kvo 50e jaargang nummer 11 november 1986

J.E.v.d.Brink

De oorlogen des Heren

Het geheim der wetteloosheid

Vanaf het ogenblik dat de zondemachten in de schepping geslopen zijn, is er sprake van strijd, twist, spanningen en bloedvergieten tussen de mensen onderling en tussen volken en rassen. Hiervan vinden we in de bijbel heel wat realistische beschrijvingen. Maar wie denkt daarbij nog aan de woorden van de grote apostel, dat wij in principe geen strijd hebben tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, de machten, de wereldbeheersers dezer duisternis en de boze geesten in de hemelse gewesten? Met deze woorden wordt het mysterie der wetteloosheid geopenbaard.

De nimmer aflatende worsteling tegen de geestelijke boosheden werd in het paradijs reeds geformuleerd in de godsspraak: 'Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de hiel vermorzelen' (Gen.3:15). Hiermee koos de Here God onvoorwaardelijk de zijde van de mens. Het slangenzaad wordt gevormd door de rebellerende engelen, die de leugen van de duivel, dat is zijn zaad, in zich hadden opgenomen. Tot het zaad der vrouw behoren zij die de waarheid van het plan van God aangaande de verheffing van de mens, hebben overgenomen. Het zaad van God is zijn woord. Van hen die dit woord bewaren, staat: 'Een ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad Gods blijft in hem' (1 Joh.3:9).

In de bedéling der schaduwen was er een 'boek van de oorlogen des Heren' (Num.21:14). Hierin werd opgetekend hoe vele malen en op welke wijze het volk Israël streed tegen zijn aardse vijanden, die geleid werden door 'de goden der volken'. In het nieuwe verbond wordt door het volk van God echter een rechtstreekse strijd gevoerd tegen de boze geesten. Hiervan wordt ook boek gehouden, want Jezus wees erop, dat in de hemelen de namen opgetekend zijn van hen, die de gehele legermacht van de vijand onderworpen hebben. Het is wel duidelijk, dat niemand tegen alle boze geesten te strijden heeft, maar wij kunnen wel alle vijanden overwinnen, die in de sector van ons leven zich aan ons opdringen. Wij worden immers nooit boven ons vermogen verzocht. Wie op eigen terrein zegeviert, zal bemerken dat het strijdtoneel uitgebreid wordt, want wie trouw is in het kleine, zal ook heersen over de grotere machten.

Strijd op hoog niveau

Ruim twintig jaar geleden werden wij op het conferentie-oord 'Beukenstein' regelmatig geconfronteerd met het uitdrijven van boze geesten. Vele bezoekers werden bevrijd van occulte machten en demonen van allerlei soort, die de ware levensweg blokkeerden. Ook ziektemachten werden verdreven en een nieuw tijdperk voor de volle-evangeliegemeenten brak aan. Wij ervoeren dat we niet langer tot machteloosheid waren gedoemd, maar dat we zelfs tot de aanval konden overgaan. We begonnen natuurlijk met de machten in eigen leven te weerstaan, ze te binden en te verdrijven.

In Efeziërs 6:12 spreekt de apostel niet alleen over de worsteling tegen de vulgaire, onreine geesten, maar hij wijst ook op de hogere rangen in het vijandelijke leger, die zich bezighouden met het onderwerpen van volken, landstreken en steden. De 'overheden' zijn dan de viersterrengeneraals en de 'machten' de subalterne officieren. In de legertop zijn ook de 'tronen' en 'heerschappijen', die allen de aardse overheden trachten te inspireren en te beïnvloeden. Allen stellen zich vijandig op tegen de gemeente van Jezus Christus. Daarom raadt de apostel ons aan om voor de wereldlijke autoriteiten te bidden, dat wil zeggen voor hen in de bres te staan in de hemelse gewesten. De valse wereldgodsdiensten worden door deze onzienlijke machthebbers bestuurd, teneinde door hen het politieke leven te beheersen. Ook de afvallige kerk wordt op deze wijze gedirigeerd, want het grote Babylon hoereert met de koningen der aarde. Daarom spreekt men van nationale kerken, staatskerken en volkskerken.

Toen de Here Jezus het meer van Gennésareth overstak om in het land der Gerasénen een man, in wie een legioen demonen huisden, te bevrijden, kwamen de onzichtbare beheersers van deze halfheidense landstreek in het geweer. Zij veroorzaakten een zware storm, die het scheepje waarin Jezus Zich bevond, deed vollopen. De Meester bestrafte evenwel de wind en sprak tot de zee: 'Zwijg, wees stil!' Sidderend trokken de streekgeesten zich terug in hun hoofdkwartier, 'in de graven en in de bergen'. Na zijn bevrijding kreeg de bezetene de opdracht om in zijn land te gaan vertellen, wat de Here in zijn ontferming aan hem had gedaan. Dit betekende een verkondiging van een bevrijdingstheologie op grond van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen (Marc.5).

