kvo brochure

J.E.v.d.Brink

DE WAARHEID OVER GOD

GOD IS GOED

Wanneer wij over God schrijven, willen wij van Hem een voorstelling hebben, die overeenkomt met het wezen van Jezus Christus. Deze is immers de afdruk van de Vader en de afstraling van zijn heerlijkheid. Er zijn vele godsbegrippen en vele goden in de wereld. Ook onder de christenen lopen de gedachten die zij van God hebben, ver uiteen. Wij willen evenwel gemeenschap hebben met de enige ware God, zodat Hij onze geest inspireert, en ons denken beïnvloedt en vernieuwt. Wanneer wij Hem dus als voorwerp van verering aanbidden, willen wij Hem eerst identificeren ,teneinde geen vreemde goden te dienen. Wij willen Hem aanbidden in geest en in waarheid.

Onze God is goed. Hij heeft alleen gedachten en plannen die constructief zijn. Zijn wezen, zijn woorden, zijn daden en zijn eigenschappen zijn volmaakt goed. Toen Hij eenmaal zijn schepping overzag, constateerde Hij dat ze "zeer goed" was. Zij functioneerde onberispelijk en voldeed aan alle eisen van haar Maker. Zoals de autofabrikant pas tevreden is, als in zijn fabrikaat geen enkel rammeltje zit, zo keurde de Schepper zijn werk en zag dat het volmaakt was.

God schiep alles naar vaste wetten en het geformeerde gehoorzaamde aan zijn verordeningen. De hemellichamen wentelen al vele duizenden jaren als precisie-instrumenten in hun eindeloze banen, die door de schepper nauwkeurig zijn vastgesteld. Uit een tarwekorrel zal nooit een roggeplant te voorschijn komen. Alles waar geest en leven inzit, groeit en ontwikkelt naar zijn bestemming: eerst de rups en dan de vlinder, eerst de natuurlijke mens en dan de geestelijke, eerst de verloste ouders en dan de geheiligde kinderen. Aan de mens heeft God een zeer hoge bestemming toegedacht. Hij wilde deze boven de ganse schepping verheffen. Hij maakte hem bijna goddelijk, zodat hij na een ontwikkelingsproces zou kunnen heersen in de zichtbare en in de onzichtbare wereld over al de werken van zijn handen. Daarom inspireert God hem alleen met goede en verheven gedachten.

DE GROTE LEUGEN

De andere inspirator in de geestenwereld is de duivel met zijn boze engelen. Hij werkt met leugens en maakt het plan en de bedoelingen van God verdacht. In het paradijs onderwees God Adam en Eva bij de boom des levens. Daar kregen zij onderricht tijdens het eten van de vrucht van de levensboom, beeld van de Leraar ter gerechtigheid, die eenmaal komen zou. Al opwassend zouden zij kennis verzamelen van de geestelijke wereld, teneinde daar hun positie te gaan innemen. De duivel stelde evenwel een andere methode voor om het doel te bereiken, toen hij door middel van de wetteloos sprekende slang de zichtbare schepping binnendrong. Hij sprak over een kortere weg, die sneller en gemakkelijker zou zijn. Hij wees naar de boom der kennis van goed en kwaad en sprak: 'Gij zult geenszins sterven, maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad' (Gen. 3:5).

Nu is het niet verwerpelijk voor de mens de gedachte te koesteren om eenmaal aan het beeld van God gelijkvormig te zijn, want Johannes schreef: 'Wij zullen Hem gelijk wezen', die het geen roof behoefde te achten Gode evengelijk te zijn. De tijd komt dat God 'alles in allen' zal zijn en door de mensheid zal denken, spreken en handelen. De mens is tot een zeer hoge roeping uitverkoren, want hij is bestemd om als woning van God te dienen. Deze status bereikt hij door een ontwikkelingsproces. Wanneer hij zich aan de waarheid houdt, groeit hij naar dit doel toe (Ef.4:15). Zonder gedegen kennis van God en zonder onderscheiding der geesten zal hij hier niet in slagen. Met de eerste leugen die op aarde was uitgesproken en die door de mens geloofd werd, kwam er een verduistering over zijn denken. In Jesaja 25:7 is sprake van 'de sluier, die alle natiën omsluiert, en de bedekking waarmee alle volkeren bedekt zijn'. Er wordt daar zelfs geen uitzondering gemaakt voor het volk Israël, want deze bedekking verdwijnt slechts in Christus, die getuigenis gaf van de waarheid (2 Cor.3:14).

De gedachte is door de satan gewekt, dat God vanuit zijn wezen het kwaad zou kennen op dezelfde wijze als Hij ook het goede kent. De leugen en de zonde zouden dan in Hem zijn opgekomen evenals de waarheid en de gerechtigheid. Van Jezus Christus, die de afdruk van het wezen van de Vader is, wordt evenwel getuigd, dat er geen bedrog in zijn mond is geweest en dat Hij de zonde niet gekend of gedaan heeft (1 Petr.2:22 en 2 Cor.5:21). Onze Heer sprak, dat alleen de duivel liegt en dat deze de vader of de verwekker van de leugen bij de mens is. De satan liegt vanuit zijn wezen (Joh.8:44). God kent evenwel het kwaad slechts vanuit de gedragingen der geestelijke rebellen in de hemelse gewesten en van uit de werken der mensen, die door deze boze geesten geïnspireerd, gebruikt of gemanipuleerd worden. Bovendien kan God nimmer wetteloos zijn, want alle scheppingswetten zijn voortgekomen uit zijn gedachten en Hij is onveranderlijk. In dit opzicht kan Hij Zichzelf ook niet verloochenen. God zag dus het kwade zich ontwikkelen en kreeg er op deze wijze kennis van.

