kvo 47e jaargang nummer 6 juni 1983

J.E.v.d.Brink

TALEN VAN MENSEN EN ENGELEN

Stad en tempel

Tussen de lijst van volken in Genesis 10 en die van de nakomelingen van Sem in hoofdstuk 11 vinden we plotseling het verhaal van de torenbouw van Babel met de spraakverwarring. De bekende archeoloog André Parrot schreef in zijn verhandeling over 'De toren van Babel': 'Het verhaal in Genesis 11 zou voor ons geen moeilijkheden opleveren als het bij vers 5 eindigde'. De verzen 6-9 kunnen immers alleen maar begrepen worden vanuit de inzichten die we hebben in het Koninkrijk der hemelen.

De tweede periode der mensheid begon toen de nakomelingen van Noach het hoogland van Armenië met de Ararat verlieten en via Perzië vanuit het oosten - zoals ook gelezen kan worden - naar de vlakte van Sinear afdaalden. Deze streek wordt dan het tweede stamland der volken. Men weigerde daar te voldoen aan de opdracht van God om zich over de aarde te verspreiden, maar begon een stad te bouwen met een toren, waarvan de top tot de 'hemel' moest reiken. Deze tempeltoren zou dan het grote trefpunt worden, waar de mens aan zijn geestelijke behoeften kon voldoen om zich op deze wijze hoger te ontwikkelen. De toren werd tot een bedevaartsoord, tot een religieus monument, waardoor men zich een naam maakte op aarde maar ook in de hemel. Later zijn er meer van zulke zikkuraths gebouwd. Ruïnen van drieëndertig van zulke terrastorens zijn in Babylonië opgegraven. Meestal telde zo'n hoogtempel zeven verdiepingen.

Later liet de koning van Babel, Nebopolasser, de vader van Nebukadnezer, in spijkerschrift op een kleitablet onder meer van de door hem gebouwde 'tempel van de zeven zones (verdiepingen)', optekenen: 'Marduk, de heer, beval mij ten aanzien van Etemenanki, de trappentoren van Babylon, die voor mijn tijd was vervallen en tot puinhopen was geworden, zijn fundamenten in de schoot der onderwereld te bevestigen, en zijn top aan de hemel gelijk te maken. Alle volken van de talrijke natiën dwong ik tot de arbeid aan het bouwwerk van Etemenanki. De verheven woning van Marduk, mijn heer, bracht ik aan zijn top'.

De bakermat van het occultisme

Bij de toren van Babel hebben wij te maken met een tweede val van de mensheid door middel van het occultisme, met een voortijdige bevrediging van het diep verborgen verlangen van de mens om het Koninkrijk Gods binnen te gaan. God heeft immers de eeuwigheidsbehoefte in de mens gelegd. Door middel van spiritistische seances zocht hij daar in de toren gemeenschap met de geestenwereld. Het was evenwel Gods tijd nog niet om de draad van de geestelijke ontwikkeling weer op te nemen. Daarom kwam de mens in kontakt met de demonen. Sprak Jezus niet:'Mijn tijd is nog niet gekomen, maar uw tijd is steeds bereid'? (Joh.7:6). Men maakte zich op om de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te ontsluieren. De weg daarheen was evenwel nog niet geopend; daarom klom men 'van elders' binnen en daalde af naar het dodenrijk, waar men het fundament van het geloof legde 'in de schoot der onderwereld', dat is in de afgrond.

Van Eva staat dat zij verleid werd, maar de torenbouwers werden actief door de zuiging en verlokking van hun eigen begeerte teneinde de duistere sferen van de onzienlijke wereld binnen te dringen. Men zocht gemeenschap met de geesten van de afgestorvenen en daarmee was het uur van het heidendom en van de afgoderij aangebroken. Men werd evenwel misleid, want niet de gestorven familieleden of kennissen begonnen te spreken maar de demonen. Het werd duister in het onverstandig hart van de mensen in Babel.

Men schat het totaal aantal mensen in die tijd op 30.000. Zij vergaderden in een stad waarbinnen hun religieus centrum zou verrijzen. Zij transponeerden hun visie op de komende werkelijkheid van de hemelse gewesten naar de aarde. Ze maakten er een beeld van zoals de Here later opdracht zou geven om een tabernakel met een heilige der heiligen te bouwen naar het voorbeeld dat Hij aan Mozes toonde vanuit het Koninkrijk Gods. Zij spraken: 'Welaan, laten wij tichelen maken en die goed bakken. En de tichel diende hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem'. Zo werd hun geestelijke visie dus uitgebeeld, in tegenstelling met de waarheid, dat Jezus Christus het fundament is, waardoor wij de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen leren verstaan.

De wereldbevolking die één van taal en één van spraak was, had de verbinding tussen aarde en hemel gevonden door middel van het spiritisme en later ook nog door andere vormen van occultisme. Hun religie werd al spoedig ondersteund door een wijsheid die niet 'van boven' was, maar die aards, ongeestelijk en duivels is (Jac.3:15). Leem en asfalt zijn materialen die wel in scherpe tegenstelling staan met het goud, de diamanten en de edelstenen waarvan gesproken wordt bij de bouw van de stad Gods in Openbaring 21:18-21).

Ook kwamen er priesters die hun kennis van de mysteries der hemelse gewesten rubriceerden en systematiseerden, en doorgaven aan volgende generaties: geleerden, bezweerders, chaldeen en waarzeggers (Dan.4:7). Het leem en de asfalt waren beeld van de leugenachtige filosofieën die zij leerden en waarvoor de apostel Paulus zo menigmaal waarschuwde. Later zou de Heer tot een halfheidense Samaritaanse zeggen; 'Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. De ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid', dus niet in aardse vormen en niet met aardse wijsheid (Joh.4:21-24).

In Babel klom voor het eerst in de geschiedenis de religieuze mens 'van elders' binnen. Is het wonder dat de Heer toen naar een man zocht en die ook vond in Abraham. Hij leefde aan het einde van de periode van Genesis 11 in Zuid-Babylonië in de stad Ur. Ook daar was een zikkurath welke gewijd was aan Sin en Ningal. Abraham verliet dit godsdienstige centrum, 'want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is'. Hij zocht een beter, dat is hemels vaderland. Daarom schaamde God Zich voor hem niet, want hij had hem een stad bereid (Hebr.11:10-16). God bouwt zelf een stad en Abrahams Zaad bouwt de tempel, de woonstede van God in de geestelijke wereld, dat is de gemeente. Van dit hemelse Jeruzalem kan worden gezegd, dat Jezus Christus daar zijn volk vergadert en samentrekt als een hen haar kuikens onder haar vleugels. Daarom is het aardse Babel vijandig aan het plan van God tot redding en herstel van de mens.

De trappentoren was een hemelladder, want Babel (bab-ilu) betekent in de taal der Sumeriërs: poort Gods. Jacob zag later ook een ladder in zijn droom en noemde de plaats waar hij had geslapen: poort des hemels (Gen 28:17). De verteller in Genesis 11 verklaart evenwel het woord Babel van uit de Hebreeuwse wortel 'balal', dat verwarren of vermengen betekent. De toren van Babel was dus niet een stadstoren, zeker niet een vuurtoren, maar een toren die wij vergelijken kunnen met de torens van onze kathedralen. Hun hoog oprijzende spitsen beelden het zoeken uit van de mens naar de geestelijke wereld.

Na de val in het paradijs had God de toegang tot het Koninkrijk Gods afgesloten. Adam en Eva werden verdreven van hun ontmoetingscentrum met God bij de boom des levens, waar zij aten en dronken aan zijn tafel in zijn Koninkrijk. Daarna was er geen metamorfose meer mogelijk tot een waar geestelijk mens. Men zou moeten wachten op de komst van Christus Jezus, die de 'enge poort ' des hemels zou ontsluiten. Hij zou velen doen binnengaan door de prediking van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen.

Een doorkijkje naar de hemel

Evenals in Genesis 6:1-4 hebben we in hoofdstuk 11:1-9 een doorkijkje naar de hemelse gewesten. Soortgelijke merkwaardige beschrijvingen van hemelse zaken vinden wij ook in het begin van Job of bij het sterven van Jezus, toen de graven opengingen en er een opstanding der doden plaatsvond (Math.27:51-53). Bij het licht van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen lezen wij nu de diepe achtergrond van het verhaal van de torenbouw en de spraakverwarring. De mensen legden daar in Babel voor het eerst contact met de boze geestenwereld, met de gevallen engelen die innerlijk verdeeld en elkaar vijandig zijn. De grote verwarring die in de hemelse gewesten begonnen was, drong toen door naar de aarde. In Marcus 3:26 zegt de Heer: 'Wanneer de satan in opstand komt tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij geen stand houden maar loopt het met hem af'. Eén zijn de boze geesten alleen in hun vijandschap tegen God en de mens. Hun verdeeldheid brengen ze over in allen met wie ze gemeenschap hebben en die open staan voor hun inspiraties. Zo zien wij overal dat slechte mensen een hekel aan elkaar hebben. Ze worden immers geleid door de geesten, die werken in de kinderen der ongehoorzaamheid (Ef.2:2). Denk bijvoorbeeld is aan Herodes en Pilatus, die op één dag met elkaar bevriend raakten, terwijl ze voor die tijd in vijandschap leefden. Hun afkeer tot de Zoon des mensen bewerkte dat zij één lijn trokken (Luc.23:12). Iedere boze geest heeft zijn eigen bedoeling, terwijl de heilige engelen daartegen dezelfde gedachten Gods koesteren. Zij die door kwade geesten geleid worden, moeten daarom erkennen: 'Wij wenden ons ieder naar zijn eigen weg' (Jes.53:6).

Dat het rijk der duisternis nog bestaat en nog zo'n kracht uitoefent, komt, omdat de satan met geweld heerst over zijn engelen. Hij is vervuld met geweldenarij (Ez.28:16). Evenzo geldt dit voor zijn grootvorsten, ieder in hun eigen sector. De strijders tegen de stad Gods 'gaan voort, ieder op zijn eigen wegen' (Joël 2:7). Het is bij hen als bij een leger op aarde: de soldaten worden onder pressie gedwongen in de pas te lopen en op bevel gewelddaden te verrichten.

De bijbel verhaalt dat in de laatste oorlog tegen 'de geliefde stad' en 'de legerplaats der heiligen', dus tegen het hemelse Jeruzalem met de gemeente, Gog en Magog ondergaan in een onderlinge strijd. Dan zal 'het zwaard van de een tegen de ander zijn' (Openb.20:9; Ez.38:21). Vergelijk hiermee de overwinning van Josafat op de Moabieten en Ammonieten, die in hun strijd tegen Jeruzalem 'elkander in het verderf hielpen' (2 Kron.20:23). Toen Paulus voor de hoge Raad stond om verhoord te worden, maakte hij handig gebruik van de onderlinge verschillen. Hij wierp de twistappel onder hen, toen hij uitriep: 'Ik sta terecht om de hoop en de opstanding der doden' (Hand.23:6). Aan het einde van het duizendjarig rijk kan de satan nog wel de volken verleiden maar geen geweld meer uitoefenen. Hij had immers zijn troon en grote macht afgestaan aan het beest dat uit de afgrond opkomt. Na de slag van Harmàgedon wordt deze duivelse macht met de antichrist in de poel des vuurs geworpen. Wanneer de satan duizend jaar gebonden is, is dit mogelijk omdat hij ook 'het geweld des doods' verloren had (Hebr.2:14 St.Vert.). Wanneer hij losgelaten wordt, kan hij nog wel de volken verleiden, maar hij heeft geen macht meer om zijn muitzieke benden te onderwerpen.

Eentalig en veeltalig

De oorspronkelijke mensheid had slechts één taal en één spraak. God heeft immers uit enen bloede het ganse menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen (Hand.17:26). Merkwaardig is dat wij iets dergelijks bij de dieren aantreffen: honden blaffen maar loeien niet als koeien en brullen niet als leeuwen. De taalbarrière die na de torenbouw van Babel ontstond, scheidt de volken uiteen en is ook een zware handicap bij de verkondiging van het evangelie. Toch schiep God in ieder mens het vermogen om meerdere talen te leren en te spreken. Door oefening en inspanning kan de natuurlijke mens dit vermogen ontwikkelen en zich een vreemde taal eigen maken.

Wanneer een mens de hemelse gewesten binnengaat, begint het vermogen om meer talen te spreken, in hem spontaan te werken. Paulus schreef dat hij de talen der mensen en engelen sprak. Dit deed hij, wanneer hij in geestvervoering was. In de gemeente sprak hij evenwel de gebruikelijke taal die ieder kende. In 2 Corinthiërs 5:13 schreef hij: 'Want hetzij wij in geestvervoering kwamen, het was in dienst van God, hetzij wij nuchter van zin zijn, het is terwille van u'. Het spreken in talen is dus een hemelse zaak. Op aarde heeft het geen enkel nut, 'want wie in een tong spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het; door de geest spreekt hij geheimenissen', dus verborgenheden die te maken hebben met het Koninkrijk der hemelen (1 Cor.14:2). Men richt zich niet tot mensen, maar men laat zijn stem in de hoge horen. Het kan natuurlijk wel mogelijk zijn dat de toehoorder de gesproken mensentaal herkent zoals op de Pinksterdag.

Een christen in het nieuwe verbond maakt zich niet langs een natuurlijke weg los van de aarde, namelijk door te vasten, maar op metafysische wijze door middel van de glossolalie die hem op elk gewenst ogenblik ter beschikking staat. Met deze gave toegerust kan hij in het nieuwe Jeruzalem converseren en communiceren en haar zelfs gebruiken in zijn strijd in de hemelse gewesten.

