kvo 51e jaargang nummer 3 maart 1987

J.E.v.d.Brink

(uit de pers)

Is lijden een straf van God

Waarom zwijgen de kerken?

De zaak Jenny en Lucas Goeree houdt nog steeds de gemoederen bezig. De bewering dat het lijden der joden een gevolg is van hun verwerping van Jezus Christus, dus een straf van God, heeft joden en jodengenoten - om een progressieve uitdrukking te gebruiken - 'diep geschokt'. De joden zouden nog steeds gestraft worden vanwege de vloek, die zij eenmaal over zich haalden, toen zij uitriepen: 'Zijn bloed kome over ons en onze kinderen' (Matt.27:25). Het echtpaar Goeree is nu alom als zondebok aangewezen om de eeuwenoude schuld der kerk te dragen.

In 'Hervormd Nederland" van 8 november 1986 wijdde dr. J.G.B. Jansen vier pagina's aan bovengenoemde 'vergiftiging van het theologisch denken'. Hij stelt in zijn artikel de kernvraag: 'Waarom zwijgen de kerken over de Goerees?' Zijn antwoord is, dat zij 'de indruk willen wekken, dat de uitlatingen van het evangelisten-echtpaar Lucas en Jenny Goeree niets hebben te maken met de traditionele theologie van de kerk in de afgelopen eeuwen'. De schrijver citeert evenwel enkele rechtzinnige commentators bij genoemde tekst uit Mattheüs 27, waaruit blijkt dat zij dezelfde inzichten hebben als de Goerees, namelijk dat het lijden der joden de straf van God is op de zonde.

De bijbelverklaring van Matthew Henry: 'Maar zij hebben werkelijk de wraak en de toorn Gods over zich ingeroepen, over zich en over hun nakomelingen'. Die van Dächsel: 'Veel donkerder nog dan over de landvoogd lag de helse betovering over de harten van het blinde volk. Zonder bedenking willen de ongelukkigen het ontzaglijk gewicht der schuld op zich nemen, dat Pilatus meent van zich te wentelen. Er is niet de minste bezorgdheid over een mogelijke dwaling, in de verste verte geen vrees voor een misslag, niet de minste gedachte aan gevaar een onschuldige te doden. Zo groot is hun gerustheid, zo vermetel hun trots op hun vermeend recht tegenover Christus, dat zij de wraak des Almachtigen zonder talmen over zich inroepen, wanneer zij aan het bloed van Christus zich bezondigen'.

Dr.B.Wentsel, gereformeerd predikant: 'Het aangrijpend lijden van dit volk onder het moordzuchtig regime van het racistisch nationaal-socialisme is de executie van het straffend oordeel van JHWH vanwege zijn ongehoorzaamheid en ongeloof. Hierbij geldt echter tegelijkertijd dat degenen die indirect of direct als aanhangers van de nationaal-socialistische ideologie aan deze holocaust meewerkten, strafbaar zijn, omdat zij zich aan Gods volk vergrepen'. Aan deze 'afschuwelijke uitlatingen van Wentsel' zou volgens dr.Jansen de christelijke pers nauwelijks aandacht hebben besteed!

De conclusie die men aan deze citaten uit bijbelverklaringen van kerkelijke zijde verbindt, wordt verwoord in wat ds.S.P. Tabaksblatt, emeritus predikant in de hervormde kerk, in 'Trouw' schreef en onder het tussenkopje 'Etterbuilen' door Jansen werd overgenomen: 'De christelijke kerk is een ziek lichaam, vergiftigd door een eeuwenlang triomfalisme, hoogmoed en eigenwaan. In al die eeuwen zijn er op dat zieke lichaam etterbuilen ontstaan, die het pus naar buiten spoten. De Goerees zijn zulke etterbuilen. Het zijn geestelijke milieuvervuilers, die slachtoffers maken. Het grootste slachtoffer van de kerkelijke luchtvervuiling is het joodse volk. Daar wordt al het gram van een zieke kerk op uitgestort'.

