kvo 51e jaargang nummer 3 maart 1987

Henk de Cock

SCHADUW en WERKELIJKHEID

De geestelijke werkelijkheid van het Nieuwe Testament was in het oude verbond reeds bekend in de vorm van allerlei beelden. Zo'n beeld was bijvoorbeeld het paaslam, dat geslacht werd voor de bevrijding van het volk. Dit paaslam was een schaduw van de dood van Christus ten behoeve van de verloren mensheid.

Zo was ook het volk Israël zelf een portret van de kerk van Christus, die bestaat uit verlosten door het bloed van Jezus. Het joodse volk toonde ons een beeld van de 'ecclesia', bestaande uit diegenen, die 'eruit geroepen zijn' om 'een volk gode ten eigendom' te worden.

De theocratische regering die God bedoeld had voor Israël, moest een voorbeeld zijn van zijn geestelijk Koninkrijk, geconcretiseerd in de harten van zijn kinderen.

Vandaag de dag is Christus verhoogd op de troon van David als Koning der koningen. Het is belangrijk dat we zien dat deze troon, waarop David gezeten was tijdens zijn koningschap, toen reeds 'troon des Heren' genoemd werd (1 Kron.29:23).

Het woord van God zegt dat de wet 'een schaduw heeft der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf' (Hebr.10:1). Het davidische rijk is daarom slechts een zichtbare voorstelling van het werkelijke Koninkrijk van God, zoals ook het volk Israël slechts een schaduw is van de gemeente van Christus.

In het Oude Testament openbaart God zijn bedoelingen op natuurlijke, zichtbare wijze door middel van een volk dat bestond uit natuurlijke afstammelingen van Abraham. In het Nieuwe Testament gaat het om geestelijke waarden in de dingen van de Heer. Zo kan men het volk van God op twee manieren onderscheiden: 'Het Israël naar het vlees' en 'het Israël Gods' (1 Kor.10:18; Gal.6:16). De eersten zijn afstammelingen van Abraham - naar het vlees, de laatsten zijn kinderen van Abraham - door het geloof. De leden van het lichaam van Christus - de Gemeente - worden daarom met de volgende namen genoemd: kinderen van Abraham (Gal.3:7), Israëlieten (Rom.9:6); joden (Rom.2:28 en 29).

Met het oog hierop is het niet vreemd, dat ook andere symbolen van het Israëlitische, nationale leven betekenisvol werden voor de Gemeente van Christus.

Jeruzalem of Sion

In de volgende bijbelgedeelten komen we de naam Jeruzalem tegen, waar deze gebruikt wordt in verband met de Gemeente: Galaten 4:26 en Hebreeën 12:22, waar gesproken wordt van het 'hemels Jeruzalem'. Openbaring 3:12 en 21:2, waar Johannes het nieuwe Jeruzalem noemt, dat uit de hemel neerdaalt.

Het is niet nodig hier te spreken van het grote belang van de stad Jeruzalem voor het nationale en religieuze leven van het Israëlische volk. De Korachieten schreven een lied over Jeruzalem, de stad van God, de 'vreugde voor de ganse aarde' (Psalm 48). In Jeruzalem diende men God. Daar bracht men de offers en vierde men de joodse feesten. Daar was niet alleen de zetel van het davidische rijk, maar ook de 'stad van de grote Koning'. Jehova woonde temidden van zijn volk, en regeerde vanaf zijn troon te Jeruzalem.

Nu is de Gemeente de stad met de fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is (Hebr.11:10). Het nieuwe Jeruzalem, waar men de Heer aanbidt en waar men samenkomt voor de aan God gewijde diensten. Het hemelse Jeruzalem, de zetel van de goddelijke regering en de centrale plaats van het Koninkrijk Gods.

Allen die door het geloof kinderen van Abraham zijn, en die door de belofte van God bevrijd werden, behoren bij dit geestelijk Jeruzalem, dat ook onze 'moeder' is (Gal.4:21-26). Het is de stad die door de apostel Johannes gezien werd, de vrouw van de Heer, als bruid getooid. De verheerlijkte Gemeente van de Heer Jezus Christus (Openb.21:9).