De volgende gedachte is evenwel nog geraffineerder: de mens zou als God zijn, dus dan zou ook het omgekeerde waar zijn, namelijk zoals de mens geworden is, na het eten van de vrucht, zou ook God zijn. De mens kent niet alleen goed en kwaad, maar doet ook goed en kwaad. Zo zouden wij ons dan God moeten voorstellen. Deze leugen heeft het Godsbesef van vele volken aangetast. Zo leren wij bijvoorbeeld uit de Griekse mythologie dat de goden zich gedroegen als mensen. Juno, de echtgenote en volle zuster van Jupiter, werd gekenmerkt door heerszucht, trotsheid en jaloezie. Haar huwelijk met Jupiter was ongelukkig, doordat haar echtgenoot, de oppergod, het met andere godinnen en zelfs met aardse stervelingen hield, en verder ook ten gevolge van haar eigen ijverzuchtig karakter.

Van de heidenen schreef Paulus, dat zij hun gezond verstand niet gebruikten, 'want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben'. De sluier is bij de heidenen wel zeer dicht geworden: 'Het is duister geworden in hun onverstandig hart... zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens' (Rom.1:20-23). Zij zijn dus dwaas geworden, want zij zeggen: onze goden zijn zoals wij. Zij hebben de waarheid Gods vervangen door de leugen, die uit de bek van de slang kwam. De god dezer eeuw heeft hun overleggingen met blindheid geslagen. Ze zijn dus gesluierd in hun denken, zodat ze niet ontwaren het schijnsel van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is (2 Cor.4:3,4).

De duivel maakt de mens nog altijd wijs, dat God kwaad kan doen en ellende over de mens kan brengen. Jacobus zegt evenwel: 'Dwaalt niet, mijn geliefde broeders. Iedere gave, die goed is, en elk geschenk dat volmaakt is, daalt van boven neder van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer' (Jac.1:16,17). God kan niet iets schenken dat verkeerd is, wat niet bij Hem hoort. Ook bij Hem kan men er nooit iets uithalen dat er niet in zit! Welk redelijk, verstandig mens, zal er ooit aan denken te zeggen, dat de Schepper zonde, gebondenheid of ziekte geeft. Oorlogen, rampen, onheil en benauwdheden vinden hun oorsprong nooit in God. Het kwaad komt niet uit God, zomin als de duisternis uit de zon komt. Gezondheid is van God en ziekte komt van de duivel. God is een goede God en de duivel is een slechte duivel! God pijnigt zijn schepping nooit, ook niet voor straf. Hij bezoekt haar niet met astma, kanker, aderverkalking, mismaaktheid en Hij maakt geen imbecielen of geestelijk gestoorden.

GOD DOET GEEN KWAAD

God kent wel het kwaad vanuit de werken van de duivel, maar Hijzelf realiseert het nooit. Vele christenen houden geen rekening met de inwerking van de boze en zij zeggen dat de mens het kwaad voortbrengt en daarom de schuld alleen draagt. De ellende zou dan van Godswege als straf over de mens komen, als loon op de zonde. De boze beweert zelfs: je zult beslist niet sterven. Adam en Eva stierven ook niet ogenblikkelijk biologisch, maar wat veel erger was: ze werden in de onzienlijke wereld van God gescheiden.Ze waren dood in zonden en misdaden. Ook met die woorden verleugende de duivel de mens. Hij stelde God voor als een jaloerse, die niet wil dat de mens tot grote macht komt en kennis vergaart. De boze bracht dus de integriteit of betrouwbaarheid van God in discrediet. De gedachte vatte post dat God de mens het leven zou ontnemen. Ook nu adverteert men, dat het God behaagd heeft een geliefd familielid weg te nemen. Het is evenwel altijd Gods bedoeling geweest, dat het sterfelijke,natuurlijke lichaam,verzwolgen zou worden in het onsterfelijke, geestelijk lichaam. 'Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen'. Zo zullen ook zij die overgebleven zijn, in een punt des tijds veranderd worden (1 Cor.15:52,53).

