kvo 50e jaargang nummer 8 augustus 1986

J.E.v.d.Brink

LUTHER CONTRA JODEN en DOPERS

Enige tijd geleden las ik in het 'Centraal Weekblad' dat dr. S.Schoon, voorzitter van het Ojec, overlegorgaan voor joden en christenen, aan de Youth-for-Christ-Flevofestivalgangers de vraag stelde, 'of er Friezen in de tent waren? Handen gingen omhoog'. Schoon merkte toen op: 'Wat hebben zij te maken met de moord op Bonifatius?' Hij bedoelde dat de huidige generatie joden niet verantwoordelijk is voor de kruisiging van Jezus. De uitroep: 'Zijn bloed kome over ons en onze kinderen' zou dus voor haar niet gelden. Ik kan deze redenering volkomen beamen. Zegt de profeet niet: 'De ziel die zondigt, zal sterven? Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dragen' (Ez.18:20). Maar dan stel ik de wedervraag: wat hebben de christenen te maken met het vernietigingskamp te Auschwitz? Wat hebben wij nog van doen met Hitler, die een vijand van het christendom was? In het pas verschenen boek 'Der Geist über Deutschland' schrijft Siegfried Fritsch als tegenstelling met het kruissymbool der christenheid:

'Het hakenkruis is als zinnebeeld kenmerkend voor een racistische wereldbeschouwing. Als roterend zonnerad van heidense religiositeit is het een naturalistisch symbool van het eeuwige, onveranderlijke, in zichzelf rustende leven. In dit hakenkruis zijn het biologische levensritme en het bloedritme verbonden, nog aangevuld door de levensrune (toverschrift der germanen). In tegenstelling met de christelijke opstandingsboodschap is het hakenkruis gericht op het ontwakende leven in de natuur'.

Als christenen hebben wij geen enkel aanrakingspunt met Hitler, die een vijand van het christendom was. Als volle-evangeliechristenen hebben wij ons echter ook gedistantieerd van Maarten Luther, de grote kerkhervormer, toen hij een vijand van joden en dopers werd.

Luther als ketter

Luther werd machtig door God gebruikt. De monnik uit Wittenberg wierp eigenhandig de banbul van de paus in de vlammen, een daad van nauwelijks tien minuten tijdsduur, maar van wereldomvattende betekenis. Hij durfde de strijd aan te binden met het imperium van de roomse kerk. Dit revolutionaire protest van de eenvoudige monnik schonk nieuw leven aan de christenheid. Zijn grote omkeer kwam, toen hij het eerste hoofdstuk van de Romeinenbrief las. Hij ontdekte dat Paulus sprak over een genadige gerechtigheid van God, welke alleen door het evangelie van Jezus Christus wordt geopenbaard, zoals geschreven is: 'De rechtvaardige zal uit geloof leven'. De realiteit van het Koninkrijk Gods kwam toen in het leven van Luther. De bijbel verloste hem van het gericht. Aan de bijbel had Luther zijn gemeenschap met God te danken. Vele eeuwen had de kerk over geloof gesproken, maar door Luther kreeg het voor zijn tijdgenoten een heerlijke nieuwe dimensie.

De rooms-katholieke kerk deed Luther in de ban en hij werd openlijk als ketter gebrandmerkt. Hij had immers beweerd, dat het geheim van de wetteloosheid in de kerk moest worden gezocht, en de paus was voor hem de drakenfiguur uit de Openbaring. In haar kanttekeningen nam de Statenvertaling deze visie van Luther over: het pausdom was de antichrist. Als ketter verafschuwde Luther elke godsdienstige dwang. Hij wilde niet dat iemand om zijn geloof zou vervolgd worden: 'In den beginne heeft de kerk geen ketter verbrand. Dringen en dwingen met geweld wil ik niemand, want het geloof wil slechts vrijwillig en zonder dwang worden aangedaan als een kleed. Wie niet gedoopt wil zijn, laat hem ongedoopt sterven. God wil geen afgedwongen dienst'. Als ketter gaf hij zijn volgelingen het advies: 'Ik zou iedereen willen aanraden en verzoeken de joden vriendelijk te behandelen en hen in de Heilige Schrift te onderwijzen: op die wijze kunnen wij verwachten dat zij tot de onzen gaan behoren'. Hij verwachtte dat zijn gezuiverde leer, die haar inspiratie aan de bijbel ontleende, de joden en masse tot hem zou brengen.