De gram van ds.Tabaksblatt en ds.Jansen komt dan overeen met die van Tertullus over Paulus: 'Want wij hebben bevonden, dat deze man een pest is' (Hand.24:5)

.

Ervaringen

Is lijden dan een straf van God? Het is bijna twintig jaar geleden dat mijn vriend en medewerker Jan van Gijs na een zware ziekte ontijdig werd weggenomen. Het waren voor zijn vrouw en kinderen zeer droevige dagen, maar ook ik had het moeilijk. Jan noemde mij zijn oude strijdmakker, want samen hadden we, vooral in de Beukenstein-periode, heel wat te verduren gehad. Toen hij stierf, schreef iemand als zijn oprechte geloofsovertuiging, dat er nog meer van ons team zouden gaan. Wij zouden ons immers onder het oordeel van God bevinden. Ook was er een profetes aan wie de Here had geopenbaard, dat ik een einde aan mijn leven zou maken. Tijdens mijn toespraak op het graf van mijn vriend, hoorde ik een zuster zeggen: 'Ze hebben nog niets geleerd'. Het merkwaardige was, dat zij die ons deze harde woorden toevoegden overigens vriendelijke mensen waren, die zelfs veel over de liefde spraken. Er was echter een macht in hun leven, die hen dwong zo te reageren vanwege verschillen in de leer en inzichten in Gods Woord. Op Jan van Gijs zou van toepassing zijn: 'Maar Gij, o God, zult hen doen nederdalen in de kuil van het verderf; de mannen van bloed en bedrog zullen hun dagen niet ter helfte volbrengen' (Ps.55:24). Maar ook onze Heer stierf op de helft van zijn leeftijd. Daarom sprak echter het verblinde volk van Hem: 'Wij echter hielden Hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte' (Jes.53:4). Jezus werd aan het kruis geslagen en daarom moest Hij wel een gevloekte zijn, want de Thora zegt immers: 'Een gehangene is door God vervloekt' (Deut.21:23).

Toen mijn vrouw en ik in die zestiger jaren ook nog een zeer moeilijke periode in ons gezin meemaakten, vroegen mij twee voorgaande broeders, of ik mijn zonden niet wilde belijden. Mijn antwoord was, dat wij ons leven voor de Heer hadden opengelegd, en dat ons geweten ons nergens in veroordeelde. Wij weigerden ons lijden te verbinden met begane zonden.

In 1943 bezocht ik familie van mijn moederszijde te Haarlem. Bij mijn oom Casper ten Boom waren toen tien joden ondergedoken. Het gezin werd verraden en in februari 1944 gevangen genomen. De onderduikers ontkwamen. Na tien dagen stierf mijn oom en mijn achternichten Betsie en Corrie kwamen in het concentratiekamp Ravensbrück terecht. Bij het sterven van Betsie sprak Corrie in oudtestamentische berusting de woorden van Job: 'De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd'. Aarzelend voegde zij er evenwel nog aan toe: 'Is het Gods Geest die in mij spreekt?' Wanneer deze beide vrouwen het oordeel van God over het joodse volk deelden, waarom ontkwam dan Corrie, die veel actiever in het verzet was geweest dan haar zachtmoedige, lieve zuster Betsie?

Waarom ontkwam ds.Tabaksblatt aan het kamp in Theresiënstadt en zijn vriend, ds.J.Rottenberg, die ook 'verankerd was in het jodendom', niet? Als kind hoorde ik ds.Rottenberg ongeveer 65 jaar geleden in Dordrecht eens spreken. In 1933 schreef hij: 'En waar is het volk, dat zo onder het óórdeel is doorgegaan als ons volk, dat de woorden hoorde en de tekenen zag van de Godgezalfde Jezus van Nazareth, en Hem desondanks verwierp?' (Is Jezus de Messias?). Deze uitspraak van een Christen jood komt overeen met die van dr.Wentsel als deze spreekt over een 'straffend oordeel'.