Het is geen wonder dat Adam en Eva na hun daad van ongehoorzaamheid wegscholen tussen het geboomte van de hof.Zij ervoeren wel dat hun verhouding met God veranderd was. Ze waren bevreesd dat God hen zou straffen, wellicht doden. Zij geloofden immers dat Hij ook kwaad deed. Hij maakt dood en Hij maakt levend! (1 Sam.2:6). Alsof de Here God iemand zou doden! Heeft Hij niet zijn eigen zoon geschonken, 'opdat deze door zijn dood hem, die macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij waren gedoemd' (Hebr.2:14,15). Vanwege de leugen dat God denkt en handelt zoals de mens, ontwaren ook vele christenen niet het schijnsel van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is. Als een jongen bij een man de ruit ingooit, geeft deze hem, indien mogelijk, een pak slaag of legt hem een andere straf op. Menig christen denkt dat God ook zo handelt. Dit dacht ook Adam, toen hij zich in het bosschage schuil hield. De man die de jongen straft, brengt het kwade over de knaap. Vele christenen zeggen, dat God hetzelfde doet met de mens die zondigt. Hij kan wel lang wachten, maar ingrijpen doet Hij, hetzij nu of later. God zet het de mens betaald. Hij wreekt zich. Hij is een God der wrake. De christen ziet dan niet in, dat onze God Zich wel wreekt, maar niet op de mens, doch wel op de vijanden van Hemzelf, die ook de vijanden van de mens zijn, namelijk de boze geesten.

God zelf wijst de paradijsleugen van de hand met de woorden; 'Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten' (Jes.55:8,9). God is niet zoals wij. Hij is van een andere dimensie, van een hogere gedachtenwereld, want 'Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze overtredingen' (Ps.103:10).

VERSLUIERING IN HET OUDE VERBOND

Voor Israël werd in het oude verbond de sluier niet weggenomen. God nam dit volk als kleine kinderen bij de hand, zoals de ouders dit doen bij hun kleintjes als zij naar de kerk gaan. Er staat: 'Ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond' (Hebr.8:9). Daarom is er ook sprake van een nieuw verbond, waarbij de bedekking werd weggenomen. God sprak in de aanvang ook tot Mozes door de sluier heen. Hij zei: 'ga naar Farao'. Het antwoord was: 'Ik ben geen man van het woord, want ik ben zwaar van mond en zwaar van tong'. Dan vraagt de Heer: 'Wie heeft de mens een mond gegeven, wie maakt stom of doof, ziende of blind; ben Ik het niet, de Here?' (Ex.4:11). God kon toen bij Mozes niet doordringen. Mozes wist dat het kwaad uit de onzienlijke wereld kwam, maar hij was niet op de hoogte van het Koninkrijk Gods en van het koninkrijk van satan. Deze rijken waren voor hem verborgenheden, waarin hij geen onderscheiding had. Jezus was de eerste in de heilshistorie, die de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen ontsluierde. God sprak er met Mozes niet over, dat de boze stom, doof en blind maakt. Onze Heer zou later rondgaan om de werken des duivels te verbreken. God zei alleen: `Mozes, Ik zal je helpen, vertrouw op mij'. Maar Mozes geloofde dit niet en antwoordde: 'Stuur maar iemand anders'. Toen ontbrandde de toorn des Heren tegen Mozes en wat was hiervan het resultaat? Dat de Heer Mozes in zijn zwakheid tegemoet kwam en hem de hulp van zijn broeder Aäron toezegde.

Ook het denken van Job was versluierd. Hij sprak: 'Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?' (Job 2:10). Toch wordt uitdrukkelijk in hetzelfde hoofdstuk meegedeeld, dat de satan Job met boze zweren sloeg, van zijn voetzool tot zijn hoofdschedel toe (vers 7). Elifaz wees ook God aan als de oorzaak van het kwaad. Hij formuleerde het in de woorden: `Welzalig de mens, die God kastijdt; versmaad daarom de tucht des Almachtigen niet. Want Hij verwondt en Hij verbindt, Hij slaat en zijn handen helen' (Job 5:17,18). Maar de Heer zei tot Elifaz dat deze niet recht van Hem had gesproken zoals Job. Deze zag ook wel niet, dat God enkel goed was, maar hij erkende althans: 'Wie is het toch, die het raadsbesluit omsluiert zonder verstand? Daarom: ik verkondigde, zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep. Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete in stof en as' (Job 42:3-6). Job zag uiteindelijk in dat er één was, die de gedachten Gods aangaande de mens had verdraaid en dat de boze een sluier op zijn denken had gelegd. God doet geen goed en kwaad, maar alleen goed. Jacobus voegde aan de geschiedenis van Job de opmerking toe: heb je nu gezien dat God de Vader der lichten is? Kijk eens naar Job. De duivel maakte hem ziek, maar 'gij hebt uit het einde dat de Heer deed volgen, gezien, dat de Heer rijk is aan barmhartigheid en ontferming' (Jac.5:11).

Zo staat in 1 Samuël 24:1 dat God David tegen Israël opzette om het volk te tellen. De latere geschiedschrijver corrigeert deze misvatting en zegt: 'Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen' (1 Kron.21:1). De laatste had dus blijkbaar iets meer inzicht in het Koninkrijk der hemelen.

Vele christenen kennen ook nu het geheim van de wetteloosheid nog niet. Zij zeggen: God is wel goed, maar als je te ver gaat, moet je voor Hem oppassen. Zo werd aan duizenden in hun prille jeugd de angst bijgebracht dat God de zondigende man, vrouw en zelfs het kind zou grijpen en in de hel werpen, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust. De mens gaat evenwel alleen verloren als hij de duisternis liever heeft dan het licht. God werpt hem niet in de poel des vuurs, maar de mens komt er door eigen keuze.

