kvo 50e jaargang nummer 9 september 1986

Wilkin van de Kamp

GEROEPEN tot GEMEENSCHAP

'God is getrouw, door wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here' (1 Kor.1:9).

Toen ik deze tekst eens in wat andere vertalingen opsloeg, viel me op dat de 'moderne' bijbelvertalers het woord gemeenschap (bewust?) proberen te mijden. Waarschijnlijk wel met de bedoeling het woord op juistere wijze weer te geven, maar misschien ook om het uit een geheimzinnig sfeertje te halen. Want al met al kun je er vele kanten mee uit.

Het woord komt in de bijbel dan ook niet zo heel vaak voor. Voor het eerst kom je het tegen in Genesis 4:1, waar staat: 'De mens nu had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kaïn'. Nu heeft het Hebreeuws helemaal geen woord voor 'gemeenschap'. Het gebruikt daarvoor het woord 'kennen'. In de Statenvertaling lees je dan ook: 'En Adam bekende Eva'. Eigenlijk is dat heel mooi. Want de basis voor gemeenschap tussen man en vrouw is toch dat je elkaar door en door kent. Je hebt elkaar geaccepteerd zoals je bent. Wat er dan ook komen zal, je weet wat je aan elkaar hebt!

Is het zo ook niet in onze relatie met God? Willen we tenvolle gemeenschap hebben met Hem, dan zullen we Hem werkelijk goed moeten kennen. Niet een kennen, zoals heel Nederland de koningin kent; van een foto uit een damesblaadje, of zomaar van horen zeggen. Nee, als God ons oproept tot gemeenschap met Hem en zijn Zoon, houdt dit in dat we Hem persoonlijk mogen kennen als 'een Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer!' (Jak.1:17). Zo'n Vader kun je vertrouwen.

Beschadigd vaderbeeld

Niet iedereen associeert het woord 'vader' met een persoon die je volop vertrouwen kunt, die op een goede wijze zorg voor je draagt. Wie kent de verhalen niet van kinderen die opgroeien in een klimaat van angst. Angst die zelfs kan uitgroeien tot haat. Er zijn duizenden kinderen in Nederland die totaal gefrustreerd zijn door de manier van optreden van hun vader. Er zijn duizenden volwassen geworden mensen, die zijn blijven steken in een beschadigd vaderbeeld. Wat roept zo'n bijbeltekst bij hen op? Waarschijnlijk alleen maar negatieve gevoelens, wrok en haat.

Je denkt wel eens: hoe kunnen zulke mensen God leren kennen als een liefdevolle Vader? Wat enorm dat wij er dan onze grote Broer bij kunnen halen, Jezus Christus. Hij kent de Vader als geen ander! Het is zelfs zo: kijk je naar Jezus, dan zie je God. Hij is de volmaakte afspiegeling van zijn Vader. Bestudeer je het leven van de Zoon van God, dan ga je ontdekken dat er Eén is die veel om je geeft. Eén die enkel goed is. Iemand die je volkomen kunt vertrouwen. In gemeenschap met Jezus Christus leren we onze Vader kennen zoals Hij werkelijk is.

Deelgenoten

Nu moeten we niet denken dat gemeenschap met de Vader en Zoon enkel inhoudt dat we alleen maar vol zijn van lofprijzing en aanbidding. Stel je voor dat ik de hele dag achter m'n vrouw aan zou lopen om te zeggen hoeveel ik van haar houd. Dan zou ze op een keer zeggen: 'Jongen, nou weet ik 't wel, ga nu maar eens aan je werk!'.

Lofprijzing en aanbidding is iets heerlijks, maar gemeenschap met God houdt meer in. Het Griekse woord voor gemeenschap (koinonia) betekent eigenlijk: delen, deelnemen of deelhebben aan.

Echte gemeenschap met God bestaat hierin dat we ons hele leven delen met Hem. Niet slechts daar, waar het óns uitkomt, maar op alle terreinen van ons leven. Daar is overgave voor nodig. Volledige overgave. In zo'n gemeenschap laat God je deelnemen aan de verwezenlijking van zijn plan met de schepping. God zoekt in deze tijd mensen die zijn deelgenoten willen worden, mensen die zich volledig willen inzetten om het Koninkrijk van God gestalte te geven. Dan komen zonen Gods te- voorschijn die 'deelhebben (letterlijk staat er "koinonos", deelgenoten) aan de goddelijke natuur' (2 Petr.1:4). Dat is de vrucht van echte gemeenschap.

'Mens, waar ben je'

Terug naar Genesis 4, lezen we dat Kaïn - inmiddels volwassen geworden - 'toornig werd, en zijn gelaat betrok'. Jaloersheid is er de oorzaak van dat hij 'het hoofd liet hangen', zoals de Leidse vertaling zo mooi weergeeft.

Nu is dit niet toevallig zo beschreven. De schrijver probeert hiermee uit te drukken dat het kontakt tussen de twee broers Kaïn en Abel, verbroken was. Kaïn durfde zijn broer niet meer recht in de ogen te kijken. Daar was geen gemeenschap. Ook niet met God. God zei dan ook tot Kaïn: 'Waarom zijt gij gramstorig en laat gij het hoofd hangen? Moogt gij het niet, indien gij goed handelt, vrij opheffen? Maar indien gij slecht handelt, ligt de zonde aan de deur. Naar u strekt zich haar begeerte uit; doch gij kunt haar beheersen'! (Leidse vert.).