De auteur van het boek Job evenwel had geestelijk inzicht, want hij gaf al aan het begin de satan de schuld van het lijden. Aan het einde van het boek wordt aan Job gevraagd, of hij wel in staat was geweest 'de draak met een vishaak op te trekken', dus de duivel te weerstaan (Job 40:20 sept.). Voor de theologen van alle tijden is het begrip zonde vrijwel de enige sleutel om het raadsel van het lijden op te lossen. De schrijver van het boek Job protesteert echter tegen de leer, dat zonde de oorzaak zou zijn van het lijden. Is het daarom vreemd dat er geen oudtestamentisch bijbelboek zo verminkt is overgekomen dan juist dit unieke gedicht, want het leert dat God goed is en 'rijk aan barmhartigheid en ontferming', dat de satan slecht is en dat Job een rechtvaardige was niettegenstaande zijn lijden (Jak.5:11).

Oudtestamentisch denken

Een vorig maal heb ik aangetoond dat in het Oude Testament vrijwel altijd de Here God als de veroorzaker van goed en kwaad wordt beschouwd. Er lag immers een bedekking op het denken en men had geen inzicht in de geestelijke wereld. Men sprak: 'De Here doodt en doet herleven'. Het begon al in het paradijs. Indien de mens van de boom der kennis van goed en kwaad at, zou hij sterven. Men sprak van een proef-gebod. De bijbelverklaarder Dächsel schrijft bij Genesis 2:17, dat 'de mens met de dood wordt gedreigd, indien hij het gebod overtreedt'. Maar in het Nieuwe Testament staat, dat Jezus, beeld van de onzienlijke God, niet dreigde, en tot ons wordt gezegd 'het dreigen na te laten' (1 Petr.2:23, Ef.6:9). God waarschuwde de mens, zoals een vader een kind doet, wanneer het zich in de buurt van een hete kachel bevindt. Hij wil niet dat het kind zich bezeert. Zo was ook het strenge verbod om afgoden te dienen een waarschuwing om te voorkomen, dat het volk gemeenschap met de demonen zou krijgen. Dit inzicht echter ontvouwt ons alleen het Nieuwe Testament (1 Kor.10:20). Daar alleen vindt men het hoe en waarom.

Dr.Jansen staat erom bekend dat hij in zijn boeken zo overvloedig en gedetailleerd zijn beweringen met bewijzen staaft. Ook in zijn artikel in H.N. valt dit op. Maar waarom laat hij dan bij het aanhalen van het commentaar van Dächsel de motivering ervan weg, namelijk de verwijzing naar Exodus 23:7 en Deuteronomium 28? Evenals de theologen in alle eeuwen beroept Dächsel zich op de joodse visie van de thora. Voor Pilatus gold dan de tekst uit Exodus: 'De onschuldige en rechtvaardige moogt gij niet doden' en in Deuteronomium lezen we de waarschuwing van de Here aan het volk om toch zijn geboden en inzettingen te onderhouden. Werd het nalatig, dan zouden allerlei plagen hun treffen. In hoofdstuk 28 staat bijvoorbeeld: 'De Here zal u verstrooien onder alle natiën van het ene einde der aarde tot het andere... Gij zult onder die volken geen rust vinden... Zonder ophouden zal uw leven in gevaar verkeren... Des morgens zult gij zeggen: was het maar avond; en des avonds: Was het maar morgen van wege de vrees, die uw hart vervult, en vanwege het schouwspel, dat uw ogen zien'.

Vanuit de leer van het Koninkrijk der hemelen gezien, zou het Koninkrijk Gods van Israël worden weggenomen en zijn grote beschermengel Michaël wijken (Matt.21:43, Dan.12:1, verg. Openb.12:7). Het volk zou overgeleverd zijn aan de boze geesten, die hen zouden verzieken, beschadigen, doen zondigen, vervolgen en doden. Dit zijn de werken van de duivel en niet die van God. Israël en ook de theologen aanvaarden deze nieuwtestamentische gedachtenwereld niet, maar ze schrijven het kwade toe aan de Allerhoogste. Zo ontheiligen zij zijn naam. Wie ziek was of tegenslagen had, werd vanwege zijn zonden door God gestraft. Daar zij de geestelijke werkelijkheid niet kennen, schrijven ze de wetteloze daden van de boze geesten aan God toe.