GODS NAAM HEILIGEN

De leugen van de satan was dus: God kent het goede en het kwade vanuit Zichzelf. Niet alleen het goede is in zijn denken opgekomen, maar ook het kwade. Wie goede gedachten heeft, doet immers goed en wie kwade gedachten koestert, doet ook kwaad. Deze leugen over God is zo doorgedrongen, dat men in het oude verbond meende dat alles uit God was wat zich vanuit de onzienlijke wereld openbaarde: 'De verborgen dingen zijn voor de Here, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons' (Deut.29:29). Zo lezen we in 1 Samuel 16:14: 'Een boze geest, die van de Here kwam'. Bij de aanvang van zijn prediking heeft Jezus evenwel leren bidden: 'Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd'. Jezus openbaarde God als de Vader der lichten. Uit Hem straalt alleen licht of leven, dat de mens gelukkig en blij maakt. Zijn naam moeten wij heiligen of afgescheiden houden van elke vorm van ellende en iedere ramp. Wij moeten de goede schepper van hemel en aarde nooit voorstellen als auteur van die duistere verschijnselen. De waarheid is, dat God alleen het goede denkt en doet, en het kwade daarentegen bedacht en bewerkt wordt door de duivel. Wij mogen daarom de naam van onze God nooit met slechte dingen verbinden en Hem nooit het werk toeschrijven dat de boze geesten doen.

Het volk Israël kende de ware bewerkers van zonde, ziekte en leugen niet. Ook in dit volk werkte de wetteloosheid, maar haar geheim, haar origine of oorsprong bleef onbekend, omdat de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen, nog niet waren geopenbaard.

DE WET

Teneinde de wetteloosheid in Israël te keren en omdat de verwekkers van het kwaad gecamoufleerd waren, gaf God zijn volk de wet. Deze natie was immers uitverkoren om recht en gerechtigheid op aarde te bewaren (Gen.18:19). De geest van de mens was echter al zo door de boze machten beïnvloed en overweldigd, zo krachteloos en zwak, dat hij niet meer of onvoldoende de drager was van de ingeschapen wet. Daarom ontving het oude bondsvolk de heilige wet des Heren, die op stenen tafelen door God zelf was geschreven en die door de profeet Mozes werd aangevuld met vele andere voorschriften en geboden (Deut.4:13, 14 en 5:31). De wet is 'niet gesteld voor de rechtvaardigen, maar voor wettelozen en tuchtelozen' (1 Tim.1:9). Henoch, Noach en Abraham hadden geen wet nodig, want zij wandelden met God en waren rechtvaardig, maar wel het vleselijke, natuurlijke Israël dat naar de innerlijke mens dood was in zonden en misdaden.

Door de wet der tien geboden en door de verordeningen van Mozes kwam God in zijn barmhartigheid Israël tegemoet om zijn wil in herinnering te brengen, opdat het volk behouden zou blijven. Het is immers Gods wil niet dat iemand verloren zal gaan. Maar waarom dan de bedreigingen met straf, als God enkel goed is? We lezen dat wie de wet hield, zou leven en wie haar overtrad, de dood zou vinden. Mozes sprak: 'Het leven en de dood stel ik u voor' (Deut.30:19). Zo werd het volk Israël evenals Adam in de hof van Eden, bepaald bij leven en dood. De mens die de wet hield, kreeg als beloning het leven. Wie haar overtrad, ontving als negatieve beloning, vergelding en dood.

Nu is het opvallend dat de wet der tien geboden, die rechtstreeks door de vinger van God op schrift was gesteld, geen straffen bevat. God doet immers niet naar onze zonden! Slechts een enkele waarschuwing bij het verbond van afgoderij herinnert ons aan het proefgebod in het Paradijs. De wet werd gegeven aan een natuurlijk volk. Vandaar dat Gods barmhartigheid bleek uit het geven van een sabbatsgebod. De Israëliet kreeg hierdoor tijd om zich te bezinnen op geestelijke waarden. De mens in het nieuwe verbond mag evenwel alle dagen van zijn leven in een geestelijke eeuwige sabbatsrust verkeren.

In de inzettingen die door Mozes te boek werden gesteld, komt duidelijk naar voren, dat wie overtrad, gestraft moet worden. Hiermee bedoelde God, dat de zondaar zich bewust moet zijn, dat het loon van de zonde ellende, moeite en dood betekent. De wet is immers een tuchtmeester of onderwijzer teneinde te leren om goed en kwaad te onderscheiden, ook in hun gevolgen. Een bevriende voorganger vertelde ons eens van een man, die in een uitbarsting van woede in zijn huis alles kort en klein sloeg en zelfs de kranen uit de muur rukte, zodat het water de kamers binnendrong als een zondvloed. Hij had dus een half uur lang effectief voor de boze als diens slaaf gewerkt. Zijn (verdiende) loon was, dat hij diep in de schuld kwam en maanden lang nodig had om alles weer te herstellen. Het is duidelijk dat de duivel erop staat de zondaar zijn loon uit te betalen. Dit loon der zonde wordt door de mens ervaren als straf. God erkent het recht van de boze om loon uit te keren aan zijn werknemers. In zijn grote liefde tot de mens leverde God evenwel zijn Zoon over om de straf voor ons te incasseren: 'De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem' (Jes.53:5).

