kvo 51e jaargang nummer 7/8 juli/aug 1987

J.E.v.d.Brink

V E R L O S S I N G

Het 'verdiende loon'

Iemand vertelde ons eens van een man, die in een uitbarsting van woede in zijn huis alles kort en klein sloeg en zelfs de kranen uit de muur rukte, zodat het water de kamers binnendrong als een zondvloed. Hij had dus een half uur lang effectief voor de boze als diens slaaf gewerkt. Zijn (verdiende) loon was, dat hij diep in de schuld kwam en dagen lang nodig had om alles weer te herstellen. Het is duidelijk dat de duivel erop staat de zondaar zijn loon uit te betalen. Dit loon der zonde wordt door de mens ervaren als straf. God erkent het recht van de boze om loon uit te keren aan zijn werknemers. In zijn grote liefde tot de mens leverde God evenwel zijn Zoon over om de straf voor ons te incasseren: 'De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem' (Jes. 53:5).

In dienst van de boze

Het nieuwe verbond is aangegaan met geestelijke mensen en de boze is onder hen bekend als de aanstichter van alle kwaad en ellende. Daarom schreef de apostel Paulus aangaande een notoire zondaar in de gemeente te Korinthe niet, dat men hem straffen moest, hem boete moest laten doen, maar dat men zich moest distantiëren van het kwaad. Had de man die met de vrouw van zijn vader leefde, schuld beleden en zich laten bevrijden, dan zou hij in de gemeente weer mogen blijven zonder verder enige straf te ondergaan. Daar hij zich niet bekeerde en zich niet liet bevrijden, moest men met de macht ook de man uit de gemeente wegdoen.

Op deze wijze werd hij overgeleverd aan de satan, die hem het volle loon der zonde zou uitbetalen. Misschien zou deze ellende hem nog tot inkeer brengen, opdat zijn ziel zou behouden worden. In de onzienlijke wereld wordt dus de straf voltrokken door de ontbindende machten aan wie men overgeleverd is.

Rechtvaardige vergelding

Elke zonde ontvangt rechtvaardige vergelding. Voor iedere ongehoorzaamheid wordt het loon uitbetaald (Hebr.2:2). God heeft evenwel zijn Zoon dit laten incasseren. Aan Hem werd de rekening van het ganse menselijke geslacht gepresenteerd. Daarom heeft de duivel geen recht meer om ons zijn doodsloon uit te betalen. Jezus heeft het loon der zonde op Zich genomen, 'opdat Hij door zijn dood, hem die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren' (Hebr.2:14).

Het offer

Ook bij het brengen van zijn offer, werd de offeraar bepaald bij het loon van de zonde. Hij had immers voor de boze gewerkt, want hij was op een bepaalde tijd een slaaf van de zonde geweest. Hij had zijn leden gesteld in dienst van de ongerechtigheid. De duivel had dus recht om het loon van de zonde, de dood, uit te keren. Gods gerechtigheid bestaat in de erkenning, dat de goede werken door Hem positief worden beloond. De duivel had dus een claim op een deel van het leven van de offeraar. Deze man of vrouw stond in zijn boeken genoteerd als werknemer, die recht had op een duivelse uitkering. De satan staat op zijn recht om ieder arbeidsprestatie die voor hem gedaan wordt, ten volle te honoreren. God erkent dit recht, want Hij is rechtvaardig. Hoe harder de zondaar voor zijn meester heeft gewerkt, hoe meer hij in diens greep geraakt. Het negatieve loon van de duivel betekent immers schuld, die de mens betalen moet ten koste van zijn leven, dus van zijn blijdschap, zijn vrede en zijn gerechtigheid. Op het leven van de wetsovertreder liggen de smetten en vlekken van het rijk der duisternis, de schaduw des doods!

Nu sprak God: neem een dier dat je toebehoort, slacht het en breng het als offer voor je zondeschuld. Met dit leven kun je tijdelijk het loon van de zonde compenseren, want het leven van het dier dat aan jouw toebehoort, wordt uitgestort in de dood en daarmee kun je je eigen natuurlijk leven, dat onder beslag van de boze ligt, vrijmaken.

Gods eigen offer

God zelf heeft geen behagen in slachtoffers. Hij heeft nooit gevraagd om brandoffer of zondoffer voor Zichzelf. De heidenen brengen offers aan hun goden om ze te vertederen of te vermurwen. Hun goden willen het kwade over de mens brengen en dit moet door het offer verhinderd worden. Deze machten zijn toornig op de mens en hun gramschap moet worden afgewend. Het offer, soms zelfs dat van een mens, moet de wraakgierigheid van de afgod stillen. Zo maakten de Baälspriesters 'zich naar hun gewoonte insnijdingen met zwaarden en speren, totdat zij dropen van het bloed' (1 Kon.18:28). De goden der heidenen willen bloed zien, maar onze God staat altijd gereed om het goede te schenken en Hij doet geen kwaad.

Het offer dat de Israëlieten moesten brengen, zag vooruit op het grote offer dat de Vader zelf zou brengen, toen Hij zijn Zoon overgaf, die sprak: 'Zie, ik kom; in de boekrol is over Mij geschreven; Ik heb lust om uw wil te doen, mijn God' (Ps.40:8). Let er op, dat niet de mens het offer bracht, maar God zelf. Wij hebben geen goden zoals de heidenen aan wie geofferd moest worden, maar onze God schonk zijn eniggeboren Zoon, die ten behoeve van ons vrijwillig de dood inging. Als Lam van God verzoende Hij onze schuld.

