kvo 52e jaargang nr. 9 september 1988

J.E.v.d.Brink

De stad des doods,of

D E S T A D D E S L E V E N S

Niet onkundig zijn

Enkele maanden geleden beleefden wij in onze gemeente binnen een week enkele bijzondere gebeurtenissen: de begrafenis van een broeder, een 55-jarig huwelijksfeest, een bruiloft van een jong stelletje en verder nog een zuster die haar 86ste verjaardag vierde. Niet alle gemeenteleden trouwen, niet allen bereiken de leeftijd der zeer sterken, maar 'indien de Here vertoeft te komen' zullen we alle sterven.

In 1 Tessalonicensen 4:13 schrijft de apostel: 'Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere mensen die geen hoop hebben'. Sterven is de meest ingrijpende gebeurtenis in het leven en daarom heeft de Schepper in ieder mens 'de eeuwigheids behoefte in het hart gelegd' (Pred.3:11 vert. Obbink). Paulus schrijft dat de christenen goed moeten weten wat er na hun heengaan gebeurt, want zij alleen bezitten onafgebroken, eeuwig leven. Er staat dat dood noch leven, hoogte noch diepte ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here. In Christus (zijnde) hebben wij het onvergankelijke leven.

De gemeente te Tessalonika bestond uit levende maranathachristenen , want hun geloof dat zich op God gericht had, was allerwegen bekend geworden, en zij zagen uit naar de wederkomst des Heren (1 Tess.1:8-10). In Handelingen 17 lezen wij dat vele leden voor hun bekering reeds 'God vereerden'. Zij waren belangstellende bezoekers van de synagoge geweest, maar werden niet tot de Jodengenoten gerekend, omdat zij zich niet hadden laten besnijden en niet naar Joodse wetten leefden. Ongetwijfeld bezaten deze christenen nog voorstellingen van het hiernamaals, die berusten op Griekse en Joodse gedachten, die weinig hoop en vertroosting schonken. En wat voor begrip heeft het huidige christendom van de toestand na het sterven? Wat weet het van de hemel en wat van het dodenrijk?

Het dodenrijk

Bij de klassieke volken was onder de Romeinen Pluto - die door de Grieken Hades werd genoemd - de god van de onderwereld. De naam hades werd tevens aan het dodenrijk gegeven; vergelijk de uitdrukking 'dood en dodenrijk' in Openbaring 1:18;20:14. Het woord 'hades' betekent misschien 'onzienlijke wereld', afgeleid van 'a', een ontkenning, en van "eido", zien. Het kan ook te maken hebben met 'hado', een woord dat 'alles ontvangend' betekent.

Pluto was de vijand van het leven en door goden en mensen gehaat. Zijn rijk werd omspoeld door rivieren, waarvan de Styx wel de bekendste is. De bootsman Charon voerde de zielen der gestorvenen over deze rivier de hades binnen. Andere rivieren droegen de naam: de rivier der smart, de van vuur brandende, die van de jammer. Alle gestorvenen bevonden zich in de diepte der aarde. De slechte mensen werden verwezen naar het jammeroord 'de Tartarus' en de goede 'schimmen' naar het oord der gelukzaligheid, het Elysium. Voor allen gold evenwel: 'Wie hier binnentreedt, laat varen alle hoop'.

In het Oude Testament is het woord 'dodenrijk' een vertaling van het Hebreeuwse 'sjeool', dat in de septuaginta praktisch altijd wordt weergegeven door 'hades'. Het woord 'sjeool' staat wellicht in verband met 'diepte'. Voor de Joden was de verblijfplaats der doden ook diep onder de aarde. Zij wachten daar op de dag van het oordeel. Men zag in het algemeen niet verder dan het graf, waar men bij zijn vaderen werd verzameld. De profeten associeerden het graf met het schimmenrijk, waar wel een voortbestaan was, maar elke activiteit ontbrak. Bij een belangrijk gebeuren was er soms wat meer beweging merkbaar. Wanneer de koning van Babel het dodenrijk binnenkomt, staan de ander koningen op van hun troon om hem te begroeten. Deze vage gedaanten spreken dan: 'Ook gij zijt krachteloos geworden als wij'. Omdat men er van uitging dat de mens een ondeelbare eenheid was, werd tegelijkertijd geconstateerd dat deze schimmen door wormen werden aangetast en door maden werden bedekt. Deze profetische schildering in Jesaja 14 krijgt nog een diepe betekenis, indien wij de koning van Babel zien als type van de duivel, die volgens Openbaring 20 in de afgrond wordt geworpen. Hij bevindt zich dan in de toestand, waarvan 2 Petrus 2:4 spreekt: 'Indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond (letterlijk de Tartarus) te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgeleverd om hen tot het oordeel te bewaren'.

Alle voorstellingen over het dodenrijk waren vaag. Men sliep in het stof der aarde en had een ontluisterd bestaan. De zieke Hiskia sprak: 'In de bloei mijner jaren moet ik heengaan door de poorten van het dodenrijk, ik zal derven de rest mijner jaren. Ik zeide: Ik zal de Here niet zien, de Here in het land der levenden; ik zal geen mens meer aanschouwen onder de bewoners der wereld. Mijn woning werd afgebroken en van mij weggerukt als de tent van een herder' (Jes.38:10-12). In het oude verbond werd daarom Gods zegen uitgedrukt met de woorden: 'opdat gij lang leeft op de áárde'. De Here loven en prijzen, zoals de gelovigen van het oude en nieuwe verbond zo graag deden en doen, was er in de dood niet meer bij. 'Niet de doden zullen de Here loven, niemand van wie in de stilte is neergedaald' (Ps.115:17). De alles bijeenvergaderende hades roept gedachten bij ons op aan 'dode' samenkomsten op aarde, waar lofprijs en aanbidding ontbreken. De doden weten niets en doen niets en denken niet meer aan God, 'want in de dood is Uwer geen gedachtenis' (Ps.6:6). In Job 14:10-12 ontbreekt zelfs de opstandingsgedachte: 'Wanneer een mens sterft, ligt hij krachteloos neer; geeft een mens de geest, waar is hij gebleven? Zoals water verdampt uit een meer en een rivier verloopt en uitdroogt, zo legt de mens zich neer en staat niet weer op, totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet'.

Bij de rechtvaardigen die in het geloof stierven, was er toch ook weer de verwachting der opstanding. Martha, de zuster van Lazarus, drukte de hoop der rechtzinnige Joden uit met de woorden: 'Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongste dage' (Joh.11:24). In Daniël 12:2,3 staat: 'Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen. En de verstandige zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren voor eeuwig en altoos'. Ook Daniël was een profeet die van de voor ons bestemde genade profeteerde (1 Petr.1:10). Van de goddelozen zegt het laatste vers van Jesaja: 'Want hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet uitdoven, en zij zullen voor al wat leeft een afgrijzen wezen'. Ook was er sprake van een boek des levens , maar het was onduidelijk of dit op het tijdelijke of op het eeuwige leven betrekking had. Zo bidt David in verband met zijn vijanden: 'Laten zij uit het boek des levens worden uitgedelgd' (Ps.69:29).

Jezus verwierp de Joodse voorstellingen over een dodenrijk niet, want in het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus nam Hij dit beeld over. Beide mannen daalden af in de hades, omdat de weg naar het hemelse heiligdom voor de rechtvaardige Lazarus nog niet open lag (Hebr.9:8). Ook Lazarus stierf zonder de belofte van een hemels vaderland verkregen te hebben. Ook hij had tijdens zijn moeilijke omstandigheden op aarde dit land 'uit de verte gezien en begroet'. Ook hij had het beloofde niet verkregen, 'daar God iets beters met ons voorhad' (Hebr.11:13,40).

Jezus maakte zijn volgelingen echter duidelijk dat zij in het komende tijdperk niets meer met dood en dodenrijk te doen zouden hebben. Hij sprak: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand mijn woord bewaart heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen noch smaken' (Joh.8:51,52). Wie 'in Christus' is, is immers een nieuwe schepping. Hij heeft geen deel meer aan het oude, want dat is voorbijgegaan en tot het oude verbond behoorden ook nog dood en dodenrijk. De christen heeft het eeuwige leven en blijft voor altijd verbonden met Hem, die het leven is. Daarom is het dwaas, indien christenen hun zienswijze over het hiernamaals ondersteunen met teksten uit het Oude Testament, die voor hen niet meer relevant zijn. Wij zijn immers in het opstandingslichaam van Christus begrepen.

De dodenstad

Toen ik veertien jaar geleden Australië bezocht, nodigde mijn gastheer mij uit voor een tocht naar de begraafplaats van de miljoenenstad Sydney. Door deze enorme "dodenakker" lopen zelfs autowegen en hij wordt aangeduid met de naam 'necropolis', een Engels woord, dat rechtstreeks uit de Griekse taal is ontleend en dat 'dodenstad' betekent; necros betekent 'het dode lichaam betreffende'. Dit woord wordt bijvoorbeeld gebruikt in Jakobus 2:26, waar staat: 'Gelijk het lichaam zonder geest dood is'. Het woord 'polis' betekent 'stad'. De necropool van Sydney is verdeeld in wijken, die verband houden met de religies van de overledenen. Zo zag ik aan mijn rechterkant een begrafenis van iemand die tot de Lutherse kerk had behoord en aan de andere zijde een oosterse familie, die bij een graftombe gezellig zat te picknicken. Men veronderstelde dat de overledenen op mysterieuze wijze bij de gezamenlijke maaltijd betrokken waren. Al etend en drinkend had men kontakt met 'de geesten der doden' (Jes.8:19).

Het woord necropolis is een aanduiding, die gewoonlijk gebruikt wordt voor prehistorische en antieke grafvelden. Jezus vertroostte zijn discipelen met de woorden: 'De poorten van de hades zullen mijn gemeente niet overweldigen' (Math.16:18). Omdat er in de bijbel verschillende malen sprake is van 'poorten', wordt de hades ook voorgesteld als een necropolis. In Psalm 9 begint de dichter met de aanhef, die wij ook graag in de gemeente gebruiken: 'Ik zal u loven, Here, met mijn ganse hart, ik wil uw wonderen verhalen; in U wil ik mij verheugen en juichen'. In vers 14 beluisteren wij dan de overwinning op de laatste vijand: 'Gij, die mij opheft uit de poorten des doods, opdat ik verhale al uw roemrijke daden; in de poorten der dochter van Sion juiche over uw heil'. De Korte Verklaring' merkt hier terecht op: 'dat het dodenoord hier voorgesteld wordt als een stad, die in een diepte ligt'. Gods roemrijke daden worden gezien, wanneer de profeet-dichter overgeplaatst wordt in een andere stad met poorten, namelijk bij het heiligdom in het (hemelse) Jeruzalem.

Van Psalm 24 past men de tweede helft meestal toe op de hemelvaart van Jezus, maar het zou ook een illustratie kunnen zijn van diens intocht in de dodenstad, waar hij volgens 1 Petrus 3:19 de geesten in de gevangenis heeft toegesproken. Wij stellen ons dan het volgende voor: Vergezeld van zijn hemelse heerscharen eist de Koning der ere de overgave van de dodenstad. Voor de poorten klinkt de roep der engelen: 'Poorten, heft uw kroonlijsten op. Eeuwige posten, rekt u omhoog. De Koning der glorie gaat binnen' (Can.vert.). De aloude ingangen waren te laag om de Overwinnaar door te laten.

De doodsengelen hadden al eerder met de macht van de Koning der ere kennis gemaakt. Hij had destijds immers het dochtertje van Jaïrus en de zoon van de weduwe te Naïn uit hun greep verlost en zijn vriend Lazarus, die al voor de vierde dag in het 'graf' lag, had Hij met een machtswoord bevolen 'naar buiten te komen'. Wanneer Lazarus later opnieuw overlijdt, zou hij tot hen behoren, die de dood niet meer zouden zien. Zijn inwendige mens zou dan het verblijf in het lichaam verlaten en bij de Here zijn intrek nemen' (2 Kor.5:8).

De onwetende doodsmachten die de stem der heilige engelen horen, vragen verbaasd: 'Wie is Hij toch, de Koning der ere?' Buiten de muur klinkt dan de jubeltoon, die de doodse stilte verbreekt: 'De Here der (hemelse) heerscharen, Hij is de Koning der ere'. De belofte aan Abraham geschonken: 'Uw nageslacht zal de poort uwer vijanden in bezit nemen', wordt nu zeer reëel. Jezus, onze Koning, bezit de stadssleutels van de grote necropolis, want 'Hij heeft de gevangenis gevangen genomen. (Ef.4:18 Statenvert.). In de onzienlijke wereld zijn nu voortaan twee steden die overeenkomsten hebben en felle contrasten vertonen: de stad van de Dood en de stad van de levende God (Hebr.12:22). Ons wenkt het hemelse Jeruzalem, de stad der levenden. Tot Martha sprak Jezus: 'Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet (naar de inwendige mens) sterven; gelooft gij dat?'

 

 

 

 

 

kvo 52e jaargang nr.10 oktober 1988

De stad des doods,of

D E S T A D D E S L E V E N S

II

De rijke man en de arme Lazarus

Reeds bij het begin van zijn prediking dankte Jezus zijn hemelse Vader ervoor, dat zijn evangelie voor de natuurlijke wijzen en verstandigen verborgen was en aan de kinderen geopenbaard. Zijn voorkeur ging uit naar allen die in moeilijke omstandigheden verkeerden en zijn uitnodiging was : 'Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven'. Tot de scharen sprak Hij: 'Zalig, gij armen' (Luc.6:20) en Hij liet Johannes de Doper berichten: 'Armen ontvangen het evangelie'. Zijn discipelen waren ongeletterde en eenvoudige mensen uit het volk.

Tot zijn discipelen sprak Jezus: 'Voorwaar, Ik zeg U, een rijke zal moeilijk het Koninkrijk der hemelen binnengaan. Wederom zeg Ik u, het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog ener naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat'. (Matt.19:23,24).

Uit de geschiedenis van de rijke man en de arme Lazarus in Lucas 16 blijkt dat de rijke man de weerloze en zieke Lazarus had veracht en hem geen barmhartigheid had bewezen. Zijn rijkdom bracht hem ten val. Aan deze afgod had hij zijn denken en leven gewijd en hierdoor was hij liefdeloos jegens de armen en zwakken geworden. Zijn bezit diende hem slechts tot een laag, egoïstisch doel van genot en macht. Het had evenwel een schijnwaarde, 'want wat baat het de mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?' De ware rijkdom ligt in de geestelijke wereld.

Jezus liet de rijke man verloren gaan, omdat het religieuze Jodendom meende dat rijkdom een zegen van God was als een beloning voor vroomheid. Rijkdom zou dus een zichtbaar bewijs zijn van zijn welbehagen. Om deze dwaling te ontmaskeren werd een representant van rijkdom en genotzucht naar het oord der foltering verwezen, dat hij delen moest met 'lafaards, trouwelozen, boosdoeners, moordenaars, ontuchtigen, tovenaars, afgodendienaars en leugenaars', van wie Openbaring 21:8 spreekt, 'wier deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel'. Op aarde hadden de wetteloze geesten het lichaam van Lazarus zwaar beschadigd, maar in de hades werd de rijke man in zijn innerlijk lichaam aangetast door demonische machten, 'want hij leed pijn in de vlam'.

Of wij hier nu met een parabel of met een waar verhaal te doen hebben, doet aan de realiteit der gebeurtenissen niet toe of af, want ook in zijn gelijkenissen ging Jezus uit van zaken en omstandigheden die dagelijks voorkwamen. Hij openbaarde hier de waarheid over de onzienlijke wereld van het hiernamaals in beelden uit de zichtbare wereld. Wanneer Johannes later de schoonheid van het rijk van God schildert, doet hij dit ook met beelden uit de natuurlijke wereld: de heilige stad heeft een muur en poorten, waarvan de bouwstoffen edelstenen en goud zijn. Wij mogen evenwel deze beelden niet als werkelijkheid beschouwen, zoals bijvoorbeeld een evangelist deed in het boek over Jeruzalem. Deze situeerde de heilige stad op een satelliet in de ruimte, want de mogelijkheid moest toch bestaan dat het hemelse Jeruzalem op aarde kon neerdalen! Wij hebben echter het beeld nodig om ons een gedachte te vormen van de geestelijke dingen.

Hades en poel des vuurs

In het vorige artikel (kvo88091) zagen wij dat onze Heer de hades voorstelde als een onmetelijke, grote dodenstad. In het centrum van deze necropolis-de Amerikanen zouden zeggen 'downtown' - bevindt zich een diepte een groot meer of binnenzee, in de Openbaring door het woord 'poel' des vuurs aangeduid. Een poel is bij ons een ondiepe plas van geringe afmeting. Het Griekse woord 'limné', dat hier gebruikt wordt, vinden wij in Lucas vertaald door 'meer', namelijk het meer van Gennésareth, dat zo groot is, dat het ook 'zee' (thalassa) van Galiéa heet. Het vuurmeer duidt een concentratie aan van boze geesten, die eenmaal hun 'eigen woonstede hadden verlaten' en eensgeestes werden met de goddeloze mensen (Jud.6,2 Petr.2:4). Bij het sterven weigeren deze mensen de met hen verbonden machten los te laten, omdat zij de duisternis liever hebben dan het licht (Joh.3:19). De boze geesten worden dan tegen hun wil naar de Tartarus gevoerd. Daar bevinden zich ook de machten die door Jezus of later door zijn volgelingen werden uitgeworpen. De demonen willen niet naar de afgrond of bodemloze put om een ander beeld voor deze poel te gebruiken want daar worden ze gevangen gehouden. Zo smeekten zij eenmaal Jezus, 'dat Hij hen niet zou gelasten in de afgrond te varen' (Lucas 8:31). De 'hellevaart' geschiedde toch, toen zij in de zwijnen voeren en de troep van de steilte in het meer plofte. De varkens verdronken, maar de duivelen kwamen in de vuurzee terecht van de onderwereld. Van Judas werd gezegd, dat hij een duivel was. Toen hij stierf, ging hij 'naar zijn eigen plaats' in deze diepe zee van de necropolis.

Tot de rijke man sprak Abraham: 'Er gaapt tussen ons en u een geweldige afgrond, zodat men van hier niet naar u kan gaan, ook al zou men het willen, en men van ginds niet naar ons komen kan' (Can.vert.). De rijke man stond bij wijze van spreken nog in de diepte van de oever van de kokende vuurzee, waar hij smarten leed vanwege de uitstraling der laaiende vlammen, dus door de sfeer van de gekerkerde, wetteloze geesten. Deze duivelen blijven tot de eindtijd onder toezicht van de cipiers der gevangenis, van de Dood met zijn doodsmachten.

Tijdens de zondvloed stierven vele miljoenen mensen, die met de destructieve geesten onder leiding van de machtigste trawant van de satan, Abaddon, waren verbonden. 'Abaddon' is een hebreeuws woord, in het Grieks door Apollion vertaald. Oorspronkelijk betekent het verderf, verdoemenis, ondergang; verder dodenrijk, onderwereld, Ps.88:12,Job 26:6;28:22,Spr.15:11. In Openb.9:11 duidt het een persoonlijke verderver, verwoester aan, en wel één uit de afgevallen geestenwereld. Hij heet de engel des afgronds, der onderwereld' (Chr.Encyclopedie). Bij hun verdrinkingsdood werd de inwendige mens van deze goddelozen uit de voortijd naar de diepte van de dodenstad getrokken. Zij boeten daar nog steeds met 'een eeuwig verderf', dat betekent in gemeenschap met de verdervende engelen van Abaddon, 'ver van het aangezicht des Heren' (2 Tess.1:9). Vergelijk deze begeleidende geesten met die van de arme Lazarus, die door (zijn) engelen in de schoot van Abraham werd gedragen.

