kvo 51e jaargang nummer 11 november 1987

J.E.v.d.Brink

De BESNIJDENIS van CHRISTUS

De natuurlijke besnijdenis

Er zijn twee opvallende religieuze kenmerken, die in het Nieuwe Testament het orthodoxe, joodse leven beheersten, namelijk het houden van de sabbat en het voorschrift van de besnijdenis. Jezus deed vele goede werken, maar Hij kon de toets der rechtzinnigen niet doorstaan, want hun oordeel luidde: 'Deze mens komt niet van God, want Hij houdt de sabbat niet' (Joh.9:16). In Johannes 7:14-24 wijst Jezus tijdens een felle discussie de joden erop, dat ook zij de sabbat schonden, omdat zij zo nodig jongetjes besneden. Wanneer een kind op sabbat geboren was, voltrok men zijn besnijdenis naar het voorschrift op de achtste dag, dus ook op de sabbat. Wanneer een vader oudtijds zijn zoon besneed, was dit een hele opgave voor hem, vooral als het zijn eerste zoon betrof. Tegenwoordig laat men dit werk liever over aan een arts of aan een 'moheel' een jood die daarvoor een speciale opleiding heeft ontvangen. Met de besnijdenis werd een kind opgenomen in het verbond en traden voor hem de talloze wetten en voorschriften in werking, die het joodse leven accentueren. In dit verband schreef de apostel: 'Wat mij echter betreft, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik, waarom wordt ik dan nog vervolgd?' (Gal. 5:11). De besnijdenis was de samenvattende uitdrukking geworden van het gehele wettische stelsel in leer- en levenspraktijk.

Gezien de waarde die de orthodoxie aan de besnijdenis hechtte, is het opmerkelijk dat Mozes slechts eenmaal de natuurlijke besnijdenis in de wet noemt en wel in Leviticus 12:3. Jezus wees hierop, toen Hij in zijn twistgesprek opmerkte: 'Mozes heeft u de besnijdenis gegeven - niet, dat zij van Mozes komt, maar van de vaderen - en gij besnijdt een mens op de sabbat' (Joh.7:22). De vaderen onder wie Abraham, ontvingen de goddelijke opdracht hun zonen op de achtste dag te besnijden, maar zij bezaten geen wet die hun verbood op sabbat enig werk te verrichten (Gen.17:12). Ook voor Mozes was het probleem van een besnijdenis op sabbat niet relevant, want 'al het volk dat geboren was in de woestijn onderweg na de uittocht uit Egypte, had men niet besneden (Joz.5:5). Het is verder merkwaardig dat op die ene plaats in Leviticus 12:1-8 de besnijdenis slechts terloops wordt genoemd. Het gaat daar over de reiniging der vrouw na de geboorte van een kind. Er staat: 'Wanneer een vrouw moeder wordt en een kind van het mannelijk geslacht baart, zal zij zeven dagen onrein zijn, als in de tijd van haar maandelijkse afzondering zal zij onrein zijn. En op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden. Drie en dertig dagen zal zij blijven in het reinigingsbloed'. De moeder is dus veertig dagen - ongeveer zes weken - kraamvrouw. In de eerste zeven dagen werd echter ieder die haar aanraakte cultisch onrein. De baby was dit uiteraard ook en mocht dus in die tijd niet besneden worden. Op de achtste dag was het jongetje niet meer onrein en kon hij besneden worden. De overige drie en dertig dagen mocht de vrouw nog niet in het heiligdom binnengaan, maar wie haar aanraakte, werd niet onrein verklaard.

Mozes heeft in zijn wet de besnijdenis slechts eenmaal genoemd. In Exodus 4:24-26 lezen we zelfs dat hij in zijn eigen gezin nalatig was geweest om zijn zonen te besnijden. Blijkbaar met tegenzin heeft toen zijn vrouw deze handeling verricht. Het vieren van het Pascha, dat een gezinsfeest was, werd bij de uittocht in verband gebracht met de besnijdenis. Een onbesnedene mocht er niet van eten. In de woestijn kon echter het Pascha niet op de juiste wijze worden gevierd, omdat men daar veertig jaren op het manna aangewezen was en er geen sprake was van een oud zuurdeeg of van ongezuurd brood. Tijdens de woestijn reis was dus het volk Israël veertig jaren verstoken van de besnijdenis en van het Paasfeest.

De besnijdenis des harten

Heel duidelijk wees Mozes echter op de geestelijke besnijdenis, die van het hart. In Deuteronomium 10:16 en 30:6 sprak hij tot het volk: 'Besnijdt dan de voorhuid uws harten en weest niet meer hardnekkig'. Het volk moet 'gerechtigheid en recht doen', 'weduwen en wezen recht doen en de vreemdeling liefde bewijzen door hem brood en kleding te geven. Zij waren immers ook vreemdelingen geweest in Egypte'. 'De Here, uw God, zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de Here, uw God, liefhebt met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, opdat gij leeft'. Mozes voegt er nog aan toe: 'De Here is uw lof'.

