kvo 51e jaargang nummer 1 januari 1987

J.E.v.d.Brink

(uit de pers)

Z I E L E S L A A P

Het is opmerkelijk dat het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, dat van de onzienlijke wereld, altijd en overal op ontkenning en tegenstand stuit. Paulus schreef echter dat wij als christenen niet zien op het zichtbare maar op het onzichtbare. Maar wie houdt zich nu bezig met het onzichtbare? Toen Jezus tot de joden sprak dat de waarheid aangaande de onzienlijke wereld hen vrijmaken kon, beweerden zij ogenblikkelijk dat ze als nageslacht van Abraham nooit iemands slaven in de natuurlijke wereld waren geweest. Zo kent men vandaag aan de dag een bevrijdingstheologie, die zich alleen richt op de bevrijding van onderdrukte volken. Hoevelen houden zich niet bezig met het natuurlijk volk Israël. Zij spreken niet over het hemelse Jeruzalem maar theoretiseren over het aardse. Zij poneren stelligheden over een toekomstige tempel der joden, maar de tempel die in de hemel is, staat buiten hun belangstelling. Is het nu zo vreemd dat men dit elimineren van de onzienlijke wereld voortzet bij het sterven? Het boeddhisme leert dat de volmaakte, heilige mens na zijn sterven in het nirwana terecht komt, in het eeuwige niets zijn. In het christendom kent men een soortgelijke leer. Men gelooft dat de mens bij zijn heengaan mag zingen: 'o, niets te zijn, gans niets te zijn'. Hij valt dan in 'het zwarte gat' waarin heel zijn bestaan verdwijnt. Eufemistisch spreekt men dan over een zieleslaap. Op de dag der opstanding zou God dan de mens die er niet meer is, zich herinneren, om hem dan uit het niets tevoorschijn te brengen.

Is het nu zo vreemd dat ik bij het ouder worden, zekerheid wil hebben over de dingen, die mij bij het sterven te wachten staan? Het gaat toch over een actuele zaak. Wanneer ik volgens Johannes 3:36 door het geloof het eeuwige leven ontvangen heb, is het dan mogelijk dat ik toch in een absolute afwezigheid geraak, waarbij het eeuwige leven voor een tijd vernietigd is? Heeft Jezus niet beloofd dat Hij de Heilige Geest schenkt om tot in eeuwigheid bij ons te blijven? (Joh.14:16). Zal die Heilige Geest dan toch verdwijnen?

Bovenstaande gedachten kwamen bij mij op, toen ik verleden jaar enkele exemplaren van 'De echte waarheid' ontving. Ik las in het septembernummer: 'In onze artikelen wordt aangetoond, dat er voor het eeuwenoude geloof in het gescheiden bestaan van een lichaam en een ziel geen enkele ondersteuning in de bijbel te vinden is.. De ziel sterft en kan doodgaan (Ez.18: 4,20). De doden kunnen niet met de levenden communiceren. En waarom niet? Ze zijn dood - ze leven niet verder in een of andere geestenwereld... Het is de demonenwereld - eropuit om de valse leer van de onsterfelijke ziel te bestendigen - die achter de geestverschijningen in seances, foto's van geesten en elektronische stemverschijnselen steekt. Door zich voor te doen als geesten van de overledenen misleiden zij hen die niet grondig in de bijbel zijn geschoold'.

Het valt mij op dat men het geloof in de onsterfelijke ziel steeds op geraffineerde wijze verbindt met het spiritisme. Tegenstanders van het spreken in tongen doen hetzelfde door te zeggen dat spiritisten ook in tongen spreken. Alsof Paulus die meer dan alle andere leden van de Korintische gemeente in tongen sprak, dit niet wist (1 Kor.12:2).

Wat is sterven? Het ogenblik dat het geestelijk lichaam het natuurlijk lichaam verlaat. Dit laatste is dan dood. Voor het geestelijk lichaam (ziel en geest en ook Heilige Geest) gelden de woorden van Jezus: 'Indien iemand mijn woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen noch smaken' (Joh.8:51,52). Voor ons zijn degenen die heengingen wel dood, maar voor God die in de onzienlijke wereld ziet, leven zij allen (Luc.20:38). Gestorven mensen kunnen met ons niet converseren, omdat zij in een andere geestenwereld zijn.

Wanneer iemand ont-slaapt, dat is beginnen te slapen, wordt hij onttrokken aan de zichtbare wereld, maar met zijn geesteslichaam kan hij in de onzienlijke wereld horen en zien. Iemand die slaapt, bestaat. Jezus sprak, dat de vijand wel het lichaam kan doden, maar de ziel, het hart van het geestelijk lichaam, niet (Matt.10:28). Ook beloofde hij zijn gemeente, dat de poorten van het dodenrijk haar niet zouden overweldigen (Matt.16:18). Kinderen Gods leven na hun sterven verder in de geestenwereld van het Koninkrijk Gods, buiten de sfeer van de lucht, die het beeld is van de onzichtbare wereld die om de natuurlijke mens is (Ef.2:2). Zij die Christus niet aannamen, hebben tot de tijd der opstanding hun bestaan in het dodenrijk en zijn daar onder de bewaking van de doodsmachten. Vandaar het woord 'gevangenis' voor het dodenrijk. Na zijn sterven ging Jezus als Zoon des mensen het dodenrijk binnen. Als overwinnaar predikte Hij aan de geesten in de gevangenis, die in de dagen van Noach ongehoorzaam waren geweest (1 Petr. 3:19,20). De aanhangers van de zieleslaap zeggen dat Jezus drie dagen in het graf lag en niet naar de geestelijke mens in het dodenrijk kon zijn. Zij lezen de apostolische geloofsbelijdenis als volgt: '...Jezus Christus die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, ten derde dagen wederom opgestaan van de doden, en daarna neergedaald in het dodenrijk'. Zij loochenen immers dat Jezus na zijn sterven nog bestond. Dood is bij hen dood. Petrus zei evenwel: '..dat Hij niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch zijn vlees (in het graf) ontbinding heeft gezien' (Hand. 2:27,31). Het woord 'overgelaten' wordt in 2 Timotüs 4:16 vertaald door: 'in de steek gelaten'. De geest van Jezus was immers met de Heilige Geest verbonden, want toen Hij stierf sprak Hij: ' Vader, in uw handen (beeld van de Heilige Geest) beveel Ik mijn geest'. De Heilige Geest schonk Hem de aktiviteit en de kracht om alle inaktiviteit, die het sterven met zich brengt, te overwinnen. Dat er ménsen in het dodenrijk vastgehouden worden, leert ons Openbaring 6:8. Johannes zag een ruiter op een vaal paard, wiens naam was de dood en het dodenrijk volgde hem, om de gestorven mensen in zich op te nemen. In Openbaring 20:12 staat, dat de dood en het dodenrijk hun doden moesten teruggeven.

De onzienlijke wereld is een waarneembare realiteit voor de innerlijke mens. Dit leert ons ten slotte wel de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. De gebondenen door boze geesten lijden daar smarten, maar de rechtvaardigen die geschreven zijn in het boek des levens, worden daar getroost en zij kunnen de top van hun vingers nog altijd dopen in het water des levens (vergelijk Luc.16:19-31 en Openb.20:13-15).

zie voor andere artikelen kvooverz