kvo 53e jaargang nummer 1 januari 1989

J.E.v.d.Brink

HET MOSTERDZAADJE

De gelijkenis van het mosterdzaadje beeldt uit, hoe het Koninkrijk Gods in deze wereld door een groeiproces de overwinning behalen zal. Dan wordt vervuld: 'Want de aarde zal vol worden van de kennis van des Heren heerlijkheid, gelijk de wateren die de bodem der zee bedekken' (Hab.2:14). Alles wat leeft, groeit. En het ontwikkelt zich. Er is geen sprake van geweld, schokeffecten of van een plotseling ingrijpen, maar van een levensproces, waarvan geschreven staat: 'In het Woord (het zaad) was leven'.

Op welke wijze komt het Koninkrijk Gods met zijn sfeer van gerechtigheid, vrede en blijdschap, in deze wereld? Hoe ontwikkelt het zich in de mens en hoe neemt het bezit van de ganse kosmos? Jezus sprak dat "iemand" een mosterdzaadje nam en in zijn tuin zaaide. Deze persoon is de hemelse Vader, die zijn eniggeboren Zoon aan de wereld gaf. Evenals de wereldrijken in het oude verbond gepersonifieerd werden in hun koningen, zo wordt het Koninkrijk Gods geïdentificeerd met zijn Koning Jezus Christus.

God zond geen machtig koning naar de aarde, die omgeven was door een stoet van zich manifesterende hemelingen, en die bij ieder verzet vuur uit de hemel zou doen nederdalen op zijn vijanden. God gaf zijn zoon in de gestalte van een dienstknecht, 'veracht en de onwaardigste onder de mensen'. Jezus was geen met aardse olie gezalfde koning en priester, en zijn culturele en religieuze vorming liet naar menselijke en godsdienstige maatstaven te wensen over. Hij had nimmer aan de voeten van de grote geleerden als Gamaliël gezeten en de kennis en de wijsheid die Hij bezat, vonden geen enkele aansluiting bij de kerk van zijn tijd. Er was hier sprake van 'het dwaze van God' en van 'het zwakke van God'. In zijn optreden had Hij 'gestalte noch luister' en 'wie geloofde zijn prediking'? Wie begreep zijn woorden en wie nam ze op in zijn hart? Jezus verkondigde immers een evangelie van de onzienlijke wereld en daarom hield men Hem voor een verleider of een valse profeet en sprak: 'Heeft soms één van de oversten in Hem geloofd, of van de farizeeën?' (Joh.7:48).

Jezus sprak over een tempel Gods in de geestelijke wereld en van een huis des Vaders met zijn vele woningen, uitdrukkingen met een geheel andere inhoud dan de godsdienstige leiders gewend waren. Dezen konden immers alleen denken aan een tempel met prachtige stenen en wijgeschenken versierd, die vriend en vijand door zijn architectonische schoonheid en verhevenheid imponeerde.

Neem een mosterdzaadje en legt het op uw hand. Hoe klein is het en hoe onbetekenend is zijn gewicht. De Heer bracht geen lijst van voorschriften, geen inzettingen, geen wassingen, geen onthoudingen, geen spijswetten, geen sabatten, geen gewijde ambtsdragers met pronkerige gewaden, geen ernstige boetpredikaties, geen wijdlopende vermaningen, geen kloosterleven en geen gebouwen of kathedralen. Op welke wijze kon de mens zich dan trainen om geestelijk verder te komen? Hoe kon men tot God naderen zonder te vasten en zonder lange gebeden, zonder liturgiën en zonder opgeheven handen in een heilige tempel?

Hoe simpel was de prediking van een schuldvergiffenis zonder inspanning en offeranden, maar alleen gericht op het aanvaarden van het Lam Gods dat de zonde der wereld wegnam. Hoe druiste een rechtvaardiging zonder werken der wet, in, tegen het religieuze denken. Hoe weinig sprak zijn geestelijke toekomstverwachting een aards gericht volk aan. Wel een belofte van verlossing uit de handen van al hun vijanden en toch geen toezegging voor bevrijding van het gehate juk der politieke overheersers. Met Jezus Christus en zijn evangelie werd in Sion een steen des aanstoots gelegd en een rots der ergernis.

Zo nietig en onaanzienlijk was het begin van het rijk Gods op aarde, hoewel het toch eenmaal alle andere rijken overtreffen zal. Eerst klonk de stem van de roepende in de woestijn, van de voorloper Johannes de Doper. Daarna kwam Jezus van Nazareth, opgegroeid in het huis van een ambachtsman, die een twaalftal gewone burgers om Zich verzamelde. Hij werd een gekruisigde en was door ieder veracht en verlaten. Daarna verzamelde zich een klein kuddeke in de opperzaal. Welk een waarborg was er dat dit uitspruitende mosterdzaadje in de zienlijke wereld zou uitgroeien, zodat onder zijn schaduw genezing zou zijn voor alle volken en zijn takken ruimte zou bieden voor alle reine vogels uit de lucht?

(samengevat uit 'Het Koninkrijk der hemelen').

zie voor andere artikelen kvooverz