Tempel of heiligdom

In het Oude Testament was de tempel opgetrokken als de woonplaats van God temidden van zijn volk. Later bouwde koning Salomo de tempel te Jeruzalem als huis Gods. We weten echter, dat de Allerhoogste niet woont in huizen door mensenhanden gemaakt (Hand.7:48). Zowel de tabernakel als de tempel van Salomo zijn afdrukken van de Gemeente, die een geestelijk huis is, gebouwd van levende stenen (1 Petr.2:5).

De apostel Paulus noemt de Gemeente de 'woonstede Gods in de Geest' (Ef.2:21 en 22). Andere namen die we tegenkomen in het Nieuwe Testament zijn: de tempel van God (1 Kor.3:16 en 17); Gods bouwwerk (1 Kor.3:9) en het geestelijk huis (1 Petr.2:5).

Natuurlijk is iedere christen afzonderlijk een tempel van God daar de Heer in hem woont met zijn Heilige Geest. De Heer is echter op een heel speciale manier aanwezig temidden van zijn volk: de Gemeente. Er is geen enkele andere heilige plaats waar God zijn woning maakt. God woont in zijn geestelijke tempel, de Gemeente, en manifesteert Zich in deze wereld door middel van het lichaam van Christus.

In het Oude Testament komen we nog andere parallellen tegen. Zo zien we bijvoorbeeld hoe de gebruiksvoorwerpen in de tabernakel werden gemaakt. Hiervoor riep God mannen, die door een innerlijke drang tot het werk van God werden getrokken. Gods Geest vulde hen met bekwaamheid, intelligentie en kennis, waardoor ze alle delen van de Tabernakel op de juiste wijze konden bewerken. Deze Geest vulde het hart van Basaleël, toen hij anderen moest onderwijzen, zodat zij met hem zouden kunnen samenwerken (Ex.31:1-6; 35:30; 36:4).

In deze gedeelten vinden we een volmaakt beeld van het werk van onze Heer in onze dagen. De Kerk van de Heer wordt gebouwd door middel van door God geroepen dienstknechten, die klaar zijn om zich aan het werk van de Heer te wijden. Mannen vol van de Heilige Geest, die hun bediening van de opbouw der gemeente getrouw vervullen, doordat zij de gaven gebruiken die zij door de Heilige Geest ontvangen hebben.

Zowel Jeruzalem als de tempel zijn afbeeldingen van de Gemeente. De Schriften laten ons zo de Gemeente als woonstede Gods in de Geest zien (Ef.2:22).

Ook andere delen van de tempel in Jeruzalem vormen prachtige beelden van de geestelijke realiteit in verband met de Gemeente. In het boek Openbaring lezen we over de muur van het nieuwe Jeruzalem met de twaalf fundamenten, waarop de twaalf namen van de twaalf apostelen geschreven stonden (Openb.21:14).Paulus noemt de apostelen en profeten het fundament van de Gemeente (Ef.2:20).

Het geheim der Gemeente, dat in vroegere generaties onbekend gebleven was, werd door de Heilige Geest aan de apostelen en profeten geopenbaard (Ef.3:1-10). De gehele waarheid aangaande de Gemeente, de tempel van God, werd vanaf de Pinksterdag ontsluierd. En op die kennis werd de Kerk van Jezus Christus gefundeerd.

Jezus Christus is de hoeksteen. De steen die door de bouwlieden verworpen werd, maar die door God op de belangrijkste plaats van het bouwwerk werd neergelegd (Ps.118:22). Deze Messiaanse psalm wijst op de verwerping door de joden van Christus, die, nadat Hem door de bouwlieden 'verachtelijk een plaats ontzegd' was, door God verhoogd werd om de voornaamste draagsteen te worden in de Gemeente. Jezus paste dit gedeelte uit Psalm 118 op Zichzelf toe (Matt.21:42; Marc.12:10; Luc.20 :17). Dezelfde term werd ook door de apostelen gebruikt als ze spraken over Christus als het verheerlijkte Hoofd van zijn Gemeente (Hand.4:11;Ef.2:20).

