kvo 52e jaargang nummer 1 januari 1988

J.E.v.d.Brink

A D I A F O R A

'laat dan niemand u blijven oordelen...'

Adiafora, een duur woord, maar in de kerkgeschiedenis duidt het op een veel voorkomend verschijnsel. Het betekent: onverschillige dingen, die op zichzelf noch goed noch kwaad zijn. Adiafora zijn zaken die geen aanleiding behoeven te geven tot geloofsverschillen. Ieder moet voor eigen besef ten volle overtuigd zijn bepaalde voorschriften al of niet te onderhouden. Zo schrijft de apostel: 'Die de dag waarneemt, die neemt hem waar de Here; en die de dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar de Here' (Rom.14:6 St.vert.). 'Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is' (Kol.2:16). Zelfs wat de uitwendige besnijdenis betreft, wordt opgemerkt: ' Want besneden zijn of niet besneden zijn, betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is' (Gal.6:15). Bij de adiafora gaat het steeds om dingen in de zichtbare wereld, die de ene christen meent te moeten waarnemen, terwijl de andere christen er niet de minste waarde aan hecht.

============================================================

Voorbeelden uit de kerkgeschiedenis

Een nieuwe gewoonte, een andere wijze van zingen, een moderne kledij of een gewijzigd ritueel worden door velen van het kerkvolk gezien als een aanslag op de zuiverheid van het geloof. Formuleringen en symbolen hebben bij hen een magische klank en zouden alleen de juiste uitwerking hebben, indien men zich strikt houdt aan de letterlijke en uiterlijke vorm. Wanneer ik ooit het woord erfzonde gebruiken zou, zou dit in verband staan met de traditie. Vanwege haar voorschriften, gebruiken, ceremoniën en liturgiën houdt ze de mens bezig buiten het onzichtbaar rijk van God. Omdat het denken hierbij achterwaarts gericht is, sluit men zich af van iedere vernieuwende gedachte, die de Heilige Geest op bepaalde tijden schenkt. 'Want niemand, die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk Gods'.

Na het apocalyptische jaar 1666, dat van de 'antichrist', dateren in Rusland voor het eerst de verhalen over spontane brandstapelbeklimming, met het gevolg dat binnen vijfentwintig jaar ongeveer twintigduizend personen vrijwillig door het vuur omkwamen. Deze afgrijselijke dood onderging men vanwege de nieuwe manier waarop men het kruisteken moest slaan. Er werd toen voorgeschreven, dat het kruisteken voortaan met drie vingers moest worden gemaakt in plaats van met twee. Drie was immers het getal van de drieënige God. Het 'halleluja' zou om dezelfde reden drie in plaats van tweemaal worden uitgesproken. Op de houtmijt staken de martelaars echter ostentatief twee vingers omhoog en eindigden zij hun leven met twee halleluja's.

Hendrik de Cock, hervormd predikant te Ulrum en vader der 'afscheiding', gaf in 1834 een boekje uit van Jacobus Klok, verver en koopman te Delfzijl. Zelf schreef hij er een voorrede in. In dit geschrift werd het zingen van gezangen verklaard voor 'strijdig met Gods woord' en 'een getier, dat na te laten het beste, en Gode welbehaaglijk zoude zijn'. De gezangen in de Hervormde Kerk, welke het niveau hadden van die uit de bundel van Johannes de Heer, werden uitgemaakt voor 'een geheel van sirenische (verleidelijke) minneliederen, om de gereformeerden al zingende van hun geloof af te helpen en een valse leugenleer in te voeren'. Later werden de predikanten in de Hervormde Kerk ten opzichte van hun rechtzinnigheid beoordeeld naar het aantal door hen opgegeven psalmen en gezangen. Liederen zoals: 'De Heer is mijn Herder' en het 'zondagslied': 'Wees gegroet, gij eersteling der dagen, morgen der verrijzenis', werden wél door de orthodoxen thuis bij het harmonium gezongen.

Herinneringen

Mijn zuster, die meer dan tachtig jaar oud is, vertelde mij onlangs een jeugdervaring, die haar altijd is bijgebleven. Op een zondagmiddag gaf haar toekomstige schoonzuster te kennen, dat zij trek had in iets lekkers en of mijn zuster een winkel wist die open was. Toen mijn zuster even later bij een delicatessenzaak stond, werd plotseling boven haar hoofd het raam opgeschoven. Een vrouw, die in het spionnetje haar had zien aankomen, boog zich voorover en riep op plechtige toon: 'Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt'. De tiener verdween evenwel in de winkel en kocht de begeerde lekkernijen. Dit muisje had echter een staartje. De kerkeraad werd van het euvel op de hoogte gebracht en via de dominee werd vader ingelicht, die zijn dochter vermanen moest. 'Je raadt nooit hoe vader, die een oprecht christen was, op mijn misstap reageerde. Hij zei enkel: 'Ik begrijp niet waarover men zich zo druk maakt'.' Dezelfde Dordtse predikant voer op zondagmiddag wel met de veerboot over de Merwede om in Papendrecht te preken. Op de catechisatie vroegen wij of dit wel door de beugel kon. Hij verontschuldigde zich met de opmerking, dat een pont eigenlijk een drijvende brug is. Het woord 'pont' is echter niet afgeleid van het Franse 'pont' dat brug betekent, maar van het Latijnse 'ponto', een platboomd vaartuig. Fons Jansen illustreerde enige tijd geleden in het weekblad 'Hervormd Nederland' eenzelfde omstreden voorschrift met het doordenkertje: 'Mogen gereformeerden op zondag hun huis schilderen? Ja, maar alleen op afstand'. Niet met de kwast maar wel met het penseel!

