kvo 51e jaargang nummer 2 februari 1987

Henk de Cock

De GEMEENTE en het KONINKRIJK

Het centrale thema van de boodschap van onze Heer is het Koninkrijk van God geweest, terwijl als grote gebeurtenis in het Nieuwe Testament, de geboorte van zijn gemeente kan worden genoemd. Een gemeente samengesteld uit geroepenen des Heren. Onderdanen van het Koninkrijk, in wier harten de heerschappij van Christus een realiteit werd, dank zij de bevrijding van zonde en de overheersing van het rijk der duisternis.

Gods gemeente en Gods Koninkrijk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De gemeente van Christus is het instrument waar God Zich van bedient voor de vestiging van zijn rijk. Zij manifesteert in deze wereld de kracht van Christus, die ver verheven is boven alle overheden en macht!

Deze zelfde gemeente nu ontving van Christus de opdracht om het Koninkrijk Gods te prediken. Opdat dit rijk zich zou kunnen uitbreiden tot de einden der aarde. Totdat Christus weerkeert en Hij zijn rijk in definitieve vorm vestigt in deze wereld.

De onverbrekelijke relatie tussen de gemeente en het Koninkrijk van God maakt het noodzakelijk dat we bij het zoeken naar een juist begrip van het wezen en de taak van de gemeente ook een studie maken van het Koninkrijk Gods.

Het evangelie van het Koninkrijk

Jezus Christus en zijn discipelen proclameerden niet alleen een evangelie 'over' het Koninkrijk Gods. Zij brachten bovenal het evangelie 'van' het Koninkrijk.

Deze uitdrukking legt de nadruk op het geweldige feit, dat het Koninkrijk Gods het voornaamste onderwerp van hun boodschap was. Jezus zelf trok 'alle steden en dorpen langs en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal' (Matt.9:35).

Sprekend met zijn discipelen over zijn eigen bediening, zei de Heer: 'Ook aan de andere steden moet Ik het evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen, want daartoe ben ik uitgezonden' (Lucas 4:43).

Jezus liet zijn discipelen ook zien dat dit evangelie de hele wereld over gebracht zou moeten worden: 'Dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn'. (Matt.24;14). Het 'einde' van de wereld zou slechts dan aan de orde komen als de gemeente haar taak om overal het evangelie van het Koninkrijk Gods te verkondigen, volledig zou hebben afgerond!

Waar de grote nadruk ligt op de prediking van het Koninkrijk van God, moet men niet slechts denken aan het doorgeven van de nodige informatie over het Koninkrijk Gods. De opdracht van Christus aan zijn gemeente, is het Koninkrijk Gods in deze wereld gestalte te geven.

Het evangelie is namelijk meer dan een aantal leerstellingen. Meer dan een rijtje gezonde, geestelijke raadgevingen. De waarheid van het evangelie bestaat niet alleen in een theorie, maar in goddelijke kracht die de mens tot bevrijding brengt en tot wedergeboorte wekt!

De apostel Paulus sprak over dit kenmerk van de waarheid in de volgende termen: 'Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft' (Romeinen 1:16). En verder: 'Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht' (1 Kor.4:20).

We kunnen de komst van geen enkel koninkrijk voorstellen, zonder dat dit gevestigd wordt door kracht en autoriteit. Dit is ook op de komst van Gods Koninkrijk van toepassing. De boodschap van het 'evangelie van het Koninkrijk' richt zich dan ook vooral op de verheerlijking van Christus als Koning! Hij is het die als heerser troont 'boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw' (Efeziërs 1:21).

Dit houdt in dat overal waar dit 'evangelie van het Koninkrijk' verkondigd wordt, gebondenen worden bevrijd en zieken genezen. Zo was dat ook in de bediening van Jezus zelf: 'En Hij trok rond.. en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk én genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk... En men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, gekweld door allerlei ziekten en pijnen, bezetenen en maanzieken en verlamden, en Hij genas hen' (Matt.4:23 en 24).

Toen Jezus zijn discipelen uitzond om het evangelie van het Koninkrijk te prediken, verleende Hij hun dezelfde kracht en autoriteit die Hij zelf bezat (Matt.10:1,7 en 8; Lucas 9:1 en 2 ; 10:17-19). We kunnen dus vaststellen dat het werk van bevrijding niet alleen plaatsvond onder de bediening van de Heer zelf. Het is aan het evangelie van het Koninkrijk, dat God zijn kracht verleent. Het wordt immers verkondigd door mensen die door Jezus zelf werden geroepen.

