kvo 52e jaargang nummer 12 december 1988

J.E.v.d.Brink

EEN ZOON VAN GOD

Het is gewoonweg grandioos om als christen aangesproken te worden als 'zoon van God'. In Galaten 4:6 en 7 lees ik in de Leidse vertaling': `Omdat gij zonen zijt, heeft God de Geest van zijn Zoon uitgezonden in onze harten, de Geest die: Abba, Vader roept. Dus zijt gij niet meer slaaf, maar zoon; en indien zoon, dan erfgenaam van God'.

Door het levende en blijvende woord van God, dat eeuwig leven verwekt en onveranderlijk is, in geloof te aanvaarden, wordt ons denken vernieuwd en worden wij wedergeboren, dus kinderen van de goede God. Voortaan oriënteren wij ons niet meer op de aarde maar op de hemelse gewesten, want daar heeft onze Vader ons `mede een plaats gegeven in Christus'.

Bij de schepping werd Adam gevormd uit de elementen der aarde; daarna blies God de ménselijke geest in hem, waardoor hij in de zichtbare wereld als "zoon van God" kon functioneren met kwaliteiten die ver uitgingen boven die van de levensgeest der dieren. Bij de herschepping ontvangen wij bovendien de góddelijke geest, waardoor wij in de onzichtbare wereld als zonen Gods kunnen arbeiden met de begaafdheden der godheid. De geest van de Christen is dan verbonden met de Geest van God en krijgt zo `deel aan de goddelijke natuur'. De Heilige Geest schrijft de wetten van het hemelse Koninkrijk in onze harten en in ons verstand. Hij geeft ook de kracht waarmee wij de boze kunnen weerstaan, zodat wij waarlijk vrij worden.

In onze tekst wordt tot de ware christen gezegd: `Jij bent een zoon van God, een erfgenaam'. Jij bent geen slaaf meer van de wet en ook geen slaaf meer van de zonde. Als mondige zoon heb jij recht op de gehele erfenis, die door God aan onze geloofsvader Abraham werd beloofd. De Heilige Geest is daarvan het onderpand, dat God schenkt vanwege een eeuwigdurende, gelukkige verbintenis. Dit goddelijke zoonschap wijst op een persoonlijke rijkdom, op een meer dan overwinnaar zijn. Wie het aanvaardt, weet zich een uitverkoren christen, want onmondigheid verdwijnt voor de volwassenheid. De zoon heeft zijn plaats ingenomen in de hemel en wordt niet meer `door allerlei wind van leer heen en weer geslingerd'. Zijn gezindheid is niet vleselijk, maar hij denkt en handelt vanuit zijn hoge positie.

In ons roept de Geest:`Abba, Vader'. Het Griekse woord 'pater', vader, is de vertaling van het Aramese 'abba', dat de lezers van Paulus brieven niet kenden. 'Abba' is een woord dat Jezus vele malen in zijn moedertaal, het Aramees, heeft gebruikt. Volgens woordgeleerden kan het weergegeven worden door 'mijn Vader', waardoor de algemene term 'onze Vader' meer persoonlijk overkomt en een sterke gevoelswaarde krijgt. Ook nu nog mogen 'de zonen Gods' in hun liederen en gebeden met dit Aramese woord hun intieme relatie met de Vader uitdrukken, zoals Jezus dit ook deed.Paulus spreekt hier zelfs enkelvoudig: `Indien gij zoon zijt, dan zijt gij erfgenaam door toedoen van God' en uit louter genade. Hij legt ons wel een unieke belijdenis op de lippen, want zeg het nu maar eens hardop: `Ik ben een zoon van God'. Het zal u goed doen. U behoeft dus niet langer te belijden: `Ik ben een groot zondaar voor God en ook nog gedoemd dit tot mijn dood toe te blijven'. Hiermee onderstreept u dat de duivel uw vader is en u zijn begeerte volbrengt. Indien u zo'n negatieve slogan gelooft, doet u dit tot bevestiging van eigen ongerechtigheid. Indien u dit voortduren met u mond uitspreekt, getuigt u tot eigen verderf. In de worsteling tegen de boze geesten zullen wij ons moeten verheffen om des levens wil. Wij ontzeggen daarom de door God verworpen demonen het recht de heerlijke naam van 'zonen Gods' te dragen. In geloof eisen wij deze eretitel voor onszelf op. `Met het hart geloven wij dan tot gerechtigheid en met de mond belijden wij dan tot behoud'. Wie gelooft dat hij een rechtvaardige is, zal ook als zodanig herkenbaar worden. Wie gelooft dat hij een zoon van God is, zal als zodanig geopenbaard worden. Een rechtvaardige zoon van God lééft uit dit geloof en sleept niet langer een wankelmoedig en onzeker bestaan voort.

Het epithon-ornans (versierende uitdrukking), goddelijke zoon en erfgenaam, schenkt autoriteit en kracht om tijdens een niet aflatende strijd, door toedoen van de God des vredes, de satan weldra onder onze voeten te vertreden. In de oorlog bij Armagedon schreeuwen de tegenstanders onder leiding van de antichrist: `Laat ons de erfgenamen doden, opdat de erfenis aan ons komt'. In deze beslissende slag zal echter blijken, dat Christus eenmaal is gestorven `om vele zonen tot heerlijkheid te brengen'. Want waarlijk, God neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het geestelijk zaad van Abraham aan!

zie voor andere artikelen kvooverz