kvo 52e jaargang nr.10 oktober 1988

J.E.v.d.Brink

brieven van lezers

E R F Z O N D E ?

Broeder G.G. te Zeist schreef mij het volgende: 'De begrippen erfzonde, erfschuld en erfsmet bestrijdt u te vuur en te zwaard. Nu las ik vandaag Psalm 51:7. Dit vers gaf mij geen moeite. Er was iets met Davids persoonlijke afkomst niet in orde en het is onzin om dit op ieder mens te laten slaan. Alleen zou ik wel wensen, dat u die teksten over Davids afstamming nog eens gaf. Toen echter bladerde ik door naar Psalm 58:4 en begon onrustig op mijn stoel heen en weer te schuiven. Want daar stond het toch maar:"De goddelozen zijn van de geboorte aan afvallig" en misschien nog scherper "de leugensprekers dwalen van de moederschoot aan". Dus niet zoals in Genesis 8:21: "..van zijn jeugd aan", maar werkelijk onontkoombaar. 't Zat er al in bij de geboorte, ja zelfs al in de baarmoeder zijnde.

Nu zijn de drie begrippen: erfzonde, erfschuld en erfsmet mij ook niet aangenaam; ik kán er echt niets mee, maar Psalm 58:4 zit me dwars. Kunt u hierover eens iets zeggen of schrijven?'

Antwoord. In Psalm 58 stelt David aan bepaalde raadsheren of rechters de beschuldigende vraag, of zij wel recht spreken. Men kan in dit verband denken aan koning Saul, die door een boze geest gedreven, met zijn krijgsraad de gezalfde des Heren, David, wilde doden. Anderen denken aan de paleisrevolutie van Absalom, die met zijn aanhangers aan de kant van de weg naar de poort van het paleis, zijn vader David verdacht maakte vanwege diens rechterlijke beslissingen en ieder naar de mond praatte om zo de volksgunst te winnen (2 Sam.15:2/4). Bovendien kan deze psalm nog in messiaans licht gezien worden. We denken hierbij aan de rechtsverkrachting door het sanhedrin, toen men in het paleis van Kajafas de volmaakte mens Jezus schuldig verklaarde.

David noemt de rechters 'goden' (Elohin), want hij en later ook Jezus ervoeren de demonische haat van de 'wereldbeheersers dezer duisternis', met wie deze rechters geïdentificeerd werden. Ook van het sanhedrin gold, dat zijn leden 'de duivel tot vader' of inspirator hadden, en zij niet 'in de waarheid stonden' (Joh.8:44). In Psalm 58 zijn dus de aardse rechters werktuigen van boze geesten. Vergelijk deze psalm eens met Psalm 82, waar God staat in een vergadering der goden. Zo trad in de geschiedenis van Achab te midden der goden een leugengeest op om de valse profeten te misleiden, en zo Achabs ondergang te bewerken (1 Kon.22:19). Ook in Job 1:6 en 2:1 is sprake van zo'n bijeenkomst der goden.

Wanneer gezegd wordt: 'De goddelozen zijn van de geboorte aan afvallig, de leugensprekers dwalen van de moederschoot aan', slaat dit op de radikale verdorvenheid der goddeloze rechters, die in verbinding stonden met het rijk der duisternis. Het kwaad zat dus bij hen zeer diep. 'Hun venijn is gelijk het venijn van een slang' (vs.5). Jezus sprak over 'slangen en adderengebroed', zij waren 'als dove adders die niet reageerden op de stem van de bezweerder' (vs.6). De rechters waren 'eensgeestes' met het rijk van de satan (vgl.1 Kor. 6:17). Wij begrijpen dan ook de vloekformule: 'O, God verbrijzel hun tanden in hun mond, sla de hoektanden der jonge leeuwen uit, Here'(vs.7).

'De dichter doet geen dogmatische uitspraken', schrijft de orthodoxe 'Korte Verklaring'. Met de leer der erfzonde heeft dus deze psalm niets te maken. De Joden zijn immers geen erfzondeleer 'rijk'. Zonde is bij hen steeds verbonden aan een aktieve daad en niet aan een passieve toerekening. Het woordje 'afvallig' wijst erop, dat men met iets goeds verbonden was. Men heeft echter dit goede beginsel losgelaten en werd een af-vallige. Hoe kan een kind in de baarmoeder dwalen, als het nog geen weg kan inslaan?

Bij zijn geboorte komt een kind in het domein van de 'overste van de macht der lucht'. De lucht is hier een beeld van de onzienlijke wereld die bij de mensheid hoort. Dit kind haalt de bedorven 'lucht' naar binnen. Het komt dus in aanraking met de boze geesten. De mens is niet 'dood' vanwege erfzonde, maar 'door zijn overtredingen en zonden, waarin hij wandelt' (Ef.2:1,2).

Het dogma der erfzonde is gebaseerd op schromelijke willekeur. Het dringt iemand schuld op, waarvoor hij niet aansprakelijk is. Het is een overtreding van de elementaire wetsregel, dat men iemand geen kwaad mag aanwrijven, dat hij niet gedaan heeft, of dat iemand zonde moet belijden die hij nooit bedreven heeft.

In mijn boekje over de 'erfzonde' schreef ik over de grote aanklacht uit Psalm 51:7 een heel hoofdstuk. Dit boekje is nog steeds verkrijgbaar. (opm.april 1994)

zie voor andere artikelen kvooverz