Wij moeten niet vreemd opkijken dat men zich een beeld vormde van een onderaardse stad en een meer. De symbolische taal die de Bijbel gebruikt, is ontleend aan oosterse situaties. Een groot deel van Palestina is kalkland, waar druipsteengrotten zijn met krochten en holen. David vertoefde met ongeveer 400 man in de spelonk van Adullam en verborg zich later met ongeveer 600 man in de spelonk van Engedi. Deze spelonken waren destijds tevens de 'bergvestingen' (1 Sam.22:1,4;24:4). Job sprak over mensen 'die in aardholen en rotskloven moeten wonen' (30:6). Vele Nederlanders zijn wel eens in de grotten van Han geweest, waar een zeer hoge, grote ruimte de Dom heet. Over een meer vaart men de grotten weer uit. De Engelse schrijver H.Bonar bezocht een spelonk bij Bethlehem en vertelde: 'Honderden mensen konden er een plaats vinden, en iemand, die de spelonk binnentrad, zou niets van hen bespeuren. Elke kamer is een statige hal met gothische pilaren aan de zijden. Hier en daar zijn openingen, waardoor men in de belendende holen komt'. Hebreeën 11:38 vermeldt van vervolgde gelovigen: 'Zij hebben rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in spelonken en holen der aarde'. Zelf bezocht ik de feeërieke grotten van Jeita op 18 km afstand van Beyrouth met hun fantastische kleurenrijkdom. Ik waande mij toen in het binnenste der aarde.

In verband met de situatie na het sterven beperken wij ons tot het beeld van de necropolis en dat van het nieuwe Jeruzalem. In de eindtijd komt alles tot volheid en deze wordt getoond in de ondergang van de stad die de duivel bouwt en in de voltooiing van de stad waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.

De hades in beroering

Er zijn in de necropolis ook wijken waar rust heerst. Jezus zei dat Lazarus bij zijn heengaan door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham. In plaats van de uitdrukking 'tot zijn vaderen verzameld', heeft de Joodse literatuur ook het meer bepaalde 'naar vader Abraham gaan', of 'bij Abraham, Izak en Jakob opgenomen worden'. Lazarus ging naar de plaats, waar deze rechtvaardigen zich bevonden. De aartsvaders waren wel 'rijke mannen', maar zij leefden eenvoudig en in gerechtigheid. Zij strekten zich uit naar de geestelijke wereld, want zij verwachtten de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is en zij verlangden naar een hemels vaderland. In dit geloof stierven zij allen, zonder de belofte verkregen te hebben (Hebr.11:10-16).

Dit geloof en deze hoop die gepaard gingen met liefde tot God en de naaste, zijn alle drie blijvend (1 Kor.13:13). Zij namen deze goddelijke eigenschappen mee naar de hades. Hun geloof was het eigendomsbewijs van hetgeen zij hoopten en een bewijsmiddel voor de dingen, die zij nog niet konden zien. Zij hadden dus de schatten van het Koninkrijk Gods gegrepen, evenals Lazarus dit had gedaan, want zijn naam drukte zijn wezen uit: God helpt. In de hades waren zij omringd door hun trouwe, dienende engelen, die ook uitzagen naar de grote dag der bevrijding. Deze brak aan, toen Jezus met zijn legerscharen als overwinnaar binnenkwam met de stadssleutels in de hand.

De hades kwam in beroering toen de graven der heiligen opengingen, een beeld dat de poorten van de dodenstad onder gejuich der engelen ontsloten werden en de heiligen nog veertig dagen op aarde verschenen als bewijs van hun opstanding. Bij zijn hemelvaart trok Jezus met deze voormalige gevangenen de heilige stad binnen (Matt.27:52,53). Wij lezen: 'Zij kwamen in de heilige stad en zijn velen verschenen (op aarde)' (Stat. Vert.). Zij vormen nu een deel van de gemeente, die bestemd is om de schepping te herstellen, zoals er staat, dat Jezus 'afwacht, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank zijner voeten' (Hebr.10:13). Zo wordt vervuld: 'velen zullen komen van Oost en West en zullen aanleggen met Abraham en Izak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen' (Matt.8:11).

Van een beroering in een andere wijk lezen wij in 1 Petrus 3:10-20. Bij zijn komst in de hades predikte Jezus aan de menselijke geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam gewéést waren, ten tijde van Noach. Zij waren weerspannig geweest, maar hadden zich nog op het laatste ogenblik bekeerd tot de God van Noach. De machten der duisternis, die hen eertijds overweldigd hadden, verlieten hen bij het sterven en daarom kwamen zij niet in de plaats der pijniging. Aan hen verkondigde Jezus het evangelie van schuldvergeving met de belofte van de opstanding in het einde der dagen.

Ook de crimineel aan het kruis kwam in zijn laatste ogenblikken nog tot bekering. Ondanks zijn folterende pijnen verdiepte hij zich in het mysterie van het Koninkrijk der hemelen. Hij verzocht Jezus hem niet te vergeten, wanneer Deze in zijn Koninkrijk kwam. De toezegging was, dat de nieuwe, bezitloze volgeling, zijn nieuwe Meester zou vergezellen naar het paradijs. In de necropolis zou hij dezelfde geloofstoestand ervaren, die de aartsvaders hadden. Jezus gebruikt een beeld, dat voor de Jood een gewone benaming was voor de gezegende toestand, waarin de rechtvaardigen na hun sterven verkeerden. Op dezelfde wijze wandelen wij door het geloof als burgers in de hemel, terwijl wij nog op aarde vreemdelingen zijn in de doodssfeer van de overste van de macht der lucht. Bij de hemelvaart zou deze laatste bekeerling van Jezus zijn plaats innemen als een plant in het hemelse paradijs.

Er zijn nog andere wijken in de necropool waar de prediking van Jezus de stilte doorbrak. Er is een boek des levens, waarin de namen zijn opgetekend van mensen, die goddelijke eigenschappen openbaarden, zoals liefde tot de medemens, barmhartigheid jegens allen die in nood verkeerden en die bekend stonden om hun goedheid. Zij worden geoordeeld naar hun werken (Openb.20:13). Wie in dit boek des levens staan, zullen ontkomen aan de verschrikkingen der hel. Zij zullen bij de opstanding 'ontwaken tot eeuwig leven' (Dan.12:1,2). Wat dunkt u van de Egyptische vroedvrouwen, Sifra en Pua, wier namen in de Bijbel zijn opgetekend, omdat zij 'God vreesden' en 'het bevel des konings niet vreesden'. Ebed-Melech, de Ethiopiër, had medelijden met de profeet Jeremia, die in een droge waterput was geworpen. Deze barmhartige 'knecht des konings' zoals zijn naam luidt, haalde lappen en lompen, die de profeet onder de oksels van zijn armen deed. Daarna werd Jeremia voorzichtig naar boven gehesen. Ook de naam Ebed-Melech werd in Gods Woord opgetekend, maar hij stond ook in het boek des levens. Bovendien kreeg hij op aarde de toezegging, dat hij bij de verwoesting van Jeruzalem ontkomen zou, 'omdat hij op de Here vertrouwd had' (Jer.39:16-18). Zo zijn er nog vele barmhartige Samaritanen. Schreef de broeder des Heren niet, dat barmhartigheid roemt tegen het oordeel? Zij behaalt de zege in die grote dag. Altijd zijn er 'goede mensen, die uit hun goede schat goede dingen voortbrengen' (Matt.12:35). Er zijn 'heidenen die van nature doen wat de wet gebiedt en die zichzelf tot wet zijn' (Rom.2:14). Ook dezen die nu nog in de 'graven' zijn, zullen de stem des Heren horen, en zij zullen uitgaan naar een nieuwe aarde bij de opstanding ten leven, omdat zij "het goede deden' (Joh.5:28,29). Ook voor hen komt het dodenrijk in beroering.

Bij de opstanding der doden tijdens het laatste oordeel zal Jezus zijn volmaakte gemeente inschakelen. De zonen Gods hebben dan als medearbeiders reeds de aarde geschoond en de zuchtende schepping hersteld. Zij gebruikten hiertoe de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Dan dalen zij af in de dodenstad met de sleutels van de hades in de hand, teneinde de laatste vijand een 'dodelijke' slag toe te brengen. De apostel had kunnen schrijven: 'Weet gij niet, dat gij doodsengelen zult oordelen?' Dan is de tijd aangebroken, dat alle knie zich zal buigen, ook 'die der mensen die onder de aarde zijn'. 'Allen zullen dan belijden dat Jezus Christus Here is, tot eer van God, de Vader (Filip.2:10,11).

Rest mij nog te schrijven over de grote beroering in de poel des vuurs, over wat er met deze 'diepten des satans' gaat gebeuren en over de glorie van het voltooide hemelse Jeruzalem.

kvo 52e jaargang nr 11 november 1988

De stad des doods,of

D E S T A D D E S L E V E N S

III

Het hemelse Jeruzalem.

Wanneer wij over de necropolis en over de hemelstad spreken gebruiken wij beelden die ontleend zijn aan de antieke wereld. Men zag de heldere sterren boven zich en situeerde in 'de hoogste hemelen' of in 'de hemel der hemelen' de woonplaats van God. Beneden was de aarde als een plat vlak omgeven door de oerzee. Een burgerschap van de mens in de hemel was ook in het Oude Testament een onbekende zaak : 'de hemel is de hemel van de Here, maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven' (Ps.115:16). Onder het oppervlak der aarde was de hades of de onderwereld. Dit simplistische wereldbeeld nemen nog vele christenen over. Met een vorige generatie zingen zij dichterlijk en dierbaar: 'Boven de starren is't Vaderhuis' (lied 23 Joh.de Heer). Het firmament is echter de hemel niet, maar er staat: '"God noemde het uitspansel hemel' (Gen.1:8). Het hemelse Jeruzalem waarvan God de bouwmeester is, behoort tot de dingen die men met het natuurlijke oog niet kan zien. De apostel schreef daarom : 'Wij zien niet op het zichtbare maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig' (2 kor.4:18). Alleen dit onzichtbare Jeruzalem is de eeuwige stad, een geestelijke woonplaats, die opgebouwd wordt uit geestelijke, 'levende stenen', dat zijn de geestelijke lichamen van mensen die gelijkvormig zijn aan 'de levende steen', Jezus Christus, die op aarde door vleselijk gezinde, godsdienstige mensen werd verworpen, maar door God werd uitverkoren als hoeksteen van de hemelse tempel (1 petr.2:4,5).

Wie als 'burger van een rijk in de hemelen' de dingen bedenkt die 'boven' zijn en niet die 'op de aarde' zijn, houdt zich niet bezig met het aardse Jeruzalem maar met het hemelse. Het hemelse Jeruzalem is de stad van de geestelijke christenen. Hier verzamelt Jezus zijn volk zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels, dus hen die de Vader Hem gegeven heeft, namelijk die in Hem en in zijn woord geloven. Het geestelijke Jeruzalem is de metropolis of moederstad van het hemelse vaderland. Het is opgebouwd uit levende stenen, dus uit wedergeboren mensen. 'Dit hemelse Jeruzalem is onze moeder' (gal.4:26). Vanuit deze stad worden de gemeenten op aarde bestuurd en ontvangen zij hun instructies. 'Laat u daarom als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis'. Er is een ontwikkeling in de stad der levenden: zij wordt uiteindelijk één grote tempelstad, de woonstede van God in de geestelijke wereld (Ef.2:22). Eenmaal zal God daar zijn: alles in allen (1 Kor.15:28).

Wij zagen dat de alles vergaderende hades wordt voorgesteld door een stad met enorme afmetingen. Ook de heilige stad heeft gigantische maten. In openbaring 21:16 is aprake van een lengte, breedte en hoogte van 12000 stadien, dat is - als we de griekse stadie op 180 meter stellen - 2160 km, een afstand van Amsterdam naar Constantinopel. De stad zou tegen de helling van de hemelse berg Sion gebouwd zijn met een hoogte van 2400 maal die van de Mount Everest. Waarlijk, deze berg Sion is verheven boven de hoogste der bergen (Jes.2:2). Wij hebben hier met een symbolische berg en een symbolische stad te doen, die zo groot is, dat zij ontelbare scharen uit alle volken in zich kan opnemen. Van deze bergstad reikt de top tot in het opperste van de hemel. Vergelijk als contrast hiermee de occulte tempeltoren van Babel, waarvan de top tot de hemel moest reiken. (Gen.11:4).

Evenals de necropolis heeft het hemelse Jeruzalem een muur met poorten. Het grondvlak van deze stad is een vierkant als beeld der volmaaktheid. Elke zijde telt drie poorten, die ook een symbolische betekenis hebben in het rijk van God. In de natuurlijke wereld zouden de drie poorten minstens 500 km van elkaar verwijderd zijn en zou men terecht van een ontoegankelijke stad kunnen spreken. Op de poorten staan de namen van de twaalf stammen van het Israël Gods, die alleen toegang geven aan de besnedenen van hart, 'want niet hij is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dat is besnijdenis, wat uiterlijk aan het vlees geschiedt, maar hij is een Jood, die het in het verborgene is, en de (ware) besnijdenis is die van het hart, naar de geest, niet naar de letter' (Rom.2:28,29). Het voljoodse Jeruzalem is tegelijkertijd de stad der volken, want 'de Filistijn, de Tyrier, de Moren, zijn binnen u,o Godsstad, voortgebracht'. Hun eenheid rust op het fundament van de muur der stad, namelijk op de leer van de twaalf apostelen. De tienduizendtallen engelen en de gemeente der eerstgeborenen vormen daar een feestvierende schare, zoals ten tijde van David, toen deze de ark binnen de poorten van de koningsstad voerde. 'Dan zullen allen in reidans (rondedans) zingen: 'In u is mijn woning '(Ps.87:7 Can.vert.).

Het paradijs.

Vele uitleggers hebben moeilijkheden met de troostrijke woorden van Jezus tot de boosdoener aan het kruis: 'waarlijk, ik zeg u: heden (nog) zult gij met Mij in het paradijs zijn' (Luc.23:43, Het Nieuwe Testament met commentaar). Om moeilijkheden in de uitleg te vermijden, lezen sommige: 'ik zeg u heden: gij zult met mij in het paradijs zijn'. Dit is niet meer dan een uitvlucht, want men kan dan evengoed het woord 'heden' weglaten.De Joden geloofden wel in afzonderlijke verblijven in de onderaardse hades voor rechtvaardigen en goddelozen, maar het oord der verkwikking, de schoot van Abraham, heette bij hen nooit "paradijs". Dit beeld gebruikten zij om een toekomstige, bovenaardse wereld aan te duiden. De gelukkige misdadiger kwam echter allereerst met Jezus in de necropolis. Hij werd door engelen gedragen in Abrahams schoot. Daar bevond zich ook water, dat gedronken kon worden, want Lazarus kon zijn vinger erin dopen. Dit water doet ons denken aan de rivier des levens, al was het maar een zwak stroompje.

Het paradijs stelde dan de gestorvenen voor als bomen en planten in een winterslaap, maar waarvan de wortels nog altijd in hope waren uitgeslagen naar het water des levens. Er was daar geen ontwikkeling en groei. Allen die zich daar bevonden, waren 'de dood gestorven' (Gen.2:17 St.vert.). De rechtvaardigen en heiligen, die van Adam tot Christus leefden, zagen daar als dorre bomen uit naar de lente, dus naar de dag van de opstanding. Dan zouden ze ontwaken. Dit gebeurde, toen Jezus na zijn sterven als de Boom des levens met rijke vruchten en in volle bladerdos Zich bij hen voegde. Toen woei de lentewind door de dodenhof en het paradijs herleefde. Bij de Hemelvaart van onze Here werd het paradijs overgeplant in het centrum van de heilige stad, waar de rivier des levens ontspringt uit de troon van God. Zij die op aarde overwinnaars zijn in hun strijd tegen de boze geesten in de lucht, zullen ook 'eten van de Boom des levens, die in het paradijs Gods is'. Zij vormen 'het geboomte des levens aan weerszijden van de rivier', want zij zijn gelijkvormig geworden aan de Boom des levens. 'Langs de beek zullen op hun oevers aan weerszijden allerlei vruchtbomen opschieten, waarvan het loof niet verwelkt en de vrucht niet opraakt; elke maand zullen zij vrucht dragen, omdat hun water uit het heiligdom komt; hun vruchten zullen tot spijze zijn en hun loof tot geneesmiddel' (Ez.47:12). De priester-profeet Ezechiel had de tempel met de stromende beek niet beschreven, opdat eenmaal een natuurlijk Israël dit op aarde zou realiseren, maar opdat het ware, geestelijk volk Gods zich ermee zou bezighouden, teneinde de geestelijke waarden ervan te verstaan en zich tot eigendom te maken. Juist omdat de tempel waaruit de Godsrivier stroomt, nimmer op aarde zou gebouwd worden, werden de gelovigen gedwongen tot het bedenken van de dingen die boven zijn. Zij moesten 'nameten' of 'naspeuren' op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde (1 Petr.1:11). Dit deed de apostel Johannes, toen hij in Openbaring 21 en 22 een nieuwe expressie gaf aan het oude tempelvisioen.

Wanneer na de grote dag der opstanding het hemelse Jeruzalem op aarde neergedaald is, wijst de vrucht van het geboomte des levens op het eeuwige evangelie van het Koninkrijk der hemelen, dat aan de bewoners der nieuwe aarde zal verkondigd worden door de gemeente van Jezus Christus. De hades zal immers de doden teruggeven, die tot de goede mensheid behoorden en wier namen waren geschreven in het boek des levens. De bladeren wijzen op de ontplooiing van de geestelijke begaafdheden, waardoor allen die beschadigd ingingen en 'als door vuur heen' werden gered, nog volkomen zullen herstellen en zich ontplooien (1 Kor.3:15,Openb.22:1,2). Zij perken dan de hof af als borderbloemen en sierstruiken.

DIEPTEN VAN GOD EN VAN DE SATAN.

Wanneer wij over de eeuwige toekomst van de christen schrijven, denken wij aan de woorden van de apostel: 'Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods'(1 Kor.2:10). De diepten Gods zijn diens diepste gedachten aangaande het herstel en de verheffing van de mens voor wie de woorden van Jezus gelden: 'Wie overwint, hem zal ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon' (Openb.3:21). De troonverwervers helpen mee om de allerdiepste gedachten van God te realiseren, namelijk dat de ganse schepping verlost en hersteld wordt en dat God alles in allen zal zijn.

In Openbaring 2:24 wordt over 'de diepten des satans' gesproken, want deze hebben het duivelse plan gecreëerd om de geestelijke ontwikkeling van de mens te verhinderen. Ook hiervan moeten wij op de hoogte zijn, zoals Paulus sprak: 'Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend' (2 Kor.2:11). De tegenstander van God wil niet dat wij opstijgen om de wolkenformaties te vormen waarmee de Zoon des mensen verbonden is. Daarom voert hij 'die het geweld des doods heeft' de mens na diens sterven naar de dodenstad om hem te beletten omhoog te stijgen. Zo had de apostel al tijdens zijn leven een engel van satan in zijn nabijheid, 'opdat hij zich niet te zeer zou verheffen' .

Voor het hemelse Jeruzalem geldt, dat deze stad der levenden behoort tot 'al wat God bereid heeft voor degenen die Hem liefhebben'. De necropolis met de Tatarus of afgrond is daarentegen bereid door de duivel, die erop uit is het leven van de mens te ontbinden en te vernietigen. Bij allen in de hades, die in het boek des levens geschreven zijn, heerst alleen dit verstijvende doodsklimaat, dat door de doodsmachten, de cipiers der gevangenis, veroorzaakt wordt. Aan de andere zijde van de 'onoverkomelijke kloof' bevinden zich in de Tartarus de doden, die tijdens hun leven op aarde, 'mensen waren, die de duisternis liever hadden gehad dan het licht' (Joh.3:19). Zij hadden zich zo aan de demonen gehecht, dat ze bij het sterven deze boze engelen, met wie ze zich één voelden, meetrokken naar de afgrond. Daar bevinden zich ook de onreine geesten, die door Jezus en zijn volgelingen werden uitgedreven. Die zijn op de plaats van pijniging gekomen vóór hun tijd (Math.8:29). Op hen is het stempel der vernedering en onderworpenheid gedrukt en de satan kan en wil ze niet meer in zijn dienst hebben. Wij wachten daar de tijd af, dat de zonen Gods ook hen zullen oordelen. Het is daarom voor ons wel hoog tijd om de opdracht van Jezus te vervullen: 'Drijft boze geesten uit'. Deze gebonden machten kunnen niet meer opgeroepen worden want er staat: 'Wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen', dus ook in de onzienlijke wereld van de hades gebonden blijven.

