kvo 51e jaargang nummer 7/8 juli/augustus 1987

J.E.v.d.Brink

NATUURLIJK OF GEESTELIJK

Vergeestelijken

De gebeurtenissen met het volk Israël zijn ons ten voorbeeld. Het zijn schaduwen van de werkelijkheid. Ze laten in de zichtbare wereld iets van de geestelijke wereld zien.

We behoren het geschrevene in het Oude Testament wel letterlijk op te nemen. Maar het dan wel te situeren in de geestelijke en niet in de natuurlijke wereld.

Vergeestelijken is niet iets ontoelaatbaars, maar juist noodzakelijk om de Schrift te begrijpen.

Zo gaat het in onze tijd niet om een aardse tempel, maar om een hemelse, een geestelijk huis Gods. Niet om een aardse hogepriester, maar om een hemelse.

Wie meent dat ooit in het aardse Jeruzalem een stenen tempel zal verrijzen, waarin Jahweh gediend zal worden door middel van offeranden, doet daarmee de persoon van onze Here Jezus Christus te kort. Deze was, wat het vlees betreft, immers uit de stam Juda. Hij zou dan zelfs geen hogepriester mogen zijn in zijn eigen tempel, waar dit voorrecht volgens de wet alleen aan de stam van Levi was voorbehouden (Hebr.7:13).

Wanneer er nog Joden waren die offers in de tempel brachten, of die deelnamen aan de ceremoniën, riten of andere voorschriften van het oude verbond, waren zij uitgesloten van de zegeningen van het nieuwe verbond. Men kan namelijk niet in twee verbonden tegelijkertijd leven. Immers, 'wij hebben een altaar, waarvan zij, die de dienst voor de tabernakel verrichten niet mogen eten' (Hebr.13:10). De stam van Levi heeft daarom zijn betekenis als priesterstam verloren.

Tot de gelovigen van het nieuwe verbond wordt gezegd: 'Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom' (1 Petr. 2:9).

In Hosea 1 vers 11 en 12 wordt van Israël en Juda gesproken: als zij zich weer samenvoegen en één worden, zal de zegen terugkeren. Israël heet dan Ammi en Ruchama, mijn volk en Ik-zal-Mij-ontfermen.

Wanneer Paulus deze teksten aanhaalt, gaat het bij hem niet over het natuurlijke volk Israël, maar hij past ze toe op de eenwording van de gemeente van Jezus Christus. Jood en heiden scharen zich achter de Zoon van het huis van David. Paulus' toepassing van deze profetie uit het Oude Testament luidt: 'En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, gelijk Hij ook bij Hosea zegt: 'Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde' (Rom.9:24,25).

Een van de bekendste bijbelgedeelten die betrekking hebben op 'al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna' is wel Psalm 22. Reeds bij de aanvang lezen wij dat de Heer uitroept: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?' Ook de verdere verzen hebben betrekking op zijn kruisdood. Totdat met vers 23 de wending komt, wanneer gezegd wordt dat de verhoogde Heer in het midden van de gemeente God lofzingt vanwege de heerlijkheid die deze gegeven heeft aan zijn Zoon en aan allen die Jezus toebehoren.

De 'stieren, buffels, leeuw, hond en woudossen', genoemd in de verzen 13, 14, 17, 21 en 22 moeten alle in de geestelijke wereld worden gezocht: zij zijn beelden van boze geesten en van doodsmachten, die Jezus aanvielen tijdens 'de ure der duisternis'.

Ook de 'broeders' uit vers 23 worden niet natuurlijk, maar geestelijk bedoeld. Zij zijn de zonen Gods van de nieuwtestamentische gemeente, die door Christus geheiligd worden en daarom een geestelijke eenheid met Hem vormen (Hebr.2:11,12).

In Psalm 58 zegt David van zijn vijanden ondermeer: 'O, God, verbrijzel hun tanden in hun mond, sla de hoektanden der jonge leeuwen uit, Here' en hij besluit deze wraakpsalm met de woorden : 'De rechtvaardige zal zich verheugen, wanneer hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze'.

Het is duidelijk dat deze uitspraken niet letterlijk genomen kunnen worden. Ze moeten geestelijk worden geïnterpreteerd.