De engelenwereld is een veeltalige creatie. Engelen zijn immers als geestelijke wezens afzonderlijk en geheel 'gereed' geschapen (Ez.28:13). In de oneindige 'ruimte' van de onzienlijke wereld verkondigen zij eenmaal de grootheid van de Schepper, iedere groep in zijn eigen taal. In Job 38:7 staat, dat de morgensterren tezamen juichten en alle zonen Gods jubelden. De morgensterren of de zonen Gods zijn de vorsten onder de engelen. Zij staan voor de troon van God (Job 1:6;2:1; Luc.1:19). Wanneer mensen 'zonen Gods' worden, zijn ze dat niet op aarde, maar in de hemel en staan ze ook voor de troon van God en van het Lam. De hoge vorsten onder de engelen hebben ieder hun eigen gebied in de hemel, hun 'taalgebied' dat begrensd wordt door de hun door God gegeven taal.

kvo 47e jaargang nummer 7 juli 1983

T a l e n v a n m e n s e n e n e n g e l e n

vervolg

De zonde van Babel

Het is wel merkwaardig dat de bijbel nergens terugkomt op de torenbouw van Babel en er als zodanig niet meer naar verwijst. Toch kan van de torenbouwers worden gezegd, dat hun naam is verbonden met het geheimenis van het grote Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde (Openb.17:5). Het streven van de antichrist, de mens der wetteloosheid, aan het einde van onze bedéling, is de voortzetting en voltooiing van de goddeloze bedenksels van de torenbouwers. Evenals deze zich verbonden met het dodenrijk teneinde op te klimmen naar de top van de hemel, tracht ook de antichrist met hulp van het beest uit de afgrond dat zich met hem verenigt, het Koninkrijk der hemelen binnen te dringen. Ook van de antichrist en zijn legerscharen kan worden gezegd: niets wat zij denken te doen zal voor hen onuitvoerbaar zijn (Gen.11:6). Deze zoon des verderfs zal dan evenwel een leger tegenover zich vinden, dat uit zonen Gods bestaat, volgelingen van Jezus Christus, die geestelijke vorsten zijn in de onzienlijke wereld. Voor hen wordt de belofte van hun Heer zeer reëel: 'Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen' (Luc.10:19).

Ongeveer een eeuw na de zondvloed begonnen de Babyloniërs hun toren te bouwen. Uit Genesis 10:25 weten we dat dit in de tijd van Péleg (verdeeldheid) geschiedde, 'want in zijn dagen werd de aarde verdeeld'. Péleg werd honderd jaar na de vloed geboren en leefde 239 jaar. De nakomelingen van Noach waren in die tijd uit een bergland van 3000 meter hoogte afgedaald naar de laagvlakte van Sinear. Dit land zal dus nog niet zo lang hebben droog gelegen. Overal zal men daarom nog wel de sporen van een voorbijgegane wereld hebben gevonden. Bovendien leefden Noach en Sem in die tijd nog, om maar niet te spreken van Cham en Jafeth van wie de leeftijden niet zijn opgetekend. Het nieuwe geslacht wist dus dat er honderden miljoenen mensen in een wereldcatastrofe eensklaps waren gedood en naar het dodenrijk waren gegaan. De apostel schreef later over 'de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam waren geweest, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht' (1 Petr.3:19,20). Ongetwijfeld hebben de torenbouwers getracht met de ontelbare doden uit de voorgeslachten in contact te komen door af te dalen 'in de schoot der onderwereld', evenals Nabopolassar, de vader van Nebukadnezar, later zou doen.

Onder de torenbouwers van Babel denken we vooral aan een man uit het geslacht van Cham, namelijk Nimrod. In Genesis 9:10-11 staat van hem opgetekend: 'Deze was de eerste machthebber op aarde; hij was een geweldig jager voor het aangezicht des Heren... En het begin van zijn Koninkrijk was Babel, Erech, Akkad en Kalne, in het land Sinear. Uit dat land trok hij - na de spraakverwarring - naar Assur en hij bouwde Ninevé...' De uitspraak : een geweldig jager voor het aangezicht des Heren, is vreemd en geeft te denken. Was dit nu zo belangrijk dat dit in de volkenlijst moest worden vermeld? Calvijn tekende aan, dat Nimrod beproefd heeft boven allen uit te steken. De septuaginta vertaalt, dat Nimrod tegenover de Kurios, de Here, de titel van Christus in het Nieuwe Testament, stond. Nimrod was dus een vijand van God en dit komt overeen met zijn naam, die 'opstandeling' of 'oproerige ' betekent. De Aramese Targoem heeft bij 1 Kronieken 1:10 vertaald: 'Nimrod werd een machtig man in de zonde, een moordenaar van onschuldigen en een rebel voor God'. Jagen ziet dan op verdrukken en vervolgen van mensen. De Transcriptie-verklaring luidt: 'Nimrod begon een geweldenaar te zijn op aarde. Hij is een geweldige veroveraar geweest'. Zo werd hij de Lamech van de tijd na de zondvloed, een typisch voorbeeld van een koning van Babel, die niet alleen een geweldenaar op aarde maar ook in het rijk der duisternis was. Met geweld drong hij het dodenrijk binnen door middel van spiritistische kennis en kracht. Hij was de eerste geweldenaar in de geestenwereld en daarmee type van de laatste tegenstander van God en Christus in onze bedéling, de antichrist.

Niet alleen riepen de torenbouwers de geesten uit het dodenrijk op, maar zij verhieven zich ook met hun toren tot de top van de hemel. Babel werd hiermee de bakermat van de astrologie, de waarzeggerij door middel van de sterren. In Jesaja 47:12-15 spreekt de profeet over de Babyloniërs, 'die de hemel indelen, die de sterren waarnemen', dat is tezamen voegen in bepaalde groepen, die men met veel fantasie en ook boze inspiratie van een naam voorzag. Men bakende als het ware het hemelgewelf met deze sterrenbeelden af. Denk bijvoorbeeld aan Orion, het Zuiderkruis, de Grote Beer en ook aan de Dierenriem met de oorspronkelijke ermee samenhangende gelijknamige sterrenbeelden. Vooral de tekens van de Dierenriem spelen een grote rol in de astrologie. Men bracht ze in verband met de engelenwereld, die men ook in groepen indeelde en waarin de ene engel in 'glans' verschilde met de andere. De 'Algemene Winkler Prins schrijft: 'Uit de keuze van de afgebeelde dierennamen is op te maken dat de bakermat van de astrologie in Mesopotamië is te zoeken'. De astrologie baande de weg tot de astrolatie, de verering der sterren en de daarmee verbonden goden.

Jesaja wijst dan op de zonde van de astrologie, de leer welke berust op het aannemen van een samenhang tussen de bewegingen der hemellichamen (macrocomos) en het gebeuren op aarde, en wel speciaal het lot van de mens (microcosmos). Dit zou van de geboorte tot de dood bepaald zijn door de loop der sterren. Het lezen van het schrift des hemels noemt men het opmaken of trekken van de horoscoop. 'Die maand voor maand doen weten wat u overkomen zal. Houdt maar op met uw bezweringen en met de talrijke toverijen, waarmede gij u van jongsaf - vanaf de torenbouw - hebt afgetobd'.

In Babel trachtte de satan reeds door middel van de mens 'ten hemel op te stijgen, boven de sterren of de engelen Gods, zijn troon op te richten, en te zetelen op de heilige berg der samenkomst van Gods legerscharen ver in het Noorden. Het was verder zijn eerste grote poging reeds de plaats van de wolken in te nemen, die God van eeuwigheid voor de gemeente van Jezus Christus bestemde (Jes.14:13/14). Sprak de Here God niet, dat deze poging in Babel nog maar een begin was, en dat later niets meer hun plannen zou kunnen dwarsbomen?

Wanneer in de eindtijd de antichrist gaat realiseren wat de torenbouwers meenden te bereiken, heeft God evenwel zijn zonen als een machtig leger gereed onder aanvoering van zijn eigen Zoon. Deze vorsten des hemels zullen tot de grootste berg of macht der duisternis zeggen: 'verplaats u in de afgrond, en niets zal hún onmogelijk zijn van wat zij denken te doen.

In de tijd van de antichrist wordt het onkruid der afvallige kerken bijeenverzameld door de Zoon des mensen, die zijn engelen daartoe uitzendt (Matth.13:30). Dan wordt het visioen van Zacharia vervuld, die een efa zag, een grote inhoudsmaat, waarin gewoonlijk graankorrels bijeen werden gebracht. In plaats van koren zag de profeet een vrouw in de efa zitten. Zij beeldde de goddeloosheid van het afgevallen volk des Heren uit. Dit werd gezuiverd en de vrouw werd uit het heilige gebied weggevoerd naar het land Sinear. Daar zou men een huis of een tempel voor haar bouwen, en daar zou ze op haar plaats of op haar fundament worden gesteld, namelijk in de schoot der onderwereld (Zach.5:5-11). Ook Johannes zag deze vrouw op een scharlaken rood beest uit de afgrond zitten. Op haar voorhoofd was een naam geschreven, een geheimenis: het grote Babylon (Openb.17:3-6). Jezus profeteerde dat het onkruid verzameld en bij de voleinding der eeuw met vuur verbrand zou worden. 'Babel zal worden als kaf, dat het vuur zal verbranden. Ze kunnen zich niet redden uit de greep van de vlammen' (Matth.13:40 en Jes.47:14 Can.Vert.). 'Babel zal met vuur verbrand worden' (Openb.18:8).

De verwarring

In Babel trokken de geweldenaars Het Koninkrijk der hemelen binnen. In hun spiritistische seances ontmoetten ze de vorsten onder de engelen of die 'zónen Gods', die met de satan van God waren afgevallen. Ze zijn nu talrijk, want 'als het land oproerig is, zijn er vele - grote en kleine - opperhoofden' (Spr.28:2 Luth.Vert.). In het rijk van satan zijn dus bepaalde groepen engelen, die met geweld worden bijeengehouden onder vorsten der duisternis.

Vanaf de schepping is er een hemelse hiërarchie, waarin iedere vorst een eigen taalgebied beheerst. De engelen kunnen wel geen klanken voortbrengen, maar ze denken in woorden en zinnen, die ze kunnen overbrengen door middel van hun inspirerende kracht. Ook de goede engelen doen dit, want zij zijn nog steeds de boodschappers van God, die luisteren naar de 'klank' van zijn woord (Ps.103:20). Zo werd bijvoorbeeld de wet gegeven op beschikking of door bemiddeling van engelen (Hand.7:53) Verder heeft de mens het vermogen om hen door middel van een geestelijk oor te verstaan. Zo kan men ook in geestvervoering of in een droom worden verstaan buiten de natuurlijke wereld om.

In de tempeltoren namen de spiritisten de gedachten der boze engelen over en kwamen dus in aanraking met het wezen van een vorst der duisternis. Zij begonnen dan in geestvervoering zijn taal in hoorbare klanken over te nemen. Zij begonnen te spreken zoals zo'n sterke engel hun gaf uit te spreken. tegelijkertijd kregen zij ook de gave der vertolking. Ze wisten dus in meer of mindere mate wat ze zeiden. Zo zijn er toch ook mensen genoeg, die bijvoorbeeld in een woede aanval rechtstreeks de gedachten van de boze vertolken. Men hoort de duivel door hen spreken. Zo waarschuwt de bijbel ook voor leringen van boze geesten. Is het wonder dat in de geestelijke wereld Babel staat tegenover Pinksteren? Mensen die zich nooit anders dan in één taal uitgedrukt hadden, konden zich in een vreemde taal uiten. Zij waren hemelburgers geworden maar aan de verkeerde zijde van de scheidslijn. Diep in hun hart wisten ze het: wij kunnen nu krachten ontketenen die de mensheid tot deze tijd niet heeft gekend.

Er waren veel taal gebieden in de onzienlijke wereld en de mensen die bij een bepaalde vorst behoorden, namen zijn taal over. Tegelijkertijd werd dan zo'n vorst het voorwerp van hun verering en aanbidding, en hun inspirator, dus hun god. De lagere geesten die aan zo'n hemelvorst ondergeschikt waren, gaven zich dus ook als goden uit. De mens bracht de grote en de minder belangrijke engelen in de zichtbare wereld, door ze uit te beelden als een vergankelijk mens, als een vogel, als een viervoetig of kruipend dier (Rom.1:23). Wie zo'n beeld aanbad en zich willoos overgaf, zich liet 'heendrijven', werd een prooi van de demonen, die zo'n afgod als blikvanger gebruikten om de aanbidders ervan binnen hun duistere en sinistere sfeer te trekken. De heidenen hadden zich 'blindelings' aan hen overgegeven, zodat ze ook als blinden doolden in het koninkrijk van de satan en van de dood. De 'stomme' afgoden hadden hen in gemeenschap gebracht met de boze geesten of afgevallen engelen (1 Cor.12:2). Begrijpelijk is ook dat in Babel de mensen in grote verwarring kwamen, omdat elke groep mensen de taal van hun eigen god leerde en absorbeerde in de algemene taal, waardoor men elkaar niet meer begreep.

De verschillende talen en nieuwe denkwijzen drongen dus door in de oorspronkelijke taal, terwijl tegelijkertijd de verschillende godsdiensten door de inspiraties van de vorsten en hun ondergeschikten ontstonden. Iedere groepsgeest had een andere woordenschat en andere gedachten en begrippen. Denk daarbij ook eens aan de mindere 'streekgeesten' die hun stempel ook weer op bepaalde gebieden zetten. De verwarring was compleet. Veronderstel eens dat wat de godsdienst betreft, er een gezin is waarvan de vader steil gereformeerd is, de moeder een Jehova's getuige, de zoon een mormoon en de dochter een of andere oosterse godsdienst beoefent. Bij zo'n begripsverwarring moet men wel uit elkaar gaan.

Aan het einde van het tijdperk van de taalverwarring verlieten ook Terach met zijn zoon Abram en ook Lot het Ur der Chaldeeën om naar Kanaän te gaan. Dit was uitgerekend een gebied dat tot de Chammieten behoorde en waar ontzaglijk veel afgodendienst voorkwam. De geesten uit het voorgeslacht werkten daar aanwijsbaar. Ieder volk had ook daar zijn eigen taal en zijn eigen god. De bijbel spreekt dan over 'de goden der volken'.

Wanneer gezegd wordt dat God neerdaalde om de taal te verwarren, is dit een oudtestamentische wijze van spreken, waarin alles wat uit de onzienlijke wereld kwam, aan God werd toegeschreven. God is evenwel geen God van verwarring, maar van vrede en harmonie (1 Cor.14:33). Hij liet de mensen in Babel begaan, omdat Hij zag hoe uit hun doen en streven de verwarring en de verdeeldheid op aarde voortkwamen, waardoor hun kracht en macht zouden worden gebroken. Zijn voornemen was evenwel 'om ter voorbereiding van de volheid der tijden eerst alles in hemel en aarde onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten' (Ef.1:10).

kvo 47e jaargang nummer 8 augustus 1983

T a l e n v a n m e n s e n e n e n g e l e n

vervolg

De verdeling der volken

Mozes, de schrijver van het verhaal over de torenbouwers en de spraakverwarring, herinnerde in Deutoronomium 32:8,9 het volk Israël, dat gereed stond Kanaän binnen te trekken 'aan de dagen van weleer...Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde, toen Hij de mensenkinderen van elkander scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het aantal der zonen van Israël. Want des Heren deel is zijn volk, Jakob het Hem toegemeten erfdeel'.