Zoals er in de heilige bergstad van het nieuwe Jeruzalem verschillende niveaus van gelukzaligheid zijn, en allen omhoog stijgen, zo zijn er in de afgrond verschillende kreitsen en sferen, die zich alle naar 'het hart der aarde bewegen'. Jezus sprak over de vurige oven, het onuitblusbaar vuur, de diepten der zee, alle beelden om de concentratie van de gevallen engelen aan te duiden. Zij heet de plaats der pijniging, omdat de boze geesten hun aktiviteiten en lusten niet meer kunnen botvieren op de mens. Zij is de plaats der pijniging voor de verlorenen, omdat de met hen verbonden geesten de begeerten en lustgevoelens van het zondigende vlees niet meer kunnen opwekken en bevredigen, terwijl ze toch in de sfeer der boze geesten moeten vertoeven. Het einde van heilloze, aflopende weg der ongehoorzamen en goddelozen is 'het meer, dat brandt van vuur en zwavel'. Het vuur duidt de aanwezigheid der duivelen aan en de zwavel wijst op hun principe van boosheid, ongerechtigheid en onreinheid. De zwavel voedt het vuur, zoals de ongerechtigheid en wetteloosheid de bron vormen van de existentie der demonen. In het evangelie is de hel voor de mens een randverschijnsel. Jezus brengt deze situatie nooit in verband met hen, die het evangelie niet kenden, maar wel als een waarschuwing aan allen, die zijn woorden hoorden, maar er niet op ingingen. Hij sprak over de toestand, waar hun worm niet sterft en het vuur ( de pijnigende machten), niet wordt uitgeblust, dus niet ophoudt te bestaan. Daar is het geween en het geknars der tanden van onboetvaardigen en verachters van de prediking. Het onkruid dat tussen de tarwe opgroeide, wordt bijeen gebracht om het in bossen te binden en te verbranden (Math.13:30). Tot de onbarmhartigen en egoïsten zal Hij eenmaal zeggen: 'Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is' (Math.25:41). Vervloekt is de mens, die verbonden is met demonen. Hij is dan niet door hen overweldigd, maar door eigen keuze een geest met hen. Wij merken op, dat hier niet staat dat het eeuwige vuur door God bereid is.Het is door de duivel gecreëerd, die uiteindelijk zelf erin ten onder gaat, dus in zijn eigen zwaard valt. Alleen het hemelse Jeruzalem is door God bereid. In beide gevallen is er sprake van een proces.Wie tot God nadert, ervaart dat God steeds meer tot hem nadert. Hij krijgt dan steeds groter deel aan de erfenis der heiligen in het licht. Wie echter Het evangelie van de zoon 'ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem' (Joh.3:36). De boze geesten vormen de toorn van God. De mens wordt dan aan de onreine geesten overgeleverd tot eigen verderf (Rom.1:21-28). Het betekent een 'eeuwig verderf, ver van het aangezicht des Heren en van de heerlijkheid zijner sterkte' (2 Tess.1:10).

De stad des levens vertoont een ontwikkeling, waarin God alles in allen zal zijn. De stad des doods doet ons een proces zien in tegenovergestelde richting. Daar wordt de duivel alles in allen. Daarom kiezen wij in plaats van de dood het leven. 'Wie dorst heeft,kome en neme het water des levens om niet'.*

 

kvo 52e jaargang nummer 12 december 1988

De stad des doods,of

D E S T A D D E S L E V E N S

IV

Jeruzalem is neerdalende

Wanneer wij ons bezighouden met het hemelse Jeruzalem, de stad des levens, en ook met zijn tegenpool, de necropolis, de stad des doods, behandelen wij zuiver geestelijke onderwerpen. Wij orinteren ons hiertoe veelal op het laatste bijbelboek, dat zo beeldend spreekt over de dingen die niet gezien worden. Deze geestelijke wereld is even reëel als onze eigen onsterfelijke, innerlijke mens, die gevormd wordt door ziel en geest.

In het begin van zijn symbolische visioenen schreef Johannes: 'Zalig hij die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij'. Gezeten op een galerijbank in de cirkelvormige Wilhelmina-kerk te Dordrecht las ik al op twaalfjarige leeftijd tijdens de dienst met grote interesse in de Openbaring. Het gebouw waarin ik mij bevond, was ook een en al symboliek. In het midden van de cirkel stond de spreker, waaromheen de gemeente was gegroepeerd. Zij concentreerde zich dus om het Woord Gods dat van de predikant uitging. Het gebouw was gebaseerd op een tienhoek, symbool van de volmaaktheid, die wij als gereformeerden meenden te hebben in 'de meest zuivere leer'. Op de catechisatie vernam ik, dat buiten onze zienswijze alles 'georganiseerd misverstand' was. Op de tienhoek verhief zich de koepel als symbool van de macht van Christus boven het wereldlijk gezag. Een rozetvenster bevatte een voorstelling van de gelijkenis van de wijnstok. De prediking vanaf het platvorm gaf aan, dat het woord uit de gemeente voortkwam en niet vanaf de preekstoel neerdaalde. Altijd zichtbaar in het midden van het platvorm was het doopvont en ook de avondmaalstafel. Het opzicht over de gemeente werd gesymboliseerd door de kerkeraadsbanken op het platvorm (gegevens ontleend aan de Dordtse-Courant van november 1899).

Hoewel ik de Wilhelmina-kerk heel mooi vond, evenals het boek Openbaring dat mij meer boeide dan de dogmatische preken, begreep ik niets van de geestelijke realiteiten die in kerkgebouw en eindtijdgeschrift waren verborgen. Mijn geest kon de beelden uit de zienlijke wereld nog niet transponeren in de geestelijke werkelijkheid. Ik las wel 'zalig die leest', maar de sprong van het zichtbare naar het onzichtbare was te hoog. Pas vele jaren later leerde ik de visioenen van Johannes met mijn geest over te zetten en te verstaan. En nog moet ik erkennen dat de spiegel waarin ik zie, nog menigmaal wazig is (1 Kor.13:12).

Johannes zag de heilige stad, waarin geen enkele vorm van zonde toegelaten wordt, als een nieuw Jeruzalem 'nederdalende' uit de hemel (Op.21:2,10). Het oude en natuurlijke Jeruzalem was voor hem voorbijgegaan en het nieuwe was gekomen. 'Aan wat vroeger was, zou niet meer gedacht worden'. Dit nieuwe Jeruzalem deed zijn naam eer aan, namelijk van 'woning des vredes'. Het is de stad van het Koninkrijk Gods. Daarom is het neerdalende uit de hemel. In Openbaring 3:12 wordt tot de overwinnaars in de geestelijke strijd gezegd: 'Ik zal op hem schrijven de naam van de stad mijns Gods, het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel neerdaalt van mijn God'. Deze stad beweegt zich naar de aarde tijdens de prediking van het Koninkrijk der hemelen. Bij het begin van zijn optreden sprak Jezus: 'Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen'. Daarom zingen wij: 'Het hemelse Jeruzalem komt nader, steen voor steen, met gouden wegen van geloof, beproefd door vuurgloed heen'. Door de evangelie verkondiging krijgen wij kennis en inzicht in de hemelse zaken.

Wanneer christenen 'verlost worden van de boze' geesten, gaat in vervulling: 'Indien wij door de Geest Gods duivelen uitdrijven, is het Koninkrijk Gods over ons gekomen' (Matth.12:28). De verloste ervaart: 'Ten dage des heils ben Ik u te hulp gekomen'. Deze vernieuwde mens mag vrolijk zingen: 'Jeruzalem dat ik bemin, nu treed ik uwe poorten in'. Een aantal levende stenen bij elkaar vormen een gemeente, waarvan de leden hier op aarde gereed gemaakt worden voor een plaats in de hemelstad. (Joh.4:12). Zo werden de stenen van de tempel eenmaal behouwen aan de groeve om pasklaar ingevoegd te worden in het huis Gods te Jeruzalem (1 Kon.5:17,18).

Bij de doop met de Geest en vooral bij de vervulling met de Geest wordt de uitspraak van Jezus bewaarheid: 'Het koninkrijk Gods is binnen ulieden' (Luc.17:21 St.vert.). Daarom gaan de geestelijke christenen op het vermaan in: 'Laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen' (1 Petr.2:5). Zo wordt de tempel Gods in de hemel gebouwd (Openb.11:19). Bij het grote keerpunt in het leven van Jezus op aarde wordt gezegd, dat de hemel zich opende en de Geest Gods neerdaalde. Hij werd toen de levende steen, door mensen wel verworpen, maar bij God de uitverkoren hoeksteen (Matt.3:16;1 Petr.2:4).Bij de voltooiing van het hemelse Jeruzalem is er geen aparte tempel meer, want dan is sprake van één grote tempelstad (Openb. 21:22).

Al eerder noemden wij het Jeruzalem dat boven is, dus dat zich in de geestelijke wereld bevindt en waar God zijn troon heeft, de moederstad of metropolis. Een oudgriekse stad, die burgers had uit gezonden om een dochterstad of kolonie te stichten, noemde men in de antieke wereld een metropool. De kolonisten bleven nauw met de moederstad verbonden. Zo woonden er buiten Palestina veel Joden in de verstrooiing of diaspora. De 'Joden uit alle volken onder de hemel' hadden hun synagogen, waar zij onderwezen werden in de wet en de profeten. Hun levensgewoonten waren gebaseerd op de uitspraak, dat uit Sion de wet uitging en des Heren woord uit Jeruzalem (Jes.2:3). Op grote feesten trokken zij vol vreugde van alle kanten naar Jeruzalem om daar hun nationale en religieuze eenheid te beleven.

Paulus, de Jood uit Tarsus, schreef,dat hij na zijn bekering het kontakt met Jeruzalem was kwijtgeraakt. De Here had hem toen van de schoot zijner moeder afgezonderd of gescheiden en uit genade als apostel geroepen. Niet het aardse maar het hemelse Jeruzalem was voortaan zijn moederstad(Gal.1:15;4:26). Iedere christen persoonlijk en iedere gemeente van Jezus op aarde is op deze wijze verbonden met het hemelse Jeruzalem: "Een man zal zeggen Sion is mijn moeder' (Ps.86(87):5 septuag.). Indien dit Jeruzalem neerdaalt, hebben wij deel aan de gerechtigheid, de vrede en de blijdschap van het Koninkrijk Gods. Jezus sprak toch:" Gij zijt het licht der wereld. Een stad,die op een berg licht, kan niet verborgen blijven' (Matt.5:14).

De duivel daalt neer

Het evangelie van het Koninkrijk zal over de gehele wereld bekend worden gemaakt en dan zal het einde gekomen zijn en het resultaat ervan worden aanschouwd (Matt.24:14). In die tijd herhaalt zich de pinksterbelofte, dat God in de laatste dagen van zijn Geest zal uitstorten op alle vlees. De gemeente van christus begon met een pinkstertijd en zal er ook mee eindigen. Van deze grote gemeente kan gezegd worden, dat zij 'stralend is en zonder vlek of rimpel'. Zij spreekt zoals Jezus sprak en doet de werken, die Hij eenmaal deed en zelfs nog grotere (Joh.14:12). Aan haar leden wordt vervuld: 'Wie overwint,.. gelijk ook ik heb overwonnen' (Openb.3:21). Ook zij ontmaskeren de vijand en stellen hem ten toon en door de kracht van de Heilige Geest herstellen zij overal de beschadigde mens die door de duivel overweldigd werd. Deze volheid van het Israël Gods, dat symbolisch uit twaalf stammen bestaat van elk duizend maal twaalf apostelen, deze '144.000' brengen grote scharen binnen uit alle volk en stammen en natiën en talen (Openb.7:1-9).

Is het wonder dat aan het einde van deze bedeling er een oorlog uitbreekt in de hemel, waar zich dit Israël Gods bevindt? Want in dit volk trekt het woord Gods uit, overwinnende en om te overwinnen. In deze vlekkeloze en onberispelijke gemeente van de eindtijd is geen plaats meer voor de aanklager der broeders. Zij overwinnen hem door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis. De duivel wordt dan buiten het geestelijk domein van deze zonen Gods gezet (Openb.12:7-12). In een profetisch visioen sprak Jezus, toen Hij die overwinning van zijn volgelingen in de meemaakte: 'Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen. Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen' (Luc.10:18,19).

Omdat hij weet dat hij maar weinig tijd meer over heeft, daalt dan de duivel neer naar de aarde en naar de zee, dit wil zeggen naar de afvallige kerk die geen burgerschap kent in de hemel, dus naar het grote Babylon der christenheid, dat aards gericht denkt en handelt. De duivel is dan 'neergedaald in grote grimmigheid'. De zee is beeld van de menselijke geesten, die verbonden zijn met dood en dodenrijk. Dan volgt het drama van de eindtijd: 'En de draak bleef staan op het zand der (mensen) zee . En ik zag uit de zee een beest opkomen(Openb. 12:10;13:1).

Het beest komt naarboven

De heilige stad telt twaalf poorten als beeld van de grote verscheidenheid in het Israël Gods. Zijn eenheid wordt uitgedrukt in de twaalf fundamenten waarop de namen van de twaalf apostelen zijn geschreven. Onder hen was ook verschil in geaardheid en belevenis, maar allen verkondigden de leer van Jezus over het Koninkrijk der hemelen. In hun stagetijd werden ze allen uitgezonden 'om het koninkrijk Gods te verkondigen en genezingen te doen' (Luc.9:1,2). Wie door een poort binnengaat, heeft deze leer als een vastigheid onder de voeten. Hij komt dan in een wijk die bij hem past, want de ene wijk verschilt in hoogte en heerlijkheid van de andere.

De necropolis heeft ook poorten die toegang geven tot verschillende wijken, welke op verschillende diepten liggen. Kaïn en Abel waren twee broers. Kaïn vermoordde zijn broeder, 'omdat zijn werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig" (1 Joh.3:12). Bij zijn sterven ging deze door de poort der rechtvaardigen naar de plaats, die later, 'de schoot van Abraham' of paradijs werd genoemd. Kaïn kwam de hades binnen door de poort der bozen. Deze toegang voert volgens Openbaring 21:8 naar de diepste sferen van de necropolis. Bij deze vuurzee worden genoemd de lafhartigen, die de strijd in de hemelse gewesten ontweken en voor de boze machten bezweken. Omdat zij de naam van Jezus voor de mensen verloochenden, worden zij bij hun sterven door de begeleidende engelen Gods ook verloochend (Luc.12:9). Dan volgen de ongelovigen of trouwelozen bij wie de twijfel en onstandvastigheid de weg naar het leven versperden. De boosdoeners, moordenaars en ontuchtigen vielen ten prooi aan de geestelijke boosheden in de lucht, terwijl de tovenaars en afgodendienaars kontakt onderhielden met de sinistere geesten uit het dodenrijk. De leugenaars werden geïnspireerd door de vader der leugen. Onder hen zijn ook de verkondigers van valse leringen. Wie niet van de onreine geesten gescheiden wil worden en ze liefheeft, gaat met hen ten onder. Zo ging de apostel Judas na zijn zelfmoord door de poort der afvalligen 'naar zijn eigen plaats' in de dodenstad (Hand.1:25). Sifra, Pua en Ebedmelech waren liefdevolle mensen. Zij gingen door de poort binnen,waarboven geschreven staat: 'Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden'. Kinderen die nog geen onderscheid kennen tussen hun rechter- en linkerhand, gaan bij hun sterven door een poort binnen met het opschrift: 'voor dezulken is het koninkrijk der hemelen'. Door de poort des verderfs ging met zijn wetteloze geesten Abaddon, de grootvorst uit het rijk der duisternis, die in de voortijd de aarde had verdorven. Deze boze engelen zondigden tegen de Heilige Geest, omdat zij hun eigen woning in de hemel verlieten en in mensen gingen huizen, wier lichamen bestemd waren voor de inwoning van de goddelijke Geest. Zij werden in de krochten der Tartarus geworpen om hen voor het gericht van de grote dag in bewaring te houden (Jud.6).

Verslagen en grimmig staat aan de oever der zee de draak. Hij heeft hulp nodig om het triomfantelijke werk van de Heilige Geest in de gemeente van Jezus Christus weer ongedaan te maken. Beneden hem is de bodemloze afgrond. Over de koning van de Necropolis heeft hij geen gezag. Hij heeft niet het geweld óver de dood maar ván de dood. De Statenbijbel heeft in Hebreeën 2:14 terecht 'het geweld des doods'. Zijn heerschappij over het menselijk geslacht blijkt hieruit, dat het de mens gezet is eenmaal na een aftakelingsproces te sterven om daarna in de hades volkomen inactief te worden en uitgeschakeld te zijn. Gelukkig heeft Jezus deze autoriteit des doods, die de duivel bezat, verbroken. Op aarde proclameerde Hij een genezings en herstelprogramma en door het hanteren van de sleutels van dood en dodenrijk houdt Hij zijn gemeente buiten de poorten van de hades. Hij schenkt zijn volgelingen het eeuwige leven en voert ze naar het hemelse Jeruzalem.

Wij zagen reeds dat de Zoon van God vele heiligen uit de necropolis verloste en dat de zonen Gods bij de laatste opstanding ontelbare anderen gevangenen zullen bevrijden. De duivel zoekt nu naar een mens, die de kracht bezit om gevallen engelen naar boven te brengen. Deze vindt hij in de persoon van de antichrist. Voor de antichristen geldt immers: 'zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren van ons niet' (1 Joh.2:19). De antichrist kent dus de leer van de onzienlijke wereld. Deze niet meer tot bekering te brengen persoon behoort tot 'degenen, die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gaven genoten hebben en deel gekregen hebben aan de heilige Geest, en het goede woord Gods en de kracht van de toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn' (Hebr.6:4). Door middel van spiritistische praktijken daalt deze mens der zonde naar de diepte van de Tartarus en verbindt zich daar met Abaddon, die in het Grieks Apóllyon genoemd wordt. Deze naam betekent verderver. Zoals Jezus gevangen mensen uit het dodenrijk bevrijdde en meevoerde naar de hoge, zo neemt de antipode gevallen engelen mee naar de aarde om ze op mensen los te laten. Christus redt mensen en de antichrist bevrijdt demonen. Spiritisten kunnen nooit mensen maar alleen machten uit de hades oproepen. Tijdens deze grootste seance aller tijden vaart Abaddon, de engel van de afgrond, in de antichrist en wordt deze 'de zoon des verderfs', de mens der wetteloosheid (2 Tess.2:3).

kvo 53e jaargang nummer 1 januari 1989

De stad des doods ,of:

D E S T A D D E S L E V E N S

V

Geestelijke hoogconjunctuur

Wanneer wij ons een eenvoudige voorstelling van de conjunctuurveranderingen in het Koninkrijk Gods maken, is het nuttig de prognose ervan op te merken in de gelijkenis van het 'uit zichzelf groeiende zaad' (Marc.4:26-29). Conjunctuur heeft te maken met invloedrijke omstandigheden. Het Griekse woord 'prognosis' vinden wij terug in Handelingen 2:23 en 1 Petrus 1:2, waar het vertaald is door 'voorkennis' van het verloop der dingen in de geestelijke wereld. In de gelijkenis werpt een mens zaad in de aarde en heeft hij verder geen invloed op de groei en ontwikkeling ervan.Hij 'wacht op de kostelijke vrucht der aarde en heeft geduld, totdat de vroege en de late regen erop gevallen is' (Jac.5:7). Het voorspelde verloop der dingen is dan: 'De grond brengt vanzelf - letterlijk automatisch - vrucht voort; eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar. Wanneer dan de vrucht rijp is, laat hij er terstond de sikkel in slaan, omdat de oogsttijd aangebroken is'.

