                                                           (13)

C. Beekman Jr.

 

vuur

 

Het 'vuur' is een van de duidelijkste beelden in de Openbaring als aanduiding van de boze geesten, de overheden en machten in de hemelse gewesten. In Openb. 20:9b en 10 lezen we bij­voorbeeld: ... en vuur daalde neder uit de hemel en verslond hen, en de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel'. En in Openb. 9:18: 'Door deze drie plagen werd het derde deel van de mensen gedood: door het vuur en de rook en de zwavel, die uit hun bek (van de demonen) kwa­men'. Hiermee is de duivelse trits compleet. De stijlfiguur in de vorm van een polysyndeton: vuur én rook én zwavel, beklem­toont nog eens het onverbrekelijke duivelse driemanschap.

De bijbel kent verschillende soorten machten, overheden en der­gelijke, en ook hier worden deze gesymboliseerd door het noe­men van verscheidene elementen: de machten van het 'vuur' die de mens beschadigen, de overheden van de 'rook' die het uit­zicht op God benemen, waardoor men het allemaal niet meer zo ziet zitten, en de machten van de 'zwavel' met hun ver­stikkende en vergiftigende werking, die de mens uiteindelijk naar de dood voeren.

 

Behalve het 'vuur' - dus de algemene aanduiding van de demonen - lezen we ook over de poel des vuurs, ook wel het eeuwige of onuitblusbare vuur genoemd. De boze geesten kunnen de mens op aarde beschadigen, maar herstel is nog altijd mogelijk. Is men eenmaal gestorven na het evangelie van Jezus Christus bewust verworpen te hebben, dan komt men na het oordeel, in deze poel des vuurs: 'Maar de lafhartigen, de ongelovigen (ook de keurige), de verfoeilijken, de moordenaars enz. - hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood' (Openb. 21:8).

Dat het woord 'poel' hier scherp het beeld karakteriseert, blijkt wel als we ons afvragen wat een poel eigenlijk is: een stilstaand water, meestal troebel, waarvan de lucht die eruit opstijgt, niet tot het zwemmen erin en noch minder tot het consumeren ervan noodt. Van Dale voegt er dan ook veelbetekend aan toe: 'veelal troebel of onrein gedacht'. Trouwens, de uitdrukking: dat is daar een poel der zonde, zal ook wel bekend zijn. Hierin be­vinden zich mensen die met allerlei mogelijke en onmogelijke machten der hel verbonden zijn, een concentratie van demonie.

De poel des vuurs geeft dus aan, een concentratie van alle ver­doemden en de machten der duisternis: de dood en het doden­rijk, de duivel, het beest en de valse profeet.

Verder geeft Van Dale merkwaardigerwijs nog als betekenis van poel: (in literaire taal) afgrond.

 

Nu wordt het beest (is de geest van de antichrist) in de Open­baring ook wel genoemd als het beest uit de zee(poel) of het beest uit de afgrond (dit is het diepste der zee).

Dat dit woord in de literaire taal een dergelijke betekenis heeft, hoeft ons niet te verbazen, als we weten dat vele kunstenaars bewust of onbewust gedreven of geïnspireerd worden door aller­lei geesten. De taal is immers een geestelijke aangelegenheid. Het verwondert ons dan ook niet meer, als we verder bij Van Dale bij 'afgrond' lezen: (dicht.) de diep onder de aardkorst zich uitstrekkende ruimte. de onderwereld. de hel. de Boze. de bozen, uiterste rampzaligheid ...

In de afgeleide vorm 'vurig van geest' en in de vergelijking 'tongen als van vuur' zien we het positieve aspect van de licht­glans. Zo kan iemands blijheid 'aanstekelijk' werken en als iemand vurig van geest is, getuigt hij van een blakend of laaiend enthousiasme.

 

water

 

Het komt dit keer met de beelden wel een beetje eigenaardig uit: water en vuur. Maar ook in veel spreekwoorden en zegs­wijzen vinden we vaak de resultaten van denkwerk door vele mensen, over allerlei onderwerpen. En deze gedachten zouden wel eens dieper kunnen liggen dan men in het algemeen denkt. Zo had bij vuur nog het gezegde vermeld kunnen worden: 'Geen rook zonder vuur'. Als men dit geestelijk transponeert, betekent het: als er ergens een sfeer is die drukkend werkt (rook), dan kan men er zeker van zijn dat de duivel (vuur) erachter zit.

Zo ook met het gezegde: het is water en vuur. Het water (beeld van de Heilige Geest) kan het vuur (beeld van de duivel) niet verdragen.

 

Water kan echter ook een ongunstige betekenis hebben, vooral in de meervoudige vorm 'wateren'. In Openb. 8:11 bijvoorbeeld staat: 'En het derde deel der wateren werd alsem, en velen van de mensen stierven van het water, omdat (moet zijn doordat) het bitter geworden was'. Waardoor waren de wateren bitter ge­worden? Het antwoord geeft vers 10: 'er viel een grote ster, brandend als een fakkel(vuur) uit de hemel, en zij viel op het derde deel der rivieren en op de bronnen der wateren'.

De wateren zijn hier het beeld van de vele (vandaar het meer­voud) valse leringen, die geïnspireerd zijn door een geest. Dat het hier een boze geest betreft, blijkt wel genoegzaam uit zijn naam 'Alsem' en verder uit het feit dat de mensen die de door hem geïnspireerde leer in zich opnemen, ervan sterven. Het beeld van het 'vallen' wil hier zeggen: plotseling zijn er vele valse le­ringen (waarvan yoga er bijvoorbeeld een is) die de mensen over­vallen en naar de geestelijke dood voeren. Hier dus niet 'Bitter in de mond, maakt het hart (is de innerlijke mens) gezond', maar brengt het hart in de afgrond. Het spreekwoord kan hier ook niet opgaan, want er worden alleen natuurlijke zaken - de letterlijke mond en het biologische hart mee bedoeld - terwijl de Openbaring de bedoeling heeft, de geestelijke werkelijkheid ­en dan nog in beeldspraak - te laten zien.

 

Een ander voorbeeld vinden we in het gezegde: 'Als het water stilstaat, stinkt het'. En zo zijn we weer bij de poel terug. Overi­gens, de betekenis van dit spreekwoord luidt: 'Wie niets doet, vervalt tot kwaad .. .' Ten slotte nog een merkwaardige regel van de dichter A. Roland Holst:

. . . uw donkre gronden, waar levens waatren

 door de bedding breken van uwe dromen ...

 

Er wordt bij verteld dat we hier te doen hebben met een levens­symbool, dus een zinnebeelde aanduiding van het levens­principe, maar hoe kan nu uit de donkere (af)gronden water komen dat leven schenkt? Jacobus vraagt daarom: 'Doet soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen?' (3:11). Of men is aangesloten op de bron van levend water of men zit aan de vele bittere en troebele wateren, waardoor het denken vertroebeld wordt.