De kenmerken van het Koninkrijk

Bij zijn ondervraging door Pilatus antwoordde Jezus: 'Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld' (Joh.18:36). We moeten dan ook oppassen dat we het rijk van God niet verwarren met een natuurlijk of politiek rijk, zoals bijvoorbeeld de staat Israël dat is. Het Koninkrijk van Christus onderscheidt zich van alle andere koninkrijken van deze wereld, doordat het geestelijk van aard is. Het is geen aards, maar een hemels Koninkrijk!

Hoewel mensen die van harte Gods Koninkrijk zoeken, al hun natuurlijke en materiële behoeften door zijn zorg vervuld zullen mogen zien (Matt.6:31-33), bestaat het Koninkrijk Gods niet in natuurlijke zaken, maar in geestelijke waarden en principes. 'Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de Heilige Geest' (Romeinen 14:17).

Aangezien het hier gaat om een rijk dat specifiek geestelijke waarden vertegenwoordigt, kan het ook niet komen met uiterlijke vormen en menselijke grootdoenerij.

Evenmin mag men het Koninkrijk Gods houden voor een religie, die slechts bestaat in uitwendige vormen, in gebruiken, tradities en religieuze riten. Aangezien het een geestelijk rijk is, wordt het geboren in het hart van de mens: 'Het Koninkrijk Gods komt niet zó, dat het te berekenen is; ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u' (Lucas 17:20 en 21). Of, zoals de Statenvertaling het nog duidelijker zegt: 'Het Koninkrijk Gods is binnenin ulieden'.

In Jezus 'dagen verwachtten de joden dat de Messias zou komen om de heerlijkheid van het Koninkrijk van David weer terug te brengen. Ze verwachtten dat Hij hun de politieke vrijheid en de economische voorspoed weer zou brengen, zoals ze die onder de regering van David hadden gekend.

In Handelingen 15 echter lezen we hoe Jacobus over het herstel van dit rijk van David dacht. Hij sprak van de 'wederoprichting van de tent van David'. En gaf daarbij aan dat dit een verwijzing was naar de gemeente van Christus, waarin zonder onderscheid joden en heidenen verenigd zouden zijn.

Het Koninkrijk van God moet dus met grote kracht gekomen zijn toen op de dag van het pinksterfeest de gemeente van Jezus Christus geboren werd. Zo maakte het 'Israël naar het vlees' plaats voor het 'Israël Gods' (zie 1 Korintiërs 10:18 en Galaten 6:16).

In dit Koninkrijk van God nu is er geen 'sprake meer van jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk' (Galaten 3:28 en 6:15).

Wie zijn de ware kinderen van het Koninkrijk?

Oorspronkelijk waren de joden de 'kinderen van het Koninkrijk' en erfgenamen van de beloften, gedaan aan David (zie Jesaja 55:3 en Mattheüs 8:11). Zij werden later echter verworpen vanwege hun ongeloof, terwijl anderen zouden komen van oost en west om plaats te nemen aan de tafel met Abraham, Isaak en Jakob in het Koninkrijk van God (Matt.8:11 en 12).

Dit betekent niet dat Israël als volk, als natie, verworpen zou zijn (Romeinen 11:1). Er zullen kinderen van Israël, zoals de aartsvaders, deel hebben aan de tafel van de Heer in zijn Koninkrijk. De apostel Paulus constateerde in dit verband dat hijzelf een Israëliet was, en tevens waren daar de andere apostelen en discipelen in de gemeente van Jeruzalem. We mogen dan ook nooit stellen dat God zijn rijk van een bepaald volk weggenomen zou hebben om het aan een ander volk te geven. Hij verwierp alleen diegenen die niet in Jezus geloofden.

Zo waren het bijvoorbeeld de overpriesters en Farizeeën van wie God zijn Koninkrijk zou afnemen om het te geven aan een volk dat de vruchten daarvan zou opbrengen. Zij begrepen dat zelf heel goed (Matteüs 21:43-45).

Jezus zei tot het volk: 'Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan' (Matteüs 5:20).

Zondaren, mensen die niet zijn wedergeboren, worden uitgesloten van het Koninkrijk van God. Onder hen noemt de bijbel: hoereerders, afgodendienaars, overspelers, schandjongens, knapenschenders, dieven, geldgierigen, dronkaards, lasteraars of oplichters (1 Korintiërs 6:10). Evenmin zullen diegenen het Koninkrijk Gods beërven die systematisch de werken van het vlees bedrijven. Onomwonden stelt de apostel Paulus: ' Het is duidelijk wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven' (Galaten 5:19-21).