Halm en aar geven het leven door, maar missen de gelijkvormigheid met het zaad. Leven betekent groeien, en groeien houdt in rijp worden. De stengel beeldt door zijn lengte de grootste periode in de geschiedenis der christenheid uit. De voorgeslachten hebben voor hún tijd 'de raad Gods gediend', maar de gedachte dat zij het beeld van de zoon Gods gelijkvormig konden worden, was hun vreemd. Op zijn hoogst wisten zij zich 'rechtvaardigen' maar nooit 'zonen Gods'.

Na de halmtijd kwam aan het einde van de 18e eeuw en in de eerste helft der 19e eeuw het reveil, een geestelijk ontwaken dat als een vernieuwende stroom zijn weg vond in vele landen. Het was een reactie op het rationalisme met zijn bijbelkritiek en op het starre dogmatische confessionalisme der belijdende kerken. Bijbelkennis, gevoel en geweten werden uitgangspunt voor het christelijk leven in deze elitaire kringen. Daarna volgden in de angelsaksische landen de grote evangelische opwekkingsbewegingen waarin talrijken tot bekering werden gebracht. In het begin van onze eeuw ontstonden alom de pinksterkerken met een grote invloed op het gewone volk, gevolgd door de volle evangeliegemeenten en de semi kerkelijke charismatische beweging, waarin miljoenen christenen met de Heilige Geest gedoopt werden. De late regen begon te vallen. Tezamen vormen zij het bovenste deel van de halm, de aar, waarin de graankorrels tot ontwikkeling kunnen komen, waarnaar de grote Landman uitziet. In dit laatste tijdperk wordt vervuld, dat Gods volk naar geest, ziel en lichaam als een volgroeide, rijpe vrucht - zelfs in de grote verdrukking - onberispelijk bewaard zal zijn bij de komst van onze Here Jezus Christus (1 Thess.5:23).

Halm en aar zijn echter in de eindtijd niet bestand tegen het vuur der demonie dat over de ganse aarde trekt. Alleen zij die 'aangedaan' zijn met byzondere kracht van omhoog kunnen stand houden. Ook de christenen zijn dan hun 'New Age', hun nieuwe eeuw, ingegaan. Hun blik is niet langer achterwaarts gericht naar de vaderen en hun leer, maar voorwaarts, 'want niemand, die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk Gods.' (Luc.9:62).

De unieke gelijkenis over de groei van het Koninkrijk Gods, die alleen in het evangelie van Marcus te vinden is, eindigt met de opmerking, dat de landman in de eindtijd geen halfwas of onrijp graan oogst, maar de voldragen, rijpe en kostelijke vrucht. Bij de wederkomst of tegenwoordigheid des Heren is zijn gemeente 'stralend,zonder vlek en rimpel of iets dergelijks ,heilig en onbesmet' (Ef.5:27). Deze duidelijke uitspraak vormt het patroon van een bijbels georiënteerde toekomstverwachting.

De toekomende eeuw

'De nieuwe eeuw" is 'de toekomende eeuw', het tijdperk waarin het werk van de Heilige Geest in de toekomstige christenen zijn climax bereikt. Het woord van God wordt dan in hen 'tot een fontein van water, dat springt ten eeuwige leven' (Joh.4:14). Het schenkt een volgroeid geestelijk christendom. Het trekt door middel van volwaardige, mondige zonen Gods de wereld door 'overwinnende en om te overwinnen'. Een grote schare die niemand tellen kan, gaat dan de stad des levens, het nieuwe Jeruzalem, binnen.

In het tijdperk van de 'New Age' zien wij ook, dat door inspiratie van het beest uit de afgrond, het occultisme op ongekende wijze toeneemt. Ook in dit opzicht 'zal de kennis vermeerderen' (Dan.12:4). Het grote Babylon, bestaande uit aards gerichte kerken en gemeenschappen, wordt dan met de wetteloze, duistere krachten uit het dodenrijk zo doordrenkt, dat het uiteenvalt, om plaats te maken voor de gemeente van de antichrist. Dit leidt tot 'de grote verdrukking, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer zal wezen' (Matth.24:21). Het is 'de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen, die op de aarde wonen' (Openb.3:10). Wie evenwel zijn positie in de hemelse gewesten 'in Christus Jezus zijnde' heeft ingenomen, zal bewaard worden uit deze ure, omdat hij behoort tot 'de losgekochten uit de mensen' (Openb.14:4).

De grote verdrukking vindt allereerst en bovenal plaats op geestelijk terrein. Hierin verschilt zij van alle voorgaande verdrukkingen, zoals bijvoorbeeld de zondvloed of de verwoesting van Jeruzalem. De gevolgen van deze demonische invasie zullen uiteraard wel in de zichtbare wereld merkbaar zijn.

Ook het onkruid dat een vijandig mens midden tussen het koren uitgestrooid had, heeft dus deel aan het rijpingsproces. Jezus sprak aangaande deze ontwikkeling van de ware en valse kerk: 'Laat beide samen opgroeien tot de oogst'. In de toekomende eeuw gaan ze voorgoed uiteen. De ware kerk vertoeft dan in het hemelse klimaat van het Koninkrijk Gods en de antichristelijke kerk in de sfeer van het dodenrijk.

In Openbaring 9 wordt beschreven dat de 'Morgenster', Lucifer, de satan, als een ster uit de hemel op aarde valt(vgl.12:9). Door middel van de mens der wetteloosheid, de antichrist, die 'een verbond met de dood sluit en met dodenrijk een verdrag, wordt de put van de afgrond geopend en het demonische leger van verdervers opgeroepen om over de aarde te trekken (Jes.28:15). Deze geesten onder leiding van Apóllyon worden vergeleken met schorpioenen, die de mensen pijnigen bij wie het zegel van God aan hun voorhoofden ontbreekt. Zij kunnen dus niet binnendringen in de met de Heilige Geest gezalfde christenen, die voortdurend 'de dingen bedenken, die boven zijn, waar Christus is'. Wanneer deze schorpioenen met hun grote duistere ogen hun prooi biologeren, wordt de innerlijke weerstand gebroken en steekt dit spinachtige wezen zijn gifstekel in zijn prooi. De beschadigingen die aan ziel en geest worden toegebracht, bewerken ook fysieke pijnen. Deze zijn zo immens, dat de mensen vertwijfeld 'de dood zullen zoeken, maar hem geenszins vinden, en zij zullen begeren te sterven, maar de dood vlucht van hen weg" (Openb.9:6). Het rijk van de antichrist wordt verduisterd door deze mondiale catastrofe. 'Zij kauwden op hun tong van pijn, en lasterden de God des hemels vanwege hun pijnen en vanwege hun gezwellen, en zij bekeerden zich niet' (Openb.16:10). Hun geest, ziel en lichaam vertonen dan 'in allen dele' ontbindingsverschijnselen, die te wijten zijn aan hun doop in de geest van het beest dat vanuit de antichrist werkzaam is. Bij deze verwording heeft de tong geen lofprijzing en aanbidding, maar alleen vervloeking en lastering. De reactie der gepijnigden gaat zelfs zover, dat zij de duisternis liever hebben dan het stralende licht dat in de toekomende eeuw over het volk van God opgaat (Joh.3:19). Zij hechten zich aan de demonen uit de afgrond en wie zijn vijanden in de geestelijke wereld liefheeft, komt om. 'Daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid' (2 Thess.2:11 en 12). De Nero van de eindtijd zal de lasterlijke leugen rondstrooien, dat de christenen schuld hebben aan de brand, die hijzelf heeft aangestoken met zijn spiritistische seances. Zijn gekwelde volgelingen willen zich wreken en zien daarom verlangend uit om ingezet te worden in de grote oorlog bij Armageddon.

Op schorpioenen treden

De parousia - letterlijk tegenwoordigheid - van de antichrist gaat gepaard met allerlei occulte 'krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden' (2 Thess.9 en 10). Wanneer het de volgelingen van de antichrist zou gelukken om zichzelf te doden, zouden ze vanwege hun affiniteit en verbondenheid met hun vijanden, deze toch niet loslaten. Hun innerlijke mens wordt dan meegesleurd naar de afgrond. Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel (Hebr.9:27). De inwendige mens wordt bij het sterven door zijn engelen gevoerd naar zijn bestemde plaats in het hemelse Jeruzalem of die in het dodenrijk en wel in verband met zijn werken. De engelen van Apóllyon waren echter reeds eenmaal in de diepten van de Tartarus geweest en de nederdaling naar deze gevangenis zou voor hen 'de tweede dood' betekenen , dus een geworpen worden in de poel des vuurs. Hierover heeft de dood geen macht en hij zal er later zelf in worden geworpen (Openb.20:14). Daarom vlucht de dood van hen, zodat ze door de antichrist gereanimeerd kunnen worden. Deze imiteert hiermee het werk van Christus, die tijdens zijn leven op aarde, doden opwekte. Hij kan nu de wanhopige leden van zijn gemeente, die niets meer te verliezen hebben des te beter inzetten in de komende strijd bij Armageddon.

De volwassen en mondige zonen Gods werken in de toekomende eeuw evenwel met krachten, welke die van de eerste eeuw zullen overtreffen. De haakjes, waartussen de vertalers het slot van Markus 16 geplaatst hebben, worden bij deze christenen in het geloof weggenomen en de tekst weer betrouwbaar verklaard. De zonen Gods zullen de zuchtende schepping, die hen omringt, door nog grotere daden herstellen dan Jezus eenmaal deed (Joh.14:12) Ook zag de Heer de satan als een bliksem uit de hemel vallen teneinde de schepping te ontregelen. Zijn discipelen zouden in die eeuw dan macht hebben op slangen en schorpioenen te treden, en uiteindelijk de gehele legermacht van de vijand te verslaan bij Armageddon (Luc.10:18-20).

In de toekomende eeuw zullen de mondig geworden christenen zelfs de schorpioenenlegers van Apóllyon, de engel van de afgrond, kunnen overwinnen. Zij zullen ze uitdrijven, binden en naar de poel des vuurs verwijzen, tot herstel van allen, die het eeuwig evangelie van het Koninkrijk der hemelen willen aanvaarden. Het heerlijke is, dat wat wij als gelovigen hier op aarde binden, in de onzienlijke wereld ook gebonden blijft. Geen spiritist kan ooit demonen oproepen, die in de naam van Jezus in de afgrond werden geworpen (Matt.16:19). Daarom riepen de duivelen tot Jezus: 'Zijt Gij gekomen om ons te pijnigen vóór de tijd?' (Matt.8:29). Wat zijn de pijnigingen van deze geestelijke wezens? Zij missen dan iedere vorm van leven en activiteit. Hun eigen leven hadden ze verloren en ze parasiteerden op het leven van een mens. Doordat ze van de mens gescheiden en uitgeworpen worden, blijft hen geen andere levensvorm meer over. Hen wacht alleen 'de poel des vuurs', de eeuwige scheiding van goddelijk en menselijk leven. Ja, ze kunnen op geen enkele wijze, zelfs niet in dier of plant (zwijnen, bomen, doornen en distels) hun verworden bestaan voortzetten. Dit was ook de pijn van de rijke man, die in het gezelschap van deze verworpen geesten terecht was gekomen.

Natuurlijk zal de antichrist de goddelijke uitdrijving der boze engelen door de geopenbaarde zonen Gods, loochenen. De geschiedenis zal zich ook hierin herhalen, want eenmaal zeiden de Farizeeën, dat Jezus de duivelen uitwierp met hulp van Beëlzebul, de overste der geesten. De antichrist zal op dezelfde wijze spreken: 'En hem (het beest) werd een mond (de antichrist) gegeven, die grote woorden en godslasteringen spreekt ... tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tent en hen, die in de hemel wonen' (Openb.13:5 en 6). Ook voor hem en zijn verdorven aanhangers geldt dan ook: 'Spreekt iemand tegen de Heilige Geest, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw - die van Jezus en de discipelen - noch in de toekomende eeuw - die van de zonen Gods en van de antichrist en zijn gemeente' (Matt.12:22-32).

Waarmee zullen wij het Koninkrijk der hemelen vergelijken? Waaraan is het gelijk?

Een goede vraag! Het 'Koninkrijk der hemelen' is werkelijkheid. Het is er, hier en nu. Er is een geestelijke wereld die heel ons bestaan doortrekt. Een wereld waarin allerlei krachten en machten zich doen gelden.

Deze geestelijke wereld is met ons bestaan verweven, maar hoort toch tot een andere dimensie. Van de 'hemelse waarden' die dit Koninkrijk vertegenwoordigen, kun je dan ook slechts spreken in aardse termen. In 'gelijkenissen' - voorbeelden uit het leven van alledag.

Zo heeft de meester het zelf gedaan. Van enkele van zijn parabelen werd een betekenis opgetekend. Van andere weer niet. Daar mogen we zelf met de 'sleutels' die het 'evangelie van het Koninkrijk ' ons aanreikt, mee aan de slag gaan. En ze transponeren naar hun geestelijke betekenis.

Door de loop der jaren heeft het boek 'de geestelijke wereld in gelijkenissen' een belangrijke plaats in ons boekenfonds ingenomen. Onlangs werd het herdrukt onder de titel: 'Het Koninkrijk der hemelen'.

Deze nieuwe uitgave blijft een boek om mee te werken - om als een stuk volle-evangelieverkondiging door te geven aan mensen die op zoek zijn naar meer inzicht in de geestelijke wereld.

kvo 53e jaargang nummer 2 februari 1989

De stad des doods,of:

D E S T A D D E S L E V E N S

VI

De rijpende vrucht

Het is van groot belang een juiste voorstelling te vormen van de situatie, die wij in de toekomende eeuw tegemoet gaan. Wij zagen reeds in de gelijkenis over de groei van het Koninkrijk Gods, dat Jezus in de geschiedenis van de ware kerk een halm en aarperiode onderscheidde, waarin het goddelijk leven werd doorgegeven. Zo kwam na de duistere middeleeuwen een nieuwe levensimpuls die bewerkt werd door de reformatie. Deze schonk onder meer aan het volk de huisbijbel. Met blijdschap denken wij ook aan de vele nieuwe vertalingen uit onze tijd. Ook waren de diverse psalmberijmingen van grote invloed op het geestelijke leven der christenen. De eerste Nederlandse berijming, de 'souterliedekens', dateert van 1540 (souter is psalmboek). Deze psalmen werden gezongen 'op luchtige melodieën' van bekende volksliederen, een vreugdevol gebeuren! De psalmen zijn niet leerstellig maar zij spreken naar het hart van Jeruzalem en richten zich op het zuivere gevoelsleven van het Israël Gods.

Tijdens de opwekkingsbewegingen verschenen overal de muziekbundels met liederen, die uitdrukking gaven aan wat de kinderen Gods in die tijden beleefden. Welk een bindende factor zijn bijvoorbeeld ook de lof- en aanbiddingsliederen die de laatste jaren worden gezongen. De verheerlijking van de Vader en de Zoon staan daarin centraal. Deze hymnen en koortjes verheffen de inwendige mens, zodat de vrede en de vreugde van het Koninkrijk Gods gezamenlijk worden beleefd. Bij het zingen in nieuwe tongen raakt men als gemeente los van de aarde en richt men zich met de geest rechtstreeks tot God. Dit schept een verbondenheid met de geestelijke wereld zoals men deze voorheen niet kende. Zo gaat de tegenwoordige eeuw bij Gods kinderen 'vanzelf', dus spanningsloos, over in de toekomende, "zonder dat men zelf weet hoe' (Marc.4:27,28).

Omdat men zich aan de waarheid van het evangelie van het Koninkrijk houdt, groeit de eindtijdgemeente 'vanzelf' in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus (Ef.4:15). Door een vernieuwingsproces van denken en beleven bereikt de christen de volkomenheid. Dit gebeurt niet door geforceerde nederigheid of lichamelijke ascese, want zulke inspanningen dienen slechts tot bevrediging van het 'vrome' vlees (Kol.2:23). De geestelijke groei wordt evenwel veroorzaakt door een goddelijke levensstroom, die als 'de wet van de geest des levens in Christus Jezus, ons vrijmaakt van de wet der zonde en des doods" (Rom.8:2).

De volmaakte gemeente

Er staat: 'Wanneer de vrucht rijp is, laat Hij er terstond de sikkel in slaan'. Het is dus onschriftuurlijk per definitie ervan uit te gaan, dat wij de volle wasdom alleen na ons sterven of na de wederkomst des Heren kunnen bereiken. Ook is het een onbijbelse gedachte om te leren dat wij zondaars moeten blijven tot onze dood. De komst des Heren is daarentegen de slotfase van een geestelijk vernieuwingsproces der gemeente, waarvan haar leden naar ziel, geest en lichaam de onberispelijkheid bereiken. Om iedere twijfel hieraan weg te nemen, voegde de apostel er nog aan toe: 'Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen' (1 Thess.5:24).

Aan het slot van Hebreeën 11 staat, dat de geloofsgetuigen uit het oude verbond 'het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid zouden komen'. Geestelijke volwassenheid en mondigheid waren weggelegd voor een komende generatie. Paulus hoopte tot het volk te behoren, dat het einddoel zou bereiken. Vol verlangen getuigde hij: 'Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag erna' (Filip.3:12). Jaagde hij een hersenschim na? Zeker niet, maar hij kende de tijden en tijdstippen niet, die de Vader vrijmachtig bepaald heeft (Hand.1:7). Deze keurt het koren en een engel zal eenmaal met luider stem tot de Zoon des mensen roepen: 'zend uw sikkel uit en maai, want de ure om te maaien is gekomen, want de oogst der aarde is geheel rijp geworden (Openb.14:15). Paulus wist dat het 'betere' dat God met ons voor heeft, het zoonschap, de volkomenheid en het zitten op de troon betekent. Deze volheid zal bereikt worden door mensen Gods, die volkomen zijn en tot alle goed werk volkomen toegerust (2 Tim.3:17). Zij kunnen de andere christenen tot volmaaktheid brengen. De 'volheid der heidenen', de geestelijke volwassenheid, zal niet alleen alle volken tot zegen strekken, maar ook het "overblijfsel" van Israël, want God heeft heidenen en Joden onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen (Rom.9:27;11:30-32).

Zijn het dromerijen als wij geloven dat de toekomende eeuw de tegenwoordige eeuw wordt en dat in de 'New Age' de vrucht rijp wordt vóór de oogst? Alleen 'de kostelijke vrucht' heeft - in tegenstelling met de halm en de aar - het leven in zichzelf. Zij kan dus weer leven voortbrengen, want de levenswetten van het koren zitten in de rijpe korrel. 'Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijn Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen' (Rom.8:29). Zo wordt ook vervuld: 'Met machtigen zal Hij de buit delen' (Jes.53:12).

Jezus sprak: 'De akker is de wereld' (Math.13:38). Op dit wijde veld zijn ontelbare halmen met aren, waarin korrels steeds rijper worden. In het Koninkrijk Gods vertegenwoordigt elke aar een gemeente, wier leden als graankorrels steeds dichter naar elkaar toegroeien. Van hen kan gezegd worden, dat zij op deze wijze op aarde 'in de schuilplaats des Allerhoogsten zijn gezeten'. In het antichristelijke tijdperk worden zij 'gered van de strik des vogelvangers, van de verderfelijke pest. Al vallen er duizend aan hun zijde, en tienduizend aan hun rechterhand, tot hen zal het niet genaken; slechts zullen zij het met hun ogen aanschouwen, en de vergelding aan de goddelozen zien' (Ps.91). 'Omdat zij het bevel bewaard hebben om hun Heer te blijven verwachten, zal Hij hen ook bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen, die op de aarde wonen' en die geen wandel in de hemel kennen (Openb.3:10).