Israël moest maar eens acht eeuwen terugblikken naar de tijd toen God de aan de volken 'toegemeten tijden en grenzen van hun woonplaatsen bepaalde, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten' (Hand 17:26,27). De profeet Mozes zag in de spraakverwarring en de daarmee gepaard gaande verdeling der volken, evenals Paulus later, de goddelijke leiding van de Allerhoogste. Het is bovendien voor de kerk des Heren in het oude en in het nieuwe verbond maar goed, dat de volken zo verdeeld zijn en zovele afgoden bezitten. Dit garandeert haar een zekere mate van godsdienstvrijheid, wat vooral zichtbaar is in de democratieën van onze tijd met hun tolerantie voor minderheidsgroepen.

De eenheid van de volken komt in de tijd van de antichrist. Deze verenigt tien machtige hemelvorsten of koningen in één front, 'want God heeft in hun hart gegeven zijn zin te volbrengen en dit eensgezind te doen en hun koningschap aan het beest te geven, totdat de woorden Gods zullen voleindigd zijn' (Openb.17:17). De elkaar bestrijdende en vijandige vorsten in de hemelse gewesten zullen zich in de eindtijd aaneensluiten en zich onderwerpen aan het beest van de afgrond, dat de kracht, de troon en de macht van de draak heeft ontvangen. Dit beest uit ' de schoot der onderwereld' of uit het dodenrijk vaart dan in het beest uit de aarde, de antichrist. Dan zijn evenwel ook de sterke zonen Gods gereed om de eindslag in het hemelse Harmàgedon te winnen.

Voor het natuurlijk Israël had God het land Kanaän gereserveerd. De hemelvorsten, de goden der volken, hadden ieder hun eigen gebied, maar de Allerhoogste had voor Zichzelf het nageslacht van Jakob voorbehouden. Dit zou zo blijven tot dat het Zaad zou komen en het volk van God van het nieuwe verbond, zijn plaats in het hemelse vaderland en het hemelse Jeruzalem zou innemen. Het is opmerkelijk dat te midden van alle afgodische volken met hun landen, voor God Zelf zo'n betrekkelijk gering gebied was bestemd met een klein volk. Ditzelfde geldt ook voor de ware gemeente van Jezus Christus in tegenstelling met 'de grote hoer, die zit aan vele wateren, met wie de koningen der aarde gehoereerd hebben' (Openb.17:2). Deze 'rest' uit de grote kerk zal evenwel worden ingezet tot redding van een ganse zuchtende schepping.

In Genesis 15:8 wordt meegedeeld dat aan het nageslacht van Abraham het land zou worden toegewezen tussen 'de rivier van Egypte en de rivier de Eufraat'. Dit gebeurde nadat Abram de tienden van de buit die behaald was op de koningen van het Oosten, gebracht had aan Melchizédek, de koning van Salem, die type was van het eeuwige koning- en priesterschap van Jezus Christus in het hemelse Jeruzalem ten tijde van het nieuwe verbond. Wel een bewijs hoe Abraham in het geloof voortgeleid werd.

Bij het natuurlijke geslacht van Abraham denken wij niet alleen aan Jakob, maar ook aan Ismaël, de stamvader der Arabieren , aan Ezou van wie de Edomieten ten zuiden van Kanaän afkomstig waren, en ook aan de zonen van Ketura (Gen.25:1-6 en Kron.1:32). Haar zes zonen werden 'oostwaarts naar het Oosterland' gezonden, opdat zij zich niet het erfdeel van Izak zouden toeëigenen. Door het nageslacht van Ketura werd Abraham op aarde reeds vader van een menigte volken.

Het volk Israël en Palestina waren dus het b_zondere deel dat God voor Zichzelf had uitverkoren. God werd koning in Jeschurun, toen Hij door middel van Mozes aan het volk de wet schonk (Deut.33:5). Dit uitverkoren volk werd door de naam Jeschurun als oprecht en rechtvaardig voor gesteld.

Op grond van deze teksten geloven velen dat Israël met Jeruzalem als middelpunt der aarde moet worden gezien. Alles op de wereld zou om dit volk cirkelen en om zijn hoofdstad. Door deze visie werd Jeruzalem een alibi van een ongeestelijk christenheid, die met het Koninkrijk der hemelen en het nieuwe Jeruzalem in de praktijk van haar leven geen rekening houdt. Wij willen evenwel de uitdrukking 'zonen van Israël' vergeestelijken. Dit deed ook de profeet Jesaja, toen hij 'van de voor ons bestemde genade profeteerde' (1 Petr.1:10). Deze schreef in opdracht van zijn Zender: 'Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost en mijn zegen op uw nakomelingen... De een zal zeggen: Ik ben des Heren, een ander zal zich noemen met de naam Jakob, en een derde zal op zijn hand schrijven: van de Here, en de naam Israël aannemen' (Jes.44:3-5). Op de Pinksterdag ontvingen duizenden Joden en Jodengenoten de Heilige Geest en ook wij uit de volken kregen hier deel aan. Ook wij zijn des Heren en noemen ons met de naam Jakob. Wij schrijven 'op' of 'met' onze hand: van de Here, en wij nemen de naam Israël aan.

In plaats van 'zonen van Israël' heeft de Leidse vertaling 'zonen Gods', de vertaling Brouwer 'godenzonen' en de vertaling Canisius 'zonen Gods'. Het zou wel vreemd zijn, indien wij bij het vergeestelijken van onze tekst niet in de eerste plaats zouden denken aan hetgeen Paulus schreef, dat de zuchtende schepping en volkenwereld, met reikhalzend verlangen wacht op de openbaring van de zonen Gods (Rom.8:19). De uitspraak van Mozes komt dan in een hogere dimensie te liggen. Zij heeft dan te maken met de plaats van de zonen Gods in het Koninkrijk der hemelen en hun opdracht tot herstel van de aangetaste schepping. Zonen Gods zijn evenwel ook engelen, en wel de vorsten onder hen. Dezen zijn de 'wereldbeheersers' zoals ook de zonen Gods uit de mensen eenmaal zullen zijn.

De septuaginta luidt, dat de Allerhoogste de grenzen der volken stelde overeenkomstig het getal der 'engelen Gods'. De bepaling 'Gods' wordt hier dan een versterking. Zo is 'een zoon Gods' een ontwikkelde zoon, 'een stad Gods' zoals Ninevé, een zeer grote stad, 'een man Gods' een vooraanstaand man, en 'een engel Gods' een aartsengel of hemelvorst.

In het apocriefe boek Jezus Sirach vinden wij in hoofdstuk 17:17 de algemene gedachte der Joden omstreeks 300 v.Chr. omtrent de verdeling der volken. Daar staat: 'want bij de verdeling der volken van de gehele aarde stelde Hij over elk volk een vorst aan, maar Israël is het deel van de Heer Zelf'. Israël had een vorst op aarde en zijn koning in de hemel was God Zelf. De andere volken hadden koningen op aarde en engelen vorsten in de hemel. De reden van de uitverkiezing van Israël ligt dan volgens Jezus Sirach in het feit dat Israël Gods eerstgeborene was.

Bij de spraakverwarring zagen wij dat de inwoners van Babel door middel van hun spiritistische seances contact kregen met de vorsten van verschillende afgevallen engelengroepen. Uiteraard hadden deze engelen voor hun val een dienende functie, maar evenals de duivel lieten deze vorsten zich als goden vereren en heersten zij over de mensen. Zij die gemeenschap met deze engelen hadden, leerden hun talen overnemen tegelijkertijd met hun demonische gedachten. De vorsten van deze engelenvolken werden voortaan als goden verheerlijkt en aanbeden. Zo'n hemelvorst of 'wereldbeheerser' werd op aarde afgeschaduwd door een menselijke vorst of koning. Deze beroemde zich er meestal op dat hij van goddelijke oorsprong was en liet zich maar al te vaak als zodanig aanbidden. De vorst in de hemel werd de god of inspirator van de koning van de heersende priesterkaste. Een god is immers een inspirator. Zo was Mozes de god van Aäron. Deze moest de gedachten van zijn broer onder woorden brengen en aan Farao bekend maken (Ex.4:16). De god van een volk werd in de zichtbare wereld uitgebeeld door hetgeen geleek op het beeld van een vergankelijk mens (Rom. 1:23). Wij zien dit bijvoorbeeld bij de Farao's van Egypte, bij de Chinese en Japanse keizers en bij de Romeinse keizers, die zich het predikaat 'kurios' of heer toeëigenden. Paulus zinspeelde hierop toen hij schreef: 'Want al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde - en werkelijk zijn er goden in menigte en heren (kurioi) in menigte -, voor ons nochtans is er maar één God, de Vader,... en één Here (Kurios), Jezus Christus' (1 Cor.5:6).

De plaats der verdeling

Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toewees, heeft Hij grenzen gesteld naar het aantal 'zonen Gods'. Deze zonen zijn de machtige hemelvorsten, hetzij uit de engelen, hetzij aan het einde der tijden uit de mensen die hun plaats in de hemelse gewesten hebben ingenomen (Ef.2:6). Bij de verdeling der volken kwamen uiteraard alleen de machtige engelen te pas, dus zij die voor de troon van Gods staan, de goede zowel als de kwade. Deze engelen bevinden zich daar bij elkaar, want er is nog geen nieuwe of gezuiverde hemel. Ook is in de onzienlijke wereld geen afstand of ruimte die overbrugd moet worden. Wie dit niet begrijpt, moet maar eens denken aan het raadselachtige van zijn eigen geest, die zich ook onzichtbaar kan verplaatsen en die met andere menselijke geesten contact kan hebben door geschrift en woord - zelfs op grote afstand -, dus door middel van overdracht van gedachten.

In Job 1:6-8 lezen wij: 'Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de Here te stellen, en onder hen kwam ook de satan. En de Here zeide tot de satan: Vanwaar komt gij? En de satan antwoordde de Here: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb. Toen zeide de Here tot de satan: Hebt gij ook achtgeslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zó vroom en oprecht en wijkende van het kwaad'. Hier zijn ook de vorsten aanwezig, die na de torenbouw en de spraakverwarring verbonden zijn met het lot der volken. Onder hen is ook de satan zelf als overste dezer wereld. Hij doorkruist zijn domein en met hem trekken de andere hemelvorsten op om ieder in zijn domein de bestuurders in deze wereld met hun gedachten te inspireren en hen tot het kwade te verleiden. Dan worden ze immers slaven van de boze en zijn engelen. Van Job zegt evenwel de Here: hij is mijn knecht, mijn eigendom. Mensen als Job maken de satan onrustig. Wanneer er weinig gelovigen zijn en alle mensen praktisch de duivel dienen, kan geconstateerd worden: 'De gehele aarde verkeert in volkomen rust' (Zach.1:11). Het kwaad verbreidt zich dan geruisloos. Men zal dan zeggen: vrede, vrede en geen gevaar. Er behoeft zelfs geen geweld aan te pas te komen. Neemt evenwel het aantal gelovigen toe, worden zij gedoopt met de Heilige Geest en nemen zij hun plaats binnen het Koninkrijk der hemelen in, dan wordt bewaarheid: 'Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij (onder u) zal verslinden. Wederstaat hem, vast in geloof, wetende dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden ( in dezelfde strijd) wordt toegemeten' (1 Petr.5:8,9).

Voor de zondvloed waren de boze geesten, de zondemachten, de bezetters van de aarde. Door de zonde waren zij onder aanvoering van de satan de wereld binnengekomen (Rom.5:12). Na de torenbouw van Babel zoekt de mens zelf contact met de 'wereldbeheersers dezer duisternis' en erkennen zij dus de duivel als 'overste der wereld'. Daarom kon deze zeggen: mij is de macht op aarde overgegeven, namelijk door de mens (Luc.4:6). Gods plan is dat de verloste en herstelde mens de heerschappij weer heroveren zal. De Zoon des mensen heeft de strijd in de hemelse gewesten daartoe aangebonden en heeft als overwinnaar de satan zijn koningschap ontnomen. De vijand moet nu noch verdreven worden uit de mens, uit de hemel, en van de aarde door de volgelingen van Jezus Christus, de zonen Gods.

Toen de Allerhoogste de volken vaneen scheidde, was dit tijdens een bijeenkomst zoals wij deze in Job zien beschreven. Daar stonden dus ook de engelenvorsten, de goede en de kwade, voor de troon van God. Hij gaf toen ieder van hen vanwege de tweede val van de mensheid, zijn deel op aarde. Vergelijk hiermee Mattheüs 25:31-46, waar de volken voor de troon der heerlijkheid van de Zoon des mensen zullen staan. Er waren na de torenbouw niet veel mensen meer die God dienden, die Hij zijn knechten kon noemen. De Allerhoogste liet evenwel zijn heilsplan niet los. De apostel schreef later, dat er een plaats was geweest waar God van de grote meerderheid van de volken moest constateren: gij zijt mijn volk niet. Zijn reddingsplan zou evenwel doorgaan en zijn hoogtepunt bereiken, wanneer vervuld wordt, dat op diezelfde plaats in de hemelse gewesten, ook de voormalige heidenen 'zonen van de levende God' worden genoemd (Rom.9:26).

Er waren in het begin slechts enkelen die God kon gebruiken om zijn Naam op aarde te bewaren. Dit had bijvoorbeeld een man als Job kunnen zijn, want deze was volledig beproefd en uitgetest. God verkoos evenwel Jakob als het Hem toegemeten erfdeel. Onder de 'zonen Gods' die in verband met de volken genoemd worden, onderscheiden wij dan de 'wereldbeheersers dezer duisternis' en de heilige aartsengelen die voor God staan.

kvo 47e jaargang nummer 9 september 1983

T a l e n v a n m e n s e n e n e n g e l e n

vervolg

Wereldbeheersers dezer duisternis

In Efeziërs 6:12 wordt gesproken over de 'kosmokratopas' of 'wereldbeheersers' die vanuit de onzienlijke wereld over landen en volken heerschappij uitoefenen. We denken hierbij als voorbeeld aan 'de vorst van Perzië' en 'de vorst van Griekenland', die in Daniël 10:13,20 worden genoemd. Uit het verband aldaar blijkt dat deze engelenvorsten in het byzonder vijandig staan tegenover 'de zwakke en armelijke wereldgeesten', die de samenbundeling vormen van de leiders onder de menselijke geesten, die het goede nog willen zoeken voor het volk.

