kvo 59e jaargang nummer 4 (september/oktober) 1995

Uit de nalatenschap van

J.E.van den Brink

DE KAMERLING UIT MORENLAND

Wanneer een belangrijke fase in het rijk Gods wordt ingeluid, worden vaak rechtstreekse, goddelijke aanwijzingen gegeven. Soms worden engelen ingeschakeld om een nieuw tijdperk aan te kondigen. Zij geven dan aanwijzingen voor een eerste handelen.

In Handelingen hoofdstuk 8 vers 26 tot 40 lezen we in het verhaal van de kamerling uit Morenland dat een engel des Heren Filippus gebood om zich op de ongeveer 100 kilometer lange weg te begeven die van Jeruzalem naar Gaza afdaalt.

Had Jezus niet gezegd dat zijn discipelen getuigen zouden zijn te Jeruzalem, in geheel Judéa en Samaria tot het uiterste der aarde? Filippus die juist in het gebied der Samaritanen met grote zegen gearbeid had, krijgt nu de taak om een man tot bekering te brengen, die een exponent was van het heidendom, een vertegenwoordiger van het einde der wereld. Hij wordt beschreven als een Ethiopiër of Moorman, dus als zeer ver van Israël wonende. Hij is donker van huidskleur, want Jeremia stelde al de oratorische vraag: 'Kan een Ethiopiër zijn huid veranderen? (Jeremia 13:23). Ook is hij een nakomeling van Cham, want Ethiopië is in het Hebreeuws Koesj, welke naam men tegenkomt in de volkenlijst van Genesis 10:6.

Zo staat deze Moorman voor de andere heidenen op de plaats, als vreemdeling in het rijk van God. We staan hier dus bij een bijzondere mijlpaal in de heilsgeschiedenis. De eerste heiden wordt toegebracht!.

Het was voor Filippus een moeilijke taak om de vreemdeling, die bovendien een eunuch (kamerling) wordt genoemd, het evangelie te verkondigen. Het woordje 'eunuch' betekent immers 'ontmande' of 'gesnedene', de naam voor een man die voor het huwelijk fysiek ongeschikt was gemaakt (zie Matth.19:12). Filippus moest wel een eeuwenoude barrière overwinnen, want een ontmande mocht volgens Deuteronomium 23 vers 1 in de gemeente des Heren niet komen. Sinds het prille bestaan van Israël gold deze discriminerende wet. Nu greep God zelf in. In dit opzicht was de opdracht aan Filippus zwaarder dan die later aan Petrus werd gegeven toen deze naar de Romeinse hoofdman Cornelius moest gaan. Bij die gelegenheid werd deze apostel over de drempel gebracht door middel van het visioen, waarin hem werd bevolen onrein vlees te eten.

Het heil komt

De kamerling was een 'machthebber', die aangesteld was over de schatkist van de Candáce, de koningin-moeder, die de draagster was van het erfrecht van haar zoon en die als eigenlijke heerseres werd beschouwd. Deze rijksgrote van Candáce had een 'Israël-reis' ondernomen om te Jeruzalem te gaan aanbidden, evenals dit eenmaal enige Grieken hadden gedaan, die Jezus wel wilden zien (Joh.12:20,21). In Jeruzalem had hij een kostbare boekrol van Jesaja gekocht, want hij verkeerde in de gelukkige omstandigheid dat hij de Griekse vertaling, de Septuagint, kon lezen. Aan een wetsrol met allerlei inzettingen, ceremoniën, voorschriften en verboden, die de middelmuur van de scheiding alleen maar verhoogde, had hij geen behoefte. Hij verdiepte zich liever in de troostrijke woorden van de evangelist onder de profeten, waar nu evangelist Filippus op in mocht haken. In het hart van de kamerling was een verlangen om meer van God te weten en van diens bedoeling met de mens.

Nu was hij op de terugreis, gezeten in zijn prachtige reiswagen, die naar de eigenlijke betekenis van het woord het model van een strijdwagen had (verg.Openb.9:9). Zijn reislectuur op de lange weg was het woord van God, en daarmee was hij een voorbeeld voor vele christenen, die zich liever op een andere wijze amuseren.