Gods erkenning van de straf komt ook duidelijk uit in de opdracht aan de overheid om het kwaad, dat in de natuurlijke wereld wordt bedreven, te vergelden. De Zoon van God heeft de straf niet gedragen voor onze zonden in de zichtbare wereld. Daar blijft ook de christen onderworpen aan de overheden. Wie steelt, wordt veroordeeld. Wie door het rode licht rijdt, christen of geen christen, zal de opgelegde boete moeten betalen. In de geestelijke wereld wordt het loon der zonde door de duivel uitbetaald en in de natuurlijke wereld heeft God hiertoe de overheid macht gegeven.

Omdat men tegenwoordig het natuurlijke leven verward met het geestelijke, komt men tot de gedachte dat de overheid niet meer zou moeten straffen, maar alleen barmhartig moet zijn en alleen maar moet opvoeden. Maar men mag bijvoorbeeld de doodstraf niet afschaffen met een beroep op de bergrede en op de uitspraken van Jezus, die gericht zijn tot geestelijke mensen en die betrekking hebben op de burgers van zijn Koninkrijk dat niet van deze aarde is. De wereldlijke overheid is echter niet geroepen en gesteld Gods barmhartigheid over te nemen en alleen maar de schuld te vergeven.

WIE WERKT, ONTVANGT LOON

Het nieuwe verbond is aangegaan met geestelijke mensen en de boze is onder hen bekend als aanstichter van alle kwaad en ellende. Daarom schreef de apostel Paulus aangaande een notoire zondaar in de gemeente te Corinthe niet, dat men hem straffen moest, hem boete moest laten doen, maar dat men zich zou distantiëren van het kwaad. Had de man die met de vrouw van zijn vader leefde, schuld beleden en zich laten bevrijden, dan zou hij in de gemeente weer mogen blijven zonder verder enige straf te ondergaan. Daar hij zich niet bekeerde en zich niet liet bevrijden, moest men met de macht ook de man uit de gemeente wegdoen. Op deze wijze werd hij overgeleverd aan de satan, die hem het volle loon der zonde zou uitbetalen. Misschien zou deze ellende hem nog tot inkeer brengen, opdat zijn ziel zou behouden worden. In de onzienlijke wereld wordt dus de straf voltrokken door de ontbindende machten aan wie men overgeleverd is en in de natuurlijke wereld door de overheid aan wie men onderworpen is. Wie bevreesd is om het loon der zonde te incasseren, zal trachten de wet van God te onderhouden. Omdat vele zondaars niet wisten dat er een bezoldiging der zonde was, zond God reeds in de tijd vóór de zondvloed een man als Henoch, die de goddelozen waarschuwde, dat er straffen zouden volgen op alle goddeloze werken. Wanneer de Here God eenmaal zou oordelen, dus scheiding maken tussen goed en kwaad, zouden de goddelozen hun verdiende loon zeker ontvangen . De duivel zou dan tenvolle zijn recht opeisen. Openbaring 20:12 spreekt over "boeken" die eenmaal worden geopend. Hierin heeft de duivel nauwkeurig opgetekend wie voor hem hebben gewerkt en wat zij voor hem hebben gepresteerd, teneinde precies de claim te bepalen die hij op zijn slachtoffers heeft.

Waar de geestelijke rem ontbreekt, is er een overheid nodig om een oordeel te vellen tussen goed en kwaad en door straf het wetteloze zoveel mogelijk te beteugelen. 'Want als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheidspersonen, maar wel, als hij verkeert handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen. Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft' (Rom.13:3,4) .

De overheid laat dus in de natuurlijke wereld zien, hoe het in de geestelijke wereld werkt. Het goede wordt positief beloond en het kwade gestraft, dus negatief beloond. De overheid staat hierbij in dienst van God. De wereldgeesten, dus de samenwerkende menselijke geesten, trachten zo het kwaad te beteugelen. Zij kunnen dit evenwel slechts ten dele en daarom worden zij door de apostel armelijk en zwak genoemd. De ordenende wereldgeesten of menselijke geesten zijn zeker niet opgewassen tegen de vloed van demonie, die in de laatste tijd over de aarde gaat. Slechts de menselijke geest in gemeenschap met de Heilige Geest kan de demonen overwinnen, maar dam moet men wel overgeplaatst zijn in de hemelse gewesten om hen op hun eigen terrein te weerstaan. Elke zonde ontvangt rechtvaardige vergelding. Voor iedere ongehoorzaamheid wordt het loon uitbetaald (Hebr.2:2). God heeft evenwel zijn Zoon dit laten incasseren. Aan Hem werd de rekening van het ganse menselijke geslacht gepresenteerd. Daarom heeft de duivel geen recht meer om ons zijn doodsloon uit te betalen. Jezus heeft het loon der zonde op Zich genomen, 'opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren' (Hebr.2:14,15).

De wet van de Sinaï en de wetten die de overheden uitvaardigen, met de straffen die aan de overtredingen verbonden zijn, houden geen rekening met de machten der duisternis. Het is onmogelijk voor een aardse rechter in zijn vonnis rekening te houden met de beïnvloeding en overweldiging door de boze geesten in de innerlijke mens van de wetsovertreder. De aardse wetten zijn gesteld voor de natuurlijke mens, die anders het spoor geheel bijster zou raken. De ware geestelijke mens heeft geen wet nodig, omdat hij vrij is van iedere macht der duisternis. Daar de wet Gods weer functioneert vanuit zijn hart, is hij zichzelf tot wet en zal hij zich ook wetmatig gedragen.