Zoals er in de geestelijke wereld troonengelen, overheden en wereldbeheersers zijn, zo vinden we eenzelfde hiërarchisch systeem bij de menselijke geesten. Er zijn rangen en standen: koning - volk, overheid - onderdaan, ouders - kinderen, heer - knecht. Tezamen vormen zij het maatschappelijk bestel. Deze ordenende en regerende 'wereldgeesten' maken het leven op aarde mogelijk. Deze gezagsverhoudingen zijn door God verordend. Dit betekent niet dat de gezagsdragers rechtstreeks door Hem zouden zijn aangesteld, maar de Allerhoogste heeft in de menselijke geest het autoriteitsbegrip gelegd, opdat de 'wereldgeesten' in onderlinge verbondenheid en ordening zouden functioneren. De wet van de Sinaï maakte ook gebruik van zo'n ordening en daarom wordt zij in verband gebracht met de 'wereldgeesten' (Gal.4:3,9 en Col.2:8,20). De bijbel noemt ze zwak en armelijk, omdat deze menselijke geesten zonder kracht van de Heilige Geest het moeten afleggen tegen de ontbindende, wetteloze machten uit het rijk der duisternis. Zij kunnen wel enige weerstand bieden en hun gezag handhaven door natuurlijke middelen en straffen, maar het kwaad overwinnen en uitroeien vermogen zij niet. Uiteindelijk zijn ze ook niet ingesteld om de rechtstreekse machtsexplosies van het rijk der duisternis te weerstaan. De wetteloze 'wereldbeheersers' staan vijandig tegenover de wereldgeesten, die nog goede wetten, regels en voorschriften handhaven.

De 'wereldbeheersers' zijn na de zondvloed naar 'beneden' gehaald door de torenbouwers, de geweldenaars die met geweld het Koninkrijk der hemelen binnendrongen. Zo ziet men ook in onze tijd dat de regeerders wel het goede zoeken en de vrede willen, maar vaak een speelbal zijn van deze ontwrichtende machten, die de orde en de vrede wegnemen.

In het visioen van Daniël over de toekomst van Israël, snelde Michaël, de vorst die dit volk terzijde stond, te hulp, teneinde het wetteloze oorlogsgeweld van deze wereldbeheerser van Perzië te keren. Wie zou in onze tijd deze 'vorst van Perzië' kunnen tegenhouden?

Het vermaan in 1 Timotheüs 2:1,2 aan de gemeente is om de wettige overheid, de wereldgeesten, te steunen, en door haar gebed de wereldbeheersers dezer duisternis te weerstaan. Daarom moeten zij voorbede doen voor koningen en alle hooggeplaatste personen, opdat deze volgens hun geweten volgens de ingeschapen wet van God kunnen regeren, en de leden der gemeente een stil en rustig leven kunnen leiden. Wanneer de overheid niet door de 'wereldbeheersers dezer duisternis' wordt gedemoniseerd, is zij met recht een natuurlijke instelling van God, waaraan ieder mens zich behoort te onderwerpen (Rom.13:1). Daarom mag men zich niet negatief tegen de overheid opstellen en vol kritiek tegen haar zijn. Men behoort voor de overheid te bidden en voor haar te strijden in de hemelse gewesten. De apostel zegt toch zeer duidelijk 'dat wij niet te worstelen hebben tegen bloed en vlees, maar... tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten' (Ef.6:12). Dit vermaan tot voorbede wordt helaas in vele kerken en kringen genegeerd. Voor hen die evenwel hun plaats in de hemelse gewesten ingenomen hebben, is het zelfs mogelijk dit gebed te versterken door zich in talen van engelen tot deze wereldbeheersers te richten. Jezus sprak immers dat wij macht zouden hebben 'over de gehele legermacht' van de vijand. Het spreken in vreemde talen blijkt dan niet alleen een teken voor ongelovige mensen maar ook voor ongelovige engelen te zijn, die voor het eerst in de geschiedenis merken, dat mensen zich kunnen verheffen, hen kunnen aanvallen met woorden van gezag.

Paulus schilderde ons de wijze van oorlogvoering tussen de heiligen in het licht en de onzienlijke rebellen die zich tegen God hebben gekeerd. Zelf vergeleek hij zich met een kampvechter, die de machten der duisternis met de wapenen des lichts bestreed. Tijdens dit worstelen raadde hij zijn lezers aan om daarbij te bidden in (de) geest, waarbij wij ook denken aan het spreken in vreemde talen, waardoor wij kunnen loven en danken en tot God spreken, maar ook de boze geesten kunnen weerstaan en verdrijven. Jezus sprak immers: 'In mijn naam zullen zij boze geesten uitbannen, nieuwe talen zullen zij spreken' (Marc.16:17 vert.Brouwer). De kracht van dit bidden ligt in het feit, dat de Heilige Geest door ons heen Zich rechtstreeks in hun eigen taal tot de wereldbeheersers dezer duisternis richt. We zien hoe actief de wereldbeheersers, dus de vorsten der landen, in onze tijd zijn. Hoe lang zal de wederhoudende macht der wereldgeesten, waarvan Paulus in 2 Thessalonicenzen 2:7 schrijft dat ze zal verwijderd worden, nog kunnen standhouden?

De titel van de 'vorsten' der volken, namelijk die van wereldbeheersers, was in de oudheid een predikaat der goden. Daarom voegde Paulus er veelbetekenend 'dezer duisternis' aan toe. Waar deze machten zich bovendien als goden laten aanroepen en aanbidden, ziet men als gevolg hiervan dat er geen vrijheid van godsdienst meer is en de kinderen Gods onderdrukt worden. Deze grote machthebbers staan weer boven de kleinere streekgeesten, die onder dwang de mens in hun systeem en traditie trachten te krijgen, zodat hij zijn geestelijke vrijheid kwijtraakt. Allen zijn ze ondergeschikt aan de 'overste dezer wereld' of 'god dezer eeuw'.

Wij wijzen erop dat de wereldbeheersers dezer duisternis, dus die van de grootvorsten met wie wij te maken hebben en die om ons zijn, niet alleen de overheidspersonen trachten te benvloeden, te verleiden of te pressen, maar ook zeer vijandig staan tegenover het volk van God, dat zich opstelt in gerechtigheid en waarheid en daarin volhardt. Denk maar aan de vorsten van Perzië en Griekenland in Daniël 10.

Paulus schreef in 1 Corinthiërs 2:8 dat 'de beheersers dezer eeuw' de Romeinse en Joodse overheden zo onder druk hadden gezet, dat deze de Heer der heerlijkheid kruisigden. Deze hemelvorsten meenden dat zij Jezus wel op aarde konden elimineren en daarmee voorgoed uitschakelen, maar dat Hij door zijn sterven de hoogste vorst in de hemelse gewesten zou worden, namelijk de Koning der koningen en de Heer der heren, wisten zij niet. Vanwege deze misrekening kan de opgestane en levende Heer Zich nu vele onderdanen vergaderen in het hemelse Jeruzalem.

Is het wonder dat tijdens het proces tegen Jezus, de vrouw van Pilatus haar man een boodschap zond: 'Bemoei u toch niet met deze rechtvaardige, want ik heb heden in een droom veel om Hem geleden'. In een droom was haar geopenbaard wat er werkelijk aan de hand was en zij wilde haar man weerhouden in deze duistere zaak de verkeerde zijde te kiezen. Haar waarschuwing was niet helemaal tevergeefs, want ten aanschouwe van al het volk wies Pilatus zich de handen en distantieerde hij zich van zijn medeplichtigheid met de woorden: 'Ik ben onschuldig aan zijn bloed, gij moet zelf maar zien wat er van komt' (Matth.27 :19,24).

Ook de apostel Paulus had met zo'n wereldbeheerser dezer eeuw te maken, met een engel van de satan, de overste dezer wereld. Tijdens zijn verkondiging van het evangelie bezorgde deze grootvorst hem, moeiten, gevangenschappen, geselingen, steniging, en gevaren door volksgenoten, door heidenen, in steden, in woestijnen en op zee.

Door inspiratie van de Heilige Geest voorspelde Paulus dat eenmaal de zwakke en armelijke wereldgeesten, die zich nu nog kunnen verzetten tegen de wetteloze wereldbeheersers dezer duisternis, de strijd zullen moeten opgeven. Wij zien dit in onze tijd zich duidelijk afspelen. 'Want het geheimenis - een woord dat de onzienlijke wereld betreft - is reeds in werking; wacht slechts totdat hij - de wederhouder of zwakke en armelijke wereldgeesten - verwijderd is. Dan zal de wetteloze - de antichrist - zich openbaren' (2 Thess.2:7,8). Wanneer de wereldgeesten wankelen, omdat zij het moeten afleggen tegen de wereldbeheersers dezer duisternis - de elkaar bestrijdende vorsten des hemels - wordt bewaarheid: 'Voorwaar, zie, de Here, de Here der heerscharen, neemt stut en steun uit Jeruzalem en Juda weg: elke steun van brood en elke steun van water; held en krijgsman, rechter en profeet, waarzegger en oudste, hoofdman over vijftig en aanzienlijke raadsheer en kundig handwerksman en schrander bezweerder. En knapen zal Ik hun tot vorsten geven en de moedwil zal over hen heersen. Dan zal het volk dringen, man tegen man, de een tegen de ander; de knaap zal op de oude en de verachte op de geëerde losstormen' (Jes. 3:1,5). De tijd breekt aan dat iedere gezagdrager in kerk, staat en maatschappij opzij wordt gezet zodat een bandeloze jeugd en anarchistische massa een gezags vacuüm doen ontstaan, waarin de wetteloze antichrist als hogepriester van het rijk der duisternis zal inspringen. Hij zal een tempeltoren bouwen - een gemeente die naar hem en het beest vernoemd zal worden - waarvan de top tot de hemel reikt en hij zal zich een naam maken, opdat men niet over de gehele wereld verstrooid wordt. Hij zal immers de geestelijke verwarring wegnemen, want 'hem werd macht gegeven over elke stam en natie en volk. En allen, die op de aarde wonen, zullen het beest aanbidden, ieder, wiens naam niet geschreven is in het boek des levens van het Lam' (Openb.13:7,8).

De volkenlijst

Ook voor de volkenlijst in Genesis 10 geldt, dat de profeet Mozes over de voor ons bestemde genade heeft gesproken. Hij openbaarde dingen die ons evangelie betreffen waarin zelfs engelen begeren een blik te slaan. Voor de opsomming van namen gelden de woorden van Bilderdijk: 'In 't verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal'. Wie de verdeling der volken op natuurlijke wijze wil toepassen en daartoe een bijbels atlasje raadpleegt, komt bedrogen uit. Zo komt bijvoorbeeld in de lijst geen enkel negervolk voor, om maar niet te spreken over Indianen of Eskimo's.

De bekende bijbelhistoricus D.J.Baarslag merkte bij de volkenlijst onder meer op: 'Men wist dat volgens Genesis 9 op Chams nageslacht een vloek was gelegd en omdat de negers nu eenmaal wreed werden getroffen door allerlei slavernij, concludeerde men daaruit (omgekeerd dus) dat de negers zonen van Cham moesten zijn; ja, men heeft zelfs wel getracht daarmee negerslavernij goed te preken. Met evenveel recht of onrecht zou men kunnen beweren, dat iemand die door huiduitslag wordt geteisterd, van Gehazi moet afstammen wegens de vreselijke vloek door de profeet Eliza op de hebzuchtige dienaar gelegd. Voor de samensteller van Genesis 10 golden heel andere regels bij het opstellen van zijn overzicht dan voor de moderne wetenschap en ons spraakgebruik. Hij heeft onder de gevloekte naam 'Cham' eenvoudig alles bijeenvergaard wat hem bij uitstek vloekwaardig leek onder de volken, alles wat hij meende te moeten personifiëren als Gode vijandige machten'.

Opvallend is ook dat in de volkenlijst de naam Israël ontbreekt. Wellicht dat Mozes het volk Gods niet wilde samenvoegen met andere volken. De hemelvorst van Israël, Michaël de aartsengel, had immers ook geen gemeenschap met de wereldbeheersers dezer duisternis!

Eerder vermeldden wij al de naam Nimrod met het ogenschijnlijk onbetekenende commentaar dat hij een geweldig jager voor het aangezicht des Heren was. Deze opmerking was voor ons alsof wij de kleine lettertjes in een contract lazen. Door gemeenschap met de machtigste wereldbeheerser dezer duisternis werd hij een 'nephil', een tiran of een reus, of zoals in het slot van Genesis 6:4 staat: een man van 'naam', een vertaling van het woord 'Sem'. Er staat dan nog bij dat zulke mannen ook 'daarna' of na de zondvloed voorkwamen. 'Sem' betekent 'beroemdheid' , 'hetgeen imponeert' of zelfs 'monument' (zie transcriptie vertaling). Zo wilde men in Babel een tempeltoren bouwen die tot de hemel reikte om zich een 'naam' of 'Sem' te maken. Daarom is Nimrod de tegenstander van God en Christus, een type van de antichrist. Deze verbindt zich ook met een macht uit 'de schoot der onderwereld', namelijk met Abaddon of Apóllyon, de verderver. Deze mens der wetteloosheid, deze zoon van Apóllyon, zal zich verheffen tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is (2 Thess.2:4). De tempel Gods is de afgevallen kerk, die eenmaal de woonstede van God was in de geestelijke wereld. Zo wordt aan de gemeente te Efeze geschreven dat zij zich eens moet herinneren 'van welke hoogte zij was gevallen', terwijl ze eerst zo'n woonstede Gods in de geest was (vergelijk Efeze 2:22 met Openb.2:5). In de eindtijd wordt de antichrist god of inspirator. Hij zal dan de gruwel der verwoesting van het christendom, of de gruwel der ontheiliging stellen waar hij niet staan mag (Marc. 13:14 Can.vert.). De antichrist is de grote geweldenaar die het Koninkrijk der hemelen met geweld binnendringt. Hij is de geweldige jager van mensen, want hij zal maken dat niemand kan kopen of verkopen dan wie zijn merkteken draagt. Het gaat dan om de 'Sem', de naam, namelijk die van het beest uit de afgrond en om het getal van diens naam (Openb.13:16,17).