Een letterlijke uitleg zou hier rechtstreeks tegen de woorden van de Heer zelf ingaan, die sprak: 'Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen' (Matt.5:44). Deze teksten moeten wij vergeestelijken! Wij mogen ons verheugen over de ondergang van de ware vijanden van God en van de mens: de boze geesten in de hemelse gewesten. Deze tegenstanders immers moeten wij haten

Wanneer in Psalm 137:9 aangaande de dochter van Babel gezegd wordt: 'Gelukkig hij, die uw kinderen zal grijpen en tegen de rots verpletteren', willen wij ook deze dingen ons niet indenken in de natuurlijke wereld.

De kinderen van Babel stoten zich aan de rots Jezus Christus, het Woord van God, en zullen daartegen geestelijk verpletterd worden (vergelijk ook Lucas 20:18). De ware gemeente zal evenwel tot het laatste ogenblik het eeuwige evangelie verkondigen, dat vergeving van zonden, genezing, bevrijding en heerlijkheid betekent voor een ieder die zich bekeert en 'zich behouden laat uit dit verkeerde geslacht' (Hand.2:40).

Letterlijk of geestelijk?

Soms wordt wel de vraag gesteld: 'Is het niet inconsequent dat men het ene gedeelte van een tekst of van een schriftgedeelte letterlijk neemt en het andere geestelijk?' Waarom is bijvoorbeeld de geboorte uit de maagd Maria een letterlijke vervulling van de profetie en waarom zou de troon van David waarvan Lucas 1:31-33 spreekt, geestelijk opgevat moeten worden? Is zulk een willekeurige vergeestelijking niet onschriftuurlijk en verwerpelijk?

Bij de beantwoording van deze vraag moet allereerst de tegenvraag gesteld worden: 'Wat verstaat men onder letterlijk en wat verstaat men onder geestelijk?' Is er wel een tegenstelling tussen deze begrippen?

Met 'letterlijk' bedoelen wij de rechtstreekse en feitelijke betekenis van een woord en niet de figuurlijke of de breedsprakige zin. Zo wordt het woord 'hoofd' letterlijk gebruikt wanneer gezegd wordt: 'Ook vlochten zij van doornen een kroon en zetten die op zijn hoofd', maar dit woord wordt figuurlijk gebruikt in de tekst: 'Het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God' (1 Kor.11:3).

Het begrip 'geestelijk' heeft te maken met de geestelijke of onzienlijke wereld. Het wil zeggen: niet zintuiglijk waarneembaar, maar wel reëel. De tegenstelling van 'geestelijk' is 'natuurlijk', dat is wel zintuiglijk waarneembaar. Tegenover 'letterlijk' staat dus 'figuurlijk' en tegenover 'natuurlijk' staat 'geestelijk'.

Een profetie kan letterlijk vervuld worden zowel in de natuurlijke wereld als in de geestelijke wereld. Er zijn geen 'letterlijke' en 'geestelijke' mensen, maar wel 'natuurlijke' en 'geestelijke' mensen. Zo is er ook letterlijk een 'natuurlijk' volk Israël, maar er is ook letterlijk een 'geestelijk' volk Israël.

'Letterlijk' kan dus zowel betrekking hebben op de natuurlijke als op de geestelijke wereld. Zo is het Woord van God letterlijk een zwaard: al kan er geen hand mee afgehakt worden, men kan er wel reëel en concreet een scheiding mee maken tussen het goede en het kwade in de onzienlijke wereld.

Zo is in het leven van de christen de besnijdenis des harten even reëel en letterlijk als die van het vlees voor het oude bondsvolk. Het hemelse Jeruzalem bestaat even letterlijk als het aardse. Onze hemelse Hogepriester in zijn hemelse tempel is even letterlijk als eenmaal de aardse hogepriester in het zichtbare huis Gods. Ja, alles wat zich in de aardse tempel bevond, was slechts een afbeelding van de hemelse realiteiten (Hebr.9:23).

Tegenover 'letterlijk' staat 'figuurlijk' en tegenover 'natuurlijk' staat 'geestelijk'

De troon van David

Moet men nu de troon van David even letterlijk nemen als de geboorte van Jezus? Wij antwoorden: het kerstgebeuren vond plaats in de zichtbare wereld. De troon van David die in Lucas 1:32 wordt bedoeld: 'De Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven' - behoort niet tot de zichtbare stoffelijke wereld (de letterlijke zetel natuurlijk wel). Ook koning Salomo wist dat het niet ging om een letterlijke reële koningszetel; hij ruimde hem op en liet een andere kostbare troon van ivoor vervaardigen, die een manifestatie moest zijn van zijn rijkdom en macht.