De betekenis van de besnijdenis des harten komt overeen met die van het vasten. Jesaja sprak hiervan: 'Is dit niet het vasten dat Ik verkies: de boeien der goddeloosheid los te maken, de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken?' (Jes.58:6). Als christenen zijn wij navolgers van Jezus in diens gedachten en woorden. Van Hem had Mozes geprofeteerd: 'Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Here, uw God, u verwekken; naar Hem zult gij luisteren' (Deut.18:15).

Jezus wees de joden op hun inconsequente houding ten opzichte van de sabbat. Het sabbatsgebod staat immers in de decaloog (tien geboden) en er was niets dat bij de joden de heiligheid van deze wet evenaarde. Zij was immers door engelen in de handen van de middelaar Mozes gegeven. Toch lieten de joden het gebod aan Abraham die zonder wet leefde, prevaleren en besneden zij op sabbat een kind. Waarom viel men dan over het feit dat Jezus op een sabbat 'een gehele mens gezond gemaakt had'? Men maakte groot misbaar, omdat Hij op het vorige feest een man, die in Bethesda acht en dertig jaren verlamd had gelegen, op sabbat volledig zowel naar zijn natuurlijk als zijn geestelijk lichaam had genezen. Jezus had hem bevrijd van ziekte- en zondemachten. Daarom kon Hij tot hem zeggen: 'Zondig niet meer, opdat u niet iets ergers overkome' en de zondemacht, vergezeld van vele sterkere geesten, terugkeert (Joh. 5:14; Matt.12:45). Men heeft wel eens gemeend, dat de vleselijke besnijdenis een hygiënisch nut zou hebben, maar dan zou de mens niet 'zeer goed' zijn geschapen en zou dan al vroeg een ingreep nodig zijn. Deze bewering wordt terecht door de meeste uitleggers van de hand gewezen. Alleen de besnijdenis des harten waarvan Mozes sprak, maakt een mens gezond.

De algehele genezing van de chronische zieke in Bethesda was een gevolg van een geestelijke besnijdenis, van een handeling in de onzienlijke wereld. Bij de invalide man hadden zonde- en ziektemachten met hun onzichtbaar lichaam zich aan zijn geestelijk lichaam gehecht. Deze geesten hadden hun eigen zonde en ellende op hem gelegd. Jezus had het mes van zijn woord gebruikt, zoals er staat: 'Hij zond zijn woord en genas hen' (Ps.107:20). Hij dreef de geesten uit met zijn woord (Matt. 8:16). Zijn woord was als een levend en krachtig en scherp zwaard of mes geweest. Hij had het lichaam van de boze geesten gescheiden van de inwendige mens. Dit was 'de ware besnijdenis', waarbij iemand in het nieuwe verbond als wedergeboren mens zou kunnen functioneren. De apostel schreef later: 'Besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is' (Gal.6:15). De mens ervaart toch zijn bevrijding als een opluchting. Hij voelt zich een ander mens. Hiervan profeteerde Zacharias: 'Dat Hij ons zou geven, zonder vreze, uit de hand der vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen' (Luc.1:74 en 75). Wie bevrijd is, kan God loven en prijzen. Hij kan opspringen van vreugde evenals de verlamde bij de tempelpoort, van wie staat dat hij na zijn wonderbare genezing' met hen de tempel binnenging, lopende en springende en God lovende' (Hand.3:8). Springen en huppelen beelden uit dat de mens zich in de geestelijke wereld wil verheffen. De boze geesten remmen het vermogen om God te loven en te prijzen af en beletten de mens zijn hart te verheffen tot God. Op de hoge weg zijn echter de verlosten of besnedenen van hart, die vreugdevol voortwandelen.

Doop en besnijdenis

Paulus had een scherpe kijk op de woorden die Jezus tot de joden over de besnijdenis sprak. In Kolossenzen 2:11 schreef hij aan de gelovigen: 'In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus, daar gij met Hem begraven zijt in de doop'. Wij zouden zijn uitspraak met de woorden 'uit de zes vertalingen' kunnen omschrijven: in Hem zijnde, hebt gij een niet uitwendige besnijdenis ondergaan, die bestaat uit de verwijdering van het lichaam des vlezes, dat is de christelijke besnijdenis, want gij zijt met Hem begraven in de (water)doop.

De besnijdenis van Christus is niet de handeling die Hijzelf op de achtste dag onderging, maar zij ziet op zijn verlossend en bevrijdend werk bij het verwijderen van het onzichtbare lichaam der boze geesten, die zich aan de innerlijke mens hebben gehecht. De apostel spreekt hierover het lichaam des vlezes, dat is het lichaam van de demon die begeert in en door het vlees van de mens te leven, dat is functioneren en zich ontwikkelen.