HET OFFER

Ook bij het brengen van zijn offer werd de offeraar bepaald bij het loon van de zonde. Hij had immers voor de boze gewerkt, want hij was op een bepaalde tijd een slaaf van de zonde geweest. Hij had zijn leden gesteld in dienst van de ongerechtigheid. De duivel had dus het recht om het loon van de zonde, de dood, uit te keren. Gods gerechtigheid bestaat in de erkenning, dat de goede werken door Hem positief worden beloond. De duivel had dus een claim op een deel van het leven van de offeraar. Deze man of vrouw stond in zijn boeken genoteerd als werknemer, die recht had op een duivelse uitkering. De satan staat op zijn recht om iedere arbeidsprestatie die voor hem gedaan wordt, ten volle te honoreren. God erkent dus dit recht, want Hij is rechtvaardig. Hoe harder de zondaar voor zijn meester heeft gewerkt, hoemeer hij in diens greep geraakt. Het negatieve loon van de duivel betekent immers schuld, die de mens betalen moet ten koste van zijn leven, dus van zijn blijdschap, zijn vrede en zijn gerechtigheid. Op het leven van de wetsovertreder liggen de smetten en vlekken van het rijk der duisternis, de schaduw des doods! Nu sprak God: neem een dier dat je toebehoort, slacht het en breng het als offer voor je zondeschuld. Met dit leven kun je tijdelijk het loon van de zonde compenseren, want het leven van het dier dat aan jou toebehoort, wordt uitgestort in de dood en daarmee kun je je eigen natuurlijk leven, dat onder beslag van de boze ligt, vrijmaken.

De zondaar bracht dus zijn offer niet aan God, maar hij betaalde de boze ermee, teneinde zijn schuld in de boekhouding van de duivel te voldoen. Voor een geestelijke zonde zoals afgodendienst of occultisme kon de mens geen dier ten offer brengen. Daartoe was dit leven ontoereikend. Zulk een overtreder moest dan ook gedood worden, evenals bijvoorbeeld een moordenaar of een echtbreker.

God zelf heeft geen behagen in slachtoffer en spijsoffer. Hij heeft nooit gevraagd om brandoffer of zondoffer voor Zichzelf. De heidenen brengen offers aan hun goden om ze te vertederen of te vermurwen. Hun goden willen het kwade over de mens brengen en dit moet door het offer verhinderd worden. Deze machten zijn toornig op de mens en hun gramschap moet worden afgewend. Het offer, zelfs soms dat van een mens,moet de wraakgierigheid van de afgod stillen. Zo maakten de Baälspriesters 'zich naar hun gewoonte insnijdingen met zwaarden en speren, totdat zij dropen van het bloed' (1 Kon.18:28). De goden der heidenen willen bloed zien, maar onze God staat altijd gereed om het goede te schenken en Hij doet geen kwaad.

Het offer dat de Israëlieten moesten brengen, zag vooruit op het grote offer dat de Vader zelf zou brengen, toen Hij zijn Zoon overgaf, die sprak: `Zie, Ik kom; in de boekrol is over Mij geschreven; Ik heb lust om uw wil te doen, mijn God' (Ps.40:8). Let er op, dat niet de mens het offer bracht, maar God zelf. Wij hebben geen goden zoals de heidenen aan wie geofferd moet worden, maar onze God schonk zijn eniggeboren Zoon, die ten behoeve van ons vrijwillig de dood inging. Als Lam van God verzoende Hij onze schuld.

DE VERZOENING

In zijn herstelplan was God van eeuwigheid reeds in de christus de wereld met Zichzelf verzoenende, door hun overtredingen niet toe te rekenen (2 Cor.5:19). Paulus merkt hierbij op dat deze gedachte van herstel en vernieuwing in het hart van God werd geboren: 'Dit alles is uit God!' Zo kan gezegd worden: 'Het Lam Gods is geslacht sedert de grondlegging der wereld'. De mensheid is door Gods liefde uit de macht van de vijandschap gebracht. Zij is met God verzoend, ook al erkend zij dit niet. Als christenen geloven wij in deze verzoening. Wij aanvaarden dat God ons de zonden niet toerekent, nu niet en nimmer. De rekening werd immers aan Jezus gepresenteerd, niet door God maar door de duivel.

Het woord 'verzoening' (kattalagè) heeft de betekenis van verwisseling of ruil. Men zou het ook kunnen omschrijven als 'vervangingswaarde'. Zo kan men een geldsom betalen om iets anders ervoor in de plaats te krijgen. In Romeinen 11:15 noemt Paulus de verwerping van Israël de prijs, die betaald moest worden als vervangingswaarde om de heidenen tot het heil te brengen. In Romeinen 5:11 is de verwerping van de Zoon de ruil die gedaan werd om ons deel te laten krijgen aan het zoonschap. Israël werd dus verworpen in ruil voor de redding der volken en de Zoon van God werd verworpen in ruil voor de mensheid. Hier is dus sprake van een plaatsvervanging. Paulus verduidelijkt een en ander in 2 Corinthiërs 5:21, waar hij schrijft: 'Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem'. Jezus nam dus van ons het zondaar zijn over en wij verkregen van Hem de gerechtigheid die Hij bij God had. Hij werd tot zonde gemaakt en wij werden rechtvaardig. Hij droeg de schuld en wij ontvingen de vrijspraak.