Eenmaal bevond zich te Pergamum tijdelijk 'de troon des satans'. In deze plaats werd Asclépius vereerd. Het symbool van deze god was een slang, die de ziekte wegnam. Vandaar zijn bijnaam sotèr, dat is heiland of redder. Onder invloed van deze anti-Jezusgeest werd Antipas, de getrouwe getuige van de ware Heiland en Redder, gedood (Openb.2:13).

Op zijn tweede zendingsreis kreeg Paulus een visioen van een Macedoniër, die hem toeriep: ' Steek over naar Macedonië, help ons'. Bij zijn aankomst te Filippi zag de apostel evenwel geen smekende heilbegerige Griek, maar wel ontmoette hij daar - na zijn contact met enkele joodse vrouwen en de Lydische purperverkoopster - een Macedonisch slavinnetje met een waarzeggende geest. Zij bezat, zoals er letterlijk staat, een geest Python. Deze Python was de naam van een draak, een sterke leugengeest, die zijn orakels uitsprak in de stad Delphi. Toen het christendom voet ging krijgen in Europa, sprak deze leugengeest door middel van het slavinnetje, dat de mannen Gods niet de weg maar een weg tot behoud predikten (zoals er letterlijk in Handelingen 16:17 staat). Vanwege deze theosofische misleiding werd Jezus tot een van de vele wereldleraars gedegradeerd. Nadat Paulus deze tegenstander van het christendom uitgeworpen had, kwamen de overheden en machten in beweging, zodat Paulus en Silas met bebloede ruggen in de kerker werden geworpen. Het grote en blijde geloof van deze apostelen veroorzaakte evenwel een hemelse overwinning en opende de weg voor een bovennatuurlijk, goddelijk ingrijpen.

 

Wereldbeheersers

Naast de overheden en machten wijst de apostel nog op een groep aartsengelen in het rijk der duisternis, namelijk op de wereldbeheersers. De kosmokratoor, wereld-beheerser, staat vijandig tegenover de panto-kratoor, de Al-beheerser, de Almachtige. De wereldbeheersers zijn de vorsten en legercommandanten, die door de overste dezer wereld zijn aangesteld om pressie en invloed uit te oefenen op de bestuurders der grote mogendheden. Het ligt voor de hand dat in landen met dictators en absolute monarchen deze geesten gemakkelijker hun macht kunnen uitoefenen dan in democratieën, waar een samenwerking vereist wordt van mensen met verschillende religies, politieke inzichten en maatschappelijke standpunten. Wanneer absolute regeerders onvoldoende geest hebben, dus in hen de ingeschapen wet van God niet meer werkzaam is, worden zij een prooi van deze duistere heersers. Daarom staan dictators bijna altijd vijandig tegenover het ware volk van God, terwijl zij de afvallige kerken meestal tot een willige bondgenoot maken. Zo luisterde ik destijds verschillende malen door de radio naar de redevoeringen van de mediamieke Adolf Hitler, die zijn toehoorders in een hypnotische 'begeestering' bracht. De Führer duidde zijn geleidegeest dikwijls aan met de naam 'voorzienigheid'. Hij sleepte met zijn ras-, bloed- en bodemleer zelfs vele christenen mee. De Duitse kosmokratoor streefde naar de wereldheerschappij met de bedoeling een antisemitisch en antichristelijk machtscentrum op te richten. Hij beoogde een duizendjarig rijk op te richten dat niet van God was maar van de aarde. Op machtige vleugels verhief zich de Duitse adelaar, doch het Hitler-Duitsland werd na korte tijd verbrijzeld; de vleugels werden uitgerukt en zijn macht in de lucht gebroken. Dit land 'werd van de aarde een ogenblik opgeheven' om daarna door de mogendheden op twee voeten gesteld te worden als een mens, dit wil zeggen dat het in twee delen gescheiden werd en van al zijn übermensch-aspiraties afstand moest doen. De grootspraak van Duitsland verdween. Maar wie van de christenen in Duitsland had de worsteling gevoerd tegen de wereldbeheersers van de duisternis die hen omringde? (verg. Daniël 7:4).