De verzoening

In zijn herstelplan was God van eeuwigheid reeds in de Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen (2 Kor.5:19). Paulus merkt hierbij op dat deze gedachte van herstel en vernieuwing in het hart van God werd geboren: 'Dit alles is uit God! Zo kan gezegd worden: 'Het Lam Gods is geslacht vanaf de grondlegging der wereld'. De mensheid is door Gods liefde uit de macht van de vijandschap gebracht. Zij is met God verzoend, ook al erkent zij dit niet. Als christenen geloven wij in deze verzoening. Wij aanvaarden dat God ons de zonde niet toerekent, nu niet en nimmer. De rekening werd immers aan Jezus gepresenteerd, niet door God maar door de duivel.

Het woord 'verzoening' (kattalagè) heeft de betekenis van verwisseling of ruil. Men zou het ook kunnen omschrijven met 'vervangingswaarde'. Zo kan men een geldsom betalen om iets anders ervoor in de plaats te krijgen. In Romeinen 11:15 noemt Paulus de verwerping van Israël de prijs, die betaald moest worden als vervangingswaarde om de heidenen tot het heil te brengen. In Romeinen 5:11 is de verwerping van de Zoon de ruil die gedaan werd om ons deel te laten krijgen aan het zoonschap. Israël werd dus verworpen in ruil voor de redding der volken en de Zoon van God werd verworpen in ruil voor de mensheid. Hier is dus sprake van een plaatsvervanging.

Voor ons tot zonde gemaakt

Paulus verduidelijkt een en ander in 2 Korinthiërs 5:21, waar hij schrijft: 'Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem'. Jezus nam dus voor ons het zondaar zijn over en wij verkregen van Hem de gerechtigheid die Hij bij God had. Hij werd tot zonde gemaakt en wij werden rechtvaardig. Hij droeg de schuld en wij ontvingen de vrijspraak.

Aan ons is nu het woord der verzoening toevertrouwd. Wij hebben als christenen een bediening der verzoening ( 2 Kor. 5:18,19). Wij presenteren met de evangelieverkondiging geen rekening aan de wereld en verkondigen geen 'hel en verdoemenis', maar wij zijn gezanten door God uitgezonden om heil te brengen. God bidt de wereld: pleeg geen verzet, laat je de verzoening welgevallen, want het is haast ongelooflijk, dat Hij die geen zonde gekend heeft, tot zonde voor ons is gemaakt. Zo'n boodschap kan alleen vanuit de kennis der onzienlijke wereld begrepen worden en alleen ontspruiten aan het denken van een God, die de mens alleen met het goede tegemoet komt.

Vergeving van zonden

Bij het avondmaal sprak Jezus over zijn bloed dat vergoten werd tot vergeving van zonden. Nu wordt bij het woordje 'vergeving' nooit gedacht aan betaling. Wanneer de Vader de verloren zoon aan het hart drukt, vergeeft hij deze, zonder dat er van betaling of van een losprijs bij een van beide partijen sprake is. Een kind krijgt vergeving van schuld door belijdenis van zijn kwaad. Vergeven betekent: voorbijzien, niet meer gedenken.

Wanneer in Mattheüs 26:28 bij het laatste avondmaal gewezen wordt op het bloed, dat diende tot vergeving van zonde, gebruikt de Heer een woord dat ook vertaald wordt door 'vrijmaking' of 'verlossing'. Wij vinden dit bijvoorbeeld in Lucas 4:19, waar sprake is van 'loslating' van gevangenen. Het bloed van Jezus was het betaalmiddel tot in vrijheidstelling der gevangenen van de duivel: 'Zonder bloedstorting is er geen vrijmaking van zonde' (Hebr.9:22 Amplified Bible). Wij zouden Kolossenzen 1:14 dan zo willen lezen: in wie wij de loskoping hebben, de vrijmaking uit de hand van de zondemachten.

Zo gaat het bij de viering van het avondmaal over de vrijkoping uit de macht van satan. Er staat immers van het Lam Gods geschreven: ' Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie' (Openb.5:9).

Vrijgekocht van de slavernij

God is rechtvaardig en Hij heeft niet zomaar uit de macht van satan teruggepakt. Hij erkende het recht van de boze om loon uit te betalen aan zijn dienstknechten. Jezus werd om onze zonden overgeleverd aan de boze machten en opgewekt uit de dood tot onze rechtvaardigheid (Rom.4:25). Jezus zelf sprak, dat Hij was gekomen om 'zijn leven te geven als losprijs voor velen' (Matt.20:28).

De 'Christelijke Encyclopedie' merkt bij het trefwoord 'genoegdoening' op: 'Of kunnen we zinvol de vraag stellen, aan wie Christus betaald heeft: aan de duivel (zo heeft de oudste christenheid vooral gemeend) of aan God (Augustinus, Anselmus van Canterbury en de gereformeerde theologen)?' Wij kiezen met ons hart en verstand de zijde van de eerste christenen. Wanneer van de dood van Christus gesproken wordt als van een 'losprijs', is dit beeld ontleend aan de slavenhandel. De gedachtengang is dan, dat deze slavenhouder de duivel is, en dat Jezus Christus ons vrijkocht door een koopsom te betalen aan degene die toen onze eigenaar was. Onze God is een goede God die geen koopsom vraagt, maar die zelfs zijn eigen zoon niet spaarde om ons in Hem alles te schenken.

zie voor andere artikelen kvooverz