Aan ons is nu het woord der verzoening toevertrouwd. Wij hebben als christenen een bediening der verzoening (2 Cor.5:18,19). Wij presenteren met de evangelieverkondiging geen rekening aan de wereld en verkondigen geen 'hel en verdoemenis', maar wij zijn gezanten door God uitgezonden om heil te brengen. God bidt de wereld, pleeg geen verzet, laat de verzoening je welgevallen, want het is haast ongelooflijk, dat Hij die geen zonde gekend heeft, tot zonde voor ons is gemaakt. Zo'n boodschap kan alleen vanuit de kennis der onzienlijke wereld begrepen worden en alleen ontspruiten aan het denken van een God, die de mens alleen met het goede tegemoet komt.

In 1 Corinthiërs 10:16 spreekt Paulus over de beker der dankzegging, die onze gemeenschap aanduidt met het bloed van Christus. Zijn bloed was de vervangingswaarde op aarde en het beeldt zijn leven uit, dat Hij als losprijs bracht in de hemelse gewesten. Het evangelie der verzoening is dat van de tegemoetkoming van Godswege. Hijzelf betaalde onze schuld. Wij behoeven geen natuurlijke offers te brengen, maar wij heffen de beker der dankzegging omhoog voor de genade, die Hij ons bewees. Gods Zoon was het offer voor ons. De hemelse Vader leverde zijn Zoon over aan de macht van de duivel en van de dood en wij danken onze Heer, dat Hij Zich als een smetteloos lam vrijwillig ten offer stelde om ons leven vrij te kopen.

VERGEVING VAN ZONDEN

Bij het avondmaal sprak Jezus over zijn bloed dat vergoten werd tot vergeving der zonden. Nu wordt bij het woordje 'vergeving' nooit gedacht aan betaling. Wanneer de Vader de verloren zoon aan het hart drukt, vergaf hij deze, zonder dat er van betaling of van een losprijs bij een van de partijen sprake was. Een kind krijgt vergeving van schuld door belijdenis van zijn kwaad. Vergeven betekent: voorbijzien, niet meer gedenken. Wanneer in Matheüs 26:29 bij het laatste avondmaal gewezen wordt op het bloed, dat diende tot vergeving van zonde, gebruikt de Heer een woord dat ook vertaald wordt door 'vrijmaking' of 'verlossing'. Wij vinden dit bijvoorbeeld in Lucas 4:18, waar sprake is van 'loslating' van gevangenen. Het bloed van Jezus was betaalmiddel tot in vrijheidstelling der gevangenen van de duivel: 'Zonder bloedstorting is er geen vrijmaking van de zonde' (Hebr.9:22 Amplified Bible). Wij zouden Colossenzen 1:14 dan zo willen lezen: in wie wij de loskoping hebben, de vrijmaking uit de hand der zondemachten.

Jezus stortte zijn bloed in de zienlijke wereld en zijn leven werd hierbij uitgegoten in de onzienlijke gewesten. Er kwamen toen vele gevangenen in het dodenrijk tot vrijheid (Math.27:52). Zo gaat het bij de viering van het avondmaal over de vrijkoping uit de macht van satan. Er staat immers van het Lam Gods geschreven: "Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie" (Openb.5:9). God is rechtvaardig en Hij heeft ons niet zomaar uit de macht van de satan teruggepakt. Hij erkende het recht van de boze om loon uit te betalen aan zijn dienstknechten. Daarom maakte Hij een overeenkomst met hem en vroeg: 'Wat is mijn Zoon je waard?' Het antwoord luidde, dat diens smetteloos leven dat de heerlijkheid verdiende, genoeg was voor de schuld van alle mensen. Aan zijn Zoon vroeg de Vader: 'Wil je dit offer brengen?' Diens antwoord was: 'Ik ben gekomen om Uw wil te doen!' Hij werd om onze zonden overgeleverd aan de boze machten en opgewekt uit de dood tot onze rechtvaardigheid (Rom.4:25). Jezus zelf sprak, dat Hij was gekomen om 'zijn leven te geven als losprijs voor velen' (Math.20:28).

De 'Christelijke Encyclopedie' merkt bij het trefwoord 'genoegdoening' op: 'Of kunnen we zinvol de vraag stellen, aan wie Christus betaald heeft: aan de duivel (zo heeft de oudste christenheid vooral gemeend) of aan God (Augustinus, Anselmus van Canterbury en de gereformeerde theologen)?' Wij kiezen met ons hart en verstand de zijde van de eerste christenen. Wanneer van de dood van Christus gesproken wordt als van een 'losprijs', is dit beeld ontleend aan de slavenhandel. De gedachtengang is dan, dat deze slavenhouder de duivel is, en dat Jezus Christus ons vrijkocht door een koopsom te betalen aan degene die toen onze eigenaar was. Onze God is een goede God die geen koopsom vraagt, maar die zelfs zijn eigen zoon niet spaarde om ons in Hem alles te schenken.