Nimrod , de stichter of eerste vorst van Babel, was beeld van de machtigste der afgevallen zonen Gods, die de eerstgeschapene der engelen was. Deze geweldenaar op aarde was dus verbonden met de overste dezer wereld, 'die vervuld geraakt was met geweldenarij' (Ez.28:16). Hoe nauw deze twee met elkaar verweven waren, blijkt wel uit Jesaja 14. Nadat de Here zijn geestelijk volk Israël weer op eigen bodem doet wonen als burgers van een rijk in de hemelen, wanneer het Israël Gods dit land erfelijk in bezit genomen heeft, zal men dit spotlied op de vorst van Babel in de hemelse gewesten aanheffen: 'Hoe heeft de drijver opgehouden, opgehouden is de verdrukking! de Here heeft de stok der goddelozen verbroken, de schepter der heersers, die in verbolgenheid zonder ophouden natiën sloeg, die in toorn volken vertrad in meedogenloze vervolging'. De zonen Gods uit de mensen hebben dan immers de macht over de gehele legermacht van de vijand, ook over de wereldbeheersers dezer duisternis (Luc.10:19). Zij verlossen de zuchtende schepping uit de hand van al haar vijanden, opdat zij de Here kan dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht (Luc.1:71) Er komt oorlog in de hemel. Michaël, de grote vorst die de zonen van het geestelijk Israël terzijde staat, en zijn engelen hebben oorlog te voeren tegen de draak. Deze kan geen stand houden en hij wordt op de aarde geworpen en zijn engelen met hem (Openb.12:7-9 en Dan.12:1). Jesaja vervolgt zijn verhaal over de 'vorst van Babel', die hij identificeert met de satan (14:4): 'Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij teraarde geveld, overweldiger der volken!' Daarop volgt dan de slag bij het hemelse Harmàgedon. Door middel van het beest uit de afgrond en de antichrist wil de geweldenaar 'opstijgen, boven de sterren Gods (de engelen) zijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het Noorden'. Hij wil daar ter plaatse waar ook tot de afgevallen zonen Gods werd gezegd: 'Gij zijt mijn volk niet', 'opstijgen boven de hoogten der wolken en zich aan de Allerhoogste gelijk stellen'. De wolken zijn beeld van de verheven plaats die de zonen van het volk van God hebben ingenomen. Van hen wordt gezegd: 'Ik zag tronen en zij zetten zich daarop' (Openb.20:4). Dan wordt ook de ontluisterde draak gegrepen en in de afgrond geworpen om daar 'duizend' jaar onmachtig en werkeloos te vertoeven, opdat alleen de heiligen met Christus als koningen heersen op de aarde. Vervuld wordt: 'Integendeel, in het dodenrijk wordt gij neergeworpen, in het diepste der groeve'. Niet de geweldige jager, maar de grote Herder der schapen zal dan regeren.

Wij zullen nu zien dat de volkenlijst aantoont,dat de mensheid geestelijk in drie groepen verdeeld is: de Chamieten, de haters van God en zijn Gezalfde. Onder de vorsten der aarde, de wereldbeheersers dezer duisternis, 'scharen de natiën zich in slagorde en spannen zij samen tegen de Here en zijn gezalfde gemeente: Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen!' (Ps.2:1-3). De Japhetieten vormen de mensheid van wie gezegd wordt, dat zij onvruchtbaar was en niet heeft gebaard, maar die zich toch naar rechts en naar links zal uitbreiden. De Semieten zijn allen, die verbonden zijn met de 'Naam' van de God der ganse aarde en die van zijn grote Zoon.

kvo 47e jaargang nummer 10 oktober 1983

T a l e n v a n m e n s e n e n e n g e l e n

De godsspraak van Noach

Er is geen boodschap in de bijbel die zo het kenmerkende verschil tussen de oude en de nieuwe bedéling weergeeft, als de uitspraak dat God goed is en dat Hij zelfs goed is jegens de ondankbare en bozen (Luc.6:35). Het evangelie van Jezus werpt een geheel nieuw licht op het Opperwezen. Het verscheurt de sluier die alle natiën - inclusief het volk Israël - omsluiert, en neemt de bedekking weg waarmee álle volken - onder wie vele christenen - bedekt zijn (Jes.25:7). De apostel Johannes formuleert in zijn eerste brief de kern van het evangelie van Jezus Christus met de zin: 'God is licht en in Hem is geheel geen duisternis'. Dit is een volkomen andere voorstelling van God dan die het oude verbond had geopenbaard en waar vele kinderen Gods tot op dit ogenblik nog vanuit gaan. Licht is een symbool van het leven. God is enkel leven. In het oude verbond werd geleerd dat God ook het leven aantast. Van Hem zouden ziekten, straffen en veel ellende op deze wereld komen. God wordt in het Nieuwe Testament evenwel geopenbaard als de Vader der lichten van wie enkel het goede komt. Wanneer iemand in het duister verkeert, betekent dit dat het leven uit hem verdwijnt. Als hij gezond is en het naar het zieleleven goed maakt, is hij blij en voelt zich verbonden met het licht. Het leven van Jezus was een afdruk van het wezen van God. Men noemde Hem 'goede Meester', want Hij deed alles wat Hij de Vader zag doen. God doet alleen goed en zo doet Jezus.

Het is heerlijk om bovenstaande waarheid te verstaan en door te mogen geven, want: 'Dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis' (1 Joh.1:5). Men kan en mag Jezus niet op één lijn stellen met de oude profeten, want deze spraken ten dage van de grote geestelijke strijd: 'Komt niet uit de mond des Allerhoogsten het kwade én het goede?' (klaagl.3:38). Jezus was evenwel de vervulling der wet en der profeten in positieve zin. Hij was de unieke leraar, die ons God verklaarde, want 'niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen (Joh.1:18).

Wanneer wij deze dingen neerschrijven, wordt ons de vraag gesteld: veracht je nu niet de inhoud van het Oude Testament? Het antwoord is: neen, want juist de profeten hebben Jezus aangekondigd en van zijn gemeente gesproken. Zij hebben een heilstijd en een nieuwe denkwereld voorspeld, waarin wij ons mogen verlustigen. Mozes sprak eenmaal in dit verband: 'Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Here, uw God, u verwekken; naar Hem zult gij luisteren' (Deut.18:15). Dit 'Woord Gods' zou getuigen: 'Eén is goed, namelijk God. Niemand dan Hij is goed'. Daarom is het juist zo nuttig de profetieën van het oude verbond bij dit licht opnieuw te bestuderen. Schreef de apostel niet: 'Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde'? De profeten van het oude verbond profeteerden 'ten dele', maar wanneer de geest van Christus in hen was, werden zij opgevoerd tot grote hoogte en ontvingen zij allen door het geloof een heerlijk getuigenis aangaande een goede God, die zijn Zoon zou zenden 'tot een losprijs voor allen'. Er is evenwel ook een geest van Elia die vuur uit de hemel wil doen nederdalen op alle vijanden van God, maar waarover Jezus misprijzend tot zijn discipelen sprak: 'Gij weet niet van hoedanige geest gij zijt' (Luc.9:54 St.Vert.).

Door de prediking van het Koninkrijk der hemelen openbaarde de Heer ook dat de satan enkel slecht is. Hij is een dief, een moordenaar en de vader der leugen. Al het wetteloze komt van hem. Met deze onderwijzing legde Jezus de grondslag voor de strijd in de hemelse gewesten. Hij leerde zijn discipelen geestelijk denken en alles wat geschreven was, geestelijk te verstaan. Hij sprak: 'Gij zult de waarheid verstaan en deze zal u vrijmaken'. Daartoe opende Hij de schriften en trok het gordijn weg, dat de onzienlijke wereld verborg. Zo ontmoette de apostel Paulus op zijn reizen de purperverkoopster Lydia op een gebedsplaats aan de rivier. Zij vereerde God nog op oudtestamentische wijze, maar de Here opende haar hart door de prediking van Paulus. Toen kreeg zij inzicht in het evangelie van het Koninkrijk en werd zij vernieuwd in haar denken. De bedekking was bij haar weggenomen evenals die bij de Emmas-gangers, die tot elkaar na hun ontmoeting met de verrezen Heer zeiden: 'Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?' (Hand. 16:14,Luc.24:32). Ook de farizeeën bestudeerden de Schriften, maar zij bleven zo blind als mollen, omdat zij het Koninkrijk der hemelen verwierpen. Wat een moeite kostte het zelfs Petrus om zich de hemelse realiteiten toe te eigenen zodat hij in de plaats van de besnijdenis naar het vlees, die van het hart kon accepteren.

Met de inzichten in het Koninkrijk der hemelen willen wij ditmaal de profetieën van Noach verklaren. Wij zullen merken dat deze representant van de ganse mensheid over de voor ons bestemde genade profeteerde, toen hij zijn zegeningen en vervloekingen uitsprak. Zijn godsspraak in Genesis 9:24-27 brengt ons als zijn nageslacht ter plaatse waar gezegd was: gij zijt mijn volk niet, maar waar nu vanwege de goedertierenheid van de Allerhoogste genoemd worden: zonen van de levende God (Rom.9:26).

De verbondsboog

Noach was een zeer grote profeet. Nadat hij een godsspraak had ontvangen over iets, dat nog niet gezien werd, bereidde hij de ark, deelt de Hebreeënschrijver ons mee. Zoals Mozes in zijn geest de tabernakel zag naar hemels model, zo werd aan deze profeet een gigantisch vreemd schip getoond, waarvan God de architect was. Midden in het aan de aarde gebonden leven bouwde hij, ontzet voor het komende oordeel, vele jaren in geloof door, terwijl in de zichtbare wereld geen aanduidingen van een wereldcatastrofe te bespeuren waren. 'Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God' staat in Genesis 6:9. Het apocriefe boek Jezus Sirag vermeldt: 'Noach werd volmaakt en rechtvaardig bevonden, in de tijd van toorn verving hij de mensheid; wegens hem werd een rest op aarde gelaten' (44:17). Met dit tweede hoofd der schepping sloot God een verbond, waarin de belofte werd geschonken dat nooit meer de levende schepping door een watervloed zou worden verwoest. In Jesaja 59:9,10 wordt dit oude verbond in een hogere dimensie geplaatst, namelijk in die van het Koninkrijk der hemelen. Daar belooft God dat Hij de volkenwereld niet meer zal overlaten aan de machten der duisternis, dat wil zeggen dat Hij niet meer toornig op hen zou zijn. Er is daar sprake van een eeuwige erbarming, want in de geestelijke wereld neemt Hij de ontferming, aan Noach beloofd, weer op in Christus Jezus, opdat door 'de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland en God' die verschijnen zou, wij 'gerechtvaardigd door zijn genade, erfgenamen zouden worden overeenkomstig de hope des eeuwigen levens' (Tit.3:4,7). Evenals in de dagen van Noach sloot de Eeuwige een verbond, maar nu met 'de onvruchtbare', met de weduwe uit de jeugdtijd. Zoals Hij zijn verbond sloot met de ganse mensheid in Noach, zo doet Hij dit bij de herschepping in Christus. In Hem en in degenen die Hem toebehoren, zijn alle beloften van God ja en amen.

Het verbond met Noach dat op de aarde functioneert en het teken van dit verbond, de zichtbare regenboog, worden gebruikt als beeld van het eeuwige verbond dat in de hemelse gewesten van kracht is, en voor de boog die zich om de troon van God bevindt. Johannes schreef: 'En een regenboog was rondom de troon, van aanzien de smaragd gelijk' (Openb.4:3). De zevenkleurige regenboog toont ons de genade van God over een verdeelde mensheid, maar de éénkleurige boog is verbonden met het geredde volk van God door Jezus Christus. Hij is van aanzien de smaragd gelijk, dus groen, de kleur van het geboomte des levens en van zijn gebladerte dat dient tot genezing der volken. Deze verbondsboog is het teken van ónze hoop, van de voortdurende genade van God en van zijn onafgebroken positieve instelling ten opzichte van de mens. God redde de wereld in Noach en daarom is deze de profeet van de liefde en van de hoop die blijvend zijn.

De zonde van Cham

De onberispelijke aartsvader in wie God zijn schepping redden kon, is ruim 600 jaar oud als hij door de wijn wordt beneveld en overmeesterd. Aan hem werd bewaarheid: 'Zie niet om naar de wijn, hoe rood hij is. Hoe hij fonkelt in het glas. Wel glijdt hij zachtjes naar binnen. Vloeiend langs de lippen en tanden. Maar ten leste bijt hij als een slang, is hij giftig als een adder. Uw ogen zien vreemde dingen. Uw hart slaat wartaal uit. Ge voelt u als iemand, die dobbert op zee, als een matroos bij zware storm'(Spr.23:31-34 Can.Vert.). Noach had stand gehouden in de wateren van de grote vloed, maar hij was niet bestand tegen de drank. Hij leed geestelijk schipbreuk en in zijn roes verloor hij het gevoel van schaamte en zedigheid: hij ontblootte zich in zijn tent.

Toen Cham, de jongste zoon, de tent van zijn vader binnenging, wendde hij zijn ogen niet af zoals een rechtgeaard zoon zou hebben gedaan, maar hij werd aan zijn hartstocht overgeleverd en onreine gedachten overmeesterden hem. Bij de woorden:' Toen zag Cham zijns vaders naaktheid' tekent de Transcriptie-vertaling aan: 'Zien betekent eventueel genieten. In dat geval wordt hier gezinspeeld op een homosexuele daad van Cham. Deze Talmoedische interpretatie past goed in de samenhang. Vergelijk ook vers 24: en vernam wat zijn jongste zoon hem aangedaan had'. (De Talmoed is de naam van het naast de oudtestamentische boeken belangrijkste geschrift van het Jodendom).