Toen ik later op zondag van de trein gebruik maakte, dacht ik wel eens aan de bekende plaat van 'De breede en de enge weg'. Op de brede ziet men dan een 'zondagstrein' door het vierde gebod stomen met als eindpunt een vlammende vuurzee. De banbliksems op de plaat worden vergezeld door tal van teksten, waaronder die uit Matteüs 25:41: 'Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is'. Deze uitspraak van Jezus heeft echter niets te maken met zondagsheiliging, maar met het feit of wij barmhartig zijn. De prijs van dit treinkaartje was dus wel buitensporig hoog! Levende vanuit de wet der vrijheid zou ik toch de zondagsrust niet willen missen, want zij geeft gelegenheid dat wij die dag allen bijeen kunnen komen om Hem groot te maken, die gezegd heeft: 'Komt tot Mij, allen die vermoeid en beladen zijt, en ik zal u de (ware) rust geven'.

Onze adiafora

In onze volle-evangeliekringen waar slechts enkele nuances in leeropvattingen voorkomen, zijn in de marge van de beleving wel verschillen op te merken. Op welke wijze uiten wij onze lofprijs en aanbidding? Klappen wij allen in de handen, applaudisseren wij bij een getuigenis zoals dit ook de eerste christenen deden, gaan wij staan; blijven wij zitten of knielen wij, zoals Paulus dit deed met de broeders en zusters en hun kinderen op het strand te Tyrus? Steken wij één hand omhoog of is 'onze bee met opgeheven handen'? Hebben wij er problemen mee , indien broeders of zusters op het ritme van de muziek van vreugde opspringen. De Oude Statenvertaling spreekt in Psalm 68:4 over 'van vreugde opspringen voor Gods aangezicht'. Dit is de expressie van 'het vrome volk' dat zich op de weg des levens wil verheffen. Paulus wekt in zijn brief aan de Efeziërs de gemeente op: 'Zingt en jubelt de Here van hárte', zoals ook in de tempeldienst van het oude verbond het voorschrift was. Of dit vreugdebetoon begeleidt wordt met citer, harp, cimbaal, fluit, accordeon, gitaar, blaasinstrument, rinkelbom, piano, orgel, synthesizer, of daaraan deel genomen wordt met handen en voeten, behoort tot de adiafora, waar helaas in vroeger dagen en ook nu nog veel gekrakeel over was en is. Men moet iemand bij het doen of laten van deze bijkomstigheden niet veroordelen of verwerpen. Wij richten immers al onze aandacht op de aanbidding van onze Here Jezus, en kijken daarbij niet goed- of afkeurend rond om te zien hoe een broeder of zuster zich gedraagt. Een ieder zij in zijn geweten ten volle overtuigd, dat hij goed doet. De apostel zegt: 'Wie zijt gij, dat gij uw broeder om zulke dingen veroordeelt? of ook gij, wat veracht gij uw broeder?' Men moet zichzelf wél beoordelen, dat men dingen bedenkt, die beminnelijk, lieflijk en welluidend zijn (Rom.14:10, Filip.4:8).

In de Filadelfia-gemeente in Stockholm hoorde ik eens een schare van zevenduizend mensen samen in tongen bidden en zingen. Al deze bidders en zangers hadden controle over zichzelf en de voorganger had controle over het geheel. Na een enkel gebaar van de zangleiding was alles weer stil. 'De geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen', schreef Paulus. Ook betuigde hij: 'Alles is het uwe' en 'alle dingen zijn mij geoorloofd', maar ze moeten wel stichtend zijn en tot opbouw dienen. De hoorbare en zichtbare uitingen van het geloofsleven staan niet in het teken van verbod maar van het vermogen. Een ieder moet daarbij voor zijn geweten ten volle overtuigd zijn. 'Wij geven in geen enkel opzicht enige aanstoot, opdat onze bediening niet gesmaad wordt'. Wij zingen: 'Laat ons blij zijn en vreugde bedrijven', maar dit bedrijven wordt afgeremd indien wij naar de broeder kijken die zijn ziel kwelt. Wij mogen daarbij wel bedenken dat Jezus ook dikwijls aanstoot gaf, want 'zijn nabestaanden gingen heen om Hem te halen, want zij zeiden: Hij is niet bij zinnen' (Marc. 3:21). Vanaf de eerste samenkomsten in de Asuzastreet te Los Angeles heeft de pinksterbeweging aanstoot gegeven vanwege haar uitbundig enthousiasme.