Wanneer het gaat om de prediking van het woord, spreekt niet de engel maar de Heilige Geest in en door Filippus. De Geest zei tot hem: 'Breek nu het taboe, slecht de barricaden en voeg je bij deze eunuch'. Wanneer de kamerling op zijn lange reis naar Ethiopië bij het lezen van Jesaja 53 wordt geholpen, zal hij vanuit het verstaan van deze fundamentele verzen ook de volgende hoofdstukken kunnen begrijpen. Dan zal hij met vreugde onderstrepen, dat voortaan de Heilige Israëls, de God der ganse aarde zal worden genoemd (Jes. 54:5). De God van het nieuwe verbond wordt nu inspirator en voorwerp van aanbidding door Jezus Christus. De nieuwe tijd is met de bekering van de kamerling voor de heidenen ingegaan. Het aanbod van Jesaja 55 geldt àlle dorstigen want Jezus Christus is tot een getuige voor àlle natiën gesteld. Tenslotte zal de eunuch zich verwonderd verblijden bij het lezen van hoofdstuk 56, dat ook voor hem het heil gereed staat te komen. Hij zal al lezende gaan beseffen dat hij zich op een geweldig keerpunt der tijden bevindt en in de maalstroom der verandering wordt meegevoerd. Tot zijn verbazing wordt tot hem gezegd: 'Laat dan de vreemdeling, die zich aansloot bij Jahweh, niet zeggen: Heel zeker snijdt Jahweh mij af van zijn volk; laat de eunuch ook niet zeggen: Zie, ik ben maar een dorre boom... Hun geef ik een gedenkzuil in mijn huis en binnen mijn muren, en een naam, veel beter dan zonen en dochters; Ik geef hun een eeuwige naam, die nooit zal vergaan... Waarachtig, mijn huis zal worden genoemd: een huis van gebed voor àlle volken (Jes. 51:1-8). Het traditionele verdwijnt, de wet van Mozes verliest haar kracht om plaats te maken voor de wet van de Geest, die in de harten wordt ingeschreven. Dan zal ook het heidendom instorten, want Gods heil staat gereed om te komen. De kamerling, de geschondene, zou de eerste uit de volkenwereld zijn. Gods Geest maakt Filippus op deze volheid des tijds opmerkzaam: 'Ga naar de wagen en loop mee op. En Filippus liep er snel heen!'

Verstaat gij wat gij leest?

Wij horen nu de bekende vraag: 'Verstaat gij wat gij leest?' De kamerling is een nederig man en antwoordt: 'Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst?' De schriftgeleerden te Jeruzalem waar hij juist vandaan kwam, lazen wel wat er stond, maar verstonden niet wat zij lazen. Zij stonden op hetzelfde niveau als vele christenen, die nu nog zeggen: 'Lees wat er staat'. Omdat de Joden niet verstonden, wat zij lazen, hadden zij Hem verworpen, die hun de weg had gewezen. Ook hadden zij de hulp van de apostelen tot hun eigen schade afgewezen. Niet voor niets had de profeet in Jesaja 53 gezegd: 'Wie gelooft, wat wij gehoord hebben?' En ook nu is het gedeelte uit Jesaja 53 gezegd: 'Wie geloofd, wat wij gehoord hebben?' En ook nu is het gedeelte uit Jesaja 53 vers 7 en 8 moeilijk uit te leggen, temeer daar de Griekse tekst afwijkt van de Hebreeuwse lezing. De gewoonte om hardop te lezen was in de oudheid algemeen. Zij was het gevolg van gebrek aan boeken en van de mindere beoefening van de schrijf- en leeskunst. Iemand spreekt dan de woorden hardop uit om ze zo tot gedachten en zinnen te verbinden. Uit de herhaling der woorden kon Filippus merken, dat de inhoud voor de kamerling duister bleef.