Is nu de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen, zoals de Catechismus (zondag 27) en de Geloofsbelijdenis (art.34) leren? Het antwoord is, dat de natuurlijke besnijdenis een beeld is van de geestelijke. Een jongetje werd niet tijdens zijn geboorte besneden, maar later, op de achtste dag. De doop is het bad der wedergeboorte. Deze geboorte wordt later evenzo gevolgd door de geestelijke besnijdenis des harten. De doop is 'een bede van een goed geweten tot God', want de dopeling weet zich gereinigd van zijn zondeschuld (1 Petr.3:21). Dit sluit de kinderdoop uit. Het gebed richt zich op het verkrijgen van de verdere beloften: de volheid des Geestes en de verlossing uit de hand van al de vijanden, de boze geesten. Doop en besnijdenis zijn voor de 'kinderen' van God dus twee verschillende zaken.

Besnijdenis betekent verlossing

Zoals bij de natuurlijke besnijdenis de voorhuid weggeworpen werd, zo wordt bij de besnijdenis van Christus het onzichtbare lichaam van de boze geesten weggedaan. In Romeinen 7 vertelt de apostel over zijn leven onder de wet aan hen 'die de wet kennen', dus die zijn strijd konden begrijpen. Hij toont daar aan dat de wet hem niet tot een vrij mens had kunnen maken, hoewel hij het goede begeerde te doen. Hij eindigt zijn betoog dan met de uitroep: 'Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?' De 'King James-bijbel' heeft 'van het lichaam dezes doods' en de kantekenaren van de Statenvertaling wijzen erop, dat ook vertaald kan worden 'het lichaam des doods'. Wij lezen dan: wie zal mij verlossen van het lichaam des doods. De apostel zinspeelt op een oude gewoonte die bij tirannen in zwang was. Zij bonden een dood lichaam vast aan een levende man, die gedwongen werd dit dode lichaam zolang te torsen, totdat hij stierf aan de besmetting van het lijk, dat tot ontbinding overging (Dake's annoted reference Bible).

Wanneer zonde- en ziektemachten zich met de mens verbinden, voeren zij deze naar de dood. De boze geesten vormen de last, die de mens besmet, deformeert en naar de dood voert. De koning des doods wacht als een landman af, totdat de mens zijn rijk binnenkomt. Er is dan een bovennatuurlijke besnijdenis nodig om hem te scheiden van lichaam des doods en hem te verlossen. Het blijde antwoord op de trieste exclamatie van Saulus van Tarsus luidt: 'Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here', en wel door diens besnijdenis. De wet van de Geest des levens had Paulus vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods (Rom.8:2). Had Mozes niet gesproken: 'Opdat gij leeft'? Paulus behoefde niet meer te zondigen. Hij kon als 'meer dan overwinnaar' zeggen: 'Wat ik wens, het goede, dat doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik niet. Ik gelukkig mens!'

Toch beweerde de apostel niet, dat bij hem alles volkomen rond lag. Hij jaagde er immers naar, of hij het grijpen mocht (Filip.3:12). Hij schreef ook: 'Maar ook wijzelf, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij ons zelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam' (Rom.8:23). De vertaling Brouwer heeft: 'Daar wij de eerstelingsgave des Geestes bezitten'. Op de pinksterdag was het spreken in tongen de eerste uiting van de Heilige Geest en zo is het nu nog bij vele wedergeboren christenen die de Heilige Geest ontvangen zoals in het begin. De verlossing kan pas ten volle gerealiseerd worden na de doop in de Heilige Geest. De verlossing van ons lichaam wijst op de bevrijding van ons geestelijk lichaam door de besnijdenis van Christus. Op de vraag hoe wij het zoonschap kunnen bereiken, is het antwoord: 'En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit (Rom.8: 26 en 27).

Vertrouw op de hulp en de kracht van de Heilige Geest. Bid daarbij dus ook veel in tongen. Laat de Heilige Geest op deze wijze voor je optreden met onuitsprekelijke verzuchtingen, die jezelf niet in staat bent te verwoorden. De Geest drukt zijn verlangen in je uit om in een gave, vrije christen, in een zoon Gods de grote werken Gods te openbaren. De rechtzinnige joden waren op Jezus verbitterd omdat Hij op sabbat een gehele mens gezond had gemaakt. Onze Heer is nu in de hemel en Hij is dezelfde als toen. Worden wij geïrriteerd als Hij ook nu ons geheel gezond wil maken? Waarom wijzen dan zovele christenen deze boodschap van een algeheel herstel door Jezus Christus van de hand, terwijl zij toch zeggen in de ganse Schrift te geloven? Waar wij in onze tijd de late regen ontvangen en kennis kregen in de leer van het Koninkrijk der hemelen, bereiden wij ons voor op het tijdperk van de wederkomst des Heren. Aan ons wordt vervuld: ' Moge de God van vrede zelf u heiligen heel en al; uw geest, uw ziel en uw lichaam blijve ongerept bewaard en onberispelijk tot de komst van Jezus Christus, onze Heer. Hij die u roept, is ook getrouw; Hij zal het ook ten uitvoer brengen' (1 Tess.5:23 en 24 Can.vert.) De ware besnijdenis voegt ons bij het geestelijk Israël en maakt ons tot een apart volk in de hemelse gewesten.

zie voor andere artikelen kvooverz