Wij zien dus dat wij de geboorte van Jezus letterlijk moeten nemen en de troon van David (in deze tekst) alleen figuurlijk, dus als beeld, omdat een materiële zetel van geen belang is. Deze troon stelt de autoriteit, de heerschappij, het gezag en het koningschap van David voor.

Wat zegt nu de Bijbel van deze troon? In 1 Kronieken 29:23 lezen we bij Salomo's troonsbestijging: 'En Salomo zette zich op de troon des Heren (Jahweh) als koning in plaats van zijn vader David'. De troon of het koningschap van David was dus een afbeelding op aarde van de troon of het koningschap van God in de hemel. Dit betekende dat David in de naam des Heren over diens volk regeerde. Hij schaduwde dus het theocratische koningschap af.

Toen het volk eenmaal om een koning vroeg, sprak de Heer tot de gekrenkte Samuël: 'Want niet u hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn' (1 Sam.8:7). De werkelijke regering over het volk Israël berustte bij God.

Heerschappij over Gods volk

Wanneer de engel aan Jezus de troon van zijn vader David belooft, wordt Hem dus in werkelijkheid de troon van God toegezegd, dat is de heerschappij over het volk van God.

Wanneer onze Heer uit de doden verrijst, wordt vervuld wat God onder ede aan David gezworen had, dat een vrucht uit diens lendenen op deze troon zou zitten (Hand.2;30,31). Een nakomeling van David zit op dit ogenblik en voor eeuwig op de troon van God, want Hij spreekt: 'Ik ben gezeten met mijn Vader op zijn troon' (Openb.3:21).

Na zijn opstanding zegt de Heer ook dat Hem alle macht is gegeven in hemel en op aarde. Bij zijn hemelvaart was het tijdstip gekomen dat Jezus deze heerschappij aanvaardde en Zich zette op de troon van zijn vader David, dat is op de troon van God. Jezus regeert vanaf zijn troon in de onzienlijke wereld, vanwaar altijd de heerschappij is uitgegaan over het volk van God.

Daarom staat er: 'Maar wij zien Jezus, ... met eer en heerlijkheid gekróónd' (Hebr.2:9).

In het oude verbond was de onzienlijke wereld een verborgen en afgesloten terrein. Voor vele christenen in onze tijd is dit nog zo. Zij noemen de profetieën alleen letterlijk vervuld, wanneer deze in de natuurlijke wereld gerealiseerd worden. Het woord 'vergeestelijken' gebruiken zij dan altijd in ongunstige zin. Wat in de onzienlijke, hemelse wereld gebeurt en vervuld wordt, blijft voor hen irreëel, onwerkelijk. Wij accepteren evenwel de verwerkelijking der profetieën in letterlijke zin, zowel in de natuurlijke als in de geestelijke wereld.

Nu moeten wij goed beseffen dat de heilsbeloften zowel die van het oude als van het nieuwe verbond, steeds betrekking hebben op Jezus Christus en op zijn volk. Immers, 'hoevele beloften er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen' (2 Kor.1:20). Bovendien staat er: 'Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven' (Rom.15:4).

Petrus getuigde dat de profeten spraken over de voor ons bestemde genade. De beloften van God gelden dus allereerst Jezus Christus en dan ook diegenen die 'in Christus' zijn, dat zijn allen die tot de ware gemeente behoren.

Na de hemelvaart van Jezus worden alle beloften, zovele er nog zijn, aan Hem vervuld in de hemelse gewesten en niet alleen aan Hem, maar ook aan allen die 'in Hem' zijn. Nu is aan de gemeente van het nieuwe verbond immers 'mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus (zijnde)' (Ef.2:6). 'Wij zijn overgeplaatst in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde' (Col.1:13). Zal God ons met Hem niet alle dingen schenken?' (Rom.8:32).

Is het wonder dat wij daarom van de profetieën nu de letterlijke en de geestelijke of hemelse vervulling verwachten?

