kvo 51e jaargang nummer 4 april 1987

J.E.v.d.Brink

DE MAANZIEKE KNAAP

Hoewel voor vele christenen onbekend en onbemind, staat het onomstotelijk vast, dat het evangelie van Jezus Christus gericht is op het Koninkrijk der hemelen. De Heer was van de onzichtbare wereld op de hoogte. Hij begon vele van zijn gelijkenissen met de aanhef: 'Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan...'. Uit zijn werken bleek, dat ook voor Hem 'de gedachten van de satan niet onbekend waren'. Hij was geopenbaard, 'opdat Hij de werken des duivels verbreken zou'. Hij gaf aan zijn volgelingen het goede voorbeeld om het beschreven vonnis aan de boze geesten te voltrekken, want 'dat is de luister van al zijn gunstgenoten. Halleluja' (Ps.149:9).

Wat is maanziek

Nadat Jezus met zijn drie geliefde discipelen van de berg der verheerlijking gedaald was, werd Hij ogenblikkelijk geconfronteerd met een ziektegeest uit het rijk der duisternis (Matt. 17:14-21; Marc.9:14-29; Luc.9:37-43). Een vader had zijn enige zoon tot de achtergebleven discipelen gebracht, opdat deze zijn kind zouden genezen van maanziekte. Zij hadden immers van Jezus macht ontvangen over de onreine geesten en reeds vele boze geesten uitgedreven.

De woorden 'daimon' en 'daimonion' worden in de Nieuwe Vertaling weergegeven door 'boze geest' en in de Statenvertaling door 'duivel'. Het voor de hand liggende woord 'demon' wordt in beide vertalingen gemist. Mattheüs deelt mee dat de maanziekte door een demon werd veroorzaakt en Marcus voegt eraan toe dat deze geest stom en doof was. Tegen deze sterke demon waren de discipelen niet opgewassen. Hun falen leidde tot een dispuut met de schriftgeleerden, maar hierdoor waren ze niet veel wijzer geworden. Theologen weten meestal niet veel af van de onzienlijke wereld. Slechts de schriftgeleerde die een discipel van het Koninkrijk der hemelen is, wordt bekwaam geacht om uit de voorraad van zijn kennis, nieuwe naast oude waarheden over de geestelijke wereld te voorschijn te brengen.

De ziekteverschijnselen die de vader beschreef, wijzen op epilepsie. De knaap werd aangevallen door bewustzijnsverlies, spierkrampen, en spierschokken. Hij viel op de grond, kreeg schuim op de mond, terwijl hij met de tanden knarste, en verstijfde. De vader sprak van maanziek, omdat men de periodieke toevallen in verband bracht met de maanfasen. Ook was men de overtuiging toegedaan dat kinderen die tijdens nieuwe maan geboren werden, voorbeschikt waren om vallende ziekte te krijgen. Hoewel ik niet geloof dat deze ziekte iets met de maanstanden te maken heeft, lees ik in Mattheüs 4:24 dat Jezus zulke zieken genas. Volgens de Expository Dictionary betekent het Griekse woord 'seleniazo' letterlijk 'geslagen of getroffen door de maan'. Ik denk daarbij liever aan een zonsverduistering, die veroorzaakt wordt, doordat de maan in een rechte lijn tussen de aarde en de zon staat. De maan ligt dan als een donkere vlek op de zon, die hierdoor getroffen of geslagen is en daardoor geheel of gedeeltelijk verduisterd, dus van licht beroofd wordt. De herhaalde aanvallen van epilepsie, waardoor de jongen getroffen werd, ontnamen hem het levenslicht. Op zo jeugdige leeftijd was zijn zon reeds verduisterd. Na een aanval herstelt de patiënt zich meestal snel en behoeft hij niet in zijn geestelijke vermogens beschadigd te zijn. Mannen als de hertog van Wellington, de schilder Vincent van Gogh, en de componisten Richard Wagner en Hector Berlioz leden aan deze ziekte. Bij de maanzieke knaap bleef echter de ziektegeest in hem zitten. Terecht zetten de vertalers boven de pericoop in Marcus 9 en in Lucas 9 : de genezing van een bezeten knaap. De situatie van stomheid en doofheid tijdens zijn bewustzijnsverlies veranderde dus niet. Het gaat hier niet over een beschadigd gehoor- en een beschadigd spraakorgaan die niet meer functioneerden, maar over het geestelijk lichaam van de knaap, dat de informaties van buitenaf door middel van het geluid niet meer opving en van een inwendige communicatiestoornis met het spraakorgaan. Het verschijnsel dat men niet hoort of niet spreekt, komt normaal voor, wanneer men in een diepe slaap afgesloten is van de buitenwereld. Wie in de slaap iets hoort, wordt er door gewekt en wie in zijn slaap hardop spreekt doorbreekt een barrière.