Luther de kerkstichter

Let eens op het leven van Maarten Luther. Wat zelden met een ketter gebeurt, overkwam hem. Hij werd door de keurvorsten en het volk als een man Gods geaccepteerd. Hij werd een succesvolle hervormer der kerk. Hij werd niet terecht gesteld vanwege zijn nieuwe leer, maar hij slaagde erin een groot kerkelijk instituut te bouwen. Onmiddellijk nadat hij zijn stellingen tegen de deur van de slotkapel te Wittenberg geslagen had, reageerde de aflaathandelaar Tetzel met de woorden: 'Binnen drie weken dient deze ketter op de brandstapel te komen'. Maar Luther werd geen martelaar. Bij zijn stijgende roem voltrok zich wel een ontwikkeling in nederwaartse richting. Hij raakte ketter af en nam de exclusieve houding van het kerkelijk systeem over. Hij bouwde een nieuwe kerkformatie met de zuivere leer, waar de gevaarlijke stelling door hem werd gepresenteerd: 'Niet op de rechte wijze geloven, dat maakt de ketter'. De afwijkende kerk was het instituut waar Luther niet toe hoorde.

In de tweede helft van zijn leven vond Luther het heel gewoon, wanneer de extreme en oproerige wederdopers werden gedood. Terwijl hij vroeger de doodstraf in verband met godsdienstige geschillen afgewezen had, werden de oude ketterwetten weer te voorschijn gehaald. Bij het ouder worden was Luther er slechts op bedacht zijn kerk groot te maken. De ketterij van Luther was nu geconsolideerd door de nieuwe leer en er ontstond een rechtzinnigheid die geen andere mening naast zich duldde. Het kerkbesef van Luther verafschuwde elke ketterij en elke ketter. Terecht zei hij eens: 'Snij een uur na mijn dood mijn hart open en dan vind je er nog een paus in'.

Wanneer ik aan Luther denk, komt mij het leven van David voor ogen. Deze was een vluchteling voor koning Saul. Jaren lang gold ook voor hem en zijn mannen: 'Zij hebben rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in spelonken en de holen der aarde' (Hebr.11:38). Na zijn dertigste jaar keert het getij en wordt hij koning te Jeruzalem. Dan merken we dat hij allengs de gewoonten der heidense koningen overneemt. Als een oosters despoot bedrijft hij wreedheden tegenover de overwonnen vijanden en neemt hij de vrouw van zijn generaal, terwijl hij deze op sluwe wijze door Joab laat vermoorden (2 Sam.8:2;11:2-4). De man naar Gods hart werd in later leven een speelbal van het rijk der duisternis. Hij beleed echter zijn kwaad wat van Luther niet gezegd kan worden.

Luther en de joden

Toen Luther bij de joden weerstand ondervond en zij weigerden zich te bekeren, veranderde zijn eertijds milde houding in een negatieve. In het boek van Werner Keller over het joodse volk is een hoofdstuk: 'Luthers toorn tegen de joden'. Ik citeer hieruit:

'Steeds heftiger preekte Luther van de kansel en in zijn tafeltoespraken tegen de joden. Steeds hartstochtelijker spreekt de toorn uit alles wat de wereld nu uit de mond van de hervormer te horen en van zijn pen te lezen krijgt. In 1543 publiceert hij 'Van de joden en hun leugens'. Alles wat maar aan gruwelsprookjes verteld is, dist hij op: rituele moord en vergiftiging van bronnen, toverij en hoogverraad tegen het rijk ten gunste van de Turken - en hij concludeert daaruit: 'Wat moeten wij christenen nu doen met dit bedorven, verdoemde volk der joden?... Ik wil een goede raad geven. In de eerste plaats dat hun synagogen of scholen in brand worden gestoken... Verder dat hun huizen eveneens afgebroken of vernield dienen te worden, want zij bedrijven daarin hetzelfde als in hun scholen... Ten derde, dat al hun gebedenboeken en Talmoeds hun worden ontnomen, omdat daarin slechts afgoderij, leugens, vloek en lastering worden geleerd. Ten vierde dat hun rabbijnen eens en voor altijd verboden wordt verder les te geven... dat men het vrije verkeer en het recht de straat te betreden voor hen opheffe... dat men hun verbiede woeker te bedrijven en hun alle contante geld en gouden en zilveren kostbaarheden ontneme; alles wat zij bezitten hebben zij van ons... door hun woeker gestolen en geroofd...'