Is het vreemd dat Paulus in Hebreeën 10:25 aangaande de aar schrijft: 'Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen , zoals sommige gewoon zijn, maar elkaar aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag (de toekomende eeuw) ziet naderen'. Het rijpingsproces is niet de zaak van een afzonderlijk individu of van een incidentele massameeting, maar van de gehele gemeente, waarvan de leden elk in het byzonder hun door God gegeven plaats hebben ingenomen (1 Kor.12:18). In zo'n bijeenzijn is geen naijver of tweedracht, geen gehakketak en geen verwarring, maar liefde, gerechtigheid en waarheid zijn de kenmerken van de aar met haar rijpe korrels. Bij allen is dan de wet Gods in hun hart geschreven. De nieuwe eeuw schenkt volwassen, mondige en rijpe gemeenteleden. Onder hen 'is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: allen zijn immers één in Christus Jezus' (Gal.3:28). Dit lichaam van Christus houdt zich dus niet bezig met de verschillen tussen Jood en niet-Jood, maar vormt een ongedeelde kudde onder één Herder. Ook werd in de tijd van de Halm en nog in die van de aar het grootste gedeelte van de kerk inaktief gemaakt, omdat de vrouwen achtergesteld werden bij de mannen. In de tijd van de rijpe en volwassen vrucht zullen evenwel vrouwen als mannen, dochters en zonen, tot geestelijke ontplooiing komen. Op allen zal Gods Geest als een late regen uitgestort worden. Allen zullen volgens de godsspraak van Joël profeteren en gezichten zien. Allen zullen mede arbeiden naar de begaafdheden, die voor herders, leraars, evangelisten en andere bedieningen nodig zijn.

Parousie van de antichrist

De komst van de Zoon des mensen zal zich afspelen aan het einde van de toekomende eeuw. Deze periode wordt enerzijds gekenmerkt door de volwassen zonen Gods, die bewust hun plaats in de hemelse gewesten hebben ingenomen (Ef.2:6). Dit Israël Gods is geen vervanging van het natuurlijk volk Israël, zomin als de laatste Adam op de plaats van de natuurlijke mens Adam kwam, want Jezus 'is een levendmakende geest'. Hij verwekt geen natuurlijke kinderen maar geestelijke. Om met de apostel in 1 Korintiërs 15:44-47 te spreken: het natuurlijk Israël is stoffelijk en het geestelijk Israël is uit de hemel. 'en het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke'. Van het eerste Israël is het Koninkrijk Gods weggenomen en daarmee zijn geestelijke groeikracht (Math. 21:43). Indien de leer over het geestelijk Israël nu al zoveel tegenstand oproept onder puur natuurlijk denkende bijbelverklaarders, hoe zal dan de reaktie op deze leer zijn in de tijd van de antichrist? Deze werelddictator regeert immers uit de kracht van zijn paranormale begaafdheden, die ontleend zijn aan het rijk der duisternis.

Anderzijds deelt de bijbel ons in 2 Tessalonicensen 2:1-12 mee dat vóór de dag des Heren, dus voor zijn parousie, eerst de afval onder de christenen zal komen die haar dieptepunt vindt in de parousie van de antichrist - de mens der wetteloosheid. Deze is een christus - een gezalfde - maar wel met de geest van het beest uit de afgrond. De legerscharen die met deze demon opkomen, nemen bezit van de mensen, die niet verzegeld zijn met de Heilige Geest (Openb.9:4). Op deze wijze zet de antichrist zich in de tempel Gods - dat is in de inwendige mens die God voor Zich begeert - 'om aan zich te laten zien, dat hij een god is', dus een inspirator en voorwerp van aanbidding. De penetrerende geesten veranderen de geestelijke structuur van de mensen. Paulus schreef in 2 Timoteüs 3:1-3, dat in de laatste dagen de mensen meer dan ooit 'zelfzuchtig zullen zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God'. Al deze eigenschappen vormen een nieuw type mensen. In 'de leer der twaalf apostelen', een geschriftje uit de eerste eeuw, staat : 'Immers zullen in de laatste dagen de valse profeten en verdervers vermenigvuldigd worden en de schapen zullen in wolven verkeren en de liefde in haat veranderen. Want terwijl de wetteloosheid zal vermeerderen, zullen zij elkander haten en vervolgen en overleveren en dan zal de werelddwaalleraar als de zoon Gods verschijnen, en hij zal tekenen doen en wonderen, en de aarde zal in zijn handen worden overgeleverd, en hij zal onrechtmatige dingen doen, zoals nooit in der eeuwigheid geschied zijn. Dan zal de schepping der mensen in het vuur der beproeving komen, en velen zullen geërgerd worden en verloren gaan. Maar zij die in hun geloof volhard hebben, zullen uit deze vervloeking gered worden'.

De wereldgeesten, dat zijn de samenwerkende menselijke geesten, die in staat, kerk en maatschappij nog gezag en orde willen handhaven, zijn te zwak en onmachtig om het getij te keren. Deze weerhoudende macht bezwijkt. In onze dagen zien wij al de vervulling van hetgeen de apostel schreef: 'Want in het geheim is reeds de ongerechtigheid werkzaam, doch slechts zó lang, totdat de macht die haar thans tegenhoudt (die der ordenende geesten) uit de weg is geruimd. En dan zal de ongerechtige zich openbaren' (2 Tess.2:7,8 vert.Brouwer). De media in onze dagen tonen wereldwijd de beelden van dit aftakelingsproces der mensheid, in het byzonder in die landen, waar eertijds de christelijke normen de grondslagen vormden van de samenleving.

Paulus gebruikt in 2 Tess.2 het woord 'parousia' zowel voor de komst van onze Here Jezus Christus (vs.1) als voor die van de antichrist (vs.9).Parousia betekent letterlijk 'tegenwoordigheid'. In Filippenzen 2:12 schrijft de apostel: 'Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen in mijn tegenwoordigheid (parousia), maar nu des te meer bij mijn afwezigheid (apousia) uw behoudenis bewerken'. De parousie van de antichrist 'is naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid (van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen) niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden' (2 Tess. 2:9,10). Wanneer kinderen Gods nu reeds met de krachten der toekomende eeuw werken en hierdoor zelfs smaad en tegenstand van mede christenen moeten verdragen, welk een verachting en spot zal hun dan van de leden der antichristelijke kerk ten deel vallen?

Wie de geestelijke Israëlleer aanvaardt, zal merken dat hij evenals zijn Meester, betrokken wordt bij een geestelijke oorlog. De profetieën in het Nieuwe Testament spreken niet over aardse veldslagen, maar over een strijd in de hemelse gewesten, die uitloopt op de slag bij het hemelse Armagéddon. Een Palestijns Armagéddon, waar gestreden wordt met vleselijke wapenen, met 'paarden en ruiters, met grote en kleine schilden uitgerust' is voor een geestelijk christen onaanvaardbaar, omdat dit niet strookt met de geest van het Nieuwe Testament (Ez.48:4-8). 'Wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten' (Ef.6:12). Als christenen van het nieuwe verbond weten wij ook, dat de profetieën van het Oude Testament getransponeerd moeten worden in de geestelijke wereld. De profeten hebben immers 'van de voor ons bestemde genade geprofeteerd' (1 Petr.1:10).

In de toekomende eeuw zal de spiritistische antichrist zijn leger versterken met de geesten uit de afgrond en met die van de occulte godsdiensten uit het verre Oosten (Openb.16:12). In deze tijd van benauwdheid zoals 'er nooit geweest is en niet meer zijn zal', zoekt de gemeente van Jezus Christus evenwel ondersteuning bij de hemelse legerscharen. In vurig verlangen zendt zij de laatste bede uit de bijbel op: 'Kom, Here Jezus'. Zij wendt zich tot de stad van de levende God met haar tienduizendtallen engelen en met de vergadering van eerstgeborenen en met de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben. Daar is ook Jezus Christus, de Here, die gezeten is op de troon des Vaders (Hebr.12:23,24). Hun gebed wordt verhoord en een ontzaglijke heilsarmee zal dan nederdalen uit de hemel, uit de stad des levens.

kvo 53e jaargang nummer 3 maart 1989

De stad des doods of:

D E S T A D D E S L E V E N S

VII

Deze tijd

In Marcus 10:29 en 30 staat een belofte voor ieder, die onvoorwaardelijk Jezus wil volgen: 'Voorwaar, Ik zeg u, er is niemand, die huis of broeders of zuster of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en om het evangelie, of hij ontvangt honderdvoudig terug: nu, in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven'.

Wanneer Jezus over 'deze tijd' spreekt, wijst Hij op de periode van de halm en de aar, waarin het leven wordt doorgegeven, maar tevens wordt begeleid en beïnvloed door de machten, die onder de overste der lucht werkzaam zijn (Ef.2:2). Er is sprake van een vergoeding in de zichtbare wereld aan allen, die tot elke prijs Jezus volgen. De vergelding is 'vele malen", ja zelfs 'honderdvoudig' (Matt.19:29). Wij zouden hierbij kunnen denken aan Filippus, die uit Jeruzalem vluchtte vanwege 'een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem'. Na een zwerftocht door Samaria en de Gazastrook vestigde hij zich met zijn gezin in Cesaréa Palestina. In deze nieuwe omgeving bezat de evangelist spoedig een gastvrij huis, dat vervuld was met de gaven van de Heilige Geest. Paulus logeerde hier op zijn laatste tocht naar Jeruzalem (Hand.8:40;21:8). Wellicht heeft de hoofdman Cornelius, 'die veel aalmoezen aan het volk gaf', hem aan deze woning geholpen. Wij noemen Aquila, een Joods lederbewerker, die met zijn vrouw Prisca omstreeks het jaar 50 wegens een vervolging van (christen) Joden onder keizer Claudius naar Korinthe uitweek. Welk een geestelijke winst boekten zij, toen Paulus anderhalf jaar lang zijn intrek in hun nieuwe woning nam. Later vergaderde de gemeente in hun huis te Efeze (Rom.16:5). Dit echtpaar ontving na hun verbanning broeders en zusters en een geestelijke vader in hun eigen huis. Als gevangene kwam Paulus te Rome aan, maar hij mocht daar ogenblikkelijk 'een eigen gehuurde woning betrekken'. Deze was zo ruim, dat hij 'allen, die tot hem kwamen", kon ontvangen, zelfs een groot aantal 'mannen broeders' uit de Romeinse Joden (Hand. 18:17,23 en 30). Hij vond daar gelegenheid om zelfs 'heel de pretoriaanse lijfwacht en alle anderen bekend te maken, dat hij zijn boeien droeg om Christus 'wil' (Filip.1:12). Hij ontving ook vele broeders en zusters in de Here terug.In Romeinen 16:13 groet de apostel 'Rufus, de uitverkorene in de Here,met zijn moeder die ook voor hem een moeder was geweest". Al deze vervolgden verwekten ook weer geestelijke kinderen. Zij die als martelaar stierven, werden bovendien door hun 'vrienden' verwelkomd in de eeuwige tabernakelen (Luc.16:9 St.Vert.)

In Rome had Paulus ruimschoots gelegenheid om te strijden tegen wereldbeheersers der duisternis, die het Romeinse imperium tegen de christenen opzetten. Twee eeuwen van zware vervolgingen zouden aanbreken.

Vervolgingen in het Romeinse rijk

De eerste vervolging in het Romeinse rijk had plaats onder Nero in het jaar 64. Deze keizer stak de stad Rome in brand en gaf de christenen hiervan de schuld. Velen hunner liet hij met teer en pek besmeren om hen daarna in brand te steken en zijn tuinen te verlichten. Onder Domitianus (81-96) werd Johannes naar Patmos verbannen. Bij de derde vervolging onder Trajanus (98-117) was het aantal christenen zo toegenomen, dat de heidense tempels met hun demonendienst, leegstonden. Onder de martelaren was ook Simeon, een bloedverwant van Jezus, die 120 jaar oud was. Ignatius, de hoogbejaarde bisschop van Antiochië werd te Rome voor de wilde dieren geworpen. Onder Marcus Aurelius (161-180) werd Justinus de Martelaar onthoofd en de grijze bisschop Polycarpus levend verbrand. Onder de regering van Commodus (180-182) schreef Clemens van Alexandrië: 'Wij zien dagelijks vele martelaren voor onze ogen verbranden'. Ook waren er vele bloedgetuigen onder Septimius Severis (193-211) en onder Decius (249-251). De tijdsduur van de regeringen dezer keizers was vaak kort. 'Te midden van de vervolgingen' zoals enkele vertalingen van Marcus 10:30 luiden, waren er ook rustpozen. De weeën werden dan onderbroken door tijden van verademing, waarbinnen het herstel mogelijk was.

Na nog geen twee eeuwen van strijd en lijden bedaarden de vervolgingen in het jaar 263. In plaats van eenvoudige bedehuizen kwamen er toen prachtige kerken. Onder Constatijn de Grote (306-327) werd het christendom zelfs tot staatsgodsdienst verklaard. De bisschoppen kwamen in hoge ere, de zondagsviering werd bevolen en de kerk kwam uitwendig tot grote bloei. Het leven werd wel doorgegeven, maar de bijverschijnselen die met de groei gepaard gingen, waren desastreus voor het ware christelijke leven.

Volgens de overlevering werd zowel Paulus als Petrus onder Nero gedood. Tijdens zijn gevangenschap schreef Paulus: 'want wat mij aangaat, reeds wordt ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur. Ik heb de goede strijd gestreden (tegen de geestelijke boosheden in de lucht), ik heb mijn loop teneinde gebracht, ik heb het (ware) geloof behouden; voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad' (2 Tim.4:6-8). Petrus schreef in zijn laatste brief: 'Want ik weet, dat het afleggen van mijn tent spoedig komt, zoals ook onze Here Jezus Christus mij heeft doen weten' (2 Petr.1:14). Beide apostelen droegen kennis van hun heengaan en werden na hun martelaarschap opgenomen in heerlijkheid, buiten het bereik van de hun vijandige geestenwereld. De macht van de toenmalige 'wereldbeheersers der duisternis' werd mede door hun toedoen verbroken. Deze onzienlijke regeerders over het Romeinse Rijk waren na twee eeuwen van strijd verdwenen. 'Michaël, een der voornaamste vorsten' uit het Rijk Gods, was de christenen te hulp gekomen, zoals hij dit in de toekomende eeuw opnieuw zal doen (Dan.10:13;Openb.12:7). De triomferende kerk in het nieuwe Jeruzalem en de wolk der getuigen met hun Heer blijven evenwel betrokken bij de bestrijding van de suprematie van de overste van de macht der lucht. Het woord 'lucht' is beeld van de geestelijke wereld, die bij de mens op aarde behoort. In de tijd van de antichrist zullen de heilige hemelingen allen daarom in de 'lucht' terugkeren, teneinde ingezet te worden bij de laatste slag in de hemelse gewesten, namelijk in die van Armageddon.

'Christelijke' wereldrijken

Nadat het christendom het heidense Romeinse Rijk overwonnen had, kwamen er christelijke wereldrijken op. Deze groei van het Koninkrijk Gods ging gepaard met de ontwikkeling van het grote 'Babylon, de moeder van de geestelijke hoererijen en van de gruwelen der aarde' (Openb.17:5). Omstreeks het jaar 950 ontstond 'het Heilige Romeinse Rijk', later genoemd 'Heiliges römisches Reich der deutschen Nation', dat zich uitstrekte van de Noord- en Oostzee tot de Middellandse Zee. Het omsloot alle christelijke naties van Europa, waaronder ook Nederland. De eertijds zo verdrukte kerk bezat hierin overvloedig huizen en landerijen en de christelijke volken werden tot wereldmogendheden. Het herstel van 'Het Heilige Romeinse Rijk' was ongeveer 1000 jaar later het droombeeld van Hitler, toen deze zijn veroveringsoorlogen begon. Hoe menigmaal hoorden wij na diens redevoeringen niet zingen: 'Deutschland, Deutschland über alles ,über alles in der Welt'. De wereldbeheersers van het oude Romeinse Rijk trachtten op deze wijze opnieuw aan de macht te komen. Deze geestelijke boosheden inspireerden de Romeinen om Jeruzalem te verwoesten en de Joden over de gehele aarde te verstrooien. Daarna richtte hun haat zich tegen de christenen. De messias van het nieuwe 'Heilige Romeinse Rijk' zou 'al tot bederf leidende bloed' uitroeien: de Joden, de zigeuners en zijn 'Kampf' zou eindigen met 'de liquidatie van de christelijke elite'. 'Hitler beschouwde zowel de katholieke kerk als de protestantse kerken als zijn gezworen vijanden' (Adolf Hitler door H.B.Gisevius).

In de middeleeuwen geschiedde de machtsuitbreiding van het christendom, de groei van de halm,ook weer 'te midden van vervolgingen'. Wat een lijden ondergingen de Katharen, Waldenzen, Wycliffieten, Lollarden, Hussieten en later ook de Hugenoten niet van de monopolistische roomse kerk. Na de reformatie werden de protestantse naties rijk en machtig. Zij bezaten invloedrijke staats- en volkskerken.

In de Tachtigjarige Oorlog weerstonden boeren, burgers en matrozen met succes het machtige Spaanse wereldrijk. Amsterdamse schepen veroverden gehele rijken van Oost- en WestIndië. Onnoemelijke schatten vloeiden naar de IJstad, die binnen tachtig jaar viermaal werd vergroot. Wij denken ook aan Engeland, dat zulke uitgestrekte koloniale gebieden bezat, dat de zon in het Britse rijk niet onderging.Bij 'the last prom' (laatste promenade concert) in de Royal Albert Hall zingt men ook nu nog al vlaggen zwaaiende: 'And guardian angels sung this strain: Rule, Brittannia, Brittannia rule the waves; Britons never will be slaves'. (En beschermengelen hebben dit lied gezongen: Heers, Brittanje, Brittanje heers over de zeen. Britten zullen nimmer slaven worden).

Guillaume Farel (Geb.1489) was de eigenlijke grondlegger van de reformatie in Genève. Hij werd menigmaal ernstig mishandeld en vervolgd ter wille van zijn geloof. Wanneer ik op gezette tijden in de volle-evangeliegemeente in Amersfoort spreek waar men de volwassen doop aanhangt, doe ik dit in het 'farel-College', een groot schoolgebouw, waar de 'kinderen' van deze hervormer in 1989 precies 500 jaar na zijn geboorte nog reformatorisch onderwijs ontvangen. De (Weder)dopers zijn door de Luthersen en Calvinisten zwaar vervolgd, maar in Amersfoort kunnen we zeggen: 'les extremes se touchent' (de uitersten raken elkaar).

Wij denken ook aan de afgescheidenen, die zich in 1854 losmaakten van de 'synodale Hervormde liberale kerk'. Hun bijeenkomsten werden door dragonders met de blanke sabel uiteengejaagd. Zij moesten hoge boetes betalen en hun leider ds Hendrik de Cock kreeg drie maanden gevangenisstraf. Nog geen eeuw later bezetten de kinderen der 'kleine luiden' de zetels in staten en raden en zien wij ze in onze tijd terug in de regeringspartij CDA.

Welke vervolgingen ondergingen ook de Doopsgezinden in heel Europa. Deze 'weerloze christenen' vormden het leeuwedeel der martelaren in onze geschiedenis. Nu vindt men hen terug in wetenschappelijke, sociale, agrarische en overheidsfuncties. In de Verenigde Staten, Canada en Brazilië zijn thans de geëmigreerde 'mennisten' of 'mennonites' (genoemd naar Menno Simons, 1496-1561) veelal rijke zakenlieden en grote boeren. In de Verenigde Staten werd aanwijsbaar vervuld, dat de verdrukte en vervolgde Pilgrimfathers, Quakers, Mennonites en afgescheidenen na hun landverhuizing honderdvoudige vergoeding ontvingen. Deze vrije, protestantse natie is nog altijd het belangrijkste land op de wereld. Het machtsvertoon der vrije volken wordt gesymboliseerd in het Pentagon in Washington, centrum van de Amerikaanse defensie. De eedsaflegging van de nieuwe president geschiedt nog altijd met de hand op de bijbel.