Ieder die een vak beoefent, heeft een leermeester nodig. God schenkt leraars aan de gemeente. Wat wisten de rabbijnen van de bedoeling der woorden: 'Gelijk een schaap werd Hij ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is tegenover zijn scheerder, zo doet Hij zijn mond niet open'? Zij verstonden niet, konden niet geloven en daarom werd hun 'de arm des Heren - zijn Heilige Geest - niet geopenbaard'. Maar wat betekende verder: 'In de vernedering werd zijn oordeel weggenomen: wie zal zijn afkomst verhalen? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen'? Het antwoord is: zijn vernedering was aan het kruis, maar daar werd Hij niet veroordeeld. Hij bleef immers een rechtvaardige, zoals zelfs de hoofdman moest erkennen. Daarom overwon Hij. De vertaling in het Hebreeuws luidt: 'Hij is uit verdrukking en gericht weggenomen'. Hij was verdrukt en vernederd en werd niet veroordeeld. Hij bleef staan toen de schuld der mensheid op Hem werd gelegd. Dan volgt: 'Wie zal zijn afkomst verhalen?' Zijn afkomst of letterlijk zijn generatie is zijn nageslacht of zijn 'nakroost', zoals de Leidse vertaling heeft. Jezus Christus heeft een geestelijke nazaat en dit verkreeg Hij niet tijdens zijn leven, maar nadat Hij zijn Zichzelf ten schuldoffer had gesteld. Wie verstond dit? Wie heeft ooit nakroost gekregen na zijn sterven? Wie dit verstaat, gaat door de deur tot het leven in. Wie dan door de poort van het Koninkrijk Gods gaat, is wedergeboren en komt op de hoge weg, waar 'geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besnedenen of onbesnedenen, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus' (Coll.3:11).

Een juiste leer noodzakelijk

Filippus opende zijn mond, een semitische uitdrukking wanneer er iets heel belangrijks werd gezegd. Zijn eerste prediking tot de heidenen ging over Jezus, over diens persoon en leer. Het lijden en sterven van onze Heer betrof een geestelijke zaak, evenals geloven, bekering, wedergeboorte en doop in de Heilige Geest, begrippen uit de onzienlijke wereld zijn. Wanneer de eunuch Jesaja 53 goed begrijpen zou, kon hij ook verder lezen en zich zo de heilsboodschap toeëigenen.

Waarom klom Filippus op de wagen? Omdat de kamerling honger had en de evangelist in zijn behoefte kon voorzien. Van welk schriftwoord de prediker ook uitgaat, hij zal altijd de leer van Jezus moeten brengen, namelijk die over het Koninkrijk der hemelen. Als je dan goed voedsel krijgt, moet je daarnaast niet van alles eten. Je kunt niet buiten lezen, maar ook niet buiten begrijpen.

De kamerling vertrouwde zich aan Filippus toe en zo stelt de christen zich onder de leiding van zijn voorganger en oudsten. Deze behoren echter te leren wat Filippus, Paulus en Petrus verkondigen. Lezen en verkeerd verstaan leidt tot leringen van boze geesten, die van de onwetendheid gebruik maken.

De bijbel is een geestelijk boek en hij vraagt de dingen te bedenken die boven zijn, waar Christus is. De verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen waaien iemand niet aan. Zij vereisen nadenken en kennis.

Filippus ronde zijn boodschap af met de doop van de Ethiopiër. Hij beperkte deze doop met de woorden: 'Indien gij van ganser harte gelooft, is het geoorloofd'. Als christen reisde de Moorman terug naar zijn vaderland, vol vreugde en wellicht al tongen sprekend en zingend, want enkele handschriften maken nog de opmerking: 'De Heilige Geest kwam over de eunuch en een engel des Heren voerde Filippus van hem weg'.

En getuigenis voor de wereld

Handelingen 8 is het hoofdstuk van Filippus. Hij is beeld van de gemeente des Heren in haar opdracht om het evangelie overal te verkondigen. Deze evangelist begon te Jeruzalem als 'een van de zeven'. Na een zware vervolging in die stad ging hij naar Samaria om daar met grote zegen 'de Christus te prediken'. Daarna zond God hem tot de heidense kamerling uit Morenland. Zo voerde Filippus de woorden van Jezus uit: 'En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn', dat wil zeggen dat men dan zal opmerken wat voor kracht het in zich bergt en wat voor herstel het zal bewerken (Matth.24:14).

In dit verhaal staat Filippus dus ook als eerste van een lange rij predikers, die het evangelie van het Koninkrijk der hemelen nog over de wereld zullen brengen, want deze boodschap is nog nauwelijks verkondigd. De zonen Gods zullen dan tot de volheid des geloofs en des Geestes komen. De kerk begon met een pinksterfeest en zij zal in de laatste dagen nog een grootse herhaling ervan aanschouwen.

Wanneer wij wèl onderscheiden, is nu de gemeente in een fase gekomen, dat zij het evangelie van het Koninkrijk der hemelen met grote kracht zal prediken tot aan het uiterste der aarde.