 

Gelukkig is er ook nog het water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam (Openb. 22:1).Het water des levens is dus beeld van de Heilige Geest. Wie hieraan mocht twijfelen, leze Joh. 7:38: 'Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit zeide Hij van de Heilige Geest'.

Dat wil zeggen: gedoopt met, of in, de Heilige Geest, kan men van zijn geestelijke gaven aan een ander mededelen. En wie (ook) dorst heeft, die kome, en wie wil, neme het water des levens ­om niet' (Openb. 22:17).

KvO 36e jaargang nummer 16 3 november 1972                                                   (14)

C. Beekman jr.

 

Wind   

 

‘Daarna zag ik vier engelen staan aan de vier hoeken der aarde, die de vier winden der aarde vast hielden’ (Openb. 7:1).

In het beeldspraakboek bij uitstek - de Openbaring - is de 'wind' vanzelfsprekend weer geen meteorologisch gegeven; het duidt met een aards, zichtbaar beeld iets uit in de geestelijke wereld, net zoals 'water' het symbool is van de Heilige Geest. Wie evenwel over het beeld van de 'wind' nadenkt, ontdekt verschillende eigenaardigheden.

Ten eerste: in tegenstelling tot de andere beelden (berg, bladeren, gras, enz.) behoort de wind, weerkundig gesproken, niet meer tot de aarde, maar tot de lucht. De wind immers waait óver de aarde, is er geen deel van, ja, aarde en lucht zijn twee verschillende elementen.

Ten tweede: er is ook een verschil ten aanzien van het zichtbaar zijn. Gras kan men zien, wind niet. Alleen de invloed ervan is waarneembaar, en dan nog alleen wanneer de wind een object heeft, dus iets waarmee hij in aanraking komt, ten gevolge waarvan men hem kan voelen (bij zichzelf) of iets waarnemen (bij een ander).

Ten derde: de oorsprong en het ontstaan van de wind zijn niet te zien noch wetenschap-pelijk na te gaan. Vooral deze laatste punten vertonen veel overeenkomst met het begrip 'geest': die is ook onzichtbaar, behoort evenmin tot de zichtbare wereld, terwijl men wél zijn invloed ervaart, bij zichzelf, en anderen. De verklaring dat 'wind' wel eens door 'geest' vertaald kan worden, zou in dit kader een te lange taalkundige behandeling vergen. Daarom noemen we alleen psalm 104:4 waar staat: 'Hij maakt de winden tot zijn boden'. In deze psalm worden de winden dus in gunstige zin genoemd, terwijl de vier winden in Openbaring 7 een ongunstige betekenis hebben (z.g. pejoratieven). Hiermee worden de duivelse legerscharen aangeduid, die zich op de gehele aarde bevinden en hun invloed zullen laten gelden, nadat de zonen Gods verzegeld (met de Heilige Geest) zullen zijn, bij het eind van het zesde zegel.

 

Merkwaardig is nog dat er enkele spreekwoorden bestaan die wind in ongunstige betekenis als beeldspraak hebben, bijvoorbeeld: in de wind zijn = licht beschonken, de wind in het hoofd hebben = wild en woest zijn, zich met hersenschimmen vleien. Zou men intuïtief gevoeld hebben dat dit iets met het rijk van de duisternis te maken heeft?


Wolk

Het beeld van de wolk, de gemeente aanduidende, is als beeldspraak ook onze aandacht waard. Wanneer we dit beeld met 'wind' vergelijken, zien we dat er verschil is met betrekking tot de zichtbaarheid. Het is als het ware de 'geest' (wind) die een gestalte heeft gekregen, zich op bijzondere wijze openbaart. Dit kan slaan op de mens, maar ook op God. In Ex. 16:10 staat: 'Ze richtten hun blik naar de woestijn, en zie, de heerlijkheid des Heren verscheen in een wolk'. God manifesteerde dus zijn Wezen op bijzondere wijze al in het Oude Testament, en in het Nieuwe Testament geeft Hij zijn gehele koninkrijk, het Koninkrijk Gods, aan de mens, de gemeente. Hij neemt dan op niet te evenaren wijze gestalte aan in de gemeente, waardoor deze Zijn Heerlijkheid weerspiegelt, zodat anderen door dat klimaat van blijdschap, vrede en gerechtigheid worden aangetrokken.

In de wolken vormt zich ook de regenboog, waarin de veelkleurige wijsheid Gods in de gemeente(n) zichtbaar wordt. Verder valt het op, dat een wolk in feite de verbinding vormt tussen de hemel en de aarde. God daalde in een wolk neer, Hij verbond zich met de aarde en Hij ging er ook een verbond mee aan. Tegelijkertijd is 'wolk' weer een zgn. hemels, verheven beeld.

Wat drukt een wolk nog meer uit? Hij bestaat uit miljoenen waterdruppeltjes (En zie, ik zag een ontelbare schare, die niemand tellen kon), maar toch is hij een eenheid; de druppeltjes staan niet op zichzelf, maar hebben gemeenschap met elkander, doordat ze iets gemeenschappelijks hebben, namelijk het Licht. Ook trekken de druppeltjes samen op, elkaar ondersteunend en de ander tot zegen strekkend.

In de natuur heeft een wolk de functie om zijn gave aan de dorre, droge aarde mee te delen. Nu geeft een wolk zijn druppels pas vrij, wanneer hij in een koude luchtlaag komt.

Ook hier zien we de geestelijke betekenis van, of zoals Gal. 4:24 zegt: 'Dit is iets waarin een diepere zin ligt'. De wolk, of de gemeente, mag op de kille, dorre aarde van zijn gaven mededelen. De zonen Gods zullen de dorst kunnen lessen van degenen die dorsten naar de gerechtigheid.

 

Hoe ontstaat eigenlijk een wolk? In de natuur zorgt de zon ervoor dat er een wolk wordt gevormd. Het is een troostvolle gedachte, dat de Zon der gerechtigheid, beeld van God. Zélf zijn wolk, de gemeente, bereidt. Dit is het grote geheimenis; daarom is het beeld van de wolk zo treffend gekozen. In het Oude Testament openbaart God Zich in de vorm van een wolk, maar tegelijkertijd verhult Hij Zich. In het Nieuwe Testament is het een nog groter geheimenis. Hóe God gestalte aanneemt, in de eerste plaats in Zijn Zoon en daarna in de zonen Gods, is enerzijds een mysterie, anderzijds een openbaring, de Openbaring.

 

Zee

 

'En voor de troon was als een glazen zee, kristal gelijk'.

Zo begint vers 6 in Openb. 4 volgens de vertaling van het NBG. Een wat stuntelige en in feite taalkundig onjuiste overzetting van deze zin.

Bij een poging deze te ontleden, zal men al gauw ontdekken dat hier iets niet klopt: inderdaad, het onderwerp ontbreekt (als een glazen zee is een bepaling).