De christenen die de hemel als vaderland hebben, zingen in de geborgenheid van de 'christelijke naties' gaarne met Luther in diens goede jaren: 'Geen aardse macht begeren wij, die gaat alras verloren', of het supra nationale lied: 'Waarheen pelgrims ,waarheen gaat gij, 't oog omhoog en hand in hand? Wij gaan op des Konings roepstem naar ons huis en vaderland'. Bijna vanzelfsprekend is het dat de 'christelijke' landen ook de rijke landen zijn,in tegenstelling met de derde-wereldlanden, waar armoede, oorlogen en hongersnoden de bevolking teisteren en decimeren. Ook in het zwarte werelddeel is Zuid Afrika met zijn vele christelijke kerken nog altijd het machtigste en welvarendste gebied. De vraag rijst: wanneer in Afrika het christendom zo snel toeneemt, welke maatschappelijke en politieke veranderingen staan die gekerstende landen dan nog te wachten? Kunnen die ook op een honderdvoudige vergelding rekenen, omdat de Heer gezegd heeft: 'Maar zoek eerst mijn Koninkrijk en mijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden'?

Ook wijzelf hebben in de eerste decennia de verachting der geestelijke leiders voor de pinksterbeweging gekend. De begaafde zuster W.J.M.Polman-Blekkink, de echtgenote van de pinksterpionier G.R.Polman, schreef in 1917 na tien jaren arbeid de volgende ontboezeming: 'Men heeft getracht ons als duivelskinderen te brandmerken, als geestenbezweerders, als fanatici, als spiritisten, als onzedelijken, als verleiders, als krankzinnigen, als zenuwlijders, als vraten, als wijnzuipers, als oplichters, als liefdelozen, ja, zal ik meerdere epitheta herhalen waarmee men ons, die in dit Pinksterwonder geloofden, en er zich naar uitstrekten, betitelde?' Een halve eeuw later ervoeren wij bij de vorming van de volle-evangelie gemeenten de aversie tegen de leer van het Koninkrijk der hemelen, die wij verkondigen. Ondanks dit alles werden wij niet alleen gezegend in de geestelijke wereld, maar ook ontbrak het ons aan niets in het natuurlijke leven. Wij staan nu evenwel in de kentering der tijden en op de drempel van de toekomende eeuw, waarvan Jezus zei, dat de vergelding alleen zal bestaan in een machtige openbaring van het geestelijke 'eeuwige leven'. Met de oude Simeon bidden wij daarom, dat wij voor ons heengaan het 'heil mogen zien, dat God bereidt heeft voor het aangezicht van alle volken'.

 

 

kvo 53e jaargang nummer 4 april 1989

de stad des doods,of:

D E S T A D D E S L E V E N S

VIII

Parallellen

Er zijn parallellen aan te wijzen tussen de eerste eeuw en de toekomende eeuw. De volgende bedéling duidt niet op een tijdloze eeuwigheid, maar op een aanstaand tijdperk, waarin de vijanden van de gemeente van Jezus Christus hun tegenstand tot het uiterste zullen opvoeren om daarna definitief verslagen te worden in Armageddon. Daarom is er sprake van 'de krachten van de toekomende eeuw' (Hebr.6:5). Deze worden niet alleen geopenbaard in de zonen Gods tot redding en herstel der schepping maar ten tijde van de antichrist ook in de zonen des verderfs tot verstoring van de scheppingswetten. In Ef.1:20 en 21 staat, dat Jezus gezeten is aan de rechterhand des Vaders ver boven de vijandelijke geestenwereld, 'niet alleen in deze maar ook in de toekomende eeuw'. Naar het raadsbesluit van God is dus 'de toekomende wereld, waarvan wij spreken, niet onderworpen aan de (boze) engelen', maar aan de zonen Gods, die door Jezus tot heerlijkheid worden gebracht (Hebr.2:5 en 10). Zij zijn dus de toekomende wreldbeheersers en hun Koning zit reeds op de troon, afwachtende, tot zijn vijanden door zijn medewerkers gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten (Hebr.10:12 en 13).

De eerste eeuw

De eerste eeuw van het christendom ving aan met het optreden van de opwekkingsprediker en voorloper Johannes de Doper. 'In die dagen' trad hij op en predikte: 'Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen'. Met deze woorden werd de volheid des tijds ingeluid. Bijna 1500 jaren had het oude verbond gefunctioneerd en toen ging plotseling het nieuwe tijdperk in, dat van het Koninkrijk der hemelen, dus van de onzienlijke wereld. Geen gebeurtenis wordt in de bijbel zo nauwkeurig gedateerd als de komst van het Koninkrijk, die het begin werd van de christelijke jaartelling. Lucas beschrijft het aanbreken van 'die dagen' in een zesvoudig synchronisme. Hij begint: 'In het vijftiende jaar van keizer Tiberius', een absoluut betrouwbare tijdsaanduiding (vgl.Matt.3:1 en 2 met Lucas.3:1 en 2). Bovendien beschrijft hij ook nog de politieke situatie in Palestina met de namen van Pontius Pilatus de stadhouder van Judéa, Herodes de viervorst over Galiléa en daardoor landsheer van Jezus, Filippus met zijn gebied Ituréa en Trachonitis, en verder Lysánias viervorst van Abilene. Naast deze wereldlijke heersers volgen dan de kerkvorsten Annas en Kajafas, beiden met de titel 'hogepriester'.

Wanneer ons tijdperk van halm en aar ten einde loopt en opnieuw een 'volheid des tijds' ingaat, zal ook gezegd kunnen worden: 'Ik, de Here, zal het te zijner tijd met haast volvoeren' (Jes.60:22). Men zal dan bijvoorbeeld kunnen schrijven: In het zoveelste jaar van Bush, de president van de Verenigde Staten, toen Thatcher in Engeland en Gorbatsjow in Rusland regeerden en Johannes Paulus II paus was, waren er predikers op de gehele aarde, die de komst van het rijk Gods en de openbaring van de zonen Gods aankondigden.

Aanvankelijk werd de prediking van het Koninkrijk der hemelen door de leidslieden positief ontvangen. Ook zij wilden deel krijgen aan het nieuwe rijk van de God des hemels, 'dat in eeuwigheid niet ten gronde zal gaan en dat al de aardse koninkrijken zal verbrijzelen' (Dan.2:44). De Farizeeën en Sadduceeën kwamen tot de doop van Johannes, omdat zij ook wel een nationale herleving wilden en bevrijding zochten uit de macht van de Romeinse overheersers. Ze wilden daarbij echter de nieuwe wijn van het onzienlijke Koninkrijk in de oude zakken doen van hun traditionalisme en wetticisme. De ex-farizeeër Paulus, die 'rondreisde met de prediking van het Koninkrijk' zou later schrijven: 'Het oude is voorbij gegaan, zie, het nieuwe is gekomen' (Hand.20:25);2 Kor.5:17).

Johannes riep zijn hoorders op zich van hun zonden te bekeren, om ze daarna door de doop bijeen te brengen onder belijdenis van hun zonden. Door zijn prediking kwam een vernieuwing van denken in het hart van het volk, zodat zelfs tollenaars en krijgslieden radicaal en krachtdadig tot verandering kwamen. In tegenstelling met de religieuze leiders rechtvaardigden zij God, dit wil zeggen dat zij de nieuwe weg als de juiste erkenden en ervan in hun doop getuigden (Luc.7:29). Zij werden niet langer door tempeloffers en reiniginswetten gerechtvaardigd, maar door geloof in Hem, die als Lam van God de zonde der wereld zou wegnemen (Hand.19:4). Deze schuldvergeving vond alleen plaats in de geestelijke wereld van het Koninkrijk der hemelen.

Later kwamen de leidslieden ook tot Jezus, maar zij lasterden diens doop in de Heilige Geest, een onzichtbare ervaring, waardoor bevrijdingen en genezingen bewerkt werden. Het bleek dat zij met Jezus niet wilden bijeenvergaderen, maar erop uit waren verwarring en verstrooiing onder diens volgelingen teweeg te brengen. Ze zeiden immers dat Jezus door Beëlzebul, de overste der boze geesten geleid werd (Matt.12:24). Het gevolg van deze antichristelijke houding was, dat 'de toekomende toorn' over hen kwam. Het Koninkrijk Gods werd van hen weggenomen en zij werden over de gehele aarde verstrooid.

Ook Jezus had getracht het volk Israël zichtbaar bijeen te vergaderen door de doop in water en het zo te verbinden aan zijn evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Hij maakte zelfs op deze wijze meer discipelen dan Johannes (Joh.4:1). Het was echter tevergeefs en Hij moest het volk, dat de profeten doodde, het oordeel aanzeggen: 'Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt, maar gij hebt niet gewild. Zie uw huis zal in puin blijven liggen' (Matt.23:37-39). Later sprak de apostel aangaande dit weerspannige volk: 'De toorn - het overgeleverd zijn aan de machten der duisternis - is over hen gekomen tot het einde (1 Tess.2:16). Het woord 'einde' (telos) betekent: de tijd van het hoogste en uiterste, de toekomende eeuw, waarin dikste duisternis en het helderste licht worden geopenbaard. Ook voor het volk Israël zal het dan 'een dag zonder weerga' zijn (Jer.30:7). Het zal dan 'met de volheid der heidenen binnengaan' in het rijk Gods, en deze late regen de Heilige Geest, 'die in de naam des Heren komt', zegenen en verwelkomen (Rom.11:25 en 26; Matt.23:39). In afval en herstel blijft het natuurlijke Israël de schaduw van het Israël Gods.

 

Op de drempel van de toekomende eeuw

Toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren onder de wet, om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen (dus erfgenamen) zouden verkrijgen' (Gal.4:4 en 5). Binnen enkele jaren was het nieuwe tijdperk ingegaan, waarin de rechtvaardige uit het geloof leeft' en niet meer door het houden van de wet gerechtvaardigd wordt. Het eerste teken dat Jezus deed en waarin Hij zijn heerlijkheid openbaarde, was, dat Hij het water in zes stenen watervaten in wijn veranderde. Deze kruiken met een totale inhoud van 600 liter werden gebruikt voor ceremoniële reinigingen (Joh.2:8;Marc.7:2-5). Op bijna humoristische wijze metamorfoseerde Jezus dit 'wijwater' in een voortreffelijke wijnsoort, die het hart verheugde, en tevens een beeld was van de vrede en blijdschap van het Koninkrijk Gods. Het Judasme in al zijn uitingen had afgedaan en moest plaatsmaken voor het verlossende evangelie van het Koninkrijk. Jezus was gekomen 'om ons te redden van onze (onzichtbare) vijanden en uit de hand van allen, die ons haten' (Luc.1:71).

Stéfanus was een man vol van geloof en Heilige Geest. Hij deed wonderen en grote tekenen onder het volk. Als 'discipel van het Koninkrijk der hemelen' wees hij de Joodse Raad erop, dat de Allerhoogste niet in een tempel woont, die met handen gemaakt is. De tijd was aangebroken, dat de ware aanbidders de Vader zouden aanbidden in geest en in waarheid. Stéfanus was 'een losgekochte van de aarde'. Hij kon zeggen: de vossen hebben holen en de vogelen des hemels hebben nesten, maar ik heb geen enkele vastigheid op aarde, noch in benijdenis, noch in sabbatsviering, noch in tempeldienst, noch in offerande, noch in mijn afkomst als Griek, noch in ceremonie. Daarom zag hij bij zijn veroordeling de hemel geopend, terwijl zijn gelaat straalde als van een engel.

Ruim 1900 jaren na het apostolische tijdvak stellen wij de vraag: heeft het nieuwe verbond in al de volgende eeuwen beter gefunctioneerd dan het oude? Het antwoord is : neen, want de kerk van Christus bevond zich al die tijd in de toestand van de halm en thans ook in die van de aar. De glanzende korrel, die overeenkomt met wat in de grond gezaaid is, werd niet gevormd. De gelovigen dienden voor hun tijd wel de raad Gods, maar bereikten het doel niet, dat Jezus stelde: 'Gij dan zult volmaakt zijn'. Zelfs het jagen ernaar was verdwenen.

Tot de orthodoxe schriftgeleerden en Farizeeën zei Jezus: 'Wee u, gij huichelaars, want gij sluit het Koninkrijk der hemelen toe voor de mensen. Immers, gij gaat er niet binnen en die trachten binnen te gaan, laat gij niet toe daar te komen' (Matt.23:13). Maar ook de grote massa christenen heeft geen weet van de geestelijke werkelijkheid. Profetisch schreef de apostel Johannes hierover: 'De hemel week terug als een boekrol, die wordt opgerold' (Openb.6:14). In de strijd tegen de zonde kent men wel de kamp tegen eigen bloed en vlees of tegen die van de naaste, maar niet meer tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef.6:12). Wat betekent voor vele christenen 'de gemeenschap des Heiligen Geestes'? Wat voor voorstelling hebben zij van een wandel in de hemel of het vergaderen van schatten aldaar? Baden onze voorgeslachten op grond van Lucas 11:13 en Handelingen 19:6 om de doop in de Heilige Geest? Profeteerden zij in hun samenkomsten volgens 1 Korintiërs 12-14 en naderden zij tot de troon van God met hun lofprijzing 'in tongen der mensen en engelen'? Wat voor betekenis hadden de dienende engelen voor hen en voor hun kinderen? Vanwege hun onwetendheid was de hemel vrijwel toegesloten en tot een mysterieuze zaak van het hiernamaals geworden.

Voordat het huidige tijdperk afgesloten wordt, geldt ook voor ons de waarschuwing: 'Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde - tot het evangelie van het koninkrijk - verzaakt hebt. Gedenk dan van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u'. Zolang de korrel niet in de aar gevonden wordt, moet ook gezegd worden: 'Ik heb geen van uw werken vol bevonden voor mijn God. Bedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het en bekeer u' (Openb.2:5;3:2 en 3). Het christendom is neergestort van een hoogte, namelijk van de onzichtbare wereld in de zichtbare. Het is uit de hemel op aarde gevallen en vele kandelaars zijn van hun plaats verwijderd.

Ware leer en dwaling

In de halmperiode zijn de tegenstellingen tussen aards en hemels gerichte christenen nog niet zo aanwijsbaar. Traditie en algemeen aanvaarde dwalingen maken een radicale zuivering onmogelijk. Bij het uittrekken van het onkruid werd in de kerkgeschiedenis maar al te vaak juist het koren verwijderd. De ketters bleken immers de wegbereiders te zijn voor een nieuwe fase in het groeiproces van het goede graan. Zij waren meestal hun tijd ver vooruit. Voor hun pionierswerk moesten ze vaak zwaar boeten. Hun trouw aan het woord werd opgevat als ongehoorzaamheid aan de kerk van hun tijd. Wat te denken van artikel 36 der Nederlandse geloofsbelijdenis waarin staat, dat de overheid 'moet weren en uitroeien alle afgoderij en valse godsdienst (dus het onkruid), om het rijk des antichrists te gronde te werpen'? De kerk vergoot geen bloed maar liet dit over aan de overheid! Pas in 1905 werd deze zinsnede, die dwars ingaat tegen de geest van het Nieuwe Testament, door de gereformeerde kerken geschrapt.

Op de vraag wat het fundamentele verschil tussen ware en valse leer is, kan de vuistregel dienen: de zuivere leer richt zich op het onzienlijke Koninkrijk van Christus en de dwaling op de zichtbare en tijdelijke dingen. Om het rijpingsproces van het koren en van het onkruid aan te duiden, gebruikt de openbaring daarom herhaaldelijk de uitdrukkingen 'zij die in de hemel wonen' en 'die op de aarde wonen'. Wie zijn wandel in de hemel heeft, daar zijn schatten vergadert en daar zijn strijd voert, behoort tot 'de tempel Gods in de hemel'. De wedergeborene is 'uit God' en 'van boven' (Joh.1:13;3:3-5). Wordt "het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de Heilige Geest' daarom uitgedrukt door de kinderdoop of die door onderdompeling als getuigenis van het geloof? (Titus 3:5). Door de kinderdoop wordt een (volks- of familie-) kerk op aarde gevormd, maar door het bad der wedergeboorte nadert men tot 'de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemel opgeschreven zijn' (Hebr.12:23 St.Vert.).

Hoe wederstaat een vrouw de beïnvloeding van boze engelen? door tijdens de godsdienstoefening een zichtbare bedekking op het hoofd te brengen, of door de kracht van de Heilige Geest? Ook verdwijnt een demon niet uit iemands nabijheid, wanneer hij een kruisje slaat, maar als hij hem bestrijdt in de naam van Jezus, wiens naam boven alle naam is. Zo is de zichtbare traditie in leven en leer een vorm van erfzonde, want 'niemand die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk Gods' (Luc.9:62).

De moderne bevrijdingstheologie houdt zich bezig met een 'exoduskerk', die de politieke en maatschappelijke verheffing van de 'verworpene der aarde'" behartigt. De vrijmaking uit de macht van demonische kwelgeesten doet evenwel de ware exodusgemeente ontstaan. Deze trekt uit het diensthuis der zonde en ziekte door 'een zee van glas met vuur vermengd' om aan de behouden oever het bevrijdingslied van Mozes en het Lam Gods te zingen (Openb.15:2 en 3). Sprak Jezus niet tot de aards gerichte bevrijdingstheologen: 'Een ieder die de zonde doet,

is een slaaf der zonde(macht)' en 'wanneer de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn'? (Joh.8:34-36).

Ook is er een toekomstleer, die een juk aangaat met het natuurlijk Israël, dat buiten Christus leeft. Deze dwaling die zelfs de uitverkorenen verleidt, verwerpt het geestelijk Isral. Zij accentueert de uitspraak 'het heil is uit de Joden', maar hoe staan haar aanhangers tegenover de Joden, die het heil gevonden hebben? De eindslag der volken zoeken zij in een Armageddon op aarde, maar van een strijd in de hemelse gewesten die het Israël Gods heeft te voeren en die zijn climax bereikt in een hemels Armageddon, hebben zij geen weet.

De tijd is gekomen dat het volk van God weer 'op eigen bodem gaat wonen' en 'op de grond des Heren' (Jes.14:1 en 2).

 

 

 

kvo 53e jaargang nummer 5 mei 1989

De stad des doods,of:

D E S T A D D E S L E V E N S

IX

Op de drempel van de nieuwe tijd

Het was in de eerste eeuw aan de volgelingen van Jezus niet bekend, hoe lang het groeiproces van de halm en aar zou duren voordat het de rijpe korrel zou voortbrengen. Het was hun niet gegeven 'de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft (Hand.1:7). Toch speelden bij velen de woorden van Jezus, die Deze tot Johannes had gesproken, nog door het hoofd: 'Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan'? Abusievelijk concludeerden zij uit dit gezegde, dat de wederkomst tijdens hun generatie zou plaatsvinden (Joh.21:22). Zo hadden de Tessalonicenzen zich radicaal bekeerd om uit de hemel Gods Zoon te verwachten (1 Tess.1:10). Zij meenden dat de dag des Heren bijna aangebroken was. Paulus schreef hen evenwel, dat de toekomst des Heren na de grote afval en na de openbaring van de antichrist geschieden zou. Dan zouden zij verlost worden van de toekomende toorn en niet overgeleverd worden aan de antichristelijke macht uit de afgrond, die in de toekomende eeuw zal opkomen. Zij zouden 'bewaard worden voor (of:in) de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal' (Openb.3:10). De ware kerk komt tot algehele volwassenheid, wanneer Jezus Zich ten volle in haar openbaart, 'om in die dag (des Heren) verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn' (2 Tess.1:10;2:1-4).

De gemeente wordt niet opgenomen voordat het vuur echt heet wordt. Zij komt zonder de hitte der beproeving niet tot haar volheid. Ook komt Jezus niet terug tot een verscheurde gemeente, tot een vaak onderling vijandige baaierd van gelovigen, die onderweg in de 'lucht' op mysterieuze wijze verenigd worden tot een opgeklopte eenheid, om ze dan voor Hem te stellen tot een bij Hem passende vrouw, 'stralend zonder vlek en rimpel, heilig en onbesmet' (Ef.5:27). In de codex Alexandrinus staat de bekende tekst uit Jesaja 9:5 in plaats van de probleemvolle vertaling 'Eeuwige Vader', dat Jezus 'de vader is der toekomende eeuw'. 'De toekomende wereld' die wij ingaan, is onderworpen aan de glorie van de Zoon des mensen en van de mensenzonen die met Hem strijden en overwinnen (Hebr.2:5,6,10).