Onreine geesten

In Judas 6 wordt een categorie engelen genoemd, die aan hun oorsprong, dat is aan hun gezaghebbende waardigheid ontrouw werden. Hun geesteslichaam zocht naar een onnatuurlijke gemeenschap, welke vergeleken wordt met de zonde, die de inwoners van Sodom en Gomórra bedreven. Deze engelen verlieten hun 'eigen woning', dat is hun existentie of manier van leven. Wanneer een christen sterft, verlaat hij ook zijn eigen woning, 'zijn aardse tabernakel', teneinde met zijn geestelijk lichaam bij de Here zijn intrek te nemen. Het geestelijk 'lichaam des Heren' is een passend tehuis voor hem (2 Kor. 5:1-10). Daar heeft de christen dan een andere existentie of manier van leven.

Onreine geesten zijn demonen, die de zonde begaan zich met hun geesteslichaam in een mens te dringen. Zij hechten zich aan de innerlijke mens vast om één geest met hem te worden. In Romeinen 6:6 duidt Paulus zo'n boze geest aan met 'het lichaam der zonde'. In Romeinen 7:24 klaagt de zich ellendig voelende mens, die in dit zondigende vlees is: 'Wie zal mij verlossen ván - en niet uit - het lichaam des doods?' De verbinding met zo'n geest voert immers naar de tijdelijke en eeuwige dood. Vanuit de begeerte het innerlijke lichaam van de mens te overmeesteren kan men zo'n demon ook aanduiden met 'het lichaam des vlezes' (Col.2:11). Sprak de Here God niet tot Kaïn, dat de zondemacht, wiens begeerte naar hem uitging, als een belager aan de deur van zijn levenshuis lag? In plaats van dit geestes lichaam te weren en erover te heersen, liet hij de indringer toe (Gen.4:7).

Een stomme en dove geest

In het geval van de maanzieke knaap kan gezegd worden dat een onreine geest hem had overweldigd vanaf zijn prille jeugd. Hoe heerlijk is het dan voor ouders het volle evangelie te kennen, te weten dat Jezus rondging weldoende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren en dat Hij gisteren en heden Dezelfde is! Bij de jongen was sprake van een onreine boze geest of een vuile demon, zoals die ook in Lucas 4:33 beschreven wordt. In plaats van 'het lichaam der zonde' dat iedere demon heeft, zou ik bij de maanzieke knaap willen spreken van 'het lichaam der wetteloosheid', het onzichtbare lichaam van de ziekte macht, die de maanziekte veroorzaakte.

In Mattheüs 17:18 staat dat Jezus een maanzieke geest bestrafte en volgens Marcus 9:25 was dit een stomme en dove geest. Velen denken bij dit laatste aan een geest die het kind doofstom maakte. We zouden dan van een stijlfiguur kunnen spreken, zoals wij deze hebben in een 'warme' bakker of met een bijbelse uitdrukking, in 'de gezonde leer' (1 Tim.1:10). Natuurlijk maakte de geest het kind stom en doof, maar de demon zélf was ook stom en doof. Onreine geesten zijn allen gedeformeerde geesten. Ze mankeren allemaal wat. Ze zijn misvormd en afstotelijk. Ze verleiden de mens niet, maar dringen zich met hun kenmerkende afwijkingen in hem. Een doofstomme geest kan uiteraard ook niet met andere geesten in engelentalen communiceren. Wel kon deze geest zien, want er staat: 'Toen de geest Hem zag, deed hij de knaap terstond stuiptrekken'.