Ds.F.J.Pop schreef in zijn boek 'Bijbelse woorden en hun geheimen': 'Geen jood twijfelde eraan, dat God de overtreders van zijn wet straft en de gehoorzamen beloont. Rampen, tegenslagen, ziekten, kinderloosheid, een vroegtijdige dood zag hij als tekenen van Gods toorngericht over de zonden van een volk, een familie of een enkeling. Voorspoed, rijkdom, gezondheid, een lang leven waren voor zijn besef blijken van Gods gunst jegens zijn gehoorzame kinderen. De ervaring leerde echter, dat deze regel niet altijd opgaat. Zo ontstond het probleem van het lijden der rechtvaardigen en de voorspoed der goddelozen (Job, de psalmen van Asaf, Ps.73). Een oplossing van dit bittere raadsel bleek allesbehalve gemakkelijk te zijn. Job weigerde heftig aan te nemen, dat zijn zonden zouden kunnen dienen als verklaring van mateloos lijden'.

In Zacharia 2:8 staat: 'Aangaande de volken die u uitgeplunderd hebben - want wie u aanraakt, raakt mijn oogappel aan - : voorwaar, zie, Ik beweeg mijn hand tegen hen, en zij zullen hun knechten ten buit worden'. Maar waarom is dan West-Duitsland het welvarendste land van Europa geworden?

In het apocriefe boek 'Tobit' zegt de heel oude - dus gezegende - vader tot Tobias, zijn zoon: 'Geef van harte aalmoezen en wees rechtvaardig, dan gaat het je goed' (14:9). In 'De wijsheid van Salomo' zegt deze koning: 'Ik was een welgeschapen kind, en een goede ziel viel mij ten deel, liever nog: ik die goed was, kwam in een onbevlekt lichaam' (8:19,20). Daarom schreven de joden bij de blindgeborene wiens lichaam wèl bevlekt was, het kwaad toe aan de ouders. Hier was evenwel weer sprake van een wetteloze daad van een boze geest ten opzichte van een onschuldig, blindgeboren kind.

In het boek Ruth wordt meegedeeld dat Naomi het land Moab verliet. Zij klaagde 'De hand des Heren is tegen mij uitgestrekt' en 'de Almachtige heeft mij veel bitterheid aangedaan'. Zij had toch haar man en twee zonen in Moab verloren. 'God had haar weg met doornen bezaaid, opdat zij zou wederkeren naar het land, hetwelk zij tegen Zijn wil had verlaten' (Dächsel). 'Wij handelen dwaas, wanneer wij menen het kruis te zullen ontlopen. Hadden alle Iraëlieten gedaan wat Elimelech deed, het land Kanaän zou welhaast ontvolkt geworden zijn' (Matthew Henry). Het schuld complex van Naomi wordt dus door de theologen overgenomen. De vlucht naar Moab vanwege de hongersnood zou verkeerd zijn geweest en toen vielen er maar liefst drie doden als straf. Maar destijds week Jakob met zijn gehele gezin naar Egypte vanwege een hongersnood, 'en zij werden daar ingezetenen'. Maria vluchtte met haar kind naar Egypte om het gevaar te ontlopen. De profeet Elisa sprak onder gelijke omstandigheden tot de Sunamitische: 'Ga heen, gij met uw gezin, en vertoef in den vreemde waar gij maar kunt, want de Here heeft een hongersnood opgeroepen'. De vrouw gaat dan zeven jaar lang wonen in het land der Filistijnen, dus bij de aartsvijanden van Israël (2 Kon.8:1-6). Elisa was blijkbaar niet op de hoogte van de genoemde commentaren!