Enige tijd geleden hoorde ik aan het einde van het lied: 'Door mijn God zal 'k strijdend voorwaarts gaan' na de laatste regel 'Christus heerst', onverwacht de uitroep 'hoi' klinken. Mijn eerste reactie op dit tussenwerpsel was: wat banaal om met zo'n familiaire groet te eindigen. Onlangs bevond ik mij echter in een samenkomst in Canada en daar hoorde ik warempel opnieuw achter een lied het woordje 'hoy'. Geen hand ging omhoog en geen accent werd erop gelegd. Thuisgekomen zocht ik in de 'Oxford Dictionary' het woord 'hoy' op. Ik las ondermeer dat dit 'hoy' in zwang is bij de scheepvaart. Een 'hoy' is een (welkomst)groet naar boven, hemelwaarts (aloft), bijvoorbeeld naar de man in het kraaienest, de uitkijkpost hoog in de mast. In het woordenboek van 'Van Dale' staat bij 'ahoi' of 'ehoi': 'Engels ahoy, toeroep waarmee men een schip paait' (aanroept). In mijn jeugd zongen we: 'Voor stormen en onweer zijn we niet bang. Ver over het water klinkt ons gezang. Schip ahoy'. In onze grote zeehaven zijn de Ahoy-hallen en zijn er ahoy-clubs. Een 'hoy is dus voor ons een 'shout' hemelwaarts. Geen wonder dat christenen deze juichkreet in hun liederen hebben overgenomen om de komende Heerser te verwelkomen. Het is dan wel zaak dat zij de inhoud van dit woord verstaan, teneinde niet bij de aarde maar bij de hemel bepaald te worden.

Het is goed, wanneer bij het beleven van ons geloof iets nieuws op ons afkomt, te overleggen of het gaat over iets dat geboden of verboden is, of dat het slechts adiafora betreft. Toen ik in 1934 met de pinksterbeweging in aanraking kwam, hoorde ik in Amsterdam menigmaal in nieuwe tongen de Here grootmaken. Men deed dit niet op bestaande melodieën, maar op een wijs die rechtstreeks door de Geest werd geïnspireerd. Meestal begon één persoon - dikwijls de voorganger-pionier P.Klaver - en dan volgde al spoedig een heel koor dat op dezelfde accoorden meezong. Vooral als de Duitse broeders en zusters uit Mühlheim en Velbert te gast waren, werd het een heerlijk muziekfestijn. Later kwam het zingen in tongen op bepaalde melodieën uit de diverse zangbundels in zwang. Deze nieuwe manier van zingen werd over het algemeen door hen, die het oorspronkelijke zingen praktizeerden, verworpen. 'Men werd dan immers niet rechtstreeks door de Geest gedreven', vertelde mij onlangs de bejaarde, onvergetelijke zangleider W. de Vries uit Amsterdam. Nu is echter de oude manier van zingen in tongen weer in onze gemeenten teruggekomen. Toen ik dit na vijftig jaar weer hoorde, kwam het mij natuurlijk bekend voor. Anders verging het een zuster, die slechts het zingen in tongen op bekende melodieën gewend was. Haar oordeel luidde: het gaat allemaal door elkaar en het is niet van de Heilige Geest. Toevallig hoorde ik verleden jaar in 'Ronduit Praise' van de E.O. een halleluja koor, waar men eindigde met in nieuwe tongen spontaan op de oude manier te zingen. Het was als een stem van vele wateren.

Met de manier van het zingen in tongen komen we dus op het terrein van de adiafora. Het spontane zingen zonder bekende melodie vereist wel een geoefend oor, maar blijkt toch geen onoverkomelijk bezwaar op te leveren. De inhoud van een bepaald geesteslied wordt evenwel ook weergegeven door het zingen op een bekende wijs, zonder de inhoud geweld aan te doen. Men kan een lied als 'U zij de glorie' toch in het Frans, Duits, Engels, Nederlands en ook gemakkelijk in nieuwe tongen zingen, terwijl de inhoud hetzelfde blijft.

Wij moeten ons ervoor hoeden om het al of niet aanvaarden van deze adiafora te verbinden met meer of mindere zuiverheid in leer. Men meent dan sterker te staan, maar stelt zich wel open voor een geest, die erop uit is scheuringen teweeg te brengen onder broeders, die allen op het fundament hun gemeente trachten te bouwen. De apostel schreef: ' Waar de Geest des Heren is, is vrijheid'.

zie voor andere artikelen kvooverz