Omstreeks 1936 las ik in het pinksterblad 'Heilszeugnisse' een gezicht. Er werd een adelaar gezien die hoog opsteeg. Zijn vleugels waren zo ontzaglijk groot, dat de zon erdoor werd verduisterd. Daarna viel de roofvogel terug naar de aarde. De belofte was, dat na een tijd van grote duisternis er nog een periode zou aanbreken, waar het licht helderder zou stralen dan ooit tevoren. Wel een heerlijke profetie.

Toen ik een kind was, hoorde ik de verhalen over de pseudoheilige Raspoetin (zijn naam betekende: de losbandige). Hij was de profeet van het ten ondergaande tsarendom. Toen Raspoetin einde 1916 vermoord werd en later in 1918 ook tsaar Nicolaas II met zijn gezin, zocht de 'vorst' van Rusland een ander werktuig. In 1917 keerde Lenin naar Rusland terug en werd bij de oktoberrevolutie in dat jaar de grondslag gelegd van het sovjetsysteem, dat de strijd zou aanbinden met allen, die de naam van Jezus belijden. Ook zien wij dat de Russische beer zich op ene zijde opgericht heeft om veel vlees te eten, want ook de kosmokratoor van Rusland jaagt naar de macht over de ganse aarde, naar een wereldrevolutie, teneinde een athestisch machtscentrum op te richten (vergelijk Dan.7:5).

In het machtscentrum van de vijand

Het is een bekend gegeven dat een dwaling of een valse leer het beste bestreden kan worden door hen, die er eerst zelf jaren in geloofd hebben. Zij hebben dan het klimaat dat de leugengeesten bij zich hebben, aan den lijve ervaren. Wie kon beter de Rooms-katholieke leer ontmaskeren dan de monnik, doctor Maarten Luther? In de bijbel vinden we enkele frappante voorbeelden, hoe dienstknechten van God in het centrum van het vijandelijke legerkamp werden geplaatst. Van de oudtestamentische strijders valt de aandacht allereerst op Mozes. Als zoon van joodse ouders kwam hij als knaap aan het hof van de Farao. Daar werd hij onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren en werd hij machtig in woorden en werken (Hand.7:22). Deze wijsheid bestond dan wel grotendeels in kennis van astrologie en toverkunsten. De rabbijnen zeiden: 'Tien maten toverij zijn in de wereld gekomen; negen ervan ontving Egypte en één de gehele overige wereld'. Mozes wist dat de slang het symbool was van de wereldbeheerser der Egyptische duisternis. De giftige cobra was afgebeeld op het hoofd van de Farao om diens vijanden bang te maken. De voorvaderlijke staf van Aäron, en de staven der wijzen en tovenaars waren het symbool van de invloed in de geestelijke wereld. Zo heeft Jacob zijn zonen gezegend en heeft hij aangebeden, leunend 'op het uiteinde van zijn staf' (Hebr.11:21). Vanwege zijn opvoeding kende Mozes de occulte wereld door en door. Daarom kon hij haar zo goed bestrijden. Toen zijn staf een slang werd, verslond deze de slangen der tovenaars. In de hemelse gewesten was toen de beslissing gevallen. De duistere machten die de tovenaars meenden te beheersen door hun magie, keerden zich nu tegen de Egyptenaren zelf. In dit alles werd Mozes bijgestaan door de engel des Heren, de grote vorst Michaël, van wie werd gezegd, dat hij de zonen van het volk, dat zijn de leiders, terzijde stond (Dan. 12:1).

Ook de richter Simson zocht al vroeg contact - al was het op onoorbare wijze - met de Filistijnen. Deze onheilige strijder leerde dit occulte volk vanuit een intieme omgang goed kennen. Ook hij werd bijgestaan door de engel des Heren, die reeds voor zijn geboorte een rol in zijn leven speelde. Zijn grootste overwinning behaalde hij, toen hij tussen de twee pilaren van de tempel van Dagon stond en deze in de kracht van de Geest des Heren omtrok.

Waarom werd Daniël reeds op zo'n jeugdige leeftijd met zijn vrienden aan het hof van Nebukadnezar geplaatst? Hij overtrof daar wel tienmaal de geleerden en bezweerders van het Babylonische machtsgebied. Hij openbaarde verborgenheden die geen waarzegger te kennen kon geven. Hij beschreef de betekenis van het beeld, dat de koning in zijn droom had gezien. Hij verklaarde ook de droom die voorspelde, dat de koning een tijd geestesziek zou zijn. Bij het feestmaal van Belsasar ontraadselde hij de betekenis van het handschrift aan de wand. Hij bad driemaal daags voor een open venster dat op Jeruzalem uitzag, en bewoog zich daarmee in de hemelse gewesten ten behoeve van zijn volk. Toen velen van hen onder Kores terugkeerden, bleef Daniël achter om met de vorst van Perzië te strijden. Toen de herbouw van stad en tempel jaren lang gestaakt werd, stelde Daniël zich op tegen de kosmokratoor van Perzië, Gabriël vertelde hem toen dat Michaël, de grote vorst van het joodse volk, die ook Daniël terzijde stond, de overwinning had behaald. Het werk te Jeruzalem kon daarna verder worden afgemaakt.