De nieuwtestamentische visie

In de geschiedenis van de rijke man en de arme Lazarus doorbreekt Jezus de alom aanvaarde joodse gedachte, dat iemands aardse lot zou afhangen van zijn vroegere daden, iets wat ook in het boeddhisme als karma tot een dogma werd. De gelijkenis richt zich nu eens niet tot de Farizeeën maar tot de Sadduceeën, die rijk waren geworden van de baten, die de tempeldienst hun opleverde. Zij toch vormden de kerkelijke aristocratie. Door hun welvaart voelden zij zich de gebenedijde zonen van de rechtvaardige Abraham. De Sadduceeër passeert de man met de zweren met de uitroep: 'Geloofd zij God, die rechtvaardig is', dit wil zeggen: zo eentje heeft zijn lot natuurlijk dubbel en dwars door openlijke of heimelijke zonden verdient. Tot de joodse vervloekingen behoorde ook de inhoud van Deuteronomium 28:27, namelijk: 'De Eeuwige moge u slaan met Egyptische zweren'. Daarom was deze Job uit het Nieuwe Testament als afval op straat geworpen. Maar Jezus noemde hem Lazarus, omdat hij een Lazarus was, een naam die 'God is mijn hulp' betekent. Lazarus behoorde nog tot die oudtestamentische gelovigen, van wie gezegd werd, dat zij wel een getuigenis hadden dat zij God behaagden, maar dat zij de belofte van het herstel niet verkregen hadden, maar deze slechts uit de verte hebben gezien en begroet. En hoever zijn wij in onze ontwikkeling? Na het sterven van de rijke man en de arme Lazarus volgde het grote demasqué. Hun geestelijke mens werd toen openbaar.

Bij het horen van het nieuws dat Pilatus het bloed van enige Galileeërs met hun offeranden vermengd had, distantieerde Jezus Zich van de joodse mening, dat deze mensen eigenlijk grote zondaars waren geweest. Hij zegt dan, dat zij niet slechter waren geweest dan andere mensen. Wie zich evenwel niet bekeert, mist de bescherming van de heilige engelen en hoe kan hij zich veilig voelen tegenover de wetteloze geesten die in grove willekeur toeslaan? Het zelfde gold voor de achttien op wie de toren bij Silóam was gevallen. Zij waren niet schuldiger dan alle andere mensen (Luc.13:1-5). Het is goed het verhaal van de weduwe te Naïn, wier enige zoon gestorven was, in dit licht te beschouwen. De grote schare die naar het graf meetrok, deed dit niet uit barmhartigheid om haar te troosten, maar om de weduwe, die geen man en geen zoon meer had, waar te nemen. Toen de Here haar zag, werd Hij evenwel met ontferming over haar bewogen (Luc.7:13).

De waarheid is: wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. Dit wil evenwel niet zeggen dat God deze smart dan toebrengt. De mens verliest echter zijn bescherming in de onzienlijke wereld. Bij zijn intocht in Jeruzalem weende onze Heer over deze stad, omdat Hij voorzag dat de vijandige geestenwereld zich met geweld op haar zou werpen (Luc.19:41-44).

Het is beslist geen nieuwtestamentische opvatting dat de joden nog onder een vervloeking zouden leven. De hemelse Vader vervloekt de verloren zoon niet, maar ziet dag en nacht naar uit naar diens terugkeer. In Romeinen 11:27 citeerde Paulus de profetie uit Jesaja 59:20, waar gezegd werd: 'De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal de goddeloosheden van Jakob afwenden'. De Verlosser is uit Sion gekomen en Hij is gestorven voor de zonde van de gehele wereld, ook voor de goddeloosheden van Jakob, zelfs voor de zonde van de verwerping. Israël vormt geen uitzondering op diegenen die deel kunnen krijgen aan de genade. God heeft zijn volk niet verstoten. Daarom gaf Jezus zijn apostelen de opdracht om zijn evangelie eerst in Jeruzalem te verkondigen. In zijn rede richt Petrus zich tot de joden en merkt op: 'En nu, broeders, ik weet dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten' (Hand.3:17). Paulus sprak tot de Atheners: 'God dan verkondigt met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen dat zij allen overal tot bekering moeten komen' (Hand.17:30). De joodse hogepriester evenwel hechtte wel waarde aan de uitroep: 'Zijn bloed kome over ons en onze kinderen', want hij zegt: 'Gij wilt het bloed van deze man op ons doen neerkomen' (Hand.5:28). Men behoeft niet aan het Nieuwe Testament te sleutelen zoals dr.Jansen wil, maar men zal de joodse visie die gebaseerd is op het Oude Testament en die door de kerken overgenomen werd, moeten herzien. Ook hier gelden de woorden van Jezus: 'Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is, maar Ik zeg u...'.