Waar geen echte gemeenschap is tussen broeders en zusters (van zowel binnen als buiten je plaatselijke gemeente), liggen zondemachten aan de deur die er op uit zijn om verdeeldheid te zaaien, in de hoop dat we elkaar niet meer accepteren. In geestelijke gemeenschap stoot je niet af, maar zoek je - onder alle omstandigheden - kontakt, omdat je als geestelijk mens deelgenoot (in het Engels: companion) van God bent geworden. Dan vraag je je niet als Kaïn af: 'Ben ik mijn broeders hoeder?' ( in het Hebreeuws: 'Ben ik mijn broeders bewaarder?'). Maar dan is daar de zekerheid dat God ons de opdracht geeft het verworpene te zoeken. We mogen het uitroepen in de wereld: 'Mens, waar ben je?'. Zoals God tot Adam en Eva riep: 'Mens. waar zijt gij?' (Gen.3:9). Ik verwerp je niet. Ik stoot je niet af, maar ik wil kontakt met je, echte gemeenschap door mijn Zoon, opdat de gestalte Gods in je openbaar zal worden en je kunt uitgaan om je broeder te 'bewaren'. Dat is de taak van deelgenoten Gods, met als basis: geestelijke gemeenschap met God en je geestelijke broers en zussen!

Een bruiloftslied

De Hebreeënschriver heeft het ook een aantal malen over 'deelgenoten'. Onder andere in hoofdstuk 1 vers 8 en 9. Weliswaar gebruikt hij een ander grondwoord ('metochos'), maar dit verandert niets aan de waarde van dit uit Psalm 45 geciteerde bijbelgedeelte. Laten we daarom eens onderzoeken wat de Hebreeuwse grondtekst precies vermeld.

'Mijn hart trilt van blijde woorden, ik draag mijn gedicht een koning voor, mijn tong is de stift van een vaardig schrijver... Uw pijlen zijn gescherpt - volken zijn onder u - zij dringen in het hart van des konings vijanden. Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig, uw koninklijke scepter is een rechtmatige scepter. Gij hebt gerechtigheid lief en haat god- deloosheid; daarom heeft, God, uw God U gezalfd met vreugde-olie boven uw metgezellen' (Hebreeënschrijver: deelgenoten).

Boven deze pericoop hebben de bijbelvertalers geschreven: Een lied voor de bruiloft van de koning. Het b_zondere hier is dat de koning tot de rang van Godheid wordt verheven want Hij wordt aangesproken met 'o God'. Voor vele volken buiten Israël was het de normaalste zaak van de wereld dat hun koning werd gelijkgesteld aan een godheid. Denk alleen maar aan de Egyptische Farao, die beschouwd werd als de zoon van Ra ( de zonnegod) en hoe bijvoorbeeld in de tijd van Jezus de Romeinse keizer als een god werd vereerd.

In Israël was dit echter iets heel b_zonders, daar werd vergoddelijking van de koning alleen maar toegepast in verband met de komende Messias. Dan werd de tekst in een profetisch verband geplaatst. In Hebr.1:8 wordt deze Psalm dan ook op Jezus Christus betrokken. Hij is het die als de Messias zit op de troon. De troon die staat voor altoos en eeuwig. Of, zoals een andere vertaling zegt: 'Uw troon, Godegelijke, is een Godestroon', wat je overigens gauw doet denken aan de tekst uit Filippenzen 2:6, waar staat: 'Christus Jezus, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zin niet als een roof heeft geacht'.

God heeft zijn Zoon, voor zijn taak op aarde, gezalfd met kostbare olie. Met de Heilige Geest, die ook zo enorm kostbaar is in deze tijd. Geen gewone olie, maar vreugde olie! Vreugdeolie waarin Jezus, gezien de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag, wil delen met zijn volgelingen. Hij wil ons hierin deelgenoot maken. Dat is de vrucht van gemeenschap met onze Heer.

Gods gabbers

In het Hebreeuws staat voor deelgenoten het woord 'chaber', wat wij nog tegenkomen in de Nederlandse taal als het jiddische woord 'gabber'. Voor sommige mensen heeft dit misschien een wat negatieve klank, maar oorspronkelijk heeft het dit niet. Een 'chaber' is iemand met wie je alles - werkelijk alles - kunt delen. Het is een erenaam, die niet eens zo vaak voorkomt in het Oude Testament. Als God ons 'chaber' noemt, houdt dit wat in. Dan valt er iets te verwachten, iets te delen. We mogen niet alleen deelgenoot worden van Gods Geest, maar ook deel hebben aan zijn troon.

'Wie overwint, hem zal ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon' (Openb.3:21). In het bruiloftslied werd het geproclameerd: 'Volken zijn onder u'. En in het leven van Jezus hebben we gezien dat het mogelijk is, dat boze geesten aan de mens onderworpen zijn. In gemeenschap met Jezus Christus krijgen ook wij deel aan deze belofte, zodat we 'deelgenoten der hemelse roeping' zullen zijn (Hebr.3:1). Wat een heerlijk deel voor Gods 'gabbers'!

zie voor andere artikelen kvooverz