Is bovenstaande uitleg juist en had Cham homosexuele neigingen, dan heeft hij deze zeker in jaren niet kunnen praktiseren. Dit verklaart de oplaaiende hartstocht bij het 'zien' van zijn vader. Uiteindelijk heeft Mozes toch een episode uit het leven van Noach verhaald, dat ver uitging boven een huiselijk incident. Hoe het ook zij, Cham vermaakte zich met de naaktheid van zijn 'onberispelijke' vader, die hem waarschijnlijk vanwege zijn ontuchtigheid menigmaal had moeten vermanen. Zoals Nimrod, een kleinzoon van Cham, symbool is van het occulte geweld dat in de eindtijd zal heersen, zo typeert Cham - afgeleid van het woord chamôm, dat warm of heet zijn betekent - met zijn verhitte zinnen de oversekste mens van het antichristelijk tijdperk. Cham onteerde reeds door zijn brutale blikken de reputatie van zijn oude vader en ontheiligde daarmee de naam van God met wie zijn vader wandelde. Cham schond de privacy van zijn vaders tent. Hij was een voyeur wiens zinnen door de naaktheid van zijn vaders lichaam werden geprikkeld. Hij verlaagde zijn onschuldige vader hierdoor tot een exhibionist. Wij denken hierbij aan de zonde van het nudisme in onze tijd, een samengaan van exhibionisme en voyeurisme. Men bedrijft dit kwaad immers gezamenlijk in kampen , op stranden en in sekshuizen. Men ontkleed zich en 'beziet' elkaar. Wij lezen tegenwoordig zelfs in christelijke bladen een verdediging van deze snel toenemende zonde en daarom is het noodzakelijk dit degeneratieverschijnsel te signaleren.

Men zegt: heeft God de mens niet naakt geschapen en wij eren met de naaktrecreatie en -cultuur zijn scheppingswerk. Ons antwoord is dat bij Adam en Eva na de zondeval de ógen werden geopend en dat zij naakt waren. Dit wijst op een ervaring in de onzienlijke wereld. Gods Geest had toenadering tot hun geestgezocht, want het is niet goed als de menselijke geest alleen is. Deze heeft een partner nodig van hoog niveau. Door de zonde kwam de mens evenwel in aanraking met de demonische geestenwereld die hem gadesloeg en begeerde. De Here God waarschuwde bijvoorbeeld Kaïn voor een macht, die als een belager of aanrander voor zijn deur lag en die binnen trachtte te dringen om met hem gemeenschap te hebben, teneinde als vrucht in de zichtbare wereld de zondige daad voort te brengen. Daarom heeft de mens een bedekking nodig in de geestelijke wereld, een kleed der gerechtigheid. In de zichtbare wereld 'maakte de Here God voor de mens en zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmee' (Gen.3:21). Er is dus een samenhang tussen de bedekking van de mens in de geestelijke wereld en die in de natuurlijke. Niet de naaktheid van het menselijk lichaam is zondig, maar wel de fixatie erop van buitenaf door vreemden. Zo leert de bijbel dat het lichaam van de vrouw aan haar man toebehoort en dat van de man aan de vrouw: 'De vrouw heeft niet zelf over haar lichaam te beschikken, doch haar man; en eveneens heeft de man niet zelf over zijn lichaam te beschikken, doch zijn vrouw' (1 Cor.6:4). Ze zijn elkaars partners met dezelfde rechten. Zo zijn in de geestelijke wereld de geest van de mens en de Geest van God op elkaar aangewezen. Ze zijn elkaars partners. De engelenwereld moet buiten deze intimiteit blijven. Dit geheim tussen man en vrouw is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente, schreef Paulus in Efeziërs 5:32.

Het nudisme is zondig, omdat het een geestelijke realiteit symboliseert, namelijk het zich openstellen voor en het naar zich toetrekken van de begeerte der boze geesten. Vandaar dat het nageslacht van Cham in de geestelijke wereld ook door middel van spiritisme de demonen naar zich toehaalde. Zo is echtbreuk zonde, omdat zij een uitbeelding is van de daarop volgende gemeenschap met de boze geesten. Zo is het cremeren van doden een uitbeelding van het prijsgeven van de innerlijke mens aan het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Door zijn wens tot crematie heeft de overledene beleden dat zijn eeuwige bestemming het helse vuur is. De christenheid heeft veelal geen inzicht in deze dingen en gaat daarom verloren, dat wil zeggen dat het een prooi wordt van de demonen (Hos.4:6).

Jafeth en Sem eerbiedigden onverzwakt de majesteit van hun vader, het hoofd van de nieuwe wereld. Zij legden een kleed op hun schouders en gingen achterwaarts en bedekten vervolgens de naaktheid van hun vader, terwijl hun gezicht achterwaarts was gewend, zodat zij de naaktheid van hun vader niet gezien hebben.

Noach ontwaakte uit zijn roes en bemerkte wat hem door de drank was overkomen en wat Cham hem geestelijk had aangedaan. Veel moet er wel in deze godsman zijn omgegaan, evenals later na hun zonden bij Mozes, bij David en bij Salomo aan het einde van hun leven.Zijn kroon was geroofd en als patriarch was hij door zijn jongste zoon van zijn voetstuk gestoten. Maar hoe stond het nu met zijn verhouding tot God? Geestelijk herstelde Noach zich en verhief zich boven de omstandigheden. Zijn gedachten verruimden zich en hij trad op zijn hoogten. Was er niet een verschrikkelijk oordeel over de wereld gegaan en waren er niet vele miljoenen mensen - volgens de schrijver van ' De Zondvloed', A.M.Rehwinkel, zelfs bijna 12 miljard - omgekomen? Toch had de deur van de ark, die de Here God zelf achter hem had gesloten, de boze geesten niet buitengesloten. Met de reine dieren waren er immers ook onreine de ark binnengegaan, hoewel in veel kleiner getal. Het gevaar was dus groot dat de oude toestanden zouden weerkeren. Zou er dan nooit een algehele bevrijding van de mens komen? God had wel beloofd dat er geen zondvloed meer zou komen, maar hoe moest het dan verder, indien dan toch 'het voortbrengsel van het hart des mensen van zijn jeugd aan boos bleef? Evenals Adam en Eva in hun gezin was ook hij met een verschrikkelijke zonde van een van zijn kinderen geconfronteerd. Kaïn was een vervloekte, maar diens nakomelingen waren in de zondvloed omgekomen. Dan bemerkt Noach dat dit geslacht van Kaïn in de onzienlijke wereld zou blijven bestaan. Het bloed van de rechtvaardigen zou immers worden gewroken van dat vervloekte geslacht, dat niet alleen Abel had vermoord, maar ook eenmaal het hoofd van de herschepping, Jezus Christus zou doden. Tot dit vervloekte geslacht behoorde ook zijn zoon Cham (Matth.23:36).

Over Noach werd de geest van Christus vaardig. Hij verhief zijn hart en profeteerde dat God zijn Naam op aarde zou bewaren. Diens wil met zijn schepping zou worden volvoerd, ook al had Noach misschien reden hieraan te twijfelen. Hij gaat dan spreken over het grote herstelplan, over een wederoprichting aller dingen en over een behoud dat zich zelfs zou uitstrekken tot het vervloekte nageslacht van Cham. Zijn godsspraak overspande de eeuwen tot de tijd van de openbaring van de Zoon van God en de zonen Gods, in en door wie het geprofeteerde heil in vervulling zou gaan.

kvo 47e jaargang nummer 11 november 1983

T a l e n v a n m e n s e n e n e n g e l e n

De vervloeking van Kanaän

Inzicht vereist

De naam Noach staat in verband met het werkwoord 'nachom' dat troosten betekent. Bij zijn geboorte profeteerde zijn vader Lamech: 'Deze zal ons troosten over de moeitevolle arbeid onzer handen op deze aardbodem, die de Here vervloekt heeft', dus heeft overgegeven aan de machten der duisternis (Gen.5:29). Toen de aarde vol geweldenarij was, werd zij prijsgegeven aan de geweldgeesten, die de zondvloed veroorzaakten. De mens had wel de opdracht vervuld om zich te vermenigvuldigen en de aarde te onderwerpen, maar tegelijkertijd was hij door de duivel voor Gods plan onbruikbaar gemaakt. Hij was 'afgeweken' en 'onnut' geworden, dus ongeschikt om gesteld te worden over al de werken van Gods handen, dus ook over die in de onzienlijke wereld. Hij had evenals de boze zijn wijsheid verloren, zodat hij niet kon heersen zoals het behoorde. Voor het doel van God om hem tot een volmaakt geestelijk mens te maken had hij geen begrip: hij at, dronk, nam en gaf ten huwelijk, en leefde louter in de natuurlijke wereld. Hij dacht er niet aan om kennis en inzicht te verzamelen in de geestelijke wereld teneinde mederegeerder van God te worden.

Door Noach was de Allerhoogste als het ware nog maar met een zijden draadje aan de mens verbonden. Hij nam het risico om slechts door één man de wereld te redden, zoals het later een 'waagstuk' zou zijn de nieuwe schepping door middel van een kindje in de kribbe voort te brengen. Zo wordt in Noach en later in Christus het geloof van God Zelf duidelijk openbaar. Hij heeft in Zichzelf en in zijn schepping een absoluut vertrouwen en speciaal van de mens kan worden gezegd, dat deze 'zeer goed' werd geschapen. Daarom wil God nog steeds met de geest van de mens gemeenschap hebben, want 'de tent van God is bij de mensen' (Openb.21:3).

Niet alleen de regenboog was een bemoediging en een belofte van een beter verbond, maar ook de godsspraak van Noach is vol troost. De Geest van Christus, de Trooster in het nieuwe verbond, was in hem en daarom kunnen alleen de gelovigen in onze bedeling, in wie deze zelfde Geest woont, de profetie van Noach begrijpen. Zijn godsspraak luidde: 'Vervloekt zij Kanaän, een knecht der knechten zij hij voor zijn broeders. Voorts zeide hij: Geprezen zij de Here, de God van Sem, maar Kanaän zij hem tot knecht Gen.9:25-27).

Met de kennis van het volle evangelie kunnen wij er niet mee tevreden zijn de volkentafel enkel te beschouwen als een overzicht van de woonplaatsen van Jafethieten, Semieten en Chamieten. In de natuurlijke wereld zijn er geen volken die wij zouden discrimineren, omdat zij onder een bepaalde vloek zouden liggen. Ook kennen wij geen natie meer, die vanwege haar ras en afkomst met een bepaalde zegen zou zijn verbonden. Paulus onderscheidde voor zijn tijd de volkenwereld heel simpel in Griek en Jood,barbaar en Scyth. De zonen van Noach representeren voor ons de geslachten, die zich in de hemelse gewesten bewegen. Om een voorbeeld te noemen: het volk Israël was een tijdlang verbonden met de zegen van de Allerhoogste, want het was verkoren uit het geslacht van Sem, een woord dat 'naam' betekent. Het moest immers de naam des Heren op aarde bewaren! God schonk aan Abraham vele rijke beloften, die doorgegeven werden aan Izak en Jakob. Het nageslacht van Hagar, dat van de Arabieren, kreeg evenwel ook een zegen, evenals de kinderen van Ketura (Gen.25:1-6). Abraham was vader van een menigte volken. Met elkaar zouden zij een gebied bewonen, dat zich zou uitstrekken tussen de rivier van Egypte en de Eufraat (Gen.15:18). Dit stemt wel overeen met de huidige situatie. Uit Iraël werd evenwel de Christus geboren, die de vertegenwoordiger is van een nieuw volk, dat naar de inwendige mens overgeplaatst is in de hemelse gewesten, die de ware tenten van Sem vormen. Daarom spreken wij van een geestelijk Israël. Het natuurlijk volk is hierdoor een schaduw geworden van het geestelijk Israël. De bijbel zegt immers dat het zichtbare of natuurlijke, vergankelijk is en tijdelijk maar het onzichtbare onvergankelijk en eeuwig. Om van het geestelijk Israël te zijn behoeft men niet tot het Joodse volk te behoren. De Heer vergadert immers zijn uitverkorenen uit alle stammen, natiën, talen en tongen.

Wij ontkennen ook niet dat er in de natuurlijke wereld afstammelingen zijn van Jafeth en Cham. Hun verdeling op aarde is evenwel onzeker en voor de bijbellezer van weinig belang. Ze zijn echter een schaduw van onzienlijke geslachten, die geleid en geïnspireerd worden door de geestenwereld. Zo is er bijvoorbeeld nu noch een Kaïns geslacht onder de mensen, hoewel de natuurlijke nakomelingen van deze oudste zoon van Adam met de zondvloed zijn omgekomen. Men behoort ertoe als men de geest bezit, die het op de ondergang van de rechtvaardigen heeft gemunt. Jezus sprak over het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige tot het bloed van Zacharia. Hij voegde eraan toe: "Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht (Matth. 23:35,36). Er is dus een vervloekt geslacht dat de geestelijke signatuur heeft van Kaïn. Daarom geloven wij niet dat met deze uitspraak het natuurlijke geslacht der Joden wordt bedoeld. Tot dit vervloekte geslacht behoorde bijvoorbeeld Kajafas maar zeker niet Nicodémus. Ditzelfde geslacht vindt men ook in de kerkgeschiedenis terug bij allen die het ware volk van God hebben vervolgd.

Van de Chamieten kan gezegd worden dat zij geestelijke nudisten zijn, want deze zoon van Noach vermaakte zich immers met de naaktheid van zijn vader. Het laatste bijbelboek waarschuwt tegen deze uiterste goddeloosheid met de woorden: 'Zalig hij, die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele en zijn schaamte gezien worde' (Openb.16:15). Wie opzettelijk zijn schaamte toont en wie zich daarin verlustigt, is schaamteloos. In de geestelijke wereld betekent dit dat zulke mensen gemeenschap begeren met de boze geesten. Zij verfoeien het om de mantel der gerechtigheid te dragen, waarmee de Heer allen bekleedt die Hem toebehoren. Denk aan de bewoners van Sodom en Gomorra, nakomelingen van Cham, van wie staat dat zij onverholen hun zonden verkondigden (Jes.3:9).

De Jafethieten vormen de grote massa. Jafeth beteken immers 'uitbreiding' of 'ruimte maken'. Volgens Unger's Bible Dictionary was hij de oudste zoon van Noach. Daarom begint de volkenlijst in Genesis 10 met de zonen van Jafeth. In de 'King James version' staat in vers 21 van dit hoofdstuk: 'Sem, de vader van alle zonen van Heber, de broeder van Jafeth, de oudste'. Hetzelfde staat in de septuaginta. De Jafethieten in geestelijke zin hebben geen begeerte om met demonen in kontakt te komen. Ze zijn natuurlijke mensen die weinig geestelijke bindingen hebben. De apostel schreef over hen, dat zij van nature doen wat de wet gebiedt. Hoewel zij geen geschreven wet hebben, zijn er nog wetten Gods in hun harten geschreven en hun werken bevestigen dit (Rom.2:14,15).