Is er een verklaring voor het lijden

Dr.Jansen veroordeelt de theologen, omdat deze op grond van de joodse Tenach verband leggen tussen Auschwitz en het kruis van Golgotha. In een interview voor de Avro op 23 januari van dit jaar wees Jenny Goeree erop, dat de kerken bevreesd zijn voor de publieke opinie en daarom over hun inzichten liever zwijgen. De apostel Johannes zou in dit geval schrijven 'uit vrees voor de joden' (7:13,19:38 en 20:19). Maar berust dan het lijden der joden op een samenloop van omstandigheden? Zo'n verklaring past bij het niveau van de ouderwetse bedelaar. Tevergeefs heb ik in het proces van de Goerees uitgezien naar een uitleg van het bijna 2000-jarige drama, waarin de joden het slachtoffer waren. Wat antwoorden de christenen die zich aan Israël hechten, hierop, of zwijgen ze ook als de kerken? Hoe verklaren de orthodoxe joden hun bitter lijden?

Denkende vanuit de leer van het Koninkrijk der hemelen die Jezus overal in het joodse land predikte, merk ik op dat de haat van de wereldbeheersers dezer duisternis over wie Paulus in Efeziërs 6:12 spreekt, zich blijft keren tegen het uitverkoren volk om het te vernietigen, ook nadat het de Messias heeft voortgebracht. Deze geestenwereld achter Farao, Haman, de koning van Babel en het Romeinse imperium, is aanwijsbaar. De wereldbeheersers dezer duisternis inspireerden ook Hitler, Nasser, de Russische machthebbers, en Luther, Augustinus, Bernard van Clairveaux, Thomas van Aquino en andere heilig verklaarde antisemieten. Deze geesten willen beletten dat Israël als volk tussen de volken blijft voortbestaan. De geest van onze tijd die de evangelieverkondiging onder de joden wil verbieden met de leer, dat Israël een eigen weg tot behoud heeft, tracht ook nog te verhinderen dat een grote rest van het volk Israël behouden zal worden. Maar Paulus schreef aan het Herrnvolk van zijn tijd, de Romeinen: er is een mysterie dat aan mij is geopenbaard. Het volk Israël is niet in zijn geheel, maar slechts gedeeltelijk verhard en dit zal tot het einde zo blijven. Deze regel voor Israël is van kracht, totdat de volheid der heidenen binnengaat, dus totdat de gemeente van Jezus Christus haar volle ontplooiing heeft bereikt. De gemeente zal dan de joden tot jaloersheid brengen door de evangelieprediking van het Koninkrijk der hemelen met haar hemelse tempel en haar hemels Jeruzalem. Er zullen vele joden zijn, die met de geredden uit alle volken, stammen, natiën en talen zullen staan voor de troon van God (Rom.11:25-27,Openb.7:9).

De wereldbeheersers dezer duisternis bestuurden en besturen de aardse machthebbers van de grote wereldrijken en ook die van het grote Babylon, de afvallige, 'verziekte' kerk, met wie de koningen der aarde hoereerden (Openb.18:9). Niet de goede God vervolgt zijn oude bondsvolk maar de vijand van Hem, die zich tegen Israël keert en het tracht uit te roeien of die wil beletten dat dit volk door de prediking van het evangelie van Jezus Christus tot de grote schare zal behoren en zo zijn doel zal bereiken. Onze God wil niet, dat sommigen (ook joden) verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen. Hij wil dat alle mensen (ook joden) behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen, dus in het evangelie van zijn Zoon geloven (1 Tim.2:4, 2 Petr.3:9).

zie voor andere artikelen kvooverz