Bevrijding

Aangezien deze zaken de mens verhinderen om het Koninkrijk Gods binnen te gaan, is er bevrijding van de werken van de duivel in zijn leven nodig - zowel van duivelse bezetenheid en gebondenheid, als van de zonde.

Jezus zei: 'Indien Ik door de Geest Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen' (Matteüs 12:28). We lezen in de Kolossenzenbrief: 'Hij (Jezus) heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden' (1:13).

Aangezien zonden en gebondenheden iemand weerhouden om het Koninkrijk van God binnen te gaan, raadde Jezus aan om daar korte metten mee te maken en radicaal naar bevrijding te zoeken: 'Indien u oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit. Het is beter, dat gij met één oog het Koninkrijk Gods binnengaat, dan dat gij met twee ogen in de hel geworpen wordt, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust' (Markus 9:47). De erfgenamen van het Koninkrijk van God zijn dan ook diegenen wier harten werden veranderd en gereinigd. Of wel: die uit de Geest geboren werden (Johannes 3:3 en 5), en die de wil van de Vader doen (Matteüs 7:21).

Trouw

Een van de belangrijkste eigenschappen die men nodig heeft om het Koninkrijk Gods te beërven, is trouw.

De kinderen van het Koninkrijk zijn niet van deze wereld en daarom haat de wereld hen (Johannes 17:14). Zij lijden verdrukking en vervolging terwille van hun liefde voor Christus. Om die reden behoort het Koninkrijk Gods alleen aan de getrouwen en onwankelbaren. Jezus zei tot zijn discipelen: 'Gij zijt het, die steeds bij Mij gebleven zijt in mijn verzoekingen. En Ik beschik u het Koninkrijk, gelijk mijn Vader het Mij beschikt heeft, opdat gij aan mijn tafel eet en drinkt in mijn Koninkrijk' (Lucas 22:28-30).

Eenvoud

Nog een andere eigenschap van het Koninkrijk wordt door de Heer hoog aangemerkt. Verschillende malen stelde de Heer dat het Koninkrijk van God toebehoort aan de kleinen (Matteüs 19:14; Lucas 18:16). We moeten het Koninkrijk ontvangen als een kind (Marcus 10:15; Lucas 18:17).

Een van de grootste hindernissen om het Koninkrijk Gods binnen te gaan is wel de traditie. De mens klemt zich vast aan de ijdelheid van zijn eigen gedachten. Zijn bevooroordeelde, persoonlijke overtuiging blokkeert de eenvoudige waarheden van het evangelie. Het zijn de kinderen die zonder hoogmoed en eigendunk, in eenvoudig vertrouwen de boodschap van God kunnen ontvangen. De nederigheid en ontvangkelijkheid van een kind zijn essentieel om de waarheden van het Koninkrijk Gods te aanvaarden. Het Koninkrijk van God behoort dan ook aan de 'nederigen van geest' (Matteüs 5:3). De meest nederige in dit Koninkrijk zal altijd de grootste zijn (Matteüs 18:4).

In zijn gelijkenissen vergeleek Jezus Het Koninkrijk van God met een schat en een parel van grote waarde (Matt.13:44-46). Niemand kan het Koninkrijk Gods erven als hij niet met blijdschap alle andere dingen aflegt en afwijst. We moeten ons volkomen aan dit Koninkrijk wijden. Dit leert ons ook de gelijkenis van de verborgen schat. Over de man die deze gevonden had vertelt Matteüs: 'En in zijn blijdschap gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker'.

Aan de andere kant geeft Jezus ook de belofte: 'Er is niemand, die huis of vrouw of broeders of ouders of kinderen heeft prijsgegeven om het Koninkrijk Gods, of hij zal vele malen meer ontvangen in deze tijd en in de toekomende eeuw het eeuwige leven' (Lucas 18:28 en 30).

De verbreiding van het Koninkrijk van God

Jezus vergeleek het Koninkrijk der hemelen met een mosterdzaadje, dat het kleinste van alle zaden is, maar een levenskracht in zich bergt, groter dan welk zaad ook. Als het eenmaal ontkiemd is, wordt het het grootste van alle tuingewassen. Het groeit uit tot een boom (Matteüs 13:31 en 32). Het Koninkrijk van God begint op ogenschijnlijk onbelangrijke wijze, maar breidt zich uit met grote kracht.. Het groeit en neem toe als de steen uit de droom van koning Nebukadnezar, die losraakte zonder toedoen van mensenhanden, maar die alle koninkrijken van de wereld verbrijzelde en de gehele aarde vulde (Daniël 2:34,35 en 44).