Het volk van God

We weten dat de joden het volk van God vormden in het Oude Verbond, uitverkoren om het speciale eigendom van de Heer te zijn (Ex.19:5). Deze verkiezing door God was echter conditioneel: 'Indien gij aandachtig naam Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn'. Wie zich van God afwendde door Jezus te verwerpen, en zo het verbond dat Hij met hem maakte niet bewaarde, kwam los van de belofte te staan vanwege zijn ongeloof. God sprak tot de profeet Hosea: 'Noem hem Lo-Ammi, want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn' (1:9).

God echter koos zich een volk dat wèl wandelt in zijn wegen. Een volk dat bestaat uit al degenen die gered zijn door het geloof in Jezus, zonder onderscheid van ras, taal of sociale positie. Deze gelovigen voegde de Heer samen om een heilige natie, een uitverkoren geslacht en een volk Hem ten eigendom te vormen. Voor allen die door het geloof kinderen van Abraham genoemd worden, joden en niet-joden, gelden de woorden van de apostel Petrus: 'Eens niet zijn volk, nu echter Godsvolk' (1 Petr.2:10).

Zo is dus de kerk van Jezus Christus het volk van God, bestaande uit: 'medeburgers der heiligen'. Ook wel genoemd de 'huisgenoten Gods' (Ef.2:19).

Een koninkrijk van priesters

Het was Gods bedoeling dat Israël als volk een priesterlijke natie zou zijn, zodat zij een schakel tussen Hem en de andere volken zouden kunnen vormen, waardoor de Heer Zich aan de gehele wereld zou kunnen openbaren (Ex.19:5 en 6). De joden waren geen heilig volk omdat zij nu eenmaal een speciaal ras waren, maar dank zij de opdracht die zij hadden gekregen voor alle volken. God had hen uitgekozen en temidden van andere naties gesteld, opdat Hij Zich door hen aan alle volken, talen en naties zou kunnen openbaren.

Het belangrijkste onderdeel van deze priesterlijke bediening zou zijn de verkondiging en het onderwijs. 'Want de lippen van de priester bewaren kennis en uit zijn mond zoekt men onderricht in de wet, want een bode van de Here der heerscharen is hij' (Mal.2:7).

Israël had dus de opdracht de naam van de Here te verkondigen tot aan de einden der aarde: 'Boodschapt zijn heil van dag tot dag,vertelt onder de volken zijn heerlijkheid, onder alle natiën zijn wonderen' (Psalm 96:2 en 3).

Ook in de betekenis van zijn priesterlijke bediening is Israël een schaduw van de Gemeente van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen (Hebr.12:23). In Israël waren het juist de eerstgeborenen die oorspronkelijk door God uitgekozen waren voor de priesterlijke dienst, en die tevens de voornaamste erfgenamen waren. (Later werden de eerstgeborenen van de stammen van Israël verworpen omdat zij afgoderij gepleegd hadden bij de Sinaï. Zij werden vervangen door de Levieten, die niet deelgenomen hadden aan de verering van het gouden kalf).

Nu zijn het de kinderen van God die als erfgenamen van de beloften en priesters voor de Heer zijn aangesteld. 'Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader gemaakt' (Openb.1:6).

Het Nieuwe Testament laat duidelijk zien, dat het priesterschap van de gelovigen in Christus veel grootser is dan het Levietische priesterschap. De zonen van Levi konden slechts als priesters dienst doen, terwijl voor hen de mogelijkheid om koning te zijn uitgesloten was. Christus was hogepriester in een orde die hoger was dan die van Aäron, omdat Hij tegelijkertijd koning en priester was, naar de ordening van Melchizedek (Hebr.6:20 -7:10). Zo heeft ook de Gemeente van Christus een hogere taak, doordat zij een koninklijk priesterschap vertegenwoordigt.

Het is de opdracht van de Gemeente het evangelie en de grote daden van Hem, die ons uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, te verkondigen. Dit is de belangrijkste taak van het priesterlijk geslacht (1 Petr.2:9).

zie voor ander artikelen kvooverz