Het eigenaardige nu is, dat in de Griekse grondtekst niet het onderwerp, maar het werk-woord ontbreekt. Letterlijk staat er: als zee glazig gelijk kristal. Zo komen we er natuurlijk ook niet uit, en daarom zoeken we verder. Dan valt ons een derde feit op. Een normale vergelijking is bijvoorbeeld: De zee was zo glad als een spiegel.

Hier zijn dus twee associatie-elementen (zee - spiegel) met een gemeenschappelijke eigenschap 'glad' (voor de liefhebbers: het z.g. tertium comparationis).

 

De vergelijking in onze tekst heeft nog twee bijzonderheden. Er staat niet: de zee was zo glad als glas, maar er was iets als een zee, als van glas, als van kristal. Het z.g. tertium comparationis 'glad' of iets dergelijks, het gemeenschappelijke kenmerk, missen we merkwaardigerwijs.

Bovendien heeft de gehele vergelijking iets onbepaalds, onuitspreekbaars; hetgeen Johannes in de geestelijke wereld ziet, valt blijkbaar zeer moeilijk onder aardse woorden te brengen, en de aanduiding blijft daardoor vaag. De schrijver doet kennelijk grote moeite een juiste beschrijving te geven, maar hij kan, wat hij waarneemt alleen maar benaderend met 'als' aangeven. Er bestaat bij mijn weten geen enkele vergelijking met een dergelijke driedelige constructie. In de vierde plaats is het belangrijk op te merken, dat er in de grondtekst twee verschillende woorden staan, die wij kunnen vertalen met 'als, zoals, of gelijk'.

 

Bij 'zee' vinden we het partikel 'hoos' = als, maar bij 'kristal' staat 'homo' = dezelfde, gelijk(soortig). Al deze taalkundige wetenswaardigheden zijn noodzakelijk voor een juist verstaan van deze tekst, anders krijgt men de meest dubieuze uitleggingen of vertalingen. En als Johannes zich zoveel moeite getroost om ons, wat hij ziet, in taalvormen duidelijk te maken, dan mogen wij ons toch wel inspannen en de bedoeling van deze vormen naspeuren.

 

De zaak zit nu als volgt in elkaar: de 'zee' in de Openbaring is een beeld van het religieuze leven der mensen (zoals de 'aarde’ dit is voor het natuurlijke leven).

In onze tekst gaat het om iets dat het best kan worden weergegeven met het woord 'zee', waarvan het bijzondere dan weer is dat deze lijkt op glas, of liever, op kristal. Kennelijk heeft de auteur niet op de helderheid van de 'zee' willen wijzen, want dan had hij kunnen volstaan met de vergelijking 'als glas'. Hij had dus een andere eigenschap van glas op het oog. Glas is behalve doorzichtig ook hard. Deze z.g. notie (één woord heeft verschillende noties) wil de schrijver naar voren halen, en daarom voegt hij er aan toe: 'kristal gelijk'.

 

Nu is het weer het vervelende dat ons woordje 'gelijk' zoveel van zijn oorspronkelijke betekenis verloren heeft, dat we de bedoeling ervan nauwelijks meer zien. De betekenis van 'gelijk' is nog het best bewaard gebleven in de taal van de wiskunde: hoek a is gelijk aan hoek b, dat wil zeggen, hetzelfde.

Hoe ver men soms van de oorspronkelijke betekenis verwijderd raakt, blijkt wel uit het foutieve gebruik, als men meteen, ogenblikkelijk bedoelt, maar onjuist aangeeft met 'gelijk': 'Hij ging gelijk mee; ik zal het gelijk doen enz.

Maar in onze tekst is gelijk in eigenlijke zin gebruikt en wil dus zeggen: een zee, precies gelijk aan kristal, hetzelfde als kristal. Het Griekse woordje 'homo' geeft dus meer een overeenkomst, een identificatie aan, dan een vergelijking.

Een vertaling, die de grondtekst het meest benadert, zou daarom kunnen luiden: En voor de troon bevond zich iets dat leek op een 'zee' van glas, of liever, van kristal.

Deze nauwe betrekking tussen zee en kristal kan ook in een bekende andere taalvorm worden weergegeven, waarin de identificatie nog beter tot uitdrukking komt: 'de zee was van kristal', of nog directer: 'de zee was kristal'.

Op deze wijze komt het ontbrekende, of misschien juister geformuleerd, het verborgen 'verenigingspunt' (het tertium comparationis), nl. van de hardheid, duidelijker naar voren.

Dit vijfde punt verdient onze aandacht. De zee, c.q. het element water, is immers niet 'hard', maar biedt juist geen weerstand, in tegenstelling tot kristal, dat glashard is.

Een andere mogelijkheid die tot nog toe bij de uitleg openblijft, is een eventuele aandui-ding van de notie 'helder' van glas en kristal. Om aan te geven dat dit niet in onze tekst wordt bedoeld, is het bekijken van de context noodzakelijk.

En dan blijkt meteen al uit het voorgaande vers, dat met de 'kristallen zee' niet bedoeld is, zoals veel wordt verondersteld en uitgelegd, de heerlijkheid Gods: 'En van de troon gingen bliksemstralen, stemmen en donderslagen uit'. Hier dus zeker geen lieflijk beeld!

Het geheel wordt nog duidelijker als men de parallelpassage uit Openb. 15:2 opzoekt: 'En ik zag (iets) als een zee van glas met vuur vermengd'.

'Vuur' is, zoals bekend zal zijn, in de Openbaring het beeld van de demonische machten, die hard en meedogenloos zijn. Openb. 15:2 gaat dan verder (en ik zag): 'de overwinnaars van het beest en van zijn beeld en van het getal van zijn naam, staande aan de glazen zee, met de citers Gods. En zij zingen het lied van Mozes'...

 

Nu Johannes de geschiedenis van de ondergang van Farao (= beeld van de satan) in de Rode Zee noemt, zal er over de uitleg van deze tekst geen twijfel meer kunnen bestaan. Zoals Farao met al zijn volk in de Rode Zee verdronken is en het volk Israël droogvoets werd doorgeleid, zo staan ook de nieuwtestamentische overwinnaars aan (of na) de glazen zee, nadat het oordeel Gods is voltrokken. De mensen die met het vuur, de machten, verbonden zijn, zullen echter in de zee omkomen. Nadat de machten der duisternis de mensen volkomen gedemoniseerd hebben, komt de woedende zee als het ware tot rust; alles is nu 'uitgekristalliseerd', vast en onherroepelijk geworden, net zoals glas dat gestold is.

Dat Van Dale bij 'kristal' aantekent: in literaire taal, met dooreenspeling van de vorige betekenissen, als min of meer magisch voorwerp, centrum van krachten en symbolen (denk aan de kristallen bol waarmee helderzienden werken), is in dit verband wel veelzeggend.