In de evangeliën lezen we hoe Johannes de Doper, en later Jezus en zijn discipelen de komst van het Koninkrijk verkondigden. 'Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen', was de boodschap. Vanaf het einde van de bediening van Johannes de Doper begon dit Koninkrijk baan te breken (Matt. 11:11 en 12).

Er brak echter ook een moment aan waarop het Koninkrijk van God met kracht kwam. Jezus sprak hierover, toen Hij tegen zijn discipelen zei: 'Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij zien, dat het Koninkrijk Gods gekomen is met kracht' (Marcus 9:1; zie ook Matteüs 16:28 en Lucas 9:27).

Deze nieuwe krachtsopenbaring van Gods Koninkrijk op deze aarde wachtte op het ogenblik dat Christus naar de hemel gevaren zou zijn, en Hij zijn plaats ingenomen zou hebben boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij. Dat was op de Pinksterdag, toen de verheerlijkte Christus Zich aan zijn discipelen openbaarde.

Vóór zijn hemelvaart verscheen Jezus aan zijn discipelen gedurende veertig dagen; in deze tijd sprak Hij over de dingen van het Koninkrijk van God (Handelingen 1:3). Maar op de Pinksterdag werd de belofte die God aan David gezworen had, vervuld, dat zijn Nakomeling voor altijd op de troon zou zitten. Deze belofte werd werkelijkheid, toen de Heilige Geest uitgestort werd over de dienaren van Jezus (Joh.7:39). Christus werd verhoogd en verheerlijkt als Heer en Koning, zittend aan de rechterhand van God. En toen Hij de belofte van de Heilige Geest verkregen had, stortte Hij deze uit over zijn discipelen (Handelingen 2:30-36).

De gemeente van Christus ontstond op de dag van Pinksteren. En de bijbel spreekt over de gemeente, wanneer hij zegt: 'Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed - Hij heeft ons tot een koninkrijk...gemaakt' (Openbaring 1:5 en 6).

Jezus heeft zich nooit uitgelaten over het exacte tijdstip waarop het Koninkrijk Gods zou komen. Hij was echter wel heel duidelijk over de manier waaróp het zou komen. Namelijk: 'met kracht! Hij had tot zijn discipelen gezegd: 'Gij zult kracht ontvangen!' En Hij had daaraan toegevoegd, dat het Koninkrijk Gods in Jeruzalem en Judéa zou beginnen, maar dat het zich zou uitbreiden tot aan het uiterste der aarde (Hand.1:6-8).

Zo trokken de discipelen en apostelen naar alle kanten om het evangelie van het Koninkrijk te verkondigen (Handelingen 8:12; 20:25; 28:23). Van Paulus lezen we dat hij vrijmoedig sprak om de Efeziërs te overtuigen 'aangaande het Koninkrijk Gods' (Handelingen 19:8).

Zoals het boek Handelingen begint te vertellen over Jezus die het Koninkrijk Gods predikte, zo ook eindigt het met verhaal van Paulus als gevangene, die het Koninkrijk Gods verkondigde met alle vrijmoedigheid (Handelingen 28:31). Wanneer Paulus het over zijn metgezellen heeft, spreekt Hij over hen als zijn 'medewerkers in het Koninkrijk Gods' (Kolossenzen 4:11).

Jezus vergeleek het Koninkrijk der hemelen met een visnet, dat vissen van allerlei soort naar boven haalt. De grote opdracht van de gemeente is de uitbreiding van het Koninkrijk Gods tot aan het einde der aarde. Het 'einde' zal precies samenvallen met de voleinding van de loopbaan, die Christus aan zijn gemeente gaf. 'En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn' (Matteüs 24:14). Wanneer de gemeente haar taak op aarde volbracht zal hebben, zal Jezus zijn Koninkrijk in deze wereld op een definitieve en totale wijze vestigen. Dan zal de Heer afrekenen met allen, die zich niet aan Hem onderworpen hebben, en Hij zal de erekrans geven aan hen die trouw geweest zijn (Matt.13:41-43).

zie voor andere artikelen kvooverz