ISRAëL EEN NATUURLIJK VOLK

Israel was geen geestelijk volk, maar een natuurlijk. Paulus schreef reeds: 'Ziet, hoe het gaat bij het Israël naar het vlees'. Dit volk had nooit geleerd machten uit te drijven en door gebed bezig te zijn in de hemelse gewesten. Zij wisten niet wat het betekende de Vader te aanbidden in geest en in waarheid. De ure zou immers daarvoor nog moeten komen (Joh.4:23). In het oude verbond moesten de overtreders daarom gedood worden, zoals ook onze aardse overheid dit soms moet doen. Israël voerde de oorlogen des Heren op een vleselijke wijze, zoals onze vaderen dit bewoordden onder het motto: 'Vertrouw op God, maar houd je kruit droog'. Het volk wist dat God hun Kanaän beloofd had. De Amorieten, de Kenieten, de Hethieten, de Ferizieten zaten er wederrechtelijk, evenals Ismaël in de tent van Abraham ten opzichte van Izak, en Ezau als erfgenaam in de tent van Izak ten opzichte van Jacob. De afgodische en ongerechtige stammen moesten verdreven worden uit het land dat de Heer voor zijn volk had afgezonderd. Het vleselijke Israël had geen andere wapenen dan de natuurlijke. Het kende wel een strijd tegen vlees en bloed, maar geen worsteling tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Israël streed bij zijn invasie in Kanaän op dezelfde wijze als het vandaag aan de dag doet tegen de Palestijnen. De God van Israël kon Zich en kan Zich naar zijn wezen immers niet in zijn oneindige goedheid en kracht aan dit volk openbaren. Vandaar dat men de strijd van het natuurlijke volk Israël toen en ook nu ten enen male niet mag verbinden met het evangelie van Jezus Christus. Wie dit wel doet, ontheiligt de naam des Heren op dezelfde wijze als hij, die met beroep op mannen van het oude verbond als Abraham, Jacob of David, met meer dan één vrouw zou samenleven. Zo'n zondaar staat buiten het Koninkrijk Gods.

Bij de strijd van het oude volk om Kanaän te veroveren, moeten wij niet vergeten, dat deze geschiedenissen voor ons zijn opgetekend in verband met onze strijd in de hemelse gewesten. Er zijn zoveel gruwelijke verdelgingsoorlogen op de wereld gevoerd, maar 'de oorlogen des Heren' bedoelen dat deze lessen voor ons zijn, maar niet dat zij de methoden van God voor de mens zouden openbaren. Deze gebeurtenissen zijn meegedeeld, opdat wij zouden weten hoe de strijd in de hemelse gewesten functioneert. Ook onze overheden worden gevormd door natuurlijke mensen. Van hen wordt niet verwacht dat zij onze Here Jezus zullen navolgen op zijn weg in het hemelse Koninkrijk. Zijn rijk is immers niet van deze aarde en zal dit ook nooit worden, hoewel zijn volgelingen wel eenmaal koningen zullen zijn op de aarde, maar dan regeren zullen vanuit hun hemelse positie.

Het is daarom dwaasheid om aan de overheid een geestelijke wet voor te schrijven. Wanneer zij de wet van de Sinaï zoveel mogelijk volgt, doet zij haar plicht. Natuurlijk weten de gezagsdragers ook wel dat zij de misdadiger niet door straf kunnen omturnen tot een beter mens, zelfs niet door middel van alternatieve straffen die een opvoedkundige strekking hebben. De overheid heeft te zorgen dat de goedwillenden een stil en gerust leven kunnen leiden in een samenleving, die onder benvloeding staat van de overste dezer wereld. Ook kan men niet verwachten dat de overheid haar grondgebied tegen een opdringende vijand op geestelijke wijze kan beschermen. Zij zal daarvoor een militair apparaat moeten hebben.

Als christenen zullen wij evenwel in de gemeente en in ons huisgezin de geestelijke weg kiezen tot vrijmaking en bewaring. Wij mogen onze kinderen verzorgen in de natuurlijke wereld maar hen ook heiligen en beschermen in de geestelijke wereld. In de gemeente en in het huisgezin handelen wij naar de wetten van de Heilige Geest: wij wederstaan de boze en drijven duivelen uit. Wij oefenen ons dan bovendien om later in het duizendjarige rijk een ganse schepping te herstellen en deze geestelijk op te bouwen. Daarom verwerpen wij de oudtestamentische methoden, die met natuurlijk geweld het kwaad trachten te keren. Die bijvoorbeeld voorschrijven: 'Geef die jongen van jou maar een flink pak slaag, totdat hij geheel murw is gemaakt'. Wanneer wijzelf bij onze God om vergeving vragen met kwijtschelding van straf, omdat Jezus deze voor ons droeg, zullen wij niet onze kinderen grijpen en zeggen: ik zal je betaald zetten wat je schuldig bent. God is een goede God en wij willen volmaakt zijn zoals de hemelse Vader dit is, `want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen' (Math.5:45).Wij zijn ervan verzekerd dat wie consequent de weg van Jezus gaat, ook de goede resultaten ervan zal ervaren, want de methode van onze Heer werkt efficiënt.

zie voor andere artikelen kvooverz