kvo 51e jaargang nummer 6 juni 1987

J.E.v.d.Brink

A A R D S e n H E M E L S

J E R U Z A L E M

De tempel prijsgegeven

Aan het einde van het oude verbond en enkele dagen voor zijn heengaan wees Jezus erop, dat de dienst der schaduwen had opgehouden. Hij was gekomen om van de goddelijke waarheid te getuigen. Daartoe had Hij de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen geopenbaard. Hadden de joden zijn prediking aanvaard, dan zouden zij geestelijk ontwikkelde mensen zijn geworden. Dan hadden ze erkend dat hun prachtige tempel slechts een maquette was van het hemelse heiligdom, en hun welgebouwde stad een afbeelding van het Jeruzalem dat boven is. Dan zouden ze de waarheid hebben verstaan evenals Mozes, die alles maakte 'naar het voorbeeld dat hem op de berg getoond werd' (Hebr.8:5). Zo zag Abraham de eeuwige stad met de apostolische fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is (Hebr.11:10). De joden dachten evenwel dat door middel van hun heiligdom God in stoffelijke zin op een vast punt op aarde aanwezig en bepaald was. Ze meenden hierin een zekerheid te hebben om Hem daar altijd te kunnen vinden. In het nieuwe verbond geldt echter de wet, dat de ware aanbidders God ontmoeten in de geestelijke wereld en in de aanvaarding van de waarheid van het plan van God met de mens. Ook van de zonen Gods kan worden gezegd, dat de vossen holen hebben en de vogelen des hemels nesten, maar dat zij in de zichtbare wereld nergens vastigheid vinden - zelfs niet in wetten en voorschriften - om het hoofd neer te kunnen leggen.

Jezus had zijn volk bijeen willen vergaderen, teneinde het over te kunnen zetten in de geestelijke werkelijkheid, maar ze wilden dit niet. Ze waren verstrikt in een legalisme, een uitwendige religie, die berustte op traditie, overleveringen der vaderen, zinloze verordeningen en een dienst der wet. Later zou de apostel, die eenmaal zelf een Farizeeër was, schrijven: 'Telkens wanneer Mozes voorgelezen wordt, ligt er een bedekking over hun hart' (2 Kor.3:15). De joden zagen niet dat hun ceremoniën, hun offers, hun sabbatsvieringen en hun besnijdenis slechts symbolen waren van het ware Offerlam, van een eeuwig durende rust en van een besnijdenis des harten.

Bij zijn afscheid van de tempel sprak de Heer tot het religieuze volk: 'Zie, uw huis wordt aan u prijsgegeven' (Matt. 23:38 vert.Brouwer). Het Koninkrijk Gods werd van hen weggenomen en zij werden overgegeven aan de wettische geesten die zij dienden. Paulus waarschuwde de gemeenten in Galatië tegen het binnendringende judaïsme, want dit sluit het Koninkrijk der hemelen toe voor de mensen (Matt.23:13). Het wijst elke vernieuwing en levensontplooiing van de hand. Ook nu klinkt het apostolische vermaan tot de godsdienstige mens: 'Zeg mij, gij, die zo graag onder (een) wet wilt staan, luistert gij niet naar de wet?' Ik wijs erop, dat in Galaten 4:21 in deze zin de eerste maal voor het woord 'wet', geen lidwoord staat. Alle godsdiensten op aarde bieden aan de religieuze mens voorschriften en geboden in de zichtbare wereld aan. Jezus legt geen wetten op, maar vernieuwt het gedachtenleven van zijn volk door middel van zijn Heilige Geest. Laten we daarom luisteren naar wat de wet, de thora, meedeelt over de zonen van Abraham, Ismaël en Izak.

Hagar en Jeruzalem

In Galaten 4:21-31 schrift Paulus over twee bedélingen of twee verbonden, die beiden hun oorsprong hebben in de tent van Abraham. 'Het ene is dat van de Sinaï, die slaven baart, dit is Hagar. Het (woord) Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder'.

Ongetwijfeld was de apostel door zijn langdurig verblijf in Arabië (1:17) goed op de hoogte van het spraakgebruik aldaar. De geestelijke kinderen van Abraham (3:29) werden erbij bepaald, dat de aartsvader twee vrouwen en twee zonen had, die twee richtingen onder het volk van God vertegenwoordigen, namelijk de natuurlijke en de geestelijke lijn. De zoon van Hagar was op grond van natuurlijke overleggingen geboren en de zoon van Sara vanuit bovennatuurlijke overwegingen. Ismaël en Izak hadden een gemeenschappelijke vader, maar vanwege zijn moeder droeg Ismaël het kenmerk van de slavernij, dat is de wet, en Izak het kenmerk van de vrijheid in de onzienlijke wereld. Paulus gaat ons hier voor in het vergeestelijken van de gegevens uit het Oude Testament. Hij 'allegoriseert' zijn inhoud en geeft er een hogere dimensie aan, namelijk die van hemelse realiteiten.

Vanuit de voor ons duistere woordverbinding Hagar en Sinaï komt de apostel tot 'een diepere zin' of uitleg. Het gaat hier om het essentiële verschil tussen het oude en het nieuwe verbond. Het tegenwoordige Jeruzalem, dat van de aarde en van de tegenwoordige eeuw, verkeert met zijn kinderen in slavernij van de wet. Deze stad komt dus overeen met Hagar, de slavin. Het Jeruzalem van omhoog - zoals er letterlijk staat - is evenwel vrij, en dat is ónze moeder, namelijk van de gemeente van Jezus Christus. Dit is de stad van de toekomende eeuw. De joden en de joodse christenen beschouwen het aardse Jeruzalem als hun moeder, want deze stad was en is het centrum van hun religieus denken. Het ware christendom concentreert zijn aandacht daarentegen op het geestelijk Jeruzalem. Paulus schreef zelfs dat God hem van zijn joodse 'moeder' had gesepareerd of afgezonderd, en hem door genade in de vrijheid had gezet (1:15). De waarheid had hem vrijgemaakt, want hij kende nu de weg om de zondemachten tentoon te stellen en zich van hen los te maken. De eis der wet zou voortaan in allen vervuld worden, die niet naar het vlees, de natuurlijke inspanning, wandelen, maar naar de geest (Rom.8:4).

De Islam in Jeruzalem

Volgens de Arabische genealogen (onderzoekers van afstamming en verwantschap) zijn alle Arabieren nazaten van Abraham. Mohammed, de profeet van Allah, zou ook een rechtstreekse nakomeling van Ismaël zijn. Hij schreef de openbaringen van Allah op in de Koran. Zij die zich onderwerpen aan de voorschriften van Allah, zijn Islamieten. Islam betekent onderwerping. Niet de geloofsleer staat bij de Islamieten primair, maar de plichtenleer, te weten: 1. het uitspreken van de geloofsbelijdenis: 'Er is geen God dan Allah en Mohammed is de gezant van Allah'; 2. het verrichten van het rituele gebed, vijfmaal per dag; 3. het onderhouden van het vasten; 4. het doen van weldadigheid; 5. het verrichten van ceremoniën, die in de twaalfde maand van de achtste tot de dertiende dag te Mekka plaatsvinden.

Meer dan enig andere godsdienst kan de Islam een boek-godsdienst worden genoemd. Niet een persoon maar de Koran ('wat gelezen moet worden') staat centraal. Het opvallende in deze godsdienst is, dat hij absolute gehoorzaamheid eist aan de Koran. Dit heeft de trouw en de toewijding van haar belijders bewerkt, waardoor de Islam tot een politieke machtsfaktor is geworden. Wat het horizontale wetticisme betreft, zouden wij kunnen zeggen dat de Islam 'op één lijn staat' of overeenkomt met het 'tegenwoordige' judaïsme. Wat evenwel de profeten van het Oude Testament betreft, van hen zegt Petrus dat zij verticaal dachten. Zij profeteerden immers over de voor ons bestemde genade, terwijl zij vanwege hun gebrek aan kennis van de onzienlijke wereld moesten 'naspeuren, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde' (1 Petr.1:10,11).

In juli 1964 stond ik op de olijfberg. In de verte zag ik in het Haram esj-sjerif, het tempelplein, waarop nu de rotskoepel en de Aksa-moskee zich bevinden. De naar mij toegekeerde oostelijke zijde van de muur van dit plein is bijna een halve kilometer lang. De koepelmoskee werd gebouwd boven de vlakke rots van Ornan, die in dit plein uitsteekt, en die als offerplaats in de tempel van Salomo werd gebruikt (1 Kon.8:64). Dit bouwsel is een architectonische schoonheid, welke nauwelijks haar weerga heeft.

Op het tempelplein stond vanaf 952 v.C. tot zijn verwoesting in 586 v.C. door Nebukadnezar, de tempel van Salomo, dus gedurende 366 jaar. Daarna kwam de tempel van Zerubabel, die door Herodes geheel gerenoveerd werd. Hij was er van af 515 v.C. tot 70 n.C., een tijdperk van 585 jaar. Met de bouw van de rotskoepel werd in 687 n.C. begonnen. Deze moskee staat dus nu reeds 13 eeuwen in Jeruzalem als symbool van de religie van de zonen van Hagar. Wel een merkwaardige aanvulling of mag ik zeggen vervulling van hetgeen Paulus aan de Galaten schreef over de verhouding tussen Hagar en het jodendom, dat is het judasme (1:13,14). Onlangs bezocht een delegatie van de knesset, het Israëlische parlement, het Haram esj-sjerif. Een van de redenen van dit bezoek was om Israëls gezag over dit gebied te bevestigen. Een Knessetlid zei later: 'Als vier joden worden omringd door honderden politiemannen, staat in feite de Tempelberg niet meer onder ons gezag'. Wie heeft ooit aan de 'diepere zin' van deze situatie gedacht?

Het hemelse Jeruzalem

Toen Jezus profeteerde dat de aardse tempel met zijn dienst aan de geest van het legalisme prijsgegeven zou worden, werd het Koninkrijk Gods van Israël weggenomen. Dit viel toen aan de gemeente ten deel, omdat zij de vrucht wel zal opleveren (Matt.21:43). Toch voegde de Here nog de moedgevende belofte aan Jeruzalem toe: 'Gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij die komt in de naam des Heren'. Jezus doelde op de Heilige Geest, 'die de Vader zou zenden in zijn naam (Joh.14:26). Op de pinksterdag was al een aanvankelijke vervulling, want ongeveer 3000 joodse mannen en vrouwen werden toen vervuld met de Heilige Geest en gedoopt in water. Zij 'zagen' in de geest Jezus met eer en heerlijkheid gekroond. Hiermee was Jezus' toezegging evenwel niet uitgeput, want er is sprake van 'in de laatste dagen' en van een overvloedige spade regen. Door 'het Israël Gods' zal een immense schare uit alle volken - dus ook joden - in de stad Gods worden binnengebracht (Openb.7).

Enkele dagen voordat men Jezus kruisigde, werd Hij in Jeruzalem door het volk als de Zoon van David en de Koning van Israël verwelkomd. Het is duidelijk dat de discipelen in die week deze wonderbare huldiging moeilijk konden verwerken en de symboliek ervan niet begrepen. 'Maar toen Jezus verheerlijkt was, toen herinnerden zij zich, dat dit met het oog op Hem was geschreven' (Joh.12:16). Onze Heer was het Jeruzalem van omhoog binnengetrokken. Daar rezen de eeuwige deuren van de eeuwige stad omhoog om de Koning der ere binnen te laten. Daar zit Hij nu op de troon van zijn vader David, die ook Gods troon werd genoemd (1 Kron.29:23). In deze stad vergadert Hij nu het geestelijk Israël. Daar is de gemeente der eerstgeborenen , die in de hemel opgeschreven is (Hebr.12:23 St.vert.). Daar bevindt zich de geestelijke mens met zijn geestelijk lichaam dat verbonden is aan het lichaam des Heren (Ef.2:6). Daar is de christen werkelijk vrij. Daar viert hij zijn sabbat, want hij heeft zich in het geloof onttrokken aan de onrust der aardse dingen. Daar is zijn geestelijk lichaam gescheiden van het lichaam der zonde, dus van de boze geesten, door de christelijke besnijdenis. Daar is de slavin weggezonden met haar zoon, want een wettisch christendom dat zijn wortel in het oude verbond heeft, kan niet erven met de zonen van de vrije vrouw, want 'de Here is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid'.

zie voor andere artikelen kvooverz