 

Zegel

 

Wie de Openbaring van Johannes nauwkeurig leest, komt al gauw tot de ontdekking dat er met betrekking tot het woord 'zegel' twee groepen te onderscheiden zijn. Ten eerste het zegel van de boekrol, ten tweede het zegel van de gelovige.

Het is duidelijk dat het zegel van de boekrol iets anders inhoudt dan het zegel dat de gelovige ontvangt. Het ene is materieel, zichtbaar - het andere gebeuren, geestelijk, onzichtbaar.

Een voorbeeld van het eerstgenoemde zegel vinden we o.a. in Openbaring 5:1:

‘En ik zag in de rechterhand van Hem, die op de troon zat, een boekrol, beschreven van binnen en van buiten, welverzegeld met zeven zegels’.

Een voorbeeld van de tweede categorie staat o.a. in Openbaring 9:4:

‘En hun werd gezegd, dat zij aan het gras der aarde geen schade zouden toebrengen, noch aan enig gewas, noch aan enige boom, maar alleen aan de mensen die het zegel van God niet op hun voorhoofden hadden’.

De oplettende lezer zal hebben opgemerkt, dat er sprake is van mensen die het zegel niet ontvangen hebben. Aan de hand van deze z.g. negatieve bewijsvoering - die wel vaker wordt toegepast - kunnen we echter concluderen, dat er dan ook mensen zijn die het zegel van God wél gekregen hebben. En wie aan deze uitspraak nog zou twijfelen: de grammatica komt ons hier te hulp.

In de eerste plaats staat er het voegwoord van tegenstelling 'maar': d.w.z. de boze geesten mogen de mensen die het zegel wél ontvangen hebben, geen schade toebrengen, maar alleen...

Ten tweede zien we nog het woordje 'alleen'. Dit duidt op een beperking. De zin van: 'alleen ... hadden' wordt dan ook een bijw. bepaling van beperking genoemd.

Ten derde is er nog een ver-taal-kundig punt. In Openb. 7:3 staat: ’Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee noch aan de bomen, voordat wij de knechten van onze God aan hun voorhoofden verzegeld hebben’. Zowel wat de taalvorm als wat de inhoud betreft, zien we hier een duidelijke parallel.

Het NBG had ons deze grammaticalia kunnen besparen, als dit genootschap had vertaald:

'. . . voordat wij het zegel van God op de voorhoofden van zijn knechten hebben gedrukt'. Wel doet het NBG dit in Joh 6:27e: ‘want op Hem (Jezus) heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt’, omdat er in het Grieks hetzelfde werkwoord (sfragizein) staat.

Ten vierde nog een moedertaalpunt. Iedere Nederlander weet wel dat er in principe geen verschil is tussen verzegelen en een zegel ontvangen (geven). Het voorvoegsel 'ver' heeft in dergelijke woorden de betekenis van: erbij, met, aanbrengen. Bijvoorbeeld, vergulden, verzilveren; dus van goud, van zilver voorzien.


Twee parallellen

 

Na de onderscheiding van de twee genoemde begrippen, de betekenis ervan. We nemen eerst het 'gemakkelijkste' zegel: dat van de boekrol.

Wat voor functie had een dergelijke zegel in het algemeen eigenlijk? Uit de geschiedenis-lessen weten we misschien nog wel dat er koeriers waren die verzegelde brieven moesten overbrengen. Iemand die daartoe bevoegd was - anders had de verzegeling immers geen enkele waarde - mocht de brief verzegelen, er zijn zegel op drukken. De opsteller van de brief was meestal dezelfde als degene die de brief verzegelde. Hij gaf daarmee te kennen, dat wat hij geschreven had, geheim was. Het betrof altijd een gewichtige zaak, weldoordacht en overwogen, als bewijs waarvan hij zijn epistel bezegelde, d.w.z. hij erkent en bevestigt de inhoud ervan met zijn autoriteit.

Niet alleen de persoon die een brief mocht verzegelen, moest daartoe bevoegd zijn, maar ook degene die het zegel wilde verbreken.

 

Nu de machtige parallel. Johannes ziet ook een boekrol, zelfs verzegeld met zeven zegels. Niemand is bevoegd om deze geweldig belangrijke boekrol (beeldspraak voor het plan van God, de Vader, dat Hij met de mens heeft) te openen. Alleen de Zoon is hiertoe bevoegd. Jezus verbreekt de zegels en openbaart zo (vandaar de naam Openbaring) wat er staat te gebeuren met de mens. De Openbaring is niet, zoals velen menen, een gesloten boek, maar ligt open voor ieder die moeite wil doen de geestelijke zin ervan te verstaan.

 

We merken hierbij op dat er in de Openbaring van Johannes zoals wij die kennen, wel sprake is van woorden Gods, die Johannes moest verzegelen, en dus niet openbaren of opschrijven, namelijk de zeven donderslagen in Openb. 10:4. Deze woorden vinden we dan ook niet in onze openbaring.

De tweede geweldige parallel vinden we in de verzegeling aan de voorhoofden van de gelovigen door God. Dit is een beeldspraak aangaande het grootse gebeuren van de doop in de heilige Geest.

Dan wordt ook de aangehaalde tekst van Joh. 6:27 duidelijk: 'want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt', d.w.z. God heeft aan zijn Zoon zijn Geest gegeven, zoals er ook geschreven is in Matth. 3:16:
’Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en Hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem neerkomen. En zie, een stem uit de hemel zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.’

Daarom heeft God zijn zegel (zijn Geest) op Hem gedrukt, en kan Hebr. 1:3 zeggen, dat Jezus de afdruk van Gods wezen is. En Jezus wil niets liever dan dat de 'broeders' - en dat zijn wij - ook de Heilige Geest ontvangen: hoeveel te meer zal de Vader de heilige Geest geven aan hen die Hem daarom bidden?

God, de Vader heeft dit grote geheimenis aan zijn Zoon toevertrouwd en al de uitspraken en beloften van de Vader heeft Hij door de doop des Geestes aan zijn Zoon bezegeld.


Noodzaak

 

Deze verzegeling of doop in de heilige Geest is absoluut noodzakelijk, want anders zullen de boze geesten ons ook schade toebrengen.

De majestueuze ouverture van Efeze 1 eindigt met het imponerende slot: ‘... in Hem zijt gij, toen gij gelovig werd, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte.’

En geloven houdt niet altijd in dat wij de heilige Geest ontvangen hebben. Dat zag Paulus goed toen hij - ook al in Efeze - enkele mensen, nee discipelen aantrof (die dus wel geloofden) die deze doop nog niet hadden ondergaan. Maar Paulus wist hier geestelijk raad mee: ‘En toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de heilige Geest over hen en zij spraken in tongen en profeteerden’ (Hand. 19).


Doop en zegel

 

Na alle gegevens en feiten die de bijbel ons verstrekt over de verzegeling als beeld van de doop in de heilige Geest, is het verwonderlijk dat vele theologen in het zegel of de verzegeling een teken van de waterdoop zien, waarvoor echter geen enkele bijbelse grond bestaat.

 

De dooppraktijk in vele kerken heeft het onjuiste verband tussen zegel en doop nog verstevigd, door bijvoorbeeld alleen het voorhoofd te bevochtigen of er met de vingers wat water op te brengen. Op grond van deze verkeerde praktijk komt men al gauw tot een onbijbelse uitleg. Deze exegese bestond niet toen er nog geen 'gereformeerd-protestantisme' was (de term is van prof. dr. A. N. Lekkerkerker in zijn: Gij zijt gedoopt). Deze hoogleraar moet ten aanzien van de vroegste dooppraktijk ook toegeven: Ongetwijfeld heeft het woord voor dopen oorspronkelijk de betekenis van een doen induiken in het water om weer daaruit te laten opkomen (pag. 83).


Oorzaak

 

Hoe ver dit misverstand is doorgedrongen, blijkt onder andere ook uit het artikel van Reicke en Rost, in hun Bijbels historische woordenboek, pagina 119. Nadat allerlei zaken over 'zegel' zijn gezegd, volgt onder punt 3. 'In overdrachtelijke zin: ... ook de christelijke doop kon als zegel worden opgevat (2 Cor. 1:21 e.v.; Ef. 1:13, 4:30; Op. 9:4)'. Wie de moeite neemt (en wie doet dat) deze teksten erop na te slaan, wrijft zich wel even de ogen uit:

Eerst Corinthe:
Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde en ons heeft gezalfd, is God, die ook zijn zegel op ons gedrukt (...) heeft.

Efeze 1:13 (al genoemd); dan Efeze 4:30, zelfde strekking. Openbaring 9:4 is ook al genoemd.

Nu zal iedere gelovige leek, maar ook de gestudeerde wetenschapsman toch moeten toegeven dat dit zegel niets van doen heeft met de doop in water.

Met deze feiten in handen kijkt men toch wel verbaasd tegen de achterflap van dit woordenboek aan, waarop staat: Dit nieuwe bijbelse woordenboek is voortgekomen uit de duidelijke behoefte aan een informatiebron betreffende de feitelijke gegevens van de bijbel en van de wereld daaromheen, een informatie die zakelijk, wetenschappelijk verantwoord en up to date is. (...) Zij (de uitgevers) hebben de stof in een reeks artikelen vastgelegd en de uitwerking ervan opgedragen aan een groot aantal geleerden uit de hele wereld, bekende specialisten aangaande een bepaald onderdeel (enz.) ...


Overzicht

 

Er zouden nog wel meer dingen over dit onderwerp te zeggen zijn, maar binnen dit kader gaat dit te veel ruimte vragen en daarom zullen nog enkele schematische punten volgen, aangezien ze toch wel belangwekkend en opbouwend zijn. Ook enkele punten die al genoemd werden, zullen er voor de volledigheid in worden opgenomen.


Zegel (in algemene zin)

1 als teken, symbool van een bevoegdheid, erkenning;
2 als aanduiding van een geheimenis;
3 als onderstreping, bevestiging dat iets vaststaat;
4 als beeld van de doop in de heilige Geest.

 

Lijkt er op het eerste gezicht niet veel verband te bestaan tussen de boekrolzegels en de zegels van de gelovigen, bij nader inzien is het verband frappant:


Verband tussen de zegels

De gelovigen en de boekrollen worden beide verzegeld, d.w.z.
a) ze worden erkend, goedgekeurd
b) ook het geheimenis is gemeenschappelijk; immers de gelovigen die met de heilige

    Geest verzegeld zijn zullen met verbazing aanschouwd worden (2 Thess. 1:10)
c) alleen God verzegelt de boeken en ons.


Soorten zegels

* zegel der gerechtigheid (Rom. 4:11)
* zegel op het apostelschap (1 Cor. 9:2)
* zegel van mijn bekering (Joh. 3:33)

 

Dit alles hebben we te danken aan Hem, Die gezegd heeft:

‘Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij.’

 

Woestijn

 

De vrouw (beeld van de gemeente in een andere fase) vlucht naar de woestijn. Dit wil zeggen: er komt een volkomen scheiding tussen de valse kerk en de ware gemeente van Jezus Christus. Het is een opdracht van God zelf, die zegt: 'Gaat uit van haar', uit de valse kerk met haar leer der vaderen, formulieren van onenigheid, moderne theologieën of antieke belijdenisgeschriften, die niet het doel van God met de mens beogen: de volkomenheid, het uitgroeien hier en nu van een kind van God, tot een zoon van God. Verstoken van alle steun van de traditionele religieuze leiders zal de gemeente moeten leren, geheel en al afhankelijk van de Vader te leven, net zoals de Israëlieten, geïsoleerd van de andere volken, moesten leren leven met hetgeen God hun gaf in de woestijn.

Het beeld van de woestijn roept natuurlijk ook herinneringen op aan het verblijf van Jezus in de woestijn, nadat Hij eerst gedoopt, verzegeld was met de Heilige Geest. De duivel viel Hem wel aan in zijn geest, maar door de kracht van de Heilige Geest kon Hij de boze weerstaan en verslaan. De zonen Gods, die ook verzegeld zijn met de Geest, worden ook wel aangevallen, maar zij hebben eveneens de kracht Gods ontvangen om staande te kunnen blijven in de boze dag.


Zwaard

 

'En Hij had zeven sterren in zijn rechterhand en uit zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard' (Openb. 1:16).

Het zwaard is een beeldspraak voor het woord dat uit iemands mond komt. We vinden dit door de bijbel zelf verklaard in Openb. 2:16: 'Ik zal strijd voeren met het zwaard mijns monds'. In deze tweede naamvalsvorm wordt de nauwe relatie tussen het zwaard en de mond uitgedrukt (de mond is een zwaard), en voor deze bijzondere constructie gebruikt men de term subjectieve genitief (mond is onderwerp of subject). Ook hier hebben we weer een beeld in een beeld, want de mond is geen zwaard, maar duidt op zijn beurt als beeld weer op het woord, dat met grote kracht wordt uitgesproken en zijn uitwerking niet mist.

 

Het opmerkelijke hierbij is nog het soort 'zwaard': tweesnijdend. a. De gelovige wordt door loutering behouden en b. de vijand uitgeschakeld: het mes snijdt dus van twee kanten.

Over deze loutering lezen we bijvoorbeeld in Dan. 11:35: 'Sommigen van de verstandigen zullen struikelen, opdat er onder hen een loutering, schifting en zuivering teweeggebracht worde, tot aan de eindtijd'.

Dat dit zwaard niet van God komt, maar van de tegenstander, blijkt uit vers 33: '...maar zij zullen een tijdlang struikelen door zwaard en vuur'. Vuur is beeld van de demonische machten.