De directe gevolgen van het vogelvrij verklaren der joden door Luther was, dat de landgraaf van Hessen een bevel tot uitwijzing gaf, evenals Luthers landsheer, de keurvorst van Saksen, waarbij ieder oponthoud, ja zelfs de doortocht werd verboden. De verdere gevolgen duurden langer, tot in onze tijd. In 1555 aanvaardden de vorsten van Duitsland de vrede van Augsburg. Bij deze godsdienstvrede werd geëist dat de onderdanen het geloof van hun vorst moesten volgen of anders het land verlaten. Wat dit voor de joden betekende, laat zich gemakkelijk raden.

In navolging van Augustinus aanvaardden te Augsburg zowel de rooms-katholieken als de protestanten de vervangingsleer: de kerk zou op de plaats van Israël zijn gekomen. Vanwege hun oudtestamentisch opvattingen vormden de zichtbare kerkelijke instituten het rijk Gods. Vandaar de dwaling van de kinderdoop. Zoals een jongetje door zijn besnijdenis in het oude volk werd opgenomen, zo werd door de kinderdoop die in de plaats van de besnijdenis kwam, het besprenkelde kind ingelijfd in het nieuwe verbond. Zo handelende kreeg men volks- en familiekerken. In de zichtbare wereld waren er dus twee volken Israël: de joden en de kerken. Deze beide partijen verdroegen elkaar niet en het gevolg ervan was, dat de zwakste partij niet getolereerd werd.

De slinger slaat door naar de andere kant

Als volle-evangeliechristenen geloven wij ook tot het geestelijk Israël te behoren, maar niet als vervanging van het oude, natuurlijke volk der joden. Om een vergelijking te maken: ik las onlangs dat de Canadese stad Vancouver haar naam ontleent aan de Britse kapitein George Vancouver. Deze zeevaarder zou dan uit een geslacht afstammen, dat oorspronkelijk Van Coevorden heette, dus uit Drente afkomstig. Maar wat heeft het moderne Vancouver in Brits Columbia nu nog te maken met het Coevorden uit de dertiende eeuw, ook al dragen zij van huis uit dezelfde naam.

Ons burgerschap is in de hemel en daar is het hemelse Jeruzalem waar Jezus Christus zijn wedergeboren geestelijk volk vergadert. Dit Jeruzalem dat boven is, is onze moeder, en daarom zijn wij joden in de geestelijke wereld (Gal.4:26). Er is een oud en een nieuw Israël, het ene is aards gericht en het andere hemels. Daarom heb ik niet de minste moeite om het natuurlijk Israël te erkennen en te aanvaarden. Ik ben zelfs overtuigd dat dit volk eenmaal rustig zal wonen in eigen land en in vrede met de omringende broedervolken, want God heeft dit volk niet verstoten.

De slinger slaat tegenwoordig echter door naar de andere verkeerde kant. In de kerken wijzen velen de aloude vervangingsleer af. Omdat men het inzicht in het evangelie van het Koninkrijk der hemelen mist, ontkent men het bestaan van het geestelijk Israël, waarover de apostel schrijft: 'Hij is een jood, die het in het verborgene is, de ware besnijdenis is die van het hart, naar de geest en niet naar de letter' (Rom. 2:28,29). Waar christenen deze geestelijke identiteit loochenen, zien we ze tegenwoordig een dialoog aangaan met de joden op voet van gelijkheid. Ze weten immers niet meer dat de hemel hoger is dan de aarde. Op deze wijze leveren zij Jezus andermaal over in de handen der joden, want zijn evangelie en de uitspraken der apostelen worden ter discussie gesteld en de joden mogen mee oordelen. Schreef Paulus echter niet: 'Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk - vanuit de onzienlijke wereld - te beoordelen is' (1 Kor.2:14)?

Wat is nu het resultaat van het overleg tussen christenen en joden? Dat zij zich beiden tegen het ware geestelijk Israël keren en hierbij steun zoeken bij de aardse rechter. Deze moet dan de bevoegdheid krijgen om bijbelse uitspraken uit te leggen en te keuren. Onder de slogan dat allen gelijkelijk behandeld moeten worden, komen dan de christenvervolgingen. Zo las ik in 'De Christen' dat enkele jaren geleden de overheid in de DDR aan de Hernhutter broedergemeente verbood om de tekst 'De goddelozen hebben geen vrede' in hun dagboek te publiceren. Zij discrimineerden daarmee immers de atheïsten. Ook in Nederland is de ketterjacht geopend en wij staan nog maar aan het begin. Als een van de eersten heb ik dat vijf jaar geleden ervaren, maar in Dordrecht en later in hoger beroep te 's Gravenhage kreeg de aanklager geen voet aan de grond. In het blad 'Reveil' las ik dat Richard Stein van de Stiba erkende: 'De zaak J.E.v.d.Brink van 'Kracht van Omhoog' was de enige seponering die we als stichting hebben gehad'. In Nederland moeten wij teruggaan naar de dagen van de afscheiding van 1834 om van godsdienstvervolgingen te kunnen spreken. Ook is het opmerkelijk dat sommige ijveraars, die tegen de wet 'gelijke behandeling' fulmineren - omdat zij een aantasting wordt van gewetensvrijheid in scholen en verenigingen - geen godsdienstvrijheid gunnen aan christenen, die hun aards gerichte Israël-leer niet onderschrijven.

