kvo 50e jaargang nummer 8 augustus 1986

J.E.v.d.Brink

I D E A L I S T E N

'dit evangelie van het Koninkrijk zal in de

gehele wereld gepredikt worden...'

Ons ideaal

Het aanvaarden van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen heeft ons tot idealisten gemaakt. Wij hebben er immers een ideaal of een voorstelling van het volkomene door gekregen, waarbij het zwaartepunt niet in de stoffelijke maar in het geestelijke ligt. Het woord ideaal is verwant met zien. Een idealist heeft een visie. Tot zijn discipel sprak de verhoogde Meester: 'Schrijf op wat je gezien hebt'. Johannes zag een wit paard en die erop zat, had een boog, en Hem werd een kroon gegeven, en Hij trok uit, overwinnende en om te overwinnen. De naam van deze ruiter was het Woord Gods, beeld van ons ideaal, want er staat: 'En de heerscharen die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen'. Ze zijn de verkondigers van het eeuwige evangelie dat Jezus eenmaal op aarde predikte.

De herauten van de Zoon des mensen brengen zijn evangelie in alle landen en dan komt het 'einde', de vervulling van het ideaal: 'En ik zag en zie, een witte wolk, en op die wolk iemand als eens mensenzoon met een gouden kroon op zijn hoofd'. Ons ideaal is om deel uit te maken van deze wolk, die beeld is van de verheven plaats die de gemeente van Jezus Christus in de hemelse gewesten inneemt.

Er is veel te zien in de geestelijke wereld. Johannes zag ook een beest, dat opsteeg uit de zee. Dit visioen hoorde bij de tegenstander, die de realisering van ons ideaal wederstaat. Het luidt het antichristelijke tijdperk in. Wij mogen evenwel ook in die periode belijden, dat wij Jezus zien met heerlijkheid en eer gekroond. Wij zien het einde, want Johannes schreef: 'Ik zag tronen en zij zetten zich erop'. Daar gaat het naar toe, wanneer dit evangelie van het Koninkrijk over de gehele wereld is gegaan. Wie oren heeft om te horen, die hore wat de geest tot de gemeenten zegt.

Niet achterom zien

Idealen zijn grootse voorstellingen die altijd op de toekomst zijn gericht. Wij behoren niet tot die bejaarden die achterom zien, want hierdoor werkt men het aftakelingsproces in de hand. Ons ideaal betreft de openbaring van de zonen Gods. Wij verlangen ernaar mensen te worden die naar het beeld van God zijn gevormd en op Hem lijken, en die toegerust zijn om in het rijk Gods als koningen te regeren. Wij werpen geen blik in het verleden, want dit is voor ons niet relevant. Wij zien uit naar nieuwe en komende dingen. Het oude is voorbijgegaan. Wij houden ons bezig met het 'einde', dat is met de vervulling van de beloften. Paