kvo brochure

J.E.v.d.Brink

DE VROUW IN DE GEMEENTE

Geen onderscheid tussen man en vrouw

Onze Here Jezus bracht het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Hij maakte daarmee de mens geestelijk los van de aarde en voerde hem in de onzienlijke wereld. Paulus sprak over een wijsheid, die niet van deze eeuw is, noch van de beheersers dezer eeuw. In de geestelijke wereld van het Koninkrijk Gods zijn er geen Joden of heidenen, vrijen of slaven, mannen of vrouwen. In de hemelse gewesten bestaat er geen verschil in sekse. Dit behoort bij het natuurlijke leven. Door bekering en wedergeboorte worden man en vrouw op dezelfde wijze in het lichaam van Christus, de gemeente, ingevoegd. Beiden worden vervuld met de Heilige Geest en beiden zijn mede-erfgenamen van Christus. Voor God zijn de seksen gelijk. Paulus schreef: 'Gij zijt allen zonen van God' en 'hierbij is geen sprake van mannelijk en vrouwelijk' (Gal.3:26-28). deze woorden deden de antieke wereld wankelen. Paulus was de prediker van de geestelijke emancipatie van de vrouw. Er is bij hem geen onderscheid. Uw zoon en uw dochter zijn in Christus gelijk. U moogt zich over de geboorte van een stamhouder verblijden, maar uw dochter heeft gelijke eeuwigheidsrechten. De vrouwen zijn mede-erfgenamen des levens (1 Petr.3:7). Wanneer zij na de doop in de Heilige geest geestelijke gaven ontvangen, zijn deze allerminst geschonken om in een zweetdoek verborgen te worden, maar wel om in het midden van de gemeente te gebruiken. De vier dochters van Philippus waren profetessen (Hand.21:9). Dit wordt niet vermeld, omdat het zo'n bijzonderheid was dat zij de gave der profetie hadden, maar vanwege het feit dat zij vier meisjes uit één gezin waren. De pinksterbelofte spreekt immers over zonen en dochters die profeteren. Ook verhaalt Paulus hoe enkele vrouwen samen met hem gestreden hadden in de prediking van het evangelie (Fil.4:3).

Het is voor vele christenen moeilijk te geloven dat de vrouw geestelijk niet minder is dan de man. Zij zien de vrouw niet als mede-arbeidster Gods of mede-erfgename van Christus, maar stellen haar in de gemeente op een lagere plaats dan de man. Er zijn kerken waar het grootste deel van de gelovigen uitgeschakeld wordt, omdat men onderscheid maakt tussen geestelijken en leken. De laatsten worden niet voor vol aangezien. Men verkondigt wel: 'Gij zijt allen broeders', maar in de praktijk van het kerkelijke leven worden de leken niet gelijkwaardig met de geestelijken beschouwd. In de vrije kerken en kringen heeft de boze een andere slag geslagen. Al valt daar het verschil tussen geestelijken en leken vrijwel weg, toch wordt het grootste deel der gelovigen geëlimineerd. De vrouwen, die dikwijls de meerderheid uitmaken, worden immers tijdens de dienst in de gemeente grotendeels uitgeschakeld. Toch bezitten de vrouwen dezelfde geestelijke wapenrusting en ontvangen zij dezelfde geestelijke kracht door de Heilige Geest als de mannen. Jezus sprak niet: 'De voorgaande broeders zullen deze tekenen volgen', maar 'de gelovigen zullen duivelen uitdrijven, in nieuwe tongen spreken en op zieke de handen leggen'. Wanneer in de gemeente, waartoe wij zelf behoren, vrouwen naar voren komen in verband met ziekte, gebondenheid of andere nood, ofwel voor de doop in de Heilige Geest, worden deze geholpen en bediend door zusters die in Gods Geest gedoopt zijn. Eenmaal hoorde Petrus een stem uit de hemel: 'Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet onheilig houden'. Met deze uitspraak werd voor de apostel het verschil tussen Jood en heiden opgeheven. Wanneer nu God in het nieuwe verbond mannen en vrouwen, zonen en dochters,dienstknechten en dienstmaagden gelijkschakelt, zullen wij in de gemeenten geen verschil meer maken (Hand.2:17,18). In 1 Corinthiërs 11:5 spreekt de apostel over vrouwen, die in de gemeente bidden en profeteren. Wanneer zij door God in staat gesteld worden de hoogste geestelijke gave te gebruiken, mogen zij toch zeker ook wel de andere geestelijke uitingen openbaren. Als zij volgens 1 Corinthiërs 14:3 de gemeente mogen stichten, vermanen en bemoedigen, is het wel vreemd wanneer zij dan verder in de gemeente zouden moeten zwijgen.

Twee werelden

Een kind van God leeft in twee werelden: de geestelijke en de natuurlijke. Er bestaat een groot gevaar in het leven dat men de regels en wetten van de aardse sfeer en die van de hemelse of geestelijke door elkaar laat vloeien. De Hebreeënschrijver vermaant: 'Daarom moeten wij ons temeer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien' (Hebr.2:1 St.vert.). Wanneer Paulus roemt over de mens in Christus, mag hij dit doen als erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Christus, als koning en priester in de geestelijke wereld. Aan Hem is daar ook de gehele legermacht van de vijand onderworpen (Luc.10:19). Maar op deze aarde weet hij aller dienaar te zijn: 'Van Grieken en niet Grieken, van wijzen en onwetenden ben ik een schuldenaar' (Rom.1:14).

Jezus zei: 'Maar wie onder u groot wil worden (in de onzienlijke wereld), zal uw dienaar zijn (in de zienlijke wereld), en wie onder u de eerste wil zijn (in het Koninkrijk Gods), zal uw slaaf zijn (op aarde)' (Matth.20:26 en 27). De apostel Paulus had veel te strijden tegen doorvloeien. De Joodse christenen wilden bijvoorbeeld de wetten van de oude of aardse bedéling handhaven. Zij hielden zich aan de besnijdenis, aan de wet van de Sinaï en aan de spijswetten. Zij dwongen ook anderen zich daarnaar te richten, maar Paulus had geleerd dat zij alleen door geloof gerechtvaardigd waren zonder wet en ook alleen door geloof in de hemelse gewesten mochten wandelen. Wanneer een slaaf tot geloof kwam, werd hij een vrijgekochte in de hemelse gewesten, maar op aarde gold: 'Allen, die onder een slavenjuk zijn, moeten hun meesters alle eer waardig achten, opdat de naam van God en de leer geen smaad lijden' (1 Tim.6:1).

Bij God is geen aanzien des persoons. Een rijk of geleerd man heeft veel invloed en macht in deze wereld. Gemakkelijk kan de gedachte postvatten dat zo iemand ook hoog in aanzien in de gemeente moet zijn. Hoewel de Schrift niet gebiedt dat de man met de gouden ring aan de vingers, deze af moet doen, wijst het Woord erop dat hij door zijn rijkdom niet automatisch een eerste plaats in de gemeente mag innemen.

Wanneer kinderen van onbekeerde ouders wedergeboren worden en hun plaats in het Koninkrijk der hemelen als kinderen Gods innemen, blijft op deze aarde van kracht: 'Eer uw vader en uw moeder, opdat het u welga en gij lang leeft op aarde' (Ef.6:2 en 3).

Aan de andere kant mogen ouders gehoorzaamheid van hun kinderen eisen, maar inzake het Koninkrijk der hemelen houdt hun gezag op. Daarom is het altijd uit het vlees, wanneer zij hun kinderen pressen hun geestelijke inzichten te delen. Ook voor hun kinderen geldt het: 'Wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet'.

Omdat Paulus predikte dat in Christus noch man noch vrouw is, maar zij beiden kinderen Gods zijn, meenden vele christenvrouwen dat zij hier op aarde hun eigen man niet meer onderdanig behoefden te zijn. Tot hen werd gezegd: 'Vrouwen weest aan uw man onderdanig als aan de Here' (Ef.5:22). In de gemeente, het huisgezin Gods, hebben man en vrouw echter gelijke rechten.

De vrouw in het ambt

In Prediker 7:28 staat: 'Onder duizend heb ik één mens ontdekt, maar een vrouw heb ik onder deze allen niet ontdekt'. De Prediker had alles onderzocht 'wat onder de hemel (dus op aarde) geschiedt', maar een wandel en strijd in de hemelse gewesten waren hem onbekend. Voor een kind van God blijft een door de duivel overweldigd persoon toch nog altijd een mens. De Prediker sprak laatdunkend over de mensen in het algemeen en over de vrouw in het byzonder. Vele christenen denken ten opzichte van de vrouw hetzelfde. Daarom geldt voor hun colleges en kerkvergaderingen: 'Een vrouw heb ik er niet ontdekt!' Het schijnt voor hen zeer moeilijk te zijn om in de gemeente de vrouw als zoon Gods te zien, zoals er staat: 'Want allen (mannen en vrouwen) die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods (Rom.8:14). Als de vrouw een bepaalde taak in de gemeente vervuld, gaat dit niet tegen Gods bedoeling in. Wanneer de Heer haar met de hoogste gaven toerust, is er zeker geen principieel bezwaar dat zij ook andere functies in de gemeente bekleedt. In het lichaam van Christus zijn mannen en vrouwen, heren en knechten, Joden en Grieken gelijk. Paulus weet heel goed dat deze gelijkheid niet voor het natuurlijke leven geldt. Door haar huwelijk is de vrouw aan haar man onderworpen. Het vermaan klinkt: 'Vrouwen, weest aan uw man onderdanig als aan de Here, want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is zijner gemeente (Ef.5:22 en 23). In de geestelijke wereld zijn beiden gelijk, maar in de natuurlijke wereld wordt de vrouw door haar huwelijk aan haar man (en niet aan andere mannen) ondergeschikt. Wanneer nu een getrouwde vrouw een leidinggevende positie in de gemeente inneemt, kunnen er moeilijkheden ontstaan. Zo kunnen er bijvoorbeeld ook spanningen ontstaan wanneer op een school de vader onderwijzer is en zijn zoon hoofd, of als op een fabriek een zoon als ploegbaas zijn vader opdrachten moet geven. Het is ongewenst dat een vrouw in het openbaar tegen de gedachten van haar echtgenoot ingaat of gezag over hem laat gelden. Om geschillen tussen beiden te voorkomen, schreef de apostel: 'Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de (getrouwde) vrouwen in de gemeente zwijgen; want het haar niet vergund te spreken, maar zij moet ondergeschikt blijven (aan haar eigen mannen) zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen te weten te komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente' (1 Cor.14:34 en 35). Paulus verzet zich dus tegen het openlijk in discussie treden en tegen het vragen stellen van de vrouw, waardoor zij wellicht in conflict met haar man komen kan, maar hij verzet zich niet tegen haar bidden en profeteren. Paulus wilde niet dat de gemeente in opspraak kwam door tegen de gewoonten en zeden van de tijd in te gaan. Het is dus ongewenst dat een getrouwde vrouw een ambt in de gemeente bekleden zal, waardoor de verhouding met haar man schade lijden zou. Vooral in het Midden-Oosten lag dit probleem zeer gevoelig. De gezagsverhouding van de man ten opzichte van de vrouw is daar immers sterker geaccentueerd dan in onze westerse landen. Wie echter meen dat Paulus de vrouw minder achten zou dan de man, begrijpt niet veel van het evangelie dat hij verkondigde. De apostel stelde beiden gelijk in de Here, maar bad om wijsheid ten einde in de praktijk botsingen te vermijden. Daar de moeilijkheden uiteraard bij de getrouwde vrouwen voorkwamen, kon hij schrijven: 'Voor de jongedochters heb ik geen bevel van de Here'(1 Cor.7:25). Ook de weduwen vallen buiten dit onderworpen zijn. In beginsel zou het dus mogelijk zijn dat weduwen en jongedochters in de gemeente een ambt bekleden zouden. Maar deze jonge vrouwen kunnen trouwen en de weduwen hertrouwen. Dan zouden de moeilijkheden opnieuw beginnen. Daarom merkt de apostel op: 'Als weduwe kome in aanmerking iemand niet beneden de zestig jaren, die de vrouw geweest is van één man..., maar wijs jonge weduwen af, want wanneer de zinnen haar van Christus aftrekken, willen zij huwen (1 Tim.5:9-12). Wanneer een weduwe hertrouwt, is zij niet meer instaat haar gegeven belofte inzake het werk voor de Heer na te komen. De apostel gaat er vanuit, dat een weduwe boven de zestig die altijd met één man geleefd heeft, niet meer hertrouwen zal. Voor zulke ongetrouwde vrouwen in het ambt geldt de voorwaarde: 'Evenzo moeten vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles' (1 Tim.3:11).

Sommige vertalers zetten in de laatstgenoemde tekst het bezittelijk voornaamwoord 'hun' voor het woord vrouwen. De grondtekst geeft hiertoe geen aanleiding. Het is niet logisch dat de vrouwen van diakenen aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen, terwijl in hetzelfde hoofdstuk bij vers 3 aan de vrouw van de opziener geen condities gesteld worden. Het meest voor de hand ligt het, dat Paulus wel rekening houdt met het aanstellen van een soort diaconessen, die huisbezoek doen en in de vrouwenvertrekken het evangelie verkondigen (1 Tim.5:13), maar niet met het kiezen van vrouwelijke opzieners. In dit verband geldt dus ook voor een weduwe boven de zestig, wat de apostel schreef: 'Maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft' (1 Tim.2:12). Wanneer hij schrijft: 'Ik sta niet toe', of zoals in 1 Corinthiërs 7:12 staat: 'Maar tot de overigen zeg ik, niet de Here', dan geeft de apostel geen absoluut gebod van de Heer, maar door de Heilige Geest geleid een raad, waarbij hij rekening houdt met de omstandigheden en zeden van zijn tijd. Een vrouwelijk opziener zou in de antieke wereld noch door de Joodse christenen, noch door de meeste van die uit de heidenen geaccepteerd worden. Geen oosterling zou de autoriteit van een vrouw aanvaarden en door haar onderricht willen worden. Wanneer Paulus dan ook zegt, dat de vrouw zich rustig moet houden, betekent dit dat zij voorlopig de plaats moet blijven innemen, die zij had. De tijd van de geestelijke emancipatie van de vrouw was nog niet aangebroken!

In het natuurlijke leven van man en vrouw moet de laatste niet aarzelen haar positie in het gezin in te nemen. Paulus vervolgt: 'Doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengend, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid' (1 Tim.2:15). Wij merken op dat om behouden te worden, dat wil zeggen het einddoel des geloofs te bereiken, ook de man zal moeten blijven in geloof, liefde en heiliging met ingetogenheid of zelfbeheersing. Van de vrouw wordt hier dus gezegd dat zij in het geestelijk leven hetzelfde doel bereiken kan als de man in dezelfde gezindheid als deze, terwijl zij in het natuurlijke leven haar taak als vrouw en moeder en als verzorgster van het gezin, die haar tijd en energie nagenoeg geheel opeist, volbrengt. Daarom is deze tekst praktisch en troostrijk voor de getrouwde vrouw.

In onze gemeenten zullen wij met al deze dingen rekening houden. Wij willen de vrouwen niet uitschakelen, omdat God het niet doet. Hij geeft haar geestelijke gaven evenals aan de man. Wij zien ook dat de vrouw in het natuurlijke leven reeds een geheel andere positie gekregen heeft als vroeger. In de gemeente waartoe wij behoren, is een vrouw, die voldoet aan de apostolische eisen, lid van de 'broederraad'. Deze zuster bezoekt de huisgezinnen en verricht daar geestelijke arbeid. Wij hebben immers dikwijls met dezelfde moeilijkheden te kam-

pen als de eerste christenen. In onze gemeente zijn vrouwen, wier mannen niet mee willen en dan is het verstandiger dat een vrouw zo'n gezin bezoekt, vooral als de echtgenoot niet thuis is, dan dat één van de broeders dit doet. De vrouwen mogen getuigenissen geven, bedienen, bidden en profeteren en waar het mogelijk is ook onderricht geven. Bij het laatste denken wij aan kinderwerk, het leiden van bidstonden, aan het lesgeven op bijbelscholen, aan vrouwenverenigingen, aan onderwijs, aan evangelisatie en aan zending. In al deze takken van dienst kan de zuster, die daar tijd en capaciteiten voor heeft en er roeping voor voelt haar gaven en talenten ontplooien. Als voorganger van een gemeente achten wij haar minder gewenst, daar dit ambt voor haar vele praktische bezwaren oplevert, evenals het bezwaarlijk zou zijn om een weduwnaar van boven de zestig, die nimmer leiding aan een gemeente gegeven heeft, als voorganger aan te stellen. Een getrouwde vrouw zou als voorgangster autoriteit moeten voeren over haar man en een jonge vrouw is zeker niet te verkiezen, 'want als de zinnen haar van Christus aftrekken, willen zij huwen'.

Daarom kan het voorgangersschap van een vrouw niet anders zijn dan een noodsituatie, omdat in de gemeente geen broeder aanwezig is, die capabel is de leiding op zich te nemen.

De kleding der vrouw

Jezus bracht een eeuwig evangelie en zijn woorden waren niet gericht op ceremoniën, belijdenisgeschriften, dogma's en uitwendigheden. Zij waren geest en leven. Jezus bemoeide zich niet met spijs, drank en kleding, die bij ieder volk en in iedere eeuw zich wijzigen. Hij verklaarde bijvoorbeeld alle spijzen rein (Marc.7:19). De Heer gaf geen voorschriften over kleding, noch voor de man, noch voor de vrouw. De Vader in de hemel weet dat wij kleding nodig hebben. Wanneer wij het Koninkrijk Gods zoeken en zijn gerechtigheid, zal God ook in de natuurlijke behoeften voorzien. De Vader in de hemel is de grote ontwerper van de leliën des velds. Welk een schoonheid, sierlijkheid, kleurschakering en majesteitelijke vormen bezitten de bloemen. 'Zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?' (Matth.6:30).

Religieuze geesten dwingen de mensen en speciaal de vrouwen er onesthetisch bij te lopen. Wanneer spotgeesten de mens geen carnavalskleren kunnen aantrekken, zullen vrome geesten het beeld van God doen lopen in een habijt van eeuwen terug, waar geen smaak of heerlijkheid aan is. Zij trachten het kind van God temidden van zijn tijd- en landgenoten door zijn uitwendige verschijning tot een bespotting te maken. De Schepper der orchideeën houdt echter van sierlijkheid, lijn, kleur en elegantie. Wie verplicht de mens in het zwart te gaan en vormeloze kleding te dragen? Denkt de mens daarmee God te kunnen behagen?

In 1 Timotheüs 2:9 en 10 vermaant de apostel de vrouwen, dat zij zich sieren moeten (let er op dat er sprake is van sieren) 'met waardige klederdracht, zedig en ingetogen, niet met haarvlechten en goud of paarlen en kostbare kleding, maar - zó betaamt het vrouwen, die voor haar godsvrucht uitkomen - door goede werken'. Paulus verbiedt hier niet het hebben van een haarvlecht of het dragen van sieraden, want niet haar uitwendige verschijning maakt haar sieraad uit voor God, maar haar zachtmoedige en stille geest. Deze toont men nog niet, wanneer men zich povertjes en ouderwets kleedt, of een bepaalde haardracht heeft. Hij wordt wel openbaar in woord en werk. De apostel geeft in dit hoofdstuk enkele voorschriften, waarop men in de gemeente moet letten. Zo zullen 'de mannen op iedere plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist'. Houden de mannen, die zoveel verordeningen voor de vrouwen kennen zich aan deze regels? In de gemeente zijn aanzienlijke en onaanzienlijke vrouwen. Veronderstel dat zeer voorname vrouwen de samenkomsten der gemeente bezoeken, zoals dit in Beréa gebeurde (Hand.17:12). Zouden zij hun kostbare kleren niet mogen dragen? En geen goud of paarlen als sieraad mogen hebben? De apostel werpt deze vraag niet op, maar wijst erop dat zo'n aanzienlijke vrouw in de gemeente hierdoor geen b_zondere aandacht of positie ontvangen mag. In het natuurlijke leven zit zo'n dame vooraan, naast 'de man met de gouden ring'. Maar in het midden van de gemeente kan zij slechts een eerste plaats verwerven door haar godsvrucht.

In 1 Petrus 3:3 en 4 schrijft de apostel aan de vrouwen: 'Uw sieraad zij niet uitwendig: het vlechten van haar, het omhangen van goud of het dragen van gewaden, maar de verborgen mens uws harten, met de onvergankelijke tooi van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is in het oog van God'. Bedoelt de apostel dat een christin geen sieraad mag dragen of geen haarvlechten mag maken, of geen sierlijk gewaad mag dragen? Zeker niet, maar de apostel schrijft aan vrouwen, wier mannen nog voor het evangelie gewonnen moeten worden. In het natuurlijke leven kan zij bij haar man wellicht iets bereiken door zich goed te kleden, te kappen en door het dragen van mooie sieraden, maar dit alles is van geen belang, wanneer zij haar man wil winnen voor het Koninkrijk Gods. De ongelovige man moet bij zijn vrouw de vrucht des Geestes opmerken. Hij moet door de wandel van zijn vrouw zonder woorden en buiten haar natuurlijke bekoorlijkheid om, gewonnen worden. Hij moet de onvergankelijke en eeuwige waarden van het Koninkrijk Gods leren kennen door het geestelijke evenwicht van zijn vrouw. Wanneer de verborgen mens des harten met de onvergankelijke tooi van een zachtmoedige en stille geest hem niet tot overgave brengt, blijft hij een buitenstaander. Sommige christenvrouwen waren bezorgd en angstig om hun ongelovige mannen en trachten deze door natuurlijke behaagzucht voor het geloof te winnen. Petrus raadde hun aan: 'Laat u geen schrik aanjagen', zoek het niet in uitwendigheden, maar toon uw geloof uit uw levenswandel. Vrome geesten speculeren altijd op de inspanning van de mens. Men kan in zwarte kleren lopen, men kan zijn stropdas afleggen en lompe schoenen aantrekken, zoals sommigen dit doen en anderen voorhouden. Maar daarmee bereikt men bij God niets en evenmin in de onzienlijke wereld der geesten.

Lustgeesten speculeren op de begeerten van een mens, proberen deze op te wekken en in verkeerde banen te leiden om hem zo te doen zondigen. Maar vrome geesten zijn zo sterk dat zij de mens dwingen iets te doen, waarnaar zijn begeerte niet uitgaat. Iedere natuurlijke neiging noemen zij bijvoorbaat al zonde. Zo worden jonge meisjes onder godsdienstige pressie gedwongen kleren te dragen, die enkele modes ten achter zijn. Zij doen dit niet voor hun plezier, maar hun wordt geleerd dat zij daarmee God behagen.

Een vrouw die met de Heer leeft, zal vanzelfsprekend geen oneerbare kleding dragen, die de zinnen prikkelt en de mannen in verleiding brengt. Zij heeft in onze afvallige tijd veel wijsheid en leiding van de Geest nodig om in de grote modezaken haar keus te doen. Zij zal er rekening mee dienen te houden dat zeer vele mannen, helaas ook christelijke, gebonden zijn door sexuele lustgeesten. Deze mannen zijn niet vrij en door kleinigheden worden hun zinnen geprikkeld en hun gedachtenleven vertroebeld. Dat is evenwel geen reden om zich door vrome geesten te laten ringeloren, die blouses voorschrijven met hoge halzen, de kleur der kousen bepalen, de opmaak en de lengte van het haar vaststellen en zelfs verbieden om in tropische landen mouwloze jurken te dragen. Al deze voorschriften zullen de vrouw niet tegen onreine geesten beschermen, want ook de vrome geesten zijn in wezen zelf onrein en dit komt tot uiting doordat zij zich voortdurend bezighouden met zaken, die bij vrije mensen ternauwernood de aandacht trekken.

Het evangelie van Jezus Christus bemoeit zich niet met twisten over lichte of zwarte kousen, een lange broek voor vrouwen, haardracht en dergelijke. Dit alles zijn dingen die door het gebruik teloor gaan, zoals het gaat met voorschriften en leringen van mensen (Col.2:22). Zo kennen wij een vrouw die om haar religieuze overtuiging nooit een lange broek zou aandoen. Zij emigreerde met haar gezin naar Canada. Daar moet zij de eerste tijd meewerken op het land en stak zich rustig in een overall. Wij zagen ook een recente foto van een zendelinge, gekleed in de dracht van het land waar haar arbeidsveld is, compleet met lange, witte broek, die zij hier in Holland zeker niet gedragen zou hebben. Het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, niet in kleding en haardracht, maar 'in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de Heilige Geest' (Rom.14:17).

De hoofdbedekking der vrouw

In vele kerken en kringen zien wij dat de vrouw tijdens de godsdienstoefeningen een hoed draagt. In praktisch alle pinksterkringen stelt men haar de eis dat zij tijdens het gebed en het profeteren het hoofd bedekt. De achtergrond van dit gebruik berust op wat Paulus in 1 Corinthiërs 11:2-16 hierover schrijft. Ook deze gewoonte willen wij bezien in verband met de positie van de vrouw in de hemelse gewesten.

Het is voor ieder wel duidelijk dat, wanneer de apostel zich uitlaat over de hoofdbedekking van de getrouwde vrouw, hij allerminst dacht aan een hoofdshawl of aan een hoed, zoals wij die in onze moderne tijd kennen. Paulus richtte zich tot de vrouwen, die rondom het oostelijke bekken van de Middellandse Zee leefden. Daar was maar één hoofdbedekking, namelijk de sluier. Deze was van doorzichtige stof, die het gelaat, behalve de ogen, bedekte. Zij was in de gehele Oriënt in zwang en gebaseerd op sociaal-religieuze gronden. met de modernisering van het vrouwenleven in de oosterse landen vermindert het dragen van de sluier. In de westerse landen had men vroeger nog de weduwensluier, die van zwarte crêpe was. Ook kennen wij nog de vrij gebruikelijke bruidssluier. Dit zijn maar rudimentaire overblijfselen van een voorbijgegane tijd. Wij vinden zo'n restant ook nog in de voile, die de mode van de 19e en 20e eeuw voorschreef. Evenals de tonsuur werd later in de kerk ook de sluier in verband met 1 Corinthiërs 11:2-16 met een b_zondere soort geestelijkheid verbonden. De uitdrukking: de sluier aannemen, betekent immers nog: kloosterlinge of 'geestelijke' worden. Hier wordt dus een uitwendige vorm gebruikt om uitdrukking te geven aan iets, wat alleen langs geestelijke weg door het geloof verkregen kan worden. Het Koninkrijk Gods heeft immers niets te maken met een bepaalde haardracht, kap, sluier, hoed of hoofddoekje, maar het is binnen in ons.

In de bijbel merken wij op dat alleen de gehuwde vrouwen zich met een sluier bedekten, dat wil zeggen dat zij daarmede het gelaat verborgen. Genesis 24:16 vermeldt dat Rebecca een meisje schoon van uiterlijk was. Eliëzer zag haar aangezicht, want als hij kennis met haar maakte doet hij haar de ring aan de neus (vers 47). Wanneer zij Izak op het veld ziet aankomen, laat zij zich van haar kameel glijden. Het paste haar niet te rijden als haar heer liep! 'Daarop nam zij de sluier en bedekte zich' (vers 66). Vanaf dat ogenblik was de bedekking van haar gelaat het teken, dat zij getrouwd was en voortaan alleen haar eigen man het recht had haar schoonheid te zien. De heerlijkheid der vrouw wordt niet bedekt door een doekje op haar kruin te leggen, maar door haar aangezicht te sluieren. Van Tamar wordt verhaald dat zij de sluier aflegde en het weduwkleed aandeed (Gen.38:19). In 1 Corinthiërs 11:5 zegt de apostel dat een vrouw slechts met gedekte hoofde mag profeteren of bidden.

Geen aanstoot geven

Paulus bracht een revolutionair evangelie. Voor de Heer is immers geen onderscheid tussen man en vrouw. Dit hadden de Corinthische vrouwen goed begrepen. Paulus schreef daarom in hoofdstuk 11:2 'Ik prijs het in u, dat gij in alles aan mij gedachtig blijft en aan de overleveringen zó vasthoudt, als ik ze u overgegeven heb'. Maar de gemeente woonde in een glazen huis. Geruime tijd had Paulus hen onderwezen in het huis van Justus, dat naast de synagoge stond. De vijandige Joden konden dus de ontwikkeling van het christendom van nabij volgen. Ten tijde van Gallio beschuldigden de Joden de apostel reeds, dat hij mensen overreede om God op onwettige wijze te eren. Dit hield natuurlijk in dat Paulus de inzichten, de gebruiken en zeden van de Joden aantastte. In Corinthe waren de geavanceerde getrouwde vrouwen in gemeente begonnen hun sluier weg te schuiven. Maar de apostel wilde geen onnodige aanstoot geven en handhaafde in de gemeente de sluier voor de getrouwde vrouw met een beroep op haar positie ten opzichte van haar eigen man. 'Het is meer dan waarschijnlijk, dat toen de vrouwen als discipelinnen van Christus voor het eerst deel kregen aan al de geestelijke voorrechten op gelijke voet van de mannen, en haar vergund werd de samenkomsten der gemeente bij te wonen, het toch noodzakelijk geoordeeld werd, in dat overgangstijdperk, haar alleen gesluierd toe te laten en haar plaatsen in een afzonderlijk deel van het vertrek te doen innemen' (James Neil). Wanneer de gehuwde vrouwen in de Corinthische gemeente hun zware sluier wegschoven om te profeteren of om te bidden, laat staan om een redevoering te houden, was dit een publieke schande. Zoiets kon niet getolereerd worden. Men moest niet beginnen om een geordende samenleving overhoop te werpen met zulk diep ingrijpende daden, temeer waar men er geestelijk niet rijp voor was. Daarom gaf Paulus enkele geboden en richtlijnen, die alleen voor zijn tijdsbeeld bedoeld waren. Hij wees ook op de andere gemeenten, die zulke vooruitstrevende gewoonten niet hadden. Hij eindigde deze passage met de woorden: 'Wij hebben zulk een gewoonte niet en evenmin de gemeenten Gods'. De voorschriften van Paulus hadden alleen betrekking op de getrouwde vrouwen. Deze waren immers alleen gesluierd en als men hem richtlijnen voor de jongedochters vroeg, was zijn antwoord: 'Aangaande nu de maagden heb ik geen bevel des Heren'. Ongehuwde, profeterende meisjes, zoals de vier dochters van Philippus, leverden in de gemeente dan ook geen enkele moeilijkheid op. Zij kwetsten met hun spreken en profeteren niemands gevoel.

Wanneer de vrouw haar sluier aflegde, gaf zij uitdrukking aan de gedachte, dat man en vrouw die voor de Heer gelijk waren, ook in het natuurlijke leven gelijk zouden zijn. De apostel handhaafde zeer duidelijk het verschil. Hij schreef: 'Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man en het hoofd van Christus is God. Iedere man, die bidt of profeteert met gedekten hoofde, doet zijn hoofd schande aan. Maar iedere vrouw die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaal geschoren is' (1 Cor. 11:3-5). In de zienlijke wereld is er dus een verhouding tussen man en vrouw, zoals in de onzienlijk wereld tussen God en Christus. De Vader heeft de Zoon lief, maar Deze doet alles wat de Vader Hem bevolen heeft. Jezus sprak: 'Mijn Vader is meer dan Ik'. De sluier was de uitdrukking van het feit, dat de vrouw aan de man toebehoorde en hij haar heer was. Een vrouw die ongesluierd sprak, bad of profeteerde, deed haar hoofd (haar man) schande aan. Voor God behoefde zij geen sluier te dragen, evenmin als de man voor zijn hoofd (Christus). In de zienlijke wereld schaduwde zij dus de verhoudingen in de onzienlijke wereld af. Deed zij dit niet, dan stelde zij zich ook in het natuurlijke leven gelijk aan de man, die zoals bij de Grieken en Romeinen de gewoonte was, zich het haar liet knippen of het hoofd liet kaalscheren. Welnu, zo vervolgt de apostel zijn betoog, indien een vrouw zich zo gedraagt, laat zij dan geheel als een man zijn en zich 'het haar laten afknippen'. Maar zich het haar laten afknippen zoals een man of zich kaal laten scheren is een schande of is lelijk (St.vert.) of misstaat (Lutherse vert.). In 1 Corinthiërs 14:35 gebruikt de apostel hetzelfde woord voor iets dat niet paste. Daar wordt gezegd: 'Het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente' Een getrouwde vrouw die zich in het bijzijn van andere mannen ontsluierde, maakte haar man (haar hoofd) te schande. Wat zouden wij denken van een vrouw, die in het bijzijn van haar echtgenoot en andere mannen haar trouwring afdeed? Hoewel deze ring niet voorgeschreven is, zou het afleggen ervan toch heel wat kwade tongen in beweging brengen!

De apostel geeft hier zeker geen kappersvoorschriften voor de twintigste eeuw. Het Koninkrijk Gods bestaat niet uit lang of kort haar, maar uit vrede, gerechtigheid en blijdschap. Wanneer een vrouw vanwege haar leeftijd, haar omgeving, traditie of schoonheidsoverweging het haar niet afknipt, maar op de een of andere wijze samenvlecht of bindt, is dit alleszins te respecteren. Maar nooit mag dit in verband gebracht worden met de dienst van God en zijn Koninkrijk. Dan wordt het opgebonden haar de blikvanger, waarmee de 'vrome' geesten de mens misleiden, alsof zoiets geestelijke waarde kan hebben. Vrome geesten zetten ieder, maar bij voorkeur de vrouwen, onder pressie. Doch degenen die het Koninkrijk Gods zoeken en de gerechtigheid najagen, maken zich over al deze uitwendigheden geen zorg. Wij dienen daarom elkander en ook onze vrouwen volkomen vrij te laten. 'Want waartoe zou mijn vrijheid beoordeeld worden door een anders geweten?' (1 Cor.10:29).

De sluier van Mozes

De bijbel vermeldt dat Mozes zulk een diep en innig contact met de Here had, dat zijn gelaat straalde (Ex.34:35). Met ongedekt aangezicht naderde hij tot de Heer en God sprak met hem als een man tot zijn vriend. Wanneer Mozes echter tot het volk sprak, deed hij een sluier voor het gelaat, omdat men hem anders vanwege de glinstering van zijn huid niet durfde naderen. In 2 Corinthiërs 3 gebruikt Paulus dit gebeuren in verband met de tegenstelling tussen de heerlijkheid van het oude en die van het nieuwe verbond. Hier wordt het oude verbond met de wet op stenen tafelen, het verdwijnende, en het nieuwe verbond met de wet des Geestes geschreven op de tafelen van het hart, het blijvende, genoemd. Mozes deed dan een bedekking of sluier voor het aangezicht 'opdat de kinderen Israëls geen blik zouden slaan op het einde van hetgeen moest verdwijnen' (vers 13). Het einde, de top of het allerhoogste van het oude verbond was het gelaat van Mozes, dat onbewust de heerlijkheid Gods afstraalde. De reden waarom de kinderen Israëls geen blik op deze hemelse heerlijkheid slaan konden, lag in het feit dat zij vleselijk en niet geestelijk waren. 'Maar hun gedachten werden verhard. Want tot heden toe blijft dezelfde bedekking over de voorlezing van het oude verbond zonder weggenomen te worden omdat zij slechts in Christus verdwijnt' (vers 14). De sleutel van de ware kennis is die van het Koninkrijk der hemelen, van de onzichtbare wereld. Jezus heeft ons een blik in deze werkelijkheid gegeven en de schaduw weggenomen. Waar men zich bezig houdt met ceremoniën, de wet van de Sinaï, wassingen, uitwendigheden, natuurlijke afkomst, vleselijk priesterschap, kleding en haardracht, ligt er een bedekking op het hart. Merk op dat de apostel steeds de zienlijke dingen in verband brengt met hun betekenis in de onzienlijke wereld. De bedekking van het hoofd wordt nu de bedekking van het hart, dus van de inwendige of geestelijke mens.

Mozes had wèl het wezen der dingen gezien. Op de berg Sinaï had de Heer hem de onzienlijke wereld getoond. 'Dan zult gij de tabernakel oprichten overeenkomstig het plan dat u daarvan op de berg getoond werd' (Ex.26:30). De tabernakel was slechts 'een afbeelding en schaduw van het hemelse' (Hebr.8:5). Mozes kende de onzienlijke werkelijkheid, maar hij wist ook dat het volk vleselijk was en niet geestelijk; dus geen inzicht kon hebben in de hemelse dingen, dat is in de wereld der geesten. In de onzienlijke wereld ligt daarom bij hen de bedekking niet op het hoofd, maar op het hart. Hun hart was niet in staat om hun geest in geloof te richten op het bovennatuurlijke en door ongeloof zijn ze daardoor omgekomen.

Dan vervolgt de apostel: 'Maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking (of sluier) weggenomen. De Here nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid' (vers 16,17). De wet des Geestes is die van de vrijheid (Jac.1:25). Wanneer de bedekking weggenomen wordt, is het hart door het geloof in staat zich in de bovennatuurlijke wereld te bewegen! De nieuwe wet berust niet op ceremoniën, kleding, hoeden, doekjes, lang of kort geknipt haar, noch op uitwendige vorm. De waarachtige aanbidders 'aanbidden in geest en waarheid', dat is rechtstreeks en zonder enig uiterlijk vertoon. Op het hart van hen wier wandel in de hemel is en die daar strijden tegen de overheden, machten en boze geesten, ligt geen bedekking meer. Ze zijn bezig met de onzienlijke wereld, dat wil zeggen met het eeuwige en niet meer met het zienlijke of tijdelijke. 'En wij allen (mannen en vrouwen, vrije en slaven, Joden en Grieken), die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is' (vers 18). Wanneer dus de bedekking des harten weggenomen is, zou men aan het werk des Heren tekort doen, indien men het aangezicht nog bedekte.

In Christus is man noch vrouw. Beiden zijn voor Hem gelijk en beiden behoeven dus voor Hem geen bedekking te hebben. Deze is weggenomen. Wanneer daarom de vrouw ongesluierd is, zich het hoofd niet dekt, deed zij de Heer geen schande aan, maar in het natuurlijke leven in Paulus'dagen wel haar eigen man. De usances in de Oriënt lieten het ontsluieren niet toe.

Tijdens het profeteren en bidden is er in hoge mate gemeenschap met God en deze behoort ongesluierd te geschieden. Tussen God en het hart is geen afscheidsel meer en het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat de profetessen die inzicht hadden in de hemelse dingen waarin zij door Paulus zelf onderwezen waren, juist bij die gelegenheid de sluier wegschoven, afgezien nog van de praktische verhindering die zo'n hinderlijke sluier bij het spreken was. Het ware te wensen dat men in onze hedendaagse gemeenten zulke klare inzichten had als deze biddende en profeterende vrouwen.

Maar in de natuurlijke en zichtbare wereld had de vrouw rekening te houden met de wensen van haar hoofd, dat wil zeggen van haar man. Want haar heerlijkheid, haar schoonheid die in het gelaat haar grootste expressie heeft, behoorde aan haar man. Ten opzichte van de andere mannen moest de oosterse vrouw zich sluieren en afschermen. Omdat er voor de nieuwtestamentische christenen geen voorschriften zijn aangaande kleding, haardracht en gewoonten, zullen hij en zij zich zoveel mogelijk aansluiten bij de zeden en gewoonten van hun omgeving en van hun tijd. Het christendom is internationaal en voor alle tijden. Het brengt een hemelse visie en het is niet van deze aarde, maar van de onzienlijke wereld: 'Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen' (Fil.3:20).

Een macht op het hoofd

'Want een man moet het hoofd niet dekken (sluieren): hij is het beeld en de heerlijkheid Gods, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man' (1 Cor.11:7). en daarom moet zij zich sluieren. Bedoelt nu de apostel dat de vrouw niet het beeld en de heerlijkheid Gods zou zijn? Natuurlijk niet, want het beeld Gods wordt gedragen door de zonen Gods en hierin is noch man noch vrouw.

Paulus wil evenwel deze getrouwde vrouwen vertroosten. Zij hadden immers inzicht verkregen in de geestelijke werkelijkheid en deze aanvaard en toch moesten zij zich in het midden der gemeente sluieren. De apostel gaat met zijn vertroosting van de bestaande gewoonte uit. Hij zegt dat de sluier een geestelijke realiteit uitbeeldt. 'Zij moet een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen' (vers 10). De sluier der vrouw beeldt dus iets uit in de geestelijke of onzienlijke wereld. De apostel gebruikt hier het woord macht, dat ook te vinden is in Lucas 7:8 (St.vert.), waar de hoofdman te Kapernaüm zegt: 'Ik ben ook een mens onder de macht van anderen gesteld'.

Zoals de vrouw door de sluier onttrokken was aan de blikken van vreemde mannen en zij haar schoonheid alleen voor haar eigen man bewaarde, omdat deze alleen autoriteit in haar leven had, zo heeft de gemeente collectief en ieder lid afzonderlijk een bedekking die haar afsluit van de gemeenschap met andere geesten. Door deze sluier mogen andere geesten de vrouw van Jezus Christus niet benaderen, want deze sluier verbergt het geheimenis van haar omgang met Hem. Jezus alleen is haar Heer en voor Hem is haar schoonheid.

Wat is nu de sluier die de vrouw van Christus op aarde omhult? Hij is het voorhangsel of het vlees, waarachter de inwendige mens verborgen is. Zo werd ook het vlees van Jezus het voorhangsel genoemd (hebr.10:20). Achter dit voorhangsel of deze sluier woont de Geest van God (de Heer) en is de geest van de mens met Hem verbonden. 'Wie de Here aanhangt is één geest met Hem'. Geen engel zal ooit deze heilige tempel binnenkomen, die Christus Zich tot woning verkoren heeft. Jezus is de Hogepriester, die alleen het recht heeft de voorhang weg te schuiven om in het binnenste heiligdom in te gaan. Slechts boze engelen trachten in hun trots en in het begeren naar het Gode gelijk zijn, wederrechtelijk deze voorhang weg te schuiven om gemeenschap met de geest van de mens te zoeken (geestelijk overspel). Zij trachten de verborgen omgang van God met de mens te verhinderen of deze te ontluisteren. Is het wonder dat de Heer aan de gelovigen als eerste opdracht gaf: 'Drijft duivelen uit'! Hij wil een rein huis hebben en de geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid (Jac.4:5).

Ten opzichte van de boze en goede engelen is dus zowel de man als zijn vrouw gesluierd. Man en vrouw vormen in Christus ook een geestelijke eenheid. 'En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw' (vers 11). Is één van beiden geen gelovige, dan is er een breuk in de uitbeelding van Christus en de gemeente.

Hier is aldoor sprake van getrouwde mensen. Wat ongehuwden betreft, dezen zijn zowel in de geestelijke als in de natuurlijke wereld allen gelijk. Hoewel er in de natuurlijke wereld geen gradueel verschil bestaat, is er wel verschil in sekse, maar ook dit laatste valt in de geestelijke wereld geheel weg.

De gedachte dat boze geesten het speciaal op vrouwen gemunt zouden hebben en zelfs sexueel verkeer met hen zoeken, mist iedere bijbelse grond. Dat Genesis 6:1-4 tot deze absurde veronderstelling aanleiding geven zou, is eveneens fantasie. Engelen kunnen geen leven verwekken en geen leven doorgeven. Alleen de mens is hierin het beeld van God. Kinderen des duivels in deze vleselijke en natuurlijke zin bestaan niet.

Nergens wordt verder in de Schrift de gedachte geopperd, dat bij het wederstaan van de duivel de vrouwen een byzonder zichtbaar wapen ter beschikking zouden hebben. De demonen worden niet afgeweerd door een hoed of een hoofddoekje, maar ook de vrouw wordt alleen beveiligd door de wapenrusting Gods. De goede engelen zijn bovendien allen gedienstige geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen die het heil beërven. Deze dienaren hebben zeker geen taak om toe te zien op de onderlinge verhoudingen en rangorden tussen de mensen, zoals wel beweerd wordt. De engelen oordelen de gelovigen niet, maar deze zullen de engelen oordelen (1 Cor.6:3).

 

 

Geen nieuw sacrament

Al deze dingen in aanmerking nemende, geloven wij niet dat Paulus in 1 Corinthiërs 11:10 een sacrament instelde, dat speciaal voor vrouwen van waarde zou zijn. Een sacrament verbindt immers aan het uitwendige teken de onzienlijke wezenlijke zaak. Augustinus zei eens: 'Als het woord Gods bij het uiterlijke ding komt, dan wordt het een sacrament'. Om het scherp te stellen: indien wij aan de hoofdbedekking van de vrouw in onze samenkomsten een bovennatuurlijke waarde toekennen, hebben wij te maken met een sacrament als doop en avondmaal, of met een vorm van occultisme die even gevaarlijk is als het dragen van een amulet of het hebben van een mascotte. De bedekking op het hoofd betekent dan een bedekking over het hart! Wij merken nog op dat de apostel schrijft, dat de vrouw die blootshoofds (ongesluierd) bidt en profeteert, haar man schande aandoet. In vers 10 zegt hij in algemene zin dat een vrouw een macht op het hoofd moet hebben. Dit gaat dus veel verder dan alleen tijdens spreken, gebed, profetie en kerkdienst. De apostel vervolgt dan dat het een eer voor de vrouw is om lang haar te dragen. Het is haar immers tot een sluier gegeven, niet om de rug te dekken, maar om het aangezicht te sluieren (vers 15). Het is duidelijk dat de sluier er niet van de schepping af aan geweest is. Daarom zegt de apostel dat de vrouw van nature lang haar heeft, opdat dit haar voor sluier dienen kan. Wie de natuur wil volgen, zal dus het haar lang moeten dragen, zodat het zonodig voor bedekking van het gezicht dienen kan. Wie de overlevering volgen wil, zal als de oosterse vrouwen een sluier moeten aanschaffen.

Waarom wij over deze dingen schrijven? Wij merken op dat het grootste deel van het christenvolk nog altijd doordrenkt is van de gedachte, dat er geestelijk rangverschil zou zijn tussen man en vrouw. Ook omdat een foutieve uitleg over de hoofdbedekking der vrouw tot ongezonde praktijken in de christelijke gemeenschappen geleid heeft. Wij zagen vrouwen in paniek raken, omdat tijdens een samenkomst onverwacht gebeden werd en zij hun hoofddoekje niet snel genoeg konden vinden. Ook hoorden wij allerlei spitsvondige uitleggingen over de vraag in wat voor soort samenkomsten een hoofddoekje al of niet vereist is.

Op verschillende wijzen wordt op onze zusters in Christus pressie uitgeoefend en maar al te vaak worden zij van hun vrijheid en onbevangenheid beroofd. Paulus kende de betrekkelijkheid van de dingen waarover hij schreef. Aangaande de hoofdtooi van de vrouw had hij geen bevel des Heren en hij liet de mogelijkheid voor een andere gewoonte open. Hij eindigde daarom met de woorden: 'Maar, indien het er iemand om te doen is gelijk te hebben, wij hebben zulk een gewoonte niet, en evenmin de gemeenten Gods'.

Mochten er vrouwen in de gemeente te Corinthe zijn, die ondanks het apostolisch advies toch doorgingen zich te ontsluieren, Paulus liet hen verder vrij. Zij moesten het dan zelf maar weten. Bij hem ging het niet om gelijk te krijgen. Natuurlijk zou dit dan aanleiding geven tot kwaad gerucht, maar de apostel had hen gewaarschuwd. Welnu, de christenvrouwen zijn doorgegaan en zij hebben de raad van de apostel in de daarop volgende eeuwen niet opgevolgd. De sluier verdween en de emancipatie van de vrouw ging door.

Zo willen wij deze brochure met dezelfde woorden eindigen. Als een zuster meent een hoofd- of liever een haarbedekking nodig te hebben, wij zullen haar niet verachten. Wie deze meent te moeten weglaten, zij staat in de vrijheid, waarmede Christus ook de vrouw vrijmaakte. Want het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat, maar het is binnen in ons en bestaat uit blijdschap, vrede en gerechtigheid.

zie voor andere brochure's of artikelen uit kvo :kvooverz