Luther en de dopers

Terug naar Luther. Wanneer wij als volle-evangeliechristenen op zijn kerkelijk terrein geleefd hadden, zou het er voor ons net zo slecht voorgestaan hebben als voor de joden. Voor de Dopers had Luther geen goed woord over. Zij werden zwaar vervolgd en konden zich erop beroemen het leeuwedeel gevormd te hebben van alle martelaars in de 16e en 17e eeuw. De orthodoxe geschiedschrijvers vermelden alleen de excessen die bij enkele wederdopers voorkwamen: naaktloperij, Jan van Leiden. Soortgelijke beschuldigingen kennen we ook over de Pinksterbeweging. Zo discrimineerde destijds F.J.Hoogenraad in 'Gebedsgenezingen en Pinksterbeweging' ons met de volgende lasterlijke aantijgingen: 'De grote liefde onder elkaar is in diepste wezen de eros, de zinnelijke liefde. Vrouwen met haar gevoelige naturen zijn daar in gevaar. Het is spiritistisch bedrog. Mannen en vrouwen lagen met elkaar op de grond. In de tongenbeweging openbaart zich een duistere, heidense macht, wier praktijken met occultisme en spiritisme overeenkomst hebben. Ze hebben duistere gelaatstrekken. De boosdoeners, de werkers der ongerechtigheid, zullen in de dag des Heren tot Christus zeggen: hebben wij niet in uw naam duivelen uitgedreven en vele wonderen gedaan? Bij bewegingen als van Zaiss en Osborn en bij de zogenaamde pinksterbeweging gaat er een huivering door mij heen. Het zijn vreemde elementen die niet thuis horen in de gemeente van Christus'.

Ik deed slechts een greep uit dit schimpschrift van deze evangelische broeder. Niet voor niets bemoedigde de Heer zijn volgelingen met de woorden: 'Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil. Verblijdt u en verheugt u'. Gebrek aan argumentatie voerde deze verblinde ijveraar tot zulke emotionele ontladingen.

In Augsburg werden in 1530 belijdenisgeschriften van luthersen en katholieken onderzocht. Zij waren het niet alleen spoedig eens over de erfzonde, maar ook over de kinderdoop. Merle d'Aubigne schreef in zijn 'Geschiedenis over de kerkhervorming', 'dat de protestanten toegaven dat de (kinder)doop de schuld der inwonende zonde wegneemt; de roomsen dat des mensen boze, vleselijke natuur daardoor niet uitgedelgd wordt'.

Tezamen keerden roomsen en luthersen zich te Augsburg tegen de dopers, die zoals ook wij, alleen dopen op grond van een persoonlijke belijdenis van het geloof. Om hun geschiedenis te leren kennen, moet men beslist andere boeken raadplegen dan het ruim 1000 pagina's tellende standaardwerk van Merle d'Aubigne. In 'Die Dritte Reformation' schrijft J.C.Wengers:

'Tussen 1525 en 1752 werden niet minder dan 222 plakkaten tegen de dopers opgesteld. Zij werden bedreigd met verbanning uit stad en land, met geldstraffen, lichamelijke tuchtigingen, doodstraf, in beslagname van hun goederen, veroordelingen zonder vorm van proces, terechtstelling op de brandstapel voor hen die weigerden hun geloof af te zweren, onthoofding van hen die dit wel deden.'

De rijksdag te Speyer in 1529, waar katholieke en lutherse vorsten vertegenwoordigd waren, beval dat iedere doper en ieder wedergedoopt persoon van beiderlei kunne - dus vrouw of man - door vuur, zwaard of op andere wijze zou worden terechtgesteld. Dit decreet gold voor het gehele 'heilige, roomse rijk' dus groot Duitsland. Luther boog zich voor dit besluit van Speyer. Hij stelde zelfs in 1532 voor, dat iedere onderdaan tot plicht had de 'clandestiene' doperse predikers aan te geven, dus zoals in onze tijd weer gebeurt dat christenen hun medechristenen bij de rechtbank aanklagen.