In de eerste eeuw van het christendom viel de regen, die nodig was om het droge zomerland te bewerken, zodat er gezaaid kon worden. Deze geestelijke regentijd begon op de Pinksterdag en had tot gevolg dat de halm en de aar tevoorschijn kwamen. In het begin van onze eeuw viel de late regen, die nodig is om het koren in de aar te doen schieten. In onze tijd worden vele christenen weer gedoopt met de Heilige Geest en door middel van de hun toebedeelde, geestelijke begaafdheden bevorderen zij wereldwijd de opbouw der pinkstergemeenten.

Tekenen van deze tijd

Het was in het jaar 1906 dat Gods Geest op een schare mannen en vrouwen werd uitgestort. Dit gebeurde in 312 Asuzastreet te Los Angeles tijdens de samenkomsten van de kleurlingen-predikant W.J.Seymour. Voor het eerst na vele eeuwen werd God weer grootgemaakt in tongen der mensen en engelen. De 'nieuwe tongen' waren een teken voor de halmchristenen, die zich niet openstelden voor de nieuwe fase in het groeiproces van het rijk Gods, maar geestelijk pas op de plaats maakten, zoals geschreven was: 'Door lieden van een andere taal en door lippen van vreemden zal Ik tot dit volk spreken, en toch zullen zij naar Mij niet luisteren, zegt de Here. Derhalve zijn de tongen een teken niet voor hen, die geloven, maar voor de ongelovigen' (1 Kor.14:21 en 22). Op dit teken in de geestelijke wereld werd niet gelet. Johannes zag evenwel bij de aanvang van de toekomende eeuw 'een groot teken in de hemel', een vrouw die gereed was zonen Gods te baren. Wie leert dat Jezus elk moment van de dag of van de nacht terugkomen kan, is eigenlijk nooit opmerkzaam geweest op de tekenen van onze tijd, die aan zijn komst voorafgaan. Jezus komt voor ons niet als een dief in de nacht, indien wij de tekenen in de hemel weten te onderscheiden (1 Tess.5:4).

Vele (advent)christenen begonnen wel in onze eeuw de tekenen van de eindtijd in de natúúrlijke wereld na te speuren: aardbevingen, oorlogen, klassenstrijd, politieke gebeurtenissen in Turkije, China, Japan, het herstel van het Romeinse rijk ten tijde van Mussolini en Hitler en thans het opkomende islamitische fundamentalisme van uit Iran. Men denkt alle wisselende gebeurtenissen door middel van zijn krant, het radiocommentaar en t.v. nauwkeurig te moeten volgen, wil men straks behoren tot de wijze maagden, die op het laatste moment nog hun schikkingen treffen om de bruiloftszaal binnen te gaan.

Het meest solide teken in de natuurlijke eindbeschouwingen is wel de terugkeer van de Israëlieten naar het land hunner vaderen. Toch zijn er nog altijd tien stammen zoek, want 'de Here deed hen weg van zijn aangezicht. Niets bleef er over dan alleen de stam van Juda' (2 Kon.17:18).

Wie van de schrift onderzoekers heeft er evenwel bij stilgestaan, dat Israël compleet aanwezig is in de stad Gods, want op haar poorten staan de namen van de twaalf stammen van het geestelijk Israël. De werkelijkheid en niet de schaduw van de vervulling der profetieën ligt 'boven', want de profeten hebben allereerst 'van de voor ons bestemde genade geprofeteerd'.

In ons land werd ook '"Beukenstein' een teken van de nieuwe tijd, dat overal weersproken zou worden. In de bijzondere zegen die ik in de pinkstergemeenten ontvangen had, was ook deze ontwikkelingsfase begrepen, die de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen zou openbaren. De oude pinksterbeweging en de opkomende charismatische beweging wezen echter de 'Beukenstein-boodschap' over de strijd in de hemelse gewesten van de hand. Zij merkten het tijdstip waarop God ons bezocht, niet op. Deze korte gevoelige periode in het ontwikkelingsproces van het rijk Gods maakten zij tot eigen schade niet mee (Luc.19:44)

Hoe staan wij nu als volle-evangeliegemeenten ten opzichte van de nieuwe vormen van aanbidding en lofprijzing, uitingen van de geest die wij in onze samenkomsten nooit teveel kunnen beoefenen? Ik denk hierbij aan het visioen dat op de voorgangers-conferentie in Overvoorde in 1982 werd doorgegeven: er draaide een diamant rond een lichtstraal. De facetten van de edelsteen wierpen hun lichtflonkering in prachtige kleurschakeringen nu eens in de ene dan weer in de andere richting. Allen zouden er van profiteren en het was niet nodig dat iemand zijn gemeente hiervoor zou moeten verlaten, omdat men daar zover nog niet was. Wij voegen er aan toe, dat de goede, nieuwe dingen een gevolg zijn van een onzichtbaar groeiproces en hier komt nimmer geweld aan te pas. Voor de oprechten gaat altijd, vroeg of laat, het licht op.

Ook slaan wij ons niet op de borst, omdat wij het monopolie van het volle evangelie zouden bezitten. Wij jagen naar deze volheid en zien tegelijkertijd met blijdschap elke toenadering tegemoet van broeders, die nu nog van ons gescheiden optrekken.

Wanneer wij allen op hetzelfde fundament bouwen, zullen wij moeten toezien hoe wij dit doen: met leerstukken van goud, zilver en kostbaar edelgesteente, of met die van hout, hooi en stro. Niet wijzelf beoordelen dit, maar het vuur der beproeving zal uitmaken hoe sterk ons bouwwerk in de toekomende eeuw zal zijn.

In de volgende fase hopen wij bovenal de kracht van de Heilige Geest te ervaren, die ons in staat zal stellen de werken van herstel te volbrengen, die Jezus deed, en zelfs grotere (Joh.14: 12). 'Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren' (Hand.10:38). 'Weldoende' betekent de overweldigden vrijmaken, bij hen boze geesten uitdrijven, waarna het herstel of de genezing kan volgen. Evenals de weduwe van wie Lucas 18 spreekt, roepen ook wij voortdurend tot God: 'Verschaf ons recht tegenover onze tegenpartij'. De woorden van de profeet Jesaja zijn ook de onze: 'Och, dat Gij de hemel scheurdet, dat Gij nederdaaldet, dat voor uw aangezicht de bergen - beeld van grote en sterke boze geesten -wankelden' (64:1).

Reeds is het onmisbare evangelie des kruises, dat spreekt van de verzoening door het bloed, over de aarde gegaan. Het moet gevolgd worden door het evangelie dat Jezus zelf verkondigde namelijk dat van het Koninkrijk der hemelen, want 'dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde komen' (Matt.24:14). De climax van de strijd in de hemelde gewesten zal in de toekomende eeuw gezien worden op het hemelse slagveld van Armageddon. Daarna zal er een tijdperk aanbreken met een symbolische tijdsduur van duizend jaar, waarin sprake is van absolute vrede en gerechtigheid over de ganse aarde.

Een nieuw soort christenen

Jezus is niet alleen de vrijmaker van zonde- en ziektemachten en de hersteller, maar ook de volmáker, die ons omvormt tot mensen Gods, die tot alle werk volkomen zijn toegerust. De tijd is gekomen dat de kinderen Gods hun hemelse erfenis in bezit gaan nemen en de sleutel der kennis van de schatkamer van het huis Davids gebruiken om zich geestelijke rijkdommen te verschaffen in het Koninkrijk Gods. Het tijdperk der gemeenten zoals dit beschreven is in Openbaring 2 en 3 loopt ten einde. De gebrokenheid en onvolwassenheid van het christelijk leven zullen verdwijnen. 'Na deze dingen' zag Johannes dat er in de hemel een deur werd geopend. Hij hoorde een stem waarvan de echo tot in onze tijd doorklinkt: 'Klim hierheen op'. Het is de tijd van de openbaring der zonen Gods, zoals er staat: 'Uw volk is een en al gewilligheid ten dage van uw heerban; in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad de dauw uwer jonge mannen voor u op' (Ps.110:3). Op hun voorhoofden is geschreven de naam van onze God en de naam van de stad van onze God, het nieuwe Jeruzalem, en de nieuwe naam van Jezus, die verband houdt met zijn zegepraal over alle tegenkrachten en antimachten in de toekomende eeuw. Zo wordt de tempel Gods die in de hemel is voltooid. De overwinnaars worden daar de sierstenen en zuilen, want ze zijn gekomen tot de maat van de wasdom van Christus.

Op welke wijze zal nu vermelde metamorfose der christenen plaatsvinden? Het antwoord is opnieuw: de grond brengt automatisch vrucht voort. Een baby wordt vanzelf volwassen, indien hij een goede verzorging geniet. De gemeente groeit vanzelf naar haar hemelse heerlijkheid toe, indien zij leeft bij het evangelie van het Koninkrijk. Toen de Here een rups schiep, zag Hij de vlinder al in haar. Zo zei Hij ook: 'Laat ons mensen maken naar ons beeld en als onze gelijkenis'. Adam was echter niet 'de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen', maar Christus. De eerste adam bracht natuurlijke kinderen voort, maar de laatste Adam is een leven gevende geest, die geestelijke kinderen het levenslicht doet aanschouwen (1 Kor.15:45 en 46). Uiteindelijk is de mens niet voor de aarde geschapen maar naar het plan van God behoort hij tot de hemelingen. Zonen Gods zijn altijd hemelbewoners en Jezus brengt zulken tot heerlijkheid. Zij zien de deur of de poort wijd openstaan, waardoor het licht komt stromen. Als geestelijke overwinnaars zullen zij met Christus op de hemelse tronen zitten en van daaruit met Hem regeren over alle werken van Gods handen. Het natuurlijke is echter eerst. Zonder de eerste Adam geen laatste Adam, zonder natuurlijke geboorte geen wedergeboorte en zonder natuurlijk Israël zou er geen geestelijk Israël zijn gekomen.

Ook sprak God tot de slang: 'Ik zal vijandschap verwekken tussen u en de vrouw, tussen uw zaad en haar zaad. Hij zal het gemunt hebben op je kop en jij zal het voorzien hebben op zijn hiel' (Gen.3:15 sept.). God stelt Zich onvoorwaardelijk achter de mens en wekt in deze iets op, wat hij nooit gekend had. Hij legt vijandschap in het hart van de mens. Diens afschuw is dan niet gekeerd tegen medemensen van bloed en vlees en ook niet tegen zichzelf, maar tegen de duivel, de oude slang. De geestelijke mens heeft het licht lief en weert de duisternis. Zijn heilige aversie is gericht tegen de kop van de slang, waaruit de leugens vanaf het begin zijn opgekomen. De 'dodelijke' haat van de menselijke geest tegen de duivel wordt versterkt door de kracht van de Heilige Geest, waardoor duivelen kunnen worden uitgedreven en naar het 'dodenrijk' worden verwezen. Zo wordt op nieuwtestamentische wijze bewaarheid: 'Zou ik niet haten, Here, wie U haten, niet verafschuwen wie tegen U opstaan? Ik haat hen met een volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij'. Ook wij vervolgen dan deze haatexplosie, die echter nooit tegen mensen gericht mag zijn, na een oprecht zelfonderzoek met de woorden: 'Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten' (Ps.139:21-23). Deze walging van het kwade is de vreze des Heren, de onoverkomelijke kloof waarmee God Zich afgescheiden heeft van het rijk van satan, toen deze door Hem voor eeuwig werd verworpen.

Toen de apostel Johannes over het verschil in geestelijk niveau tussen het oude en nieuwe verbond nadacht, schreef hij: 'Immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade, want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen (Joh.1:16-17). Hij voegde er zelfs nog aan toe, dat niemand vóór de volheid des tijds met zijn geestesoog God had gezien. Slechts de eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, heeft Hem ons doen verstaan. Wanneer de geopenbaarde zonen Gods in de toekomende eeuw terugblikken, zullen zij eveneens de enorme distantie opmerken tussen hen en de christenen uit het verleden. Die waren immers gedoemd te belijden, dat zij zondaren bleven tot de dood en hun beste werken met zonden bevlekt waren. Zij voelden zich door de wet veroordeeld wegens hun onchristelijke levenswandel.

Ook als pinkstergemeenten zullen wij moeten erkennen dat ons kennen van God nog 'ten dele' is en onze onderlinge omgang vanwege dit gebrek vaak nog gespeend is van 'genade en waarheid'. Gelukkig zien wij ook in onze tijd dat velen zich aan de waarheid van het evangelie van het Koninkrijk steeds meer vastklemmen en zij zo in broederlijke liefde in elk opzicht naar Hem toegroeien, die het hoofd is. Met deze positieve gezindheid bouwen zij het lichaam van Christus, de gemeente. Dit ontwikkelingsproces gaat door en 'wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is' (1 Joh.3:2). En wie Hem gezien heeft, heeft met zijn geestesoog ook de Vader gezien.

kvo 53e jaargang nummer 6 juni 1989

de stad des doods,of:

D E S T A D D E S L E V E N S

X

De toekomende stad

Hoe moet onze opstelling zijn, willen wij in de toekomende eeuw volledig bestand zijn tegen de vloed van demonie, die wij in onze tijd reeds zien opkomen? Wat is het geheim van een ongerept nazireeërschap bij hen, die zich volledig aan de Vader, aan de Zoon en aan de stad Gods hebben gewijd? Wat is de kracht die het hun mogelijk maakt in het antichristelijk tijdperk door 'een zee van glas met vuur vermengd' te gaan?

In Kolossenzen 3:1-3 staat: 'Indien gij met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God'. De woorden 'gestorven', 'opgewekt', 'boven', 'verborgen met Christus' duiden het leven van de geestelijke mens aan. Deze belijdt met de apostel: 'De wereld is voor mij gekruisigd en ik voor de wereld' (Gal.6:14). Daarom zingt hij het oude, piëtistische lied: 'Weg, gij wereld met uw lusten.'t Beste wat gij geeft, is schijn. 'k Reis verblijd naar 't land der ruste. Daar zal alles heerlijk zijn'.

De christenen die naar de eindtijd toeleven, zijn volkomen op de stad Gods georiënteerd. Evenals Abraham spreken zij: 'Wij hebben hier geen (enkele) blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende' (Hebr.11:10;13:14). Ze zijn tot deze stad 'genaderd', dat wil zeggen dat zij hun aangezicht ernaar toe hebben gewend. In hun denken worden zij erdoor gefascineerd. Zij 'zoeken deze stad' en Jezus beloofde: 'Wie zoekt, zal vinden'. Met hun inwendige mens bevinden zij zich reëel in deze geestelijke wereld. De rechtvaardigen leven immers door dit geloof (Hab.2:4). Het is voor hen het bewijsmiddel van de dingen, die zij niet zien. (Hebr.11:1). Op aarde slepen zij geen bestaan meer voort, maar leven als 'burgers van een rijk in de hemelen' (Fil.3:20). In hen is de sfeer van de stad Gods: rechtvaardigheid, vrede en vreugde in de Heilige Geest. Zij zien met gesloten ogen en hun oren luisteren in de stilte. In de stad Gods zien zij Jezus met eer en heerlijkheid gekroond (Hebr.2:9). Zij horen 'onuitsprekelijke woorden' en 'de Geest zelf pleit voor hen met woordeloze verzuchtingen" (2 Kor.12:4;Rom.8:26). De Christenen van de toekomende eeuw zijn geestelijke mensen. Hun denken is niet vervuld met de zorgvuldigheden van deze aarde, hoe indringend deze ook mogen zijn, maar met de glorie van het hemelrijk.

In Hebreeën 12:22 en 23 lezen wij door wie de geestelijke mens zich in het hemelse Jeruzalem omringd weet: door tienduizendtallen heilige engelen, die het illustere gezelschap vormen rondom de troon van God en die de stipte uitvoerders zijn van diens wil. Onder hen bevindt zich Michael, de hemelvorst, met zijn engelen, die de zonen Gods bij hun strijd in de hemelse gewesten terzijde staat (Dan.12:1;Openb.12:7 en 8). Daar zijn ook de engelen der gemeenten en 'de dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen die het heil beërven' (Hebr.1:14).

Hemelbewoners

In tegenstelling met het dodenrijk, de necropolis, is het hemelse Jeruzalem een verzameling van levende geestelijke mensen. Het is bijvoorbeeld voor ons niet nodig de verloren stammen Israëls op de onmogelijkste plaatsen op aarde te zoeken. De bijbel deelt ons mee dat op de poorten van het nieuwe Jeruzalem de namen geschreven zijn der twaalf stammen van het ware Israël, want niet de besnijdenis naar het vlees geldt voor God, maar die van het hart, die naar de geest en niet naar de letter (Rom.2:28 en 29). In de stad Gods is het complete geestelijk Israël als burger ingeschreven.

Ook de gestorven apostelen leven, want Jezus sprak: 'Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal (naar de inwendige mens) niet sterven' (Joh.11:25 en 26). Op de twaalf fundamenten van het nieuwe Jeruzalem staan hun namen, ook die van hen wier werken in de handelingen der apostelen niet vermeld zijn. Boven hun namen ontbreekt echter de aanduiding: in memoriam! De Zoon des mensen zit daar op de troon zijner heerlijkheid en zijn apostelen 'zitten ook op twaalf tronen om de twaalf stammen van (het geestelijk) Israël te richten' (Matt.19:28). Zo wordt vervuld: 'Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage, wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad' (2 Kor.5:10). Het in de mens verborgene, het innerlijke leven, wordt daar geoordeeld naar de leer der apostelen, door Christus Jezus, dus door het woord Gods (Rom.2:16; Hebr.4:12). Het zestien eeuwen oude kerklied stemt hiermee overeen door de woorden: 'U looft de apostelschaar in heerlijkheid, o Heer. Profeten, martelaars vermelden daar uw eer'.

Volgens Hebreeën 12:23 is in het nieuwe Jeruzalem de algemene vergadering, de feestelijke ontmoetingsplaats der heilige engelen met het ganse Israël Gods. Onder hen zijn ook 'vele heiligen' uit het oude verbond, die met Jezus opstonden (Matt.27:53). Ook is daar Henoch , 'die de dood niet zag', omdat hij door God werd weggenomen. Verder zijn daar Mozes en Elia, die eenmaal samen op een hoge berg 'in heerlijkheid verschenen' (Hebr.11:5;Luc.9:30 en 31).

Tot de schare behoort ook 'de gemeente van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen'. Zij bestaat allereerst uit de ontslapenen die bij de Heer hun intrek hebben genomen, maar ook wij die nog in het aardse lichaam vertoeven, mogen ons ertoe rekenen. Wij zijn immers 'in zekere zin eerstelingen onder Gods schepselen' (Jac.1:18). 'Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen' en verheugen ons erin, dat onze namen daar zijn opgetekend (Filip.3:20;Luc.10:20). Door het geloof zijn wij daar eveneens aanwezig, ook al zijn wij tijdens ons verblijf in het lichaam nog ver van de Heer in de vreemde, dus in het domein van de overste dezer wereld. 'Wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen' en zoeken en bedenken daarbij de dingen die boven zijn (2 Kor.5:7).

Bij de gemeenten van eerstgeborenen behoort een oudstenraad, die als een hemels presbyterium op vier en twintig tronen zit. in dit bestuurscollege is geen verschil of geschil over mannelijke en vrouwelijke functionarissen. Hun kronen wijzen erop dat het woord Gods in hen overwon en zijn doel in hen bereikte. Daarom zijn ze bekleed met witte klederen der gerechtigheid (Openb.4:4).