Niet van deze wereld

Er zijn talrijke beelden waarin de verhouding van onze Heer tot zijn gemeente, uitgedrukt wordt. Zo is Hij het Hoofd van zijn Lichaam. Hij is de goede Herder en wij behoren tot zijn kudde. Hij is de ware wijnstok en wij zijn de ranken. Hij is de Hogepriester en wij zijn een priesterlijk volk. De Heer wordt vergeleken met een man en zijn gemeente met een vrouw, want 'die zich aan de Here hecht, is één geest met Hem' (1 Kor.6:17). Er staat: 'Want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is van zijn gemeente' (Ef.5:23).

Jezus kan ook de Koning der gemeente, het geestelijk Israël, worden genoemd. Dit wil zeggen dat Hij over zijn volk regeert. Dit is geen toekomstige zaak, maar er staat: 'Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde' (Col.1:13). Johannes schrijft: 'Hij heeft ons tot een Koninkrijk gemaakt' (Openb. 1:6).

Het Koninkrijk van Jezus is geestelijk en behoort tot de geestelijke wereld. Hij regeert over een geestelijk Israël, dus over een geestelijke broederschap.

Op aarde zijn zijn onderdanen vreemdelingen en bijwoners, en de geestelijke wereld is hun tehuis. Daar wandelen, leven, strijden en overwinnen zij. De moordenaar bad: 'Gedenk mijner, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt' (Luk.23:42). Paulus sprak over de aarde als van een verblijf 'ver van de Heer in de vreemde' (2 Kor. 5:6).

Er is een Koning en een Koninkrijk. Tot Pilatus sprak Jezus: 'Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier' (Joh.18:36).

Het woordje 'nu' is een aanduiding van de waarheid en werkelijkheid. Het Koninkrijk van Jezus was zuiver geestelijk, dus van een andere dimensie. Dit Koninkrijk wordt nimmer gevormd door een natuurlijk volk. Daarom weigerde de Heer, ondanks het aandringen van de schare, een natuurlijk koningschap over Israël te aanvaarden, zoals er staat: 'Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen' (Joh.6:15).

Het koningschap van Jezus is evenmin in de natuurlijke wereld als zijn priesterschap. Het komt immers overeen met dat van Melchizédek, want Hij is Hogepriester en Koning in het hemelse Jeruzalem. Zijn zalving was niet met natuurlijke olie waarmee men koningen en priesters zalfde, maar met de Heilige Geest (Hand.10:38). Zomin als het aardse priesterschap van Aäron kan terugkeren, zomin zal er een herstel zijn van het natuurlijke koningschap van David. Aäron en David behoorden beide tot een verouderd verbond van schaduwen.

Koning Jezus is nu bezig Zich een volk te vergaderen. Het is bekend dat het natuurlijk Israël weigerde Jezus als geestelijke Koning te erkennen. Daarom sprak de Heer: 'Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild'.

Dat het niet over een aards koningschap ging, blijkt uit zijn woorden: 'Zie, uw huis (tempel) wordt aan u overgelaten', of 'prijsgegeven' (vert.Brouwer) aan de machten der duisternis. De Canisius vertaling heeft: 'Zie, uw huis zal in puin blijven liggen'.

Wanneer een Jood Jezus aanneemt, wordt ook hij onderdaan van het geestelijke Koninkrijk. Dan zal ook hij Hem zien, zoals er staat: 'Want IK zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!' (Matt. 23:37-39).

Slechts dat overblijfsel van het volk Israël dat gedoopt zou en zal worden in de Heilige Geest, die in de naam des Heren kwam, wordt behouden. Dat ziet Hem immers met eer en heerlijkheid gekroond! Aan het kruis heeft Jezus Christus de zonde weggenomen van de gehele wereld, waaronder ook de schuld der Joden vanwege de verwerping. Ook de Jood die in Jezus gelooft, heeft de volle vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom, dat is het ware huis Gods (Hebr.10:19).

Jezus zoekt een geestelijk volk uit alle stammen en natiën en talen. In Mattheüs 21:43 staat: 'Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt'.

Jezus richt ons oog niet op het aardse Jeruzalem, noch naar enige andere heilige plaats, maar Hij sprak: 'De ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid' (Joh.4:23,24).

Jezus is de Koning der koningen en de Heer der heren. Hij regeert over een volk van koningen en van heren. In dit volk is geen onderscheid tussen Griek en Jood, besneden en onbesneden, barbaar of Scyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus (Col.3:11).

zie voor andere artikelen kvooverz