Paulus, de rabbijn en de Romein

De apostel Paulus had een dubbele opdracht: hij moest jood en heiden 'de ogen openen ter bekering uit de duisternis tot het licht, en van de macht van satan tot God' (Hand.26:18). De strijd die Jezus tegen de geest van het wetticisme en legalisme begonnen was, werd door hem geïntensiveerd. Daarom moest dit uitverkoren vat als jongeman naar Jeruzalem om daar opgeleid te worden door Gamaliël. Daar leerde hij de wetten en voorschriften der joden als geen ander kennen. Hij schreef: 'In het judaïsme (jodendom) heb ik het verder gebracht dan vele van mijn tijdgenoten onder mijn volk, als hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen' (Gal.1:14). Jeruzalem was het bolwerk van de religieuze wereldbeheerser der duisternis, die het godsdienstige leven der joden door middel van hun overheden en leidslieden bestuurde, en die vijandig stond 'tegen de Here en zijn Gezalfde'. Michaël, de hemelvorst, was van de zonen van het volk geweken en gegeven aan de gemeente van Jezus Christus. 'Het Koninkrijk Gods was van hen weggenomen' (Matt.21:43). Israël zou voortaan zitten zonder aardse koning en zonder hemelvorst (Hos.3:4). Evenals Jezus verkondigde Paulus het evangelie van het Koninkrijk der hemelen en tot in onze tijd geldt zijn uitspraak: 'Ook al zouden wij, of een engel uit de hemel u een ander evangelie verkondigen, afwijkende van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt', dus prijsgegeven aan de boze geesten in de hemelse gewesten.

Paulus was echter niet alleen een rabbijn, maar ook een Romein. Daarom was het voor hem mogelijk een beroep te doen op de keizer. De Here had immers tot hem gezegd: 'Houd moed, want zo als gij te Jeruzalem van mij getuigd hebt, moet gij ook te Rome getuigen' (Hand.23:11). Voor christenen dreigde niet alleen het immense gevaar van het judaïsme, maar ook dat van de vorst van het Romeinse imperium. Er was niet alleen een vervolging van joodse zijde, maar ook zouden de Romeinse keizers de christenen zwaar verdrukken (1 Tess.2:14,15). Voor de Romeinen was toch het hoogst denkbare: de staat en de staatsmacht, verpersoonlijkt in de keizer. Daarom bouwde men voor hem altaren en bracht men hem offers. Ook dit offeren geschiedde aan boze geesten, aan de wereldbeheerser van het Romeinse rijk (1 Kor.10:20). Onder de wrede vervolgingen, die onder Nero aanvingen en bijna twee eeuwen duurde, dreigde het christendom weggevaagd te worden. Daarom moest Paulus naar Rome en kwam hij in het hol of liever in 'de muil van de leeuw' (2 Tim.4:17). Zijn medechristenen hadden hem verlaten maar zijn engel stond hem terzijde. Vanuit Rome kon de gezant in ketenen schrijven: 'Ik heb de goede strijd gestreden'. De wereldbeheerser van het Romeinse rijk werd met hulp van 'de vorst van het heer des Heren' door hem verslagen. Binnen het tijdperk der vervolgingen zou het christendom zelfs tot een wereldgodsdienst uitgroeien.

Tenslotte merk ik op dat ook wij in een geweldige strijd zullen worden gewikkeld. Wanneer de grote schare die niemand tellen kan, uit alle volken, stammen en natiën en talen wordt binnengebracht, gebeurt dit alleen indien de wereldbeheersers der omringende duisternis door de zonen Gods onmachtig worden gemaakt, want ook wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen... de wereldbeheersers dezer duisternis. De belofte wordt realiteit: 'En er kwam oorlog in de hemel: Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak... maar hij kon geen standhouden... en zij (de zonen van het volk) hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis' (Openb.12:7-12). Staat uw naam ook al in het boek van de oorlogen des Heren?

zie voor andere artikelen kvooverz