 

Ook in de Openbaring zelf (6:4 en 8) is er sprake van zwaarden, onder andere gehanteerd door de dood, dat wil zeggen, een leer die de mensen geestelijk in de dood voert. Vandaar dat er sprake is van twéé zwaarden: in vers 4 van Openb. 6 gaat het over het zwaard van het rossige paard, dat duidt op het vele bloedvergieten door de valse kerk (lichamelijke dood), terwijl in vers 8 bedoeld wordt de geestelijke dood. Vandaar dat er veelbetekend bij staat: 'Om te doden, met het zwaard (valse leringen), met de honger (het ontbreken van de juiste kennis), met de zwarte dood (het occultisme) en door de wilde dieren der aarde' (alle overige demonen).

 

De betrekking van mond en zwaard blijkt profetisch op vele plaatsen in de bijbel, bijvoor-beeld: 'Hun tanden zijn speer en pijlen, hun tong een scherp zwaard' (Ps. 57:5).

Hier staat het dus eigenlijk precies andersom. Overigens is de beeldspraak uit Openbaring: 'En uit zijn mond kwam een zwaard', nu wel duidelijker: de tong stelt hier het zwaard voor, wat heel begrijpelijk is. Immers, de tong is het belangrijkste spraakorgaan, zonder deze kan men niet spreken.


Tweewaardige logica

 

De tweezijdigheid van het zwaard kan men natuurlijk ook anders opvatten, áls het maar het doel van God met de mens beoogt, de volkomen scheiding van zijn vijanden.

In een bepaalde vorm van logica zegt men, dat het ene begrip slechts bestaat bij de gratie van het andere, of eenvoudiger: 'Ja' bestaat bij de gratie van 'nee', mooi bij de gratie van lelijk, enz. Merkwaardig in dit verband is de tekst in Hebr. 4:12 waarin ook twee kanten naar voren komen: 'Want het woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig ander, (bijv. dat van de duivel) tweesnijdend zwaard, en het dringt door, zó diep, dat het vaneen scheidt ziel en geest, gewrichten en merg'.

De bedoeling is natuurlijk niet dat het gewrichten en merg scheidt -- bovendien zouden we dan de beeldspraak loslaten, want het gaat om een geestelijk zwaard, het woord van God. Het wil hier zeggen, dat de innerlijk mens, tot in de diepste vezels (weer geen échte vezels) wordt gescheiden van elke macht en kracht uit het rijk der duisternis. Maar het scheidt ook gedachten: deze gedachte is goed en die is verkeerd, dit is licht, dat duisternis, dit is de valse kerk en deze de ware, dit is de zuivere leer en dat een dwaalleer, enz.

Maar het woord van God is méér. Het is een kracht, of een rijke schat. Maar men moet wél graven en kijken wat er allemaal te vinden is, of zoals de psalmist zei:
'Ik verblijd mij over uw woord als iemand die een rijke buit vindt!' (Ps. 119:162)

 

Een buiten- en binnenbetekenis

 

'Wie overwint. hem zal ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods'. (Openb. 3:12).

Zo op het eerste gezicht lijkt de 'zuil' niets anders te zijn dan: 'de gelovige die overwint, wordt als een zuil in de tempel Gods geplaatst'.

Maar zoals zo vaak, worden de begrippen, door bestudering van de stilistiek, rijker dan men bij een eerste beschouwing vermoedt. Wie dan ook de moeite neemt langer bij de woorden stil te staan, zal méér zien.

Woorden als dragers van vele begrippen hebben een zogenaamde binnenbetekenis en een buitenbetekenis. Sommige woorden geven dit geheim pas prijs bij een juiste of nadrukkelijke uitspraak, dat wil zeggen: de klank geeft het begrip meer ruimte, meer dimensie.

Als een dichter schrijft dat 'de donder verrómmelde en grómde' ziét men bij het lezen niet alleen het onweer, maar men hóórt ook dat de donder afneemt en 'wegrolt'.

Vele woorden zijn echter door het gebruik of misbruik, net zoals oude munten, zo afge-sleten, dat men het ware beeld ervan niet meer ziet.

Neem nu ons woord 'zuil'. Als we dit begrip in gedachten nemen en het langzaam uitspreken, krijgen we een andere zuil dan in het algemeen. Door de diepe, ronde klank ervaren we er iets majestueus, onaantastbaars, iets geweldig in. Maar ook de 'zuil' is de weg van vele woorden gegaan en heeft het af moeten leggen tegen de vreemde elementen die zich aan hem open indrongen. We zullen het wezenlijke element weer door opnieuw lezen moeten ontdekken, of met een variant op Multatuli: 'Ik kan niet lezen, want ik heb schoolgegaan'.


Woorddimensies

 

Woorden hebben dus niet alleen een buitenkant maar ook een binnenste, en daarmee is nog niet alles gezegd. We zouden het ook zo kunnen formuleren: woorden hebben vier dimensies, en wel
de lengte   = het aantal betekenissen, in het algemeen
de hoogte  = de aard, bijv. verheven of platvloers
de diepte   = het wezen, de oorsprong van het woord
de breedte = het aanrakingsvlak, de associaties.

 

We moeten nu helaas (sommigen zeggen misschien 'Gelukkig') dit taalkundige detailterrein verlaten en ons verder met onze tekst gaan bezighouden, want anders zouden we door de vele woorden de tekst niet meer zien. Toch is zo'n onderscheiding als hierboven wel eens nuttig, want dan komt de 'waarde' van het woord beter tot zijn recht. We zullen genoemde onderscheiding nu toepassen op onze 'zuil'.

 

de lengte: vijf betekenissen volgens het woordenboek; voor ons zijn voornamelijk de navolgende betekenissen (volgens Van Dale) van belang:
1. elk rechtopstaand lichaam van aanmerkelijk groter breedte dan lengte, grote steen of boom;
2. (fig.) persoon of zaak waarop iets voornamelijk steunt.

Bij het verklaren van een figuurlijke betekenis is het altijd goed om uit te gaan van het letterlijke beeld: hier dus van een tempel met zuilen. Onmiddellijk springt dan iets in het oog; bij een tempel zien we altijd een aantal zuilén, meervoud dus. Dit stemt ook overeen met de figuurlijke betekenis. Er is immers sprake van meer dan één overwinnaar, ja van een scháre overwinnaars.

Dan nog een punt. Zuilen hebben een functie; zij ondersteunen of dragen iets. Wanneer de zuilen weggehaald zouden worden of omvergetrokken, zoals Simson deed, stort het gebouw in elkaar. Deze gedachte kunnen we eveneens geestelijk overzetten. Zegt de psalmist niet: 'Gij zijt de Heilige die troont op de lofzangen Israëls'? (22:4).

Op de vele lofprijzingen van het grote aantal zonen Gods berust toch onder andere Gods majesteit? 'Want in de menigte van volk is des konings heerlijkheid' (Spr. 14:28), en, hoe meer zuilen, hoe meer (hemel)vreugd.