De zonde van Kanaän

Kanaän was de jongste van de vier zonen van Cham. Wanneer we er rekening mee houden dat in de ark geen kleinkinderen van Noach waren, moet Kanaän nog zeer jong zijn geweest, toen Noach over hem een vervloeking uitsprak. Hij werd evenwel niet aan de demonen prijsgegeven vanwege de zonde van Cham, maar om eigen kwaad. een zoon zal immers niet mede de ongerechtigheid van zijn vader dragen, maar ieder mens is persoonlijk verantwoordelijk voor zijn daden staat er in Ezechiël 18. Noach was evenwel een profeet en hij blikte in de toekomst. Hij sprak niet alleen over de 'voor ons bestemde genade' dat wij zouden wonen in Sems tenten, maar ook over de vijanden van het rijk Gods. Een deel der mensheid zou op gruwelijke wijze met de boze geesten verbonden zijn.

Kanaän is afgeleid van 'Kanoä' dat vernederen betekent. Deze zoon van Cham was verbonden met het lage. Niet dat in natuurlijke zin Kanaän laagland zou betekenen, maar hij zou de 'allerlaagste slaaf' zijn voor zijn broers, een slaaf van slaven, wat een bijbels superlatief is. In het midden der volken is Cham de diepst gezonken slaaf der zonde. Jezus sprak tot de Joden: 'Ik zeg u, een ieder die de zonde doet, is een slaaf der zonde' (Joh.8:34). Kanaän is een vervloekte, omdat hij de maat van zijn vader vól maakte (Matth.23:32). In hem en in zijn geestelijk nakomelingschap zouden de machten van het voorgeslacht op verschrikkelijke wijze huishouden. Kanaän en zijn geslacht wordt daarom de grote vijand van Sem en van het volk Israël aan wie de Heer in het byzonder zijn belofte had geschonken. Het is opmerkelijk dat Cham niet werd vervloekt, maar was Noach zelf niet de aanleiding geweest tot diens oplaaiende hartstocht?

Wat was nu de kernzonde van Kanaän ten opzichte van de God des hemels? Het antwoord is dat hij ging wonen op de grond des Heren (Jes.14:2). Toen de Allerhoogste ten dage van Péleg, de kleinzoon van Sem, de volken vaneen begon te scheiden, had Hij de grenzen van hen vastgesteld naar het aantal der zonen Gods, de wereldbeheersers dezer duisternis (Gen.10:25 en Deut.32:8,9). Deze onderling verdeelde grootvorsten stonden allen onder het geweld en het gezag van de overste dezer wereld, de satan. Slechts een klein gebied had God voor zichzelf gereserveerd, namelijk het beloofde land dat Hij aan Abraham en zijn nageslacht had toebedeeld. Hij sprak tot Jakob: 'U zal Ik het land Kanaän geven als het u toegemeten erfdeel' (Ps.105:11). De goden der volken, de wereldbeheersers, waren aanwezig geweest 'ter plaatse waar gezegd was: gij zijt mijn volk en gij zijt mijn volk niet' (Rom.9:26). Zij kenden Gods raad ten aanzien van Israël en het zijn in het byzonder de afvallige hemelvorsten der Kanaänieten, die Gods volk trachten te beletten zijn rechtmatig erfdeel in bezit te nemen.

Vanuit de geslachtsregisters kan men opmaken dat ongeveer 200 jaar na de spraakverwarring - dus het tijdstip dat de Allerhoogste de volken vaneen scheidde - de nazaten van Kanaän al in het beloofde land woonden, ja, dit droeg zelfs de naam van de vervloekte afstammeling van Cham. Van Abraham en Lot wordt gezegd: 'Zij trokken uit om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän... en de Kanaänieten waren toen in het land' (Gen.12:5,6). Zij waren daar niet toevallig gekomen, maar waren naar Kanaän geleid door hun hemelvorsten. Een voorbeeld hoe een later nazaat van Cham op dezelfde wijze geleid werd, vinden we in Ezechiël 21:18-23. Wanneer de koning van Babel in zijn veroveringsoorlogen optrekt naar het westen, aarzelt hij of hij naar Rabba Ammon zal optrekken of naar Jeruzalem. 'Want de koning van Babel zal aan de tweesprong staan, aan het begin van de twee wegen en waarzeggerij plegen; hij zal de pijlen schudden; hij zal de terafim raadplegen; hij zal de lever bezien. In zijn rechterhand zal het lot zijn, dat Jeruzalem aanwijst'.

Bij de verdeling der volken lagen alle windstreken voor de afstammelingen van Kanaän open, maar ook zij raadpleegden bij hun keuze de waarzeggers. Deze namen pijlen met namen van wind- en landstreken erop, uit de pijlkoker. De lever van offerdieren werd bestudeerd en de huisgoden, of de sterren die bij uitstek de vorsten des hemels voorstelden, geraadpleegd (Deut.4:19). Hoe geheel anders trok Abraham later uit. Deze luisterde rechtstreeks naar de stem van God die tot zijn hart sprak. Zo staat er: 'Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd,in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zónder te weten waar hij komen zou' (Hebr.11:8).

 

Hoe leefde Kanaän op 's Heren grond?

Bij de komst van Abraham begint de strijd tussen 'de God der vaderen' en 'de goden der volken' om het bezit van het erfdeel des Heren (Ex.3:6 en Jes.36:18). De aartsvader ontving in Kanaän een nieuwe verzekering dat dit land eigendom van zijn nageslacht zou worden. Dit gebeurde uitgerekend bij Sichem onder de forse terabint Moré, een woord dat onderwijzer of waarzegger betekent. Op deze 'plek' kwamen de inwoners van Sichem bijeen om onder het ruisende bladerdak de godspraken te beluisteren van hun goden. Met zulk geboomte was het land vervuld. De zonde der Kanaänieten nam evenwel steeds gruwelijker vormen aan. In de geschiedenis van Abraham lezen we nergens van een Baälsdienst maar ruim 400 jaar later is de maat van de ongerechtigheden der Amorieten vol (Gen.15:16). De Amorieten zijn synoniem voor Kanaänieten, zoals bij ons bijvoorbeeld iemand uit Limburg ook hollander kan worden genoemd.

In Genesis 15 wordt verhaald dat de Heer met Abraham een verbond sluit. Wanneer deze de stukken van het offer neergelegd heeft, komen grote roofvogels erop af om zich ervan meester te maken. Deze aasgieren zijn zinnebeeld van de wereldbeheersers dezer duisternis, die zich op het erfdeel van Abraham zouden storten, maar door de gelovige patriarch worden afgeslagen.

In de tijd van Jozua waren er - in tegenstelling met de tijd waarin Abraham leefde - vele steden met hoge vestingmuren (Num.13:28). Deze wezen erop dat er van een gevestigde orde geen sprake was. We kunnen de situatie aldaar vergelijken met de middeleeuwse toestanden in eigen land, waar ridders en steden onderling oorlogjes voerden en dikke muren bescherming boden.

Er zijn vele afvallige hemelvorsten geweest, die zich als aasgieren op het beloofde land wierpen, zoals uit de geschiedenis van het volk Israël in Palestina en uit de woorden van de profeten blijkt. Iedere stad had zijn eigen baäl. Baäl betekent 'heer' of 'bezitter', een gewone naam voor god bij de Feniciërs. Denk bijvoorbeeld aan de beroemde Carthaagse of Fenisische veldheer Hannibal, wiens naam 'geschenk van Baäl' betekent, zoals Johannes 'geschenk van Jahweh' is. We lezen van Baäl Berith, de verbonds-Baäl van enkele steden, waaronder Sichem; van Baäl Zebub die in de Filistijnse stad Ekron werd gediend. Hij werd beschouwd als de voortbrenger van de vliegen en ook degene die men moest aanroepen om deze plaag te bestrijden. De Farizeeën noemden hem later de 'overste der demonen' (Matth.12:24). Onze Heer loochende de beschuldiging dat hij de duivelen uitwierp door de kracht van Beëlzebub, of met een variant van dit woord 'Beëlzebul', dat is heer van de (hemelse) woning (Luc.11:19-123).

Wanneer de profeten spreken over het 'nahoereren' der Baäls, moet dit niet enkel in geestelijke zin worden opgevat als trouwbreuk aan Jahweh, maar ook als en zwelgen in onzedelijkheid, die kenmerkend was voor het Kanaänitische, religieuze leven. Schreef de profeet niet over een afvallig volk: 'Want op elke hoge heuvel en onder elke groene boom legt gij u in ontucht neer' (Jer.2:20). De afgodendienst nam in het byzonder aanstotende vormen aan door de travestie, waarbij mannen als vrouwen gekleed gingen, en andersom. Ongetwijfeld heeft Mozes in zijn wetgeving hieraan gedacht toen hij het voorschrift gaf: 'Een vrouw zal geen manskleren dragen en een man geen vrouwenkleed aantrekken, want ieder die deze dingen doet, is de Here, uw God, een gruwel' (Deut.22:5). In dit verband diende men ook vrouwelijke Baäls die met een baard werden afgebeeld. In tijden van nood verlangde Baäl ook kinderoffers. De profeet klaagde: 'Zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd om hun kinderen als brandoffers voor de Baäl met vuur te verbranden' (Jer.19:5). Verbonden met de dienst van Baäl was die van Astarte, een godin die het passieve principe van de vruchtbaarheid voorstelde, zoals Baäl het actieve. Haar schandedienst was vermengd met allerlei tegennatuurlijke zonden. Het is wel opvallend dat de dienst van de ware God in tegenstelling met de heidense religies, geen vrouwelijke variaties of godinnen kent. Het feminisme in onze tijd dat de natuurlijke verschillen tussen man en vrouw niet meer accepteert, wil ook de begrippen Vader en Zoon ombuigen. Het grijpt daarmee terug naar het diepst gezonken heidendom. Het mindere volk in Kanaän diende verder de geesten bij de huizen en waterbronnen, bij bomen en stenen. Zo is er in Richteren 9:37 sprake van de 'waarzeggersterebint'.

Is er een hemels Kanaän

Tevergeefs zal men in het Nieuwe Testament naar een hemels Kanaän zoeken of naar een beter Palestina. Het geestelijk volk Israël in het Koninkrijk der hemelen wordt niet in verband gebracht met de vervloekte naam van Kanaän of met die van de Filistijnen, die ook Chamieten waren. Wel wordt de naam van Jeruzalem overgenomen, omdat daar de residentie was van de priester-koning Melchizédek, een dienaar 'van de allerhoogste God'. Wanneer een bekend lied zegt: 'Ik woon in Kanaän, het land van vrede en zielsgenot', klopt dit niet met de geestelijke realiteit. Wel is het zo dat in onze bedeling de hemelse gewesten nog vele gevallen engelen tellen, die daar onrechtmatig vertoeven. Zij houden daar 'de eigen grond' van Gods uitverkoren volk bezet. Zij wonen er wederrechtelijk. Daarom moet de gemeente van Jezus Christus met hulp van de dienende engelen de boze geesten verdrijven, onder wie ook de wereldbeheersers dezer duisternis. Het vrederijk komt nooit, indien de gemeente niet haar opdracht ten uitvoer brengt om 'te worstelen tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten' (Ef.6:12). En de geopenbaarde zonen Gods zullen deze kamp winnen!

De tijd der schaduwen is voorbij en we zullen zien dat zelfs voor de nakomelingen van Cham, de verschrikkelijke zondaars tegen de wetten van God, door onze Heer de weg geopend is om hen op rechtmatige wijze in de tenten van Sem te brengen die in de hemelen zijn.

kvo 47e jaargang nummer 12 december 1983

T a l e n v a n m e n s e n e n e n g e l e n

De strijd van Gods volk

Geestelijke realiteiten

Het volk Israël had de opdracht gekregen om het hun door de Here toegewezen erfdeel in bezit te nemen. Het moest daarom de Kanaänieten, onder wie de Hethieten, de Amorieten, de Ferizieten, de Hevieten en de Jebusieten verdrijven of uitroeien (Deut.20:16-18). We lezen evenwel in het boek Richteren dat het volk Gods zijn taak niet of onvolledig uitvoerde. Het was tegen zijn vijanden niet bestand, of het was nalatig de strijd aan te binden. Hoogstens verplichtte het de Kanaänieten tot herendiensten maar geheel verdrijven deed het hen niet (Richt.1:28). De vijand bleef in hun midden wonen. Het gevolg ervan was dat de kinderen Israëls deden wat kwaad was in de ogen des Heren en zij Baäls gingen dienen. 'Zij woonden temidden van de Kanaänieten en namen zich hun dochters tot vrouw en gaven hun eigen dochters aan hun zonen en dienden hun goden (Richt.3:5).