Op grond van de beslissing van de landgraaf van Hessen om de dopers niet te doden, lag de landbouwer Fritz Erbe zeventien verschrikkelijke jaren tot zijn dood in de gevangenis. Hij had geweigerd zijn kind te laten dopen! De keurvorst van Saksen wilde Erbe terechtstellen, maar Philipp van Hessen wilde geen bloed vergieten. Ik deel dit mee, omdat het interessant is te weten, dat deze martelaar ook acht jaar op de Wartburg gevangen zat. In 'De Stem in de woestijn' las ik onder meer over hem:

'Wanneer toeristen de Wartburg bij Eisenach bezoeken, zullen zij het historische Luthervertrek willen zien, waar de reformator gedurende de laatste zes weken van zijn tien maanden durende verblijf in de jaren 1521-1522 werkte aan het overzetten van het Nieuwe Testament uit de griekse grondtekst in de levende volkstaal. Wat echter vele bezoekers van de Wartburg niet te zien krijgen, is een ander vertrek, dat zich aan de voet van de zuidelijke toren bevindt. Een getralied venster in een houten deur laat een blik slaan in een kerker voor zware misdadigers. Op een gedenkplaat staat te lezen: 'In deze toren stierf in 1548 na achtjarige gevangenschap de landbouwer en wederdoper Fritz Erbe uit Herda bij Eisenach. Aan de bezoekers van de Wartburg dringt zich het markante verschil tussen deze twee gevangenen op. Twee decennia voordat Fritz Erbe hier gevangen gezet werd, logeerde Maarten Luther zeer geëerd en met alle zorg omringd in zijn gelambrizeerd en verwarmd kamertje, 'onder de vogeltjes die op de takken hun zoet gekweel lieten horen'. Nadat hij zijn baard en hoofdhaar had laten groeien, kon hij ook in de idyllische omgeving uit rijden gaan. Het enige waaronder hij lichamelijk te lijden had, waren spijsverteringsklachten, daar hem de zware, sterk gekruide riddermaaltijden slecht bekwamen. De andere gevangene, bleek en uitgemergeld na zeven jaar gevangenisstraf, werd in ketenen binnengebracht. Zo'n 150 meter verder zuidwaarts kreeg hij in genoemde toren, tien meter diep, drie meter onder de fundering, een klein vertrekje toegewezen. Aan touwen werd hij naar beneden gelaten en lag daar op de kale rotssteen overgelaten aan kou, vocht en duisternis, omgeven door 2,5 meter dikke muren. Waarom deze discriminerende behandeling? Heeft Luther niet tenminste voor Fritz Erbe gepleit? Integendeel. Hij stond aan de andere kant... Pas in onze eeuw ontdekten onderzoekers in het gesteente van de kerker de naam 'Erbe' met de nagels ingegrift - de enige nalatenschap van deze verworpene'.

Luther schreef zijn boek over 'de joden en hun leugens'. Het zou meer waarheidsgetrouw zijn geweest als hij 'de leugens over de joden' had geopenbaard, of 'de leugens over de dopers'. In onze tijd zou dit betekenen 'de leugens over de pinksterbeweging'. Wij weten nu dat de dopers navolgelingen van Christus waren, hoe zij gewetensvrijheid voorstonden en het principe van staatskerken verwierpen, hoe zij weigerden het goddelijk heil aan ceremoniën en liturgieën te verbinden. Hun denkbeelden zijn nu in Amerika en in het Westen algemeen aanvaard. In Amerika wordt de helft van alle protestanten volwassen gedoopt. Zelf heb ik in een halve eeuw de fenomenale groei van de pinksterbeweging in de wereld meegemaakt en ook de volle-evangeliegemeenten onder hen in enkele decenniën zien ontstaan en toenemen.

Het gevaar voor ons ligt niet in de laster en de leugens die over ons komen, maar in de verwatering, in het geaccepteerd willen worden in het grote geheel, en dat onze vrije, doperse pinkstergemeenten een strakke structurering wordt opgelegd met een hiërarchisch systeem. Dan wordt vergeten dat wij een unieke boodschap voor de christenheid hebben, namelijk de leer van Jezus over het Koninkrijk der hemelen. Dan ziet men naar rechts en naar links en verwacht het van spectaculaire samenkomsten buiten ons gemeenteverband, terwijl de geestelijke ontplooiing der leden wordt verwaarloosd. Wat ons blad betreft, willen wij doorgaan met het onderricht in het volle evangelie, opdat de mens Gods tevoorschijn kome, die tot alle goed werk volkomen is toegerust. En deze zonen van God zullen worden geopenbaard!

zie voor andere artikelen kvooverz