En - om weer even naar het letterlijke beeld terug te keren - bestaat er dan geen gevaar van instorten? Onmogelijk, want 'hij zal niet meer uit de tempel gaan; en Ik zal op hem schrijven de naam mijns Gods: 'Ik weet hoe 't vast gebouw van uwe gunstbewijzen naar uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen' (Ps. 89:1). Merkwaardig is ook dat hier naar voren komt dat God de méns wil inschakelen in zijn plan; dat is zijn wil al van voor de grondlegging der wereld: 'in Christus Jezus geschapen om goede werken (waaronder de lofprijzing) te doen, die God tevoren bereid heeft' (Ef. 2:10).

 

de hoogte: het karakteristieke verheven element in de betekenis is hier wel bijzonder duidelijk. 'Verheven' in de zin van de grootse functie van de gelovige, en 'verheven' in de betekenis van opgericht, oprecht en rechtop, en niet meer neergebogen in het stof.

 

de diepte: de oorsprong van het woord 'zuil' komt etymologisch dicht bij 'grondvesten', terwijl het materiaal van een zuil, steen of hout kan zijn. Bovendien is ook de verwantschap met 'zetel' (troon) waarschijnlijk. Grondvesten en zetel wijzen beide naar een voor altijd gezeten zijn.

 

de breedte: het aanrakingsvlak, de breedtegraad van zuil, is opvallend uitgebreid. Dit staat in verband met het grote aantal associatieve woorden; dit zijn begrippen die zeer nauw verwant zijn. Een zogenaamde associatieve reeks is bijvoorbeeld (vooral in woordspelletjes gebruikelijk):
vloer - kamer - stoel - boek - tafel - lamp - wastafel. Vraag: Welk woord hoort hierin niet thuis? Antwoord: wastafel.

Het is duidelijk dat er gradaties in de relaties zijn; sommigen zullen bijvoorbeeld ook boek noemen, omdat op hun (zit-slaap) kamer een wasgelegenheid essentiëler is dan literatuurbezit. Het leggen van de associaties hangt dus mede af van iemands situatie en kennis.

De reeks die we hier bekijken is:
steen - zuil - boom - woud - galerij (gang) - tempel - edelsteen - rijke buit.

 

 

Associaties in Oude en Nieuwe Testament

 

Het verband tussen het Oude en Nieuwe Verbond behoeven we hier natuurlijk niet aan te tonen.

Als we ons de definitie van zuil in letterlijke zin nog herinneren: elk rechtopstaand lichaam van aanmerkelijk groter lengte dan breedte, grote steen, dan is de relatie met bijvoorbeeld, Deut. 27:2 gelegd: 'Op den dag waarop gij de Jordaan overtrekt naar het land dat de Here, uw God, u geven zal, zult gij grote stenen oprichten'. En vers 8: ‘Vervolgens zult gij op die stenen al de woorden dezer wet klaar en duidelijk schrijven’. Wordt hier het aspect van het 'schrijven' benadrukt, in 1 Kon. 18:31 valt het accent weer meer in de richting van de beeldspraak die op personen betrekking heeft: 'Elia nam twaalf stenen naar het getal van de stammen Israëls'.

Nog eigenaardiger is het verband met Jer. 43:10. 'Zie, Ik ontbied mijn knecht Nebukadnezar, de koning van Babel, opdat hij zijn troon zette op deze stenen die Ik verborgen heb'.

 

Maar ook in het Nieuwe Testament zien we duidelijke associaties: 'En kom tot Hem, de levende steen (... ) en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis (tempel) tot het brengen van geestelijke offers’ (1 Petr. 2:4). In datzelfde vers staat ook nog: 'En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar'. Jezus is de mooiste en grootste edelsteen. Nu is het nog maar een klein stapje naar Openbaring 21:19, waarin het nieuwe Jeruzalem is gebouwd op de twaalf fundamenten van edelgesteente (vgl. Elia nam twaalf stenen naar het getal van de stammen Israëls).

 

Ten slotte nog het woud en de bomen: ‘Hij (Salomo) bouwde namelijk het huis: Woud van de Libanon, met vier rijen van cederen zuilen. Dit alles was van kostbare stenen; het was gegrondvest op kostbare stenen, grote stenen’ (1 Kon. 7:2 en 9).

Bouwde Salomo een kostbaar aards huis, Jezus is bezig met de bouw van een geestelijk huis, waartoe de kostbaarste stenen in grootte en kwaliteit gebruikt worden: de lévende stenen, met nog als onverklaarbaar wonder, dat een levende steen, die zich in laat voegen, uitgroeit tot een grote steen, tot een zuil!

 

Een beeld in een beeld

 

Wat de Openbaring soms zo moeilijk maakt, is het feit dat we ons constant bewust moeten zijn dat we met beeldspraak te maken hebben; maar als we het beeld 'zien', moeten we er alleen bepaalde kenmerken van overnemen die voor een goed begrip van de tekst belangrijk zijn: de rest laten we buiten 'beschouwing'.

Ook in onze uitgangstekst is dit het geval. We moeten zien dat de zuil een beeld is van iemand die de volkomenheid heeft bereikt, terwijl de 'tempel' óók weer een beeld is, namelijk van de nieuwtestamentische gemeente in haar voltooiing; dus een beeld (= zuil) in een ander beeld (= tempel).


Gradaties in heerlijkheid

 

Dat er geen aanzien des persoons is bij God, is genoegzaam bekend. Toch blijkt er bij nadere bestudering van de tempel en zuil-tekst aanleiding te bestaan om te spreken van een verschil of trap in heerlijkheid.

Van de mens uit is een dergelijke gedachte niet vreemd; sommige rooms-katholieken bijvoorbeeld menen: Pijn loutert, je wordt er heilig van, je helpt er anderen mee, je bekeert er heidenen en zondaren mee, en echt, geloof me, je beloning is een mooie zitplaats in de hemel (...)

Een sterfbed met geduldig gedragen lijden brengt je hoger in de hemel dan een plotse-linge, pijnloze dood! (aldus de oude pater franciscaan in een verslag in de Telegraaf, 20-1-'73). De protestanten hebben deze gedachte om de hemel te verdienen of om er een beter plaatsje te krijgen (wat stelt men zich daarbij dan voor) met beslistheid - en terecht - van de hand gewezen. Alles is immers genade? Of je nou een deurmatje wordt of een zuil!

Maar deze deurmatjesmentaliteit vindt in de bijbel geen grond, integendeel: 'Wie overwint', zegt God, 'die wordt een zuil'. Wij worden juist opgeroepen ons niet achter de genade van God te verschuilen (want dát is goedkope genade), maar om tot bloedens toe te strijden, weerstand te bieden, en in de kracht van de heilige Geest de overwinning te behalen.