Wanneer wij ons met de zondige levenswijze van Israël bezighouden , moeten wij ons voor ogen houden, dat hun geschiedenis tot onze lering is opgetekend en ons ten voorbeeld is, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden (1 Cor.10:6). Zo heeft de gemeente van Jezus Christus de uitdrukkelijke opdracht ontvangen in de hemelse gewesten de boze geesten te overwinnen en hen te verdrijven. Zij mag nimmer een bondgenootschap met hen aangaan of hun gedachten overnemen. De geschiedenis der kerk loopt aanwijsbaar parallel met die van Israël. Onder de godsman Jozua werd het bevel om de vijanden des Heren uit te roeien nauwgezet uitgevoerd. Na diens dood gingen de oudsten die Jozua overleefden, nog een tijd door, maar toen deze gestorven waren, stond er een geslacht op dat de Heer niet kende, noch het werk dat Hij voor Israël had gedaan. 'Toen deden de Israëliten wat kwaad was in de ogen des Heren en gingen de Baäls dienen'. Zo begon in het nieuwe verbond de grote aanvoerder Jezus Christus de strijd tegen de geestelijke Kanaänieten, die wederrechtelijk in de hemelse gewesten wonen. De apostelen zetten zijn werk voort, maar daarna begon de afval. Ook voor de christenheid gold de waarschuwing van Mozes tot het volk: 'Maar indien gij de bewoners van het land voor uw aangezicht niet verdrijft; zullen degenen die gij van hen overlaat, tot dorens in uw ogen en tot prikkels in uw zijden zijn en zij zullen u benauwen in het land, waarin gij woonachtig zijt. Dan zal Ik met u doen, gelijk Ik gedacht had met hen te doen' (Num.33:55,56). In de geschiedenis der kerk hebben de boze geesten vrij spel gehad en zij hebben het volk van God zwaar beschadigd en geschonden. Vele afvalligen onder hen zullen eenmaal horen: 'Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is' (Matth.25:41). De Openbaring schildert ons de wereldkerk, die vergeleken wordt met een hoer, 'die zit aan vele wateren, met wie de koningen der aarde gehoereerd hebben' (Openb.17:2). De wereldbeheersers dezer duisternis hadden voortdurend contact met de 'kerkvorsten', die geen enkel zicht meer hadden op de geestelijke doelstellingen van God. De doop in de Heilige Geest verdween en de duivelen werden niet meer verdreven. De strijd in de hemelse gewesten werd gestaakt en de kerk trachtte de heerschappij op aarde te verkrijgen. Men noemde zich naar de koninkrijken der aarde zoals bijvoorbeeld de Engelse Kerk en de Nederlands Hervormde Kerk en sprak over staatskerken. De wereldbeheersers in de onzienlijke wereld kregen op deze wijze grote vat op de gang van zaken in de kerken. Zo heeft de rooms-katholieke 'moederkerk' overal op de wereld aardse macht nagejaagd tot op de dag van vandaag toe. Heeft de paus daarom niet de sleutels van de geestelijke en wereldlijke macht? Zo is de kerk geworden tot de hoer, die eenmaal onder zal gaan met de boze geesten met wie ze was verbonden.

Wanneer wij de historie van Israël ten opzichte van de Kanaänieten nagaan, komen wij tot de conclusie dat de meeste Kanaänieten aan de noordgrens bleven zitten: het kwaad komt uit het noorden! (Jer.1:14). Zo vermeldt Richteren 4 dat de Israëlieten onderdrukt werden door Jabin, de koning van Kanaän, die regeerde te Hazor - dicht bij het Hule-meer - en wiens krijgsoverste Sisera was, die te Harózeth-Haggojim woonde - aan de beek Kison in de nabijheid van het tegenwoordige Haifa. Onder leiding van Barak en Debora werd hij evenwel verslagen, omdat de Here meewerkte door tekenen en wonderen, want de sterren - beeld van het hemelse heerleger - streden vanuit haar banen tegen de vijand (Richt.5:20). Telkens wanneer de overgebleven Kanaänieten weer trachtten de overhand te verkrijgen om Israël te onderdrukken, zond God richters om zijn volk te verlossen. Hetzelfde gebeurde in de kerkgeschiedenis bij reformaties en revivals.

De Sidoniërs

In de volkenlijst van Genesis 10 wordt meegedeeld dat de eerstgeborene van Kanaän de naam Sidon droeg. De machten die zijn vader bezetten, werkten ook in hoge mate in en door zijn geslacht. Zijn nakomelingen stichtten de plaats Sidon, dat aan de grens van het land Kanaän lag. Deze havenstad kwam reeds vóór Tyrus tot grote bloei en ze was zo belangrijk, dat men de Feniciërs - de bewoners van de kuststreek - Sidoniërs noemde. Ook werd voor de bewoners van deze streek veelvuldig de naam Kanaänieten gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan de Syro-Fenicische vrouw, die in Mattheüs 15:22 als Kananese te boek staat. In de vervloekte lijn der geslachten neemt Sidon de voornaamste plaats in. Uitdrukkelijk wordt vermeld dat de Aserieten 'die van Sidon' niet hebben verdreven (Richt.1:31). De vrouw van koning Achab was de dochter van Eth-Baäl (begunstigde door Baäl), de koning der Sidoniërs. Zij roeide de profeten des Heren uit, terwijl haar dochter Athalia de gehele dynastie van het huis Davids uitmoordde op de kleine Joas na. De naam Izebel is later in de Openbaring verbonden met een vrouw, die beweerde een profetes te zijn en die sommige gemeenteleden te Thyatira verleidde om te hoereren en afgodenvlees te eten, typische zonden der Kanaänieten. De geest van deze vrouw vinden we terug in de geschiedenis der kerk, toen de leidslieden zich verbonden met de vijandige geestenwereld, die de ware gelovigen hebben vervolgd en gedood.

Wanneer de heerschappij van Sidon is overgegaan op Tyrus, gaat koning Salomo een verbond aan met Hiram, de koning van deze stad. Al die beroemde bouwwerken van Salomo: de tempel, het Libanonhuis, zijn paleizen en troonzaal waren eigenlijk meer bouwwerken van deze Sidoniër dan van Salomo zelf. Een man van aanzien bij de tempelbouw was ook Hiram-Abi (Hiram is mijn vader). Hij was een zoon van een vrouw uit Dan, maar zijn vader was een Tyriër (2 Kron.2:14). De kunstwerken van de tempel waren dus gemaakt door een man uit een gemengd huwelijk van een Kanaäniet met een vrouw uit Israël. Later leerde Ezra, de eerste schriftgeleerde die de bijbel noemt, dat zulk een gemeenschap enkel verderf voor een volk kon voortbrengen. Vinden wij in de opbouw van de kerken ook niet vele filosofiën en culturen, die rechtstreeks aan het heidendom zijn ontleend?

Eist ook niet de opleiding van predikanten vaak een studie in de Griekse wijsbegeerte? Reeds de apostolische en Griekse kerkvaders waren doordrenkt met hellenistische wijsheid, waartegen de apostel Paulus al waarschuwde. De christelijke wetenschap was aanvankelijk georiënteerd op Plato, terwijl later Aristoteles 'de meester van allen die weten' werd, vooral bij de scholastieken. Zo werden de kinderen in het geloof verkocht door de Sidoniërs aan de Ioniërs, de Grieken, om hen ver van hun gebied weg te voeren (Joël 3:4-6).

Is het wonder dat later de koning van Tyrus, de belangrijkste stad der Sidoniërs, in de tijd van Ezechiël geindentificeerd werd met de diepst gevallen hemelvorst, de satan zelf, die het begin was van de eerste schepping? Van deze wordt gesproken: 'Ik had u een plaats gegeven: gij waart op de heilige berg der goden (de plaats waar God zijn besluiten aan de hemelingen bekend maakte, dus temidden der aartsengelen). Onberispelijk waart gij in uw wandel, vanaf de dag dat gij geschapen werd, totdat er onrecht in u werd gevonden... Van de berg der goden verbande Ik u en deed u weg, gij beschuttende cherub' (Ez.28:1-19). Aanwijsbaar zagen dus de profeten het verband tussen de koning van Tyrus en de satan, de overste van de wereldbeheersers dezer duisternis.

In tegenstelling met Tyrus en Sidon was er in Israël een theocratie, want van David en Salomo werd gezegd, dat zij 'op de troon des Heren' zaten (1 Kron.29:23). Zoals de regerende koning van Israël beeld moest zijn van de ware God, zo was de koning van Tyrus dit van de satan. Als nazaat van David bezette Jezus na zijn opstanding de werkelijke troon van God (Hand. 2:30,31). Daar ontving Hij alle macht in hemel en op aarde. Zo zal de geestelijke nakomeling van de koning van Tyrus, de antichrist, zijn kracht en macht aan de draak ontlenen (Openb. 13:2-12). Zoals de Kanaänitische Baälspriesters de kinderen Israëls deden afhoereren van de levende God, zo is alle eeuwen de geest van de antichrist werkzaam geweest onder het geestelijk Israël, teneinde het los te maken van zijn Heer, Jezus Christus, van zijn Geest en van zijn woorden. Zo zijn er vele antichristen opgestaan, die het volk van God verleiden om leringen van boze geesten na te volgen. Zoals de koning van Tyrus met duivelse hoogmoed sprak, dat hij een god was, zo doet dit ook de antichrist, die de incarnatie is van de geest uit de afgrond. Paulus schreef over hem: 'Die zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is' (2 Thess.2:4).

Kanaän, een land van onrust

Het land Kanaän is altijd het strijdtoneel geweest van de wereldbeheersers dezer duisternis. Zij zetten de wereldveroveraars tegen elkaar op en zo werd het beloofde land eeuwen lang geteisterd door invallende volken, hoofdzakelijk vanuit het noorden. Kanaän is immers een bruggehoofd dat Eurazië (Europa en Azië) met Afrika verbindt. Er is geen omweg tussen de Middellandse Zee en de woestijn en geen alternatieve route. Men moest altijd over de Palestijnse wegen gaan om elkaar aan te vallen. Zo werd bijvoorbeeld Megiddo het slagveld der natiën. De vrome koning Josia werd daar het slachtoffer van Farao Necho, die in een strijd gewikkeld was met de koning van Assyrië. Het was opmerkelijk dat dit de eerste oorlog tussen Israël en Egypte was na de uittocht (2 Kron.35:20-25). Later werd deze plaats als Harmàgedon in de onzienlijke wereld het symbool van het laatste treffen van het antichristelijk leger met de heerscharen die in de hemel zijn, de gemeente van Jezus Christus. De hemelvorsten van Egypte, Babel, Assyrië, Syrië, Moab, Ammon, Edom, Perzië, Griekenland, en later die der Romeinen schonden allen de grenzen van het beloofde land. Allen lieten daar hun invloed gelden zodat de geschiedenis van het uitverkoren volk in het beloofde land een aaneenschakeling werd van oorlogshandelingen. Toch zijn door al deze dreigingen heen land en volk met elkaar verbonden gebleven, totdat in de volheid des tijds de Christus werd geboren, die het ware Zaad van de Semiet Abraham is. Zo is de kerk van Christus ook eeuwen lang het toneel geweest van indringende machten die hun verwoestend werk deden, maar ook zij zal blijven bestaan. Zelfs de laatste indringer in het 'Sieraadland' van wiens invasie Daniël profeteerde, kan niet verhinderen dat de zonen Gods uit haar zullen geopenbaard worden. Dezen zullen van al hun vijanden verlost, in blijdschap wonen op hun 'eigen grond' in de hemelse gewesten.

Wie zijn Semieten?

In een vergezicht ziet de profeet Noach hoe de aarde niet ten onder gaat, maar gered en hersteld wordt door de nakomelingen van Sem. Uit zijn geslacht zou de erfgenaam der heilsgoederen, die God aan de mens gaat schenken, komen. Hij spreekt: 'Geprezen zij de Here (als) God van Sem' (De Transcriptie-vertaling heeft het voegwoord 'als' in plaats van het lidwoord 'de'). De Schepper van hemel en aarde, de God der goden, de Here, is de God of de inspirator van Sem. Zo wordt later gezegd, dat Mozes de God van Aäron was, omdat deze zijn mond zou zijn en de gedachten van Mozes zou uitspreken (Ex.4:16,17). Voortaan is de Naam van de Eeuwige verbonden met die van Sem, een woord dat 'naam' of 'man van naam' betekent. Omdat Sem in zijn geslacht de gedachten van God overnam, bewaarde hij de Naam van God. In het geslacht van Sem zou blijken dat de Here een competent Schepper was, want de mens zou uiteindelijk aan de bedoeling van zijn maker beantwoorden. Hij zou niet alleen diens beeld dragen maar ook zijn gelijkenis zijn. De apostel zou later schrijven: 'Wij zullen Hem gelijk zijn' (1 Joh.3:2). Er komt een mensheid die het Gode gelijk zijn geen roof acht. De Naam van God zou in het binnenste van vernieuwde mensen geschreven worden. Hier wordt de belofte uitgesproken dat in het nageslacht van Sem de Naam van de hemelse Vader zou worden geheiligd. In het denken van een herboren mensheid zou de Naam van God nimmer meer met het kwade worden geassocieerd, maar Hij zou er volledig van afgezonderd zijn. Hun God of inspirator zou het voorwerp van aanbidding zijn en als enkel goed worden geprezen. Daarom klinkt het: 'Geloofd zij de Here als God van Sem'.

Een tijdlang heeft het volk Israël de Naam van God op aarde bewaard. Zij waren de Semieten naar het vlees. Deze zonen van Abraham 'zouden de weg des Heren bewaren door gerechtigheid en recht te doen' (Gen.18:19). Dit konden zij alleen indien zij de woorden van God in zich hadden opgenomen, en die dag en nacht bepeinsden en overdachten. Uit dit volk zou tenslotte Jezus Christus voortkomen, van wie geschreven is, dat 'God Hem de Naam boven alle naam heeft geschonken' (Filip.2:9). Hij is immers de allergrootste uit het geslacht van Sem, de 'Man van naam. Wie in Hem is, ontvangt een nieuwe naam, die verbonden is met het wezen van God, zoals iemands oude naam met zijn aardse afkomst is verbonden. Wie in Christus is, kan zich dus met grote stelligheid een Semiet noemen. Wie de Naam van de Here Jezus niet liefheeft, is een anti-Semiet. Paulus schreef in dit verband dat zo'n persoon vervloekt is, dus in de geestelijke wereld gelijk staat met een Kanaäniet (1 Cor.16:22-23)

De naam van Sem heeft dus in de hemelse gewesten zijn betekenis, want daar zijn zijn tenten. Deze tenten vormen het nieuwe Jeruzalem, de stad der rechtvaardigen, die daar door Jezus bijeen worden vergaderd gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert (MattH.23:37). Omdat deze Semieten de naam van Jezus dragen, hebben zij gezag in de hemelse gewesten en zijn ze ook in staat duizend jaar met Hem op aarde te regeren. Van hen wordt gezegd: 'Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de naam mijns Gods en de naam van de stad mijns Gods, en mijn nieuwe naam' (Openb.3:12). Met Christus vormt deze uitverkoren schare het bestuur van de stad Gods.

Gods naam komt nog niet ten volle tot uitdrukking, omdat zijn werk in de mens nog niet voltooid is. Gods naam staat in verband met zijn schepping, zoals de naam van een kunstenaar verbonden is met zijn werken. Gods naam komt dus te voorschijn uit zijn werken, wanneer eenmaal alles zal zijn zoals Hij het Zich heeft voorgesteld. Het geestelijk Israël is van Gods geslacht en verdrijft alle Kanaänieten, dat zijn de boze geesten uit de hemelse gewesten, dat is de onzichtbare wereld.

vervolg in de serie mensen en engelen

zie voor andere artikelen kvooverz.