'De geesten der rechtvaardigen die de voleinding (na hun sterven) bereikt hebben', vormen het koninklijke priestergeslacht in 'de tempel Gods die in de hemel is' (Openb.11:19). In de toekomende eeuw bereikt ook de gemeente op aarde deze onberispelijkheid en daarmee de onsterfelijkheid (1 Tess.5:23; Ef.5:27;1 Kor.15:50 en 51). In het geloof brengen wij daarom nu reeds als priesters 'voortdurend een lofoffer, namelijk de vrucht onzer lippen die zijn naam belijden' (Hebr.13:15). In de hemel en op aarde onderwijzen deze priesters het Israël Gods in de kennis van het koninkrijk der hemelen (Mal.2:7).

Het hemelse festival staat bij de Hebreeënschrijver toch wel in fel contrast met de sombere, angst aanjagende verschijning van God op de Sinaï (Hebr.12:18-21). Paulus waarschuwt zijn lezers daarom niet terug te keren naar het eerste testament (Hebr.9:18). De berg Sinaï staat immers op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dit is met zijn kinderen in slavernij. Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder' (Gal.4:23 en 24). Paulus put zich uit om de heerlijkheid en vreugde van het nieuwe verbond te beschrijven. De tastbare berg, het brandende vuur, de donkerheid en duisternis, het onweer, het vrezen en beven worden vervangen door 'God, de Rechter over allen', die Zich omringd ziet door een blijde, juichende schare van rechtvaardigen, die gekocht zijn door het bloed van de middelaar van het nieuwe verbond, dat krachtiger taal spreekt dan het bloed van het schaap, dat Abel bracht aan het begin van de lange pelgrimsreis der mensheid naar 'de stad waarvan, God de ontwerper en bouwmeester is' (Hebr.11:10).

De gemeente op aarde

In zijn visioenen op Patmos zag Johannes in de geest de heilige stad op een grote en hoge berg liggen. Nu zijn bergen in het Nieuwe Testament dikwijls beeld van sterke machten der duisternis. Zo sprak Jezus: 'Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt, geschiedt, het zal hem geschieden' (Marc.11:23). De grote en verheven berg die Johannes zag, was evenwel een beeld van de Heilige Geest in zijn kracht en majesteit. In Jesaja 2:1-5 wordt al gesproken over 'de berg van het huis des Heren, die in de laatste dagen vast zal staan als de hoogste der bergen'. Ook die profetie spreekt over de voor ons bestemde genade. Wij hebben hierin de belofte dat God in de laatste dagen zijn Geest zal uitstorten op een wijze zoals nog nooit eerder gebeurd is.

Paulus sprak over 'het Jeruzalem dat boven is' als van een metropolis of moederstad. Vanuit zo'n stad werden dochtersteden gesticht, waarvan de inwoners naar de cultuur en de wetten van de moederstad leefden. Zo was het aardse Jeruzalem eenmaal 'de moeder' van de Joden in de verstrooiing. Op de grote feesten trokken de buitenlandse Joden en Jodengenoten 'uit alle volken onder de hemel' op naar mater Jeruzalem. Bij het ouder worden, gingen ze er zelfs wonen om na hun sterven in gewijde aarde te worden begraven.

Het hemelse Jeruzalem wordt voorgesteld als de moeder van de gemeenten op aarde. Deze hebben de cultuur en de wetten van de stad Gods (Gal.4:26). Tijdens de uitstorting van de Heilige Geest in de komende tijd wordt deze communicatie geïntensiveerd. Daarom is er sprake van: gezichten zien, profeteren en dromen dromen. De gemeenten op aarde worden dan zuivere co-pieën van de moederstad. De voorganger met de oudsten verspreidt het klimaat van het Koninkrijk Gods: gerechtigheid, vrede en blijdschap. De tegenwoordigheid van Christus in deze nederzettingen van het hemelse Jeruzalem is merkbaar. Ook zingt men van ganser harte: 'God is tegenwoordig. Laat ons Hem aanbidden. Die wil wonen in ons midden'.

De ware aanbidders aanbidden in geest en in waarheid. Ze komen in geestvervoering, zien gezichten, profeteren en spreken in talen van mensen en engelen. De hen omringende engelen verblijden zich niet alleen als een zondaar zich bekeert, maar ook als in hun gemeenten de Vader en de Zoon in hun talen worden grootgemaakt. Dan kunnen ze meezingen. Tijdens zo'n inspiratie vloeit de christen niet door of raakt hij in de onzienlijke wereld niet uit de koers, want hij aanbidt niet alleen in geest maar ook in de waarheid van het evangelie van het Koninkrijk. Zulke bijeenkomsten zijn 'een feestelijke vergadering' op aarde!

Voor de gemeente in de toekomende eeuw gelden de woorden uit de laatste perikoop van Zefanja: 'Jubel, dochter(stad) van Sion; juich, (geestelijk) Israël; verheug u en wees vrolijk van ganser harte, dochter(stad) van Jeruzalem! De Here uw God is in uw midden. Hij zal zich over u met vreugde verblijden; Hij zal zwijgen in zijn liefde; Hij zal over u juichen met gejubel'. In die tijd zal de Here zijn werk aan de gemeente voltooien. Hij zal dan zien dat alles zeer goed is. Evenals bij de eerste schepping zal Hij dan zwijgen of rusten in zijn liefde, in volle verwondering bij het aanschouwen van de herschepping.

Het komende heil

Met blijdschap gaan wij de toekomende eeuw in. Tijdens de late regen ontstaat immers een geheel nieuw type christenen, die allen uitzien naar de openbaring van Jezus Christus in hen. Ook zingen zij: 'Heft uw hoofden op, want de koning komt". Uiteraard is in hun gemeenten geen ruimte meer voor allerlei spanningen, twisten en scheuringen, die niet voortkomen uit 'de wijsheid die van boven is'. De blijde sfeer van het hemelse leven verdrijft ook alle negativisme. 'Geen strijd om beuzelingen, daar engelen ons omringen'. De nieuwe pinkstertijd is het einde van iedere broederstrijd!

Ook zal geen inwoner der dochtersteden van het hemelse Jeruzalem meer zeggen: 'Ik ben ziek' (Jes.33:24). De gemeenten zijn immers de copieën van de stad Gods en wereldwijd vormen zij de afdrukken van de twaalf stammen, die in de heilige stad vergaderd zijn. Jacobus vangt zijn algemene zendbrief aan met: 'Groet de twaalf stammen in de verstrooiing', dus die 'ver van de Heer in de vreemde leven'. Met deze geadresseerden kunnen niet de natuurlijke en nationale stammen van Israël bedoeld zijn. Jacobus had geen enkel gezag over hen en alle stammen waren toen nog niet verstrooid. Hij richtte zich evenwel tot het Israël Gods in zijn grote verscheidenheid. In zijn laatste hoofdstuk schrijft hij aan de aangevochtenen, de beschadigden en zieken onder deze stammen die nog op aarde zijn, dat zij hun herstel in de gemeente moeten zoeken. Zij zullen niet allerlei rondtrekkende predikers nalopen, maar elkaar zegenen: 'bidt voor elkaar, opdat gij genezing ontvangt' en 'roep de oudsten der gemeente'. Het onderling uitgesproken gebed verricht wonderen, indien allen één van hart en één van zin zijn.

Ook voor de kleinste gemeente geldt: 'Als twee van u op aarde iets eenparig zullen begeren, het zal hun ten deel vallen van mijn Vader, die in de hemelen is. Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden' (Matt.18:19 en 20). Door aanbidding in geest en in waarheid komt deze saamhorigheid tot stand.

Ook de grote opdracht van de Meester in Marcus 16:16-18 zal door de dochtersteden worden uitgevoerd. Over de ganse aarde is reeds de naam van Jezus bekend gemaakt, maar zijn evangelie over het Koninkrijk der hemelen is vrijwel onbekend. Toch staat er, dat juist dit evangelie over de gehele wereld zal gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken. Dan zal men ook het einde of het hoogtepunt ervan beleven (Matt.24:14). De 144000 uit alle stammen der zonen Israëls gehoorzamen de oproep dit pinksterevangelie, dat vergezeld wordt van tekenen en wonderen, te verkondigen. Elke dochter van Sion is 'een verkondigster van goede tijding'. Zij beklimt een hoge berg en verheft haar stem met macht (Jes.40:9 St.Vert.). Dan komen in ongekende tale van noord en zuid, van oost en west, een schare 'uit alle volken en stammen en natiën' om de stad Gods binnen te trekken (Openb.7: 4-9). Vervuld wordt: 'alle volken zullen derwaarts heenstromen en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs , opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem', de moederstad van de gemeenten op aarde (Jes.2:3).

 

kvo 53e jaargang nummer 7/8 juli/augustus 1989

 

D E S T A D D E S L E V E N S

XI

Gescheiden van de moederschoot

Het is een groot verschil, wanneer men in Galaten 1:15 leest: 'Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder aan heeft afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd heeft zijn Zoon in mij te openbaren', of dat men zich aan de vertaling houdt: 'Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder heeft afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd heeft zijn Zoon in mij te openbaren'. Door de toevoeging van het bijwoord 'aan' in de 'Zes nederlandse vertalingen' krijgt de zin de betekenis, dat Paulus door God reeds vóór zijn geboorte bestemd was tot het apostelschap, en pas later op de weg naar Damascus hiervoor werd geroepen. Het werkwoord 'aphorizo', afzonderen, wordt dan gebruikt in verband met een goddelijke daad, waarbij mensen apart worden gezet voor het werk in het evangelie. Zo noemt Paulus zich in Romeinen 1:1 'een geroepen apostel, afgezonderd tot verkondiging van het evangelie Gods'.

Vele uitleggers verbinden 'de afzondering vanaf de moederschoot' met de predestinatieleer, die van de veronderstelling uitgaat, dat Paulus van eeuwigheid een uitverkorene tot zaligheid zou geweest zijn. Dit in tegenstelling met hen, die in negatieve zin uitverkoren zouden zijn tot eeuwige verwerping. 'De verandering, die in hem gewrocht was, was de voortzetting van een goddelijk voornemen ten zijnen opzichte, waardoor hij verkoren was om christen en apostel te worden, reeds vóór hij ter wereld kwam en goed of kwaad gedaan had' (Matthew Henry). Wij merken echter op, dat God van eeuwigheid een bestemming voor de mens heeft 'in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij zich in Christus had voorgenomen' (Ef.1:9). Wanneer Paulus daarom in Efeziërs 1:5 schrijft, dat God ons bestemd of voorverordineerd heeft - in de latijnse bijbel staat: gepredestineerd - is dit geen blind noodlot of liever zuiver geluk, want aanneming tot zonen vindt plaats ná de schuldvergeving en ná de wedergeboorte. Zij is de bestemming van hen die reeds in Christus zijn. Er staat in Efeziërs 1:5, dat God ons tevoren ertoe bestemd heeft als zonen van Hem te worden aangenomen 'door Jezus Christus'. In Johannes 1:12 staat: 'Doch allen, die Hem aangenomen hebben - of ontvingen (Can.vert.) - hun heeft hij macht gegeven om kinderen Gods te wórden, hun, die in zijn naam geloven'. God verkiest niemand tot zoon of tot apostel of tot prediker buiten Jezus Christus om. Een predestinatieleer welke van het standpunt uitgaat, dat God van eeuwigheid een mens bestemd tot zaligheid of tot verderf, houdt geen rekening met Christus. Men zou dan om zo te zeggen ook buiten Christus om behouden kunnen worden, of als een stok en een blok buiten eigen wil, verlangen en keuze om, door zijn wedergeboorte in Christus kunnen worden ingevoegd. Gods genade wordt echter alleen openbaar in de Geliefde, dat wil zeggen in hen die in Christus zijn en die Hem behoren. Wij zouden dus kunnen zeggen: God accepteert ons in Christus door ons met Deze één te maken, zodat alle leden van het lichaam één zijn met het hoofd (Verg. Ef.1:6).

De oude schoot

Paulus was een kind van Joodse ouders die God met een rein of oprecht geweten dienden (2 Tim.1:3). In tegenstelling met vele andere Joden in de verstrooiing behoorde hij tot een echte Hebreeuwse familie. In zijn jonge jaren ging hij als 'bijbelstudent' naar Jeruzalem. Daar werd hij opgevoed en opgeleid aan de voeten van Gamaliël met nauwgezette inachtneming van de wet der vaderen. Hij werd daar een ijveraar voor God (Hand.22;3). Zoals Luther in oprechtheid des harten de strenge kloosterorde koos, zo nam Saulus van Tarsus het zware juk op van de Farizeeën met hun geboden, voorschriften en inzettingen (Matt.23:4, verg.11:30). In beider levensbeschrijvingen horen wij hen bij het terugzien op vroegere tijden, verzuchten: 'Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik' (Rom.7:9).

De Here gebruikte de strenge levenswijze van Luther, opdat hij later de werkheiligheid in de rooms-katholieke kerk des te beter ten toon zou kunnen stellen. De wettische opvatting van Saulus maakte hem geschikt om later des te duidelijker aan te tonen, dat het judaïsme onverenigbaar is met het christendom. Het onderwijs van Gamaliël verschafte hem de kennis, die hij na zijn bekering gebruikte om de symboliek en de schaduw van het oude verbond te verstaan. Terwille van zijn behoudenis heeft hij - toen hem de ogen werden geopend - zijn Joodse opvoeding schade en drek moeten achten. Het Jodendom werd hem tot een vijandige 'wereld' (Filip.3:8 St.vert. en Gal.6:14). Telkens valt de apostel terug op zijn speciale roeping, welke hij uit genade had ontvangen. Krachtens deze byzondere verkiezing was hij afgezonderd van de Joodse wetsbetrachting, maar ook van de andere predikers, die het gevaar van het indringen van het judaïsme in het christendom nog niet zo onderkenden.

De opvoeding die Paulus thuis had ontvangen en die later bij de rabbijnen aangescherpt werd, noemt hij hier de schoot zijner moeder. De moederschoot van het biologische leven, waarin een kind veilig geborgen is, wordt hier als een vergelijking gebruikt voor de beschutting van het religieuze leven onder het Jodendom of judaïsme. Paulus verliet de schoot van de eeuwenoude kerk.

Nicodémus

Nicodémus was een knappe Joodse theoloog, die aan Jezus vertelde, dat men zelfs in zijn kringen erkennen moest, dat de rabbi uit Nazareth 'van God was gekomen als leraar, want niemand kon die tekenen doen, welke Hij deed, tenzij God met Hem is' (Joh.3:2). Het antwoord van de Heer was: 'Tenzij iemand wedergeboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien'. Het Koninkrijk Gods was voor de Joden slechts een voltooiing en afronding van het judaïsme en wetticisme, waardoor zij het messiaanse rijk zouden binnengaan. De tekenen en wonderen van Jezus zouden daarin het voorspel kunnen zijn van een staatkundige omwenteling, die een bevrijding betekende van het Romeinse juk. Nicodémus stelt dan de schijnbaar dwaze vraag, hoe een kind in de schoot van de moeder voor de tweede maal zou kunnen ingaan en geboren worden. Een bijbelverklaarder merkt bij dit gezegde op: 'Alle pogingen, welke men in het werk gesteld heeft om het gezond verstand van Nicodémus te redden, hebben op de blijkbare ongerijmdheid zijner bedenkingen schipbreuk geleden'.

Nicodémus stelde echter de vraag, hoe iemand die met het judaïsme verweven is en als hij al oud is, toch nog tot een nieuw levensbeginsel zou kunnen komen in het Koninkrijk Gods, waar volkomen vrijheid heerst. De geestelijke wedergeboorte is dan de volkomen vernieuwing van denken, die veroorzaakt wordt 'door het levende en blijven de Woord van God', dat 'in den beginne was' (1 Petr.1:23; Jac.1:18). 'Om de overtredingen te doen blijken is de wet er (evenwel) bijgevoegd, totdat het zaad zou komen' (Gal.3:19). Christus, het Woord Gods, zou door zijn Geest Gods wetten in het verstand leggen en in het hart schrijven (Hebr.8:10).

Nicodémus voelde aan, dat hij evenals de rijke jongeling alles moest verkopen en achterlaten om het Koninkrijk Gods binnen te gaan. De vrome Jood, de geëerde Farizeeër en het machtige volkshoofd stond op hoge leeftijd voor de moeilijke keuze om de oude moederschoot achter zich te laten en een geheel andere moederschoot binnen te gaan. De Joodse scholing met haar wet, thora en overleveringen der vaderen vormden de cocon waaruit hij dan te voorschijn zou komen en die hij als een onnutte zaak achter zich zou laten. Nicodémus moest 'afgezonderd worden van de schoot der oude moeder'. Hoevelen na hem hebben ook hun 'moederkerk' moeten verlaten terwille van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen om dan door hun voormalige geloofsgenoten als ketter gesmaad en vervolgd te worden?

Een nieuwe moeder

Wij volgen nu niet de gewone Nederlandse vertalingen, die het bijwoord 'aan' toevoegen, maar de King James Version, die de Griekse tekst nauwkeuriger weergeeft: 'Maar toen het God behaagde, die mij separeerde van mijn moederschoot, en mij door zijn genade riep'. Ook de Duitse Luthervertaling mist het woordje 'aan'. Het werkwoord 'aphorizo', afzonderen, wordt ook weergegeven door scheiden:' Hij zal de volken van elkander scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt' (Matt.25:32). 'Daarom gaat weg uit hun midden en scheidt u af' (2 Kor.6:17). Of ook door 'uitstoten' in: 'Zalig zijt gij wanneer u de mensen haten en wanneer zij u uitstoten' (Luc. 6:22). Het accent valt dus geheel en al op de breuk van Paulus met het Jodendom, waarover hij in voorgaande verzen in Galaten 1:11-14 schreef.

Bij zijn wedergeboorte werd de apostel van de schoot zijner moeder gescheiden. Hij was niet tijdens zijn opvoeding een afgezonderde, maar na zijn radicale omkeer. In de aanvang had bijvoorbeeld Petrus nog niet met het judaïsme gebroken. Dit bleek uit zijn houding te Antiochië, toen hij zich uit angst voor de besnedenen afzonderde van de heidenen, die met hem aan één tafel gegeten hadden (Gal.2:11-14). Door de genade van God kreeg Saulus van Tarsus een andere opvoedster of moeder. Van de eerste werd hij gescheiden vanwege een ingrijpen uit de hemel. Op de weg naar Damascus kreeg hij 'een genadig God', zoals ook Luther dit later van zichzelf schreef, toen hij (ten dele) verlost werd van het legalisme der roomskatholieke kerk. Na hun vrijmaking beleden beiden, dat de rechtvaardige alleen uit geloof zal leven (Gal.3:11). 'Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader' (Rom.8:15).

In het vervolg identificeert de apostel zijn tweede moeder van wie hij nieuwe instructies kreeg met het hemelse Jeruzalem (Gal.4:26). Hij schrijft hier dus niet op semitische wijze over 'een geroepen zijn vanaf de geboorte', zoals wij dit bijvoorbeeld lezen bij Simson en Johannes de Doper (Richt. 13:17; Luc.1:15). Van de schoot hunner moeder waren zij Nazireërs. Van Jeremia staat: 'Eer Ik u vormde in de moederschoot heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volken heb Ik u gesteld (Jer.1:5). Ook Jeremia was zeer jong, toen hij als profeet optrad. Van Jezus die de Knecht des Heren was, staat: `De Here heeft Mij geroepen van moederslijf aan, van de schoot mijner moeder aan heeft Hij mijn naam vermeld' (Jes.49:1). Het maakt een enorm verschil of God een richter of een profeet vóór zijn geboorte afzonderde en riep, want dan gaat het om enkelingen, of dat Hij ons als gelovigen afzondert uit een geestelijke wereld, waarin wij waren gevormd, en ons overzette in een nieuwe wereld van denken.

Op symbolische wijze spreekt de apostel over het aardse Jeruzalem als moeder, want hij zegt: 'Dit verkeert met zijn kinderen in slavernij van het wetticisme'. Deze moeder heeft bij de christenen plaats moeten maken voor het nieuwe Jeruzalem waar vrijheid heerst: 'Dat is onze moeder' (Gal.4:25 en 26). 'Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken - uit spijswetten van het judaïsme - maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest' (Rom.14:17).

einde serie. Schrijver is vorige maand ontslapen.

zie voor andere artikelen kvooverz (overzicht)