Wie zo min over de geweldige genade van God denkt, diens gedachten worden kennelijk geïnspireerd door de boze, die immers niet wil dat de mens een zuil wordt, of zoals Hebr. 10:35,36 en 39 zegt:
'Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs (door gewild nederig te zijn), die een ruime vergelding (beloning) heeft te wachten. Want gij hebt volharding (in de strijd) nodig, om de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is…. Wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt'.

We zullen deze gradatie-in-de-genade dus op bijbelse grond, en op grond van ónze inzet, moeten erkennen. Profetie bijvoorbeeld is niet alleen gebaseerd op de genade van God, maar meer 'naar gelang van ons geloof' (Rom. 12:7).

Ook in het Oude Testament vinden we deze 'beloningsgedachte'. Het is in feite heel eigenaardig dat sommigen hier moeite mee hebben, terwijl men wel gelooft, dat God álles heeft gegeven, zelfs zijn eigen Zoon.

 

Ten slotte nog een tekst waarin de gradatie in heerlijkheid, in het Oude Testament voorkomt:
'En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid gebracht hebben als de sterren' (Dan. 12:3).

 

Verzegelden

 

'En ik hoorde het getal van hen die verzegeld waren: honderd vier en veertigduizend waren verzegeld uit alle stammen der kinderen Israëls' (Openb. 7:4).

Het 'zegel' of de 'verzegeling' zijn beelden van de doop in, of het ontvangen van de Heilige Geest voor wedergeboren christenen. Zo moesten de discipelen die immers wedergeboren waren, wachten in Jeruzalem op de belofte des Vaders (Hand. 1:4), dit is de doop in de Heilige Geest. En Paulus treft in Efeze enkele discipelen aan die evenmin verzegeld waren doordat ze zelfs niet gehoord hadden dat er een heilige Geest is. Toen zij dit hoorden lieten zij zich (over) dopen in water, en toen Paulus hun de handen oplegde kwam de Heilige Geest over hen, en zij spraken in tongen en profeteerden (Hand. 19:1-8).

En 2 Cor. 1:21 zegt: 'Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde, en ons heeft gezalfd (weer een beeld van de doop in de Heilige Geest) is God, die ook zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft'. Verder zijn de honderdvier en veertigduizend ook niet letterlijk op te vatten, zomin als 'alle stammen der kinderen Israëls'. Dit laatste is bedoeld van de gemeente van Jezus Christus van alle tijden en alle plaatsen; een natuurlijke afstamming van de joden heeft geen geestelijke betekenis want niet hij is een jood die het uiterlijk is, 'maar indien gij van Christus (zijn gemeente) zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen' (Gal. 3:29).


Zwaard

 

'En Hij had zeven sterren in zijn rechterhand en uit zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard' (Openb. 1:16).

Het zwaard is beeldspraak voor het woord dat uit iemands mond komt. We vinden dit door de bijbel zelf verklaard in Openb. 2:16: 'Ik zal strijd voeren met het zwaard mijns monds'.

In deze tweede naamvalsvorm wordt de nauwe relatie tussen het zwaard en de mond uitgedrukt (de mond is een zwaard) en voor deze bijzondere constructie gebruikt men de term subjectieve genitief (mond is onderwerp of subject). Ook hier hebben we weer een beeld in een beeld want de mond is geen zwaard, maar duidt op zijn beurt als beeld weer op het woord, dat met grote kracht wordt uitgesproken en zijn uitwerking niet mist.

Het opmerkelijke hierbij is nog het soort 'zwaard': tweesnijdend. a) De gelovige wordt door loutering behouden en b) de vijand uitgeschakeld: het mes snijdt dus van twee kanten.

Over deze loutering lezen we bijvoorbeeld in Dan. 11:35: 'Sommigen van de verstandigen zullen struikelen, opdat er onder hen een loutering, schifting en zuivering teweeggebracht worde, tot aan de eindtijd'.

Dat dit zwaard niet van God komt, maar van de tegenstander, blijkt uit vers 33: '...maar zij zullen een tijdlang struikelen door zwaard en vuur'. Vuur is beeld van de demonische machten.

Ook in de Openbaring zelf (6:4 en 8) is er sprake van ‘zwaarden' onder andere gehanteerd door de dood, dat wil zeggen, een leer die de mensen geestelijk in de dood voert. Vandaar dat er sprake is van twee zwaarden: in vers 4 van Openb. 6 gaat het over het zwaard van het ‘rossige paard' dat duidt op het vele bloedvergieten door de valse kerk (lichamelijke dood), terwijl in vers 8 bedoeld wordt de geestelijke dood. Vandaar dat er veelbetekenend bij staat: 'Om te doden met het zwaard (valse leringen), met de honger (het ontbreken van de juiste kennis), met de zwarte dood (het occultisme) en door de wilde dieren der aarde' (alle overige demonen).

De betrekking van mond en zwaard blijkt profetisch op vele plaatsen in de bijbel, bijvoorbeeld: 'Hun tanden zijn speer en pijlen, hun tong een scherp zwaard' (Ps. 57:5).

Hier staat het dus eigenlijk precies andersom. Overigens is de beeldspraak uit Openbaring: 'En uit zijn mond kwam een zwaard', nu wel duidelijker: de tóng stelt hier het zwaard voor, wat heel begrijpelijk is. Immers, de tong is het belangrijkste spraakorgaan; zonder deze kan men niet spreken.


Tweewaardige logica

 

De tweezijdigheid van het zwaard kan men natuurlijk ook anders opvatten; áls het maar het doel van God met de mens beoogt, de volkomen scheiding van zijn vijanden.

In een bepaalde vorm van logica zegt men, dat het ene begrip slechts bestaat bij de gratie van het andere, of eenvoudiger: 'Ja' bestaat bij de gratie van 'nee', mooi bij de gratie van lelijk, enz. Merkwaardig in dit verband is de tekst in Hebr. 4:12, waarin ook twee kanten naar voren komen:
'Want het woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig (ander bijv. dat van de duivel) tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneen scheidt ziel en geest, gewrichten en merg,…'.

De bedoeling is natuurlijk niet dat het gewrichten en merg scheidt - bovendien zouden we dan de beeldspraak loslaten want het gaat om een geestelijk zwaard, het woord van God. Het wil hier zeggen dat de innerlijke mens tot in de diepste vezels (weer geen echte vezels) wordt gescheiden van elke macht en kracht uit het rijk der duisternis. Maar het scheidt ook gedachten: deze gedachte is goed en die is verkeerd, dit is licht en dat duisternis, dit is de valse kerk en deze de ware, dit is de zuivere leer en dat een dwaalleer, enz.

 

Maar het woord van God is méér. Het is een kracht of een rijke schat. Maar men moet wél graven en kijken wat er allemaal te vinden is, of zoals de psalmist zei:

'Ik verblijd mij over uw woord als iemand die een rijke buit vindt!' (Ps. 119:162)

 

 

Bovenstaande studie verscheen in KvO in 18 afleveringen van 3 september 1969 tot en met

11 mei 1973. CdF.