Langs de weg waar ik woon, zie ik wel eens een reiger op een visje loeren. Contactloos en onbeweeglijk staat hij daar, maar wee het visje dat in zijn blikveld komt. Hij doet mij denken aan het onrein en verfoeid gevogelte uit Openbaring 18:2. In de Alexandrijnse tekst staat in Genesis 6:2 dat de engelen zagen dat de dochters des mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie ze maar verkoren, dus in grove willekeur. Zo had de demon zich met zijn geesteslichaam met geweld op de knaap geworpen en deze was daardoor wezensgelijk met hem. De verworpen geest schreeuwde dan eigen ellende uit en doorbrak zijn stomheid met de ongearticuleerde, doffe geluiden, die de knaap uitstootte. Het gedemoniseerde slachtoffer was niet in staat zich met zijn eigen geestelijk lichaam te weren, want de aanrander was te sterk. De knaap werd ondergedompeld in het lichaam der wetteloosheid van zijn kwelgeest. Na zo'n aanval trok de macht zich weer terug, maar hij bleef het gehoor- en stemorgaan van het kind blokkeren.

Het herstel

De discipelen hadden de doofstomme geest niet kunnen uitdrijven. Op hun sommatie om uit te gaan, had hij niet gereageerd. Hij was als een dove adder, die niet luistert naar de stem der bezweerders (Ps.58:5). Jezus bestrafte echter deze dove geest. Bij de woordverklaring van 'bestraffen' wordt allereerst gedacht aan : zijn eer op iemand leggen. Jezus legde zijn macht en autoriteit op de zieke knaap en hierdoor kwam de boze geest in het machtsgebied van het geestelijk lichaam van Jezus. Het Koninkrijk Gods kwam over de knaap en dus ook over de demon (Matt.12:28). Toen gebeurde, wat vele eeuwen tevoren het rebellerende leger van satan was overkomen. De geest werd buiten het Koninkrijk Gods geworpen door Jezus van wie werd gezegd: 'De Zoon des mensen, die in de (hoogste) hemel is' (Joh.3:13 St.vert.). Zijn stem doorbrak de doofheid van de demon. Hij hoorde: 'Gij sprakeloze en dove geest, Ik zelf beveel u: verlaat hem en keer niet weder tot hem terug (Marc.9:25 vert.Brouwer). Aan het lichaam der wetteloosheid werd zijn verzetskracht ontnomen (Rom.6:6). Het geestelijk lichaam van de knaap ervoer toen een christelijke besnijdenis. Het werd immers besneden 'door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus (Col.2:11).

De onreine geest kon niet meer terugkeren, want hij werd naar de afgrond verbannen en daar overgeleverd aan krochten der duisternis (2 Petr.2:4). In zijn begeerte naar het vlees wilde hij de knaap niet loslaten, maar op het ogenblik dat hij in het dodenrijk stortte, was de pijnlijke besnijdenis voltooid. Het Woord Gods had als een mes de inwendige mens van de jongen, zijn ziel en geest, gescheiden van het lichaam van de demon (Hebr.4:12). 'De jongen werd als een dode, zodat velen meenden, dat hij gestorven was. Doch Jezus vatte zijn hand, richtte hem op en hij stond op'.

Op de vraag der discipelen waarom zij de onreine geest niet hadden kunnen uitdrijven, was het antwoord: 'Dit geslacht kan nergens door uitgaan dan door bidden en vasten' (Marc.9:29 St.vert.). In 'Het Nieuwe Testament met commentaar' las ik de opmerking: 'Jezus heeft de demon in feite niet door gebed, maar door zijn machtswoord uitgedreven. In het onderhavige geval hadden de leerlingen slechts door gebed kunnen slagen - derhalve demonenuitdrijving door gebedsverhoring - niet door een bevelend machtswoord, waarover Jezus alleen beschikt'. In Lucas 9:1 staat evenwel dat Jezus de twaalven bijeenriep en 'hun macht en gezag gaf over alle boze geesten en om zieken te genezen'. Voor de christen betekent bidden bezig zijn in de hemelse gewesten, dus het bedenken van de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn (Col.3:2). Vasten is het afleggen van: 'de begeerten des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven'. Deze weg willen ook wij kiezen, teneinde door de kracht van de Heilige Geest als verlossers de berg Sion te bestijgen en gericht te houden over de vijandelijke bergen - beeld van de onreine geesten - en deze op te nemen en in de afgrond te werpen (Obadja 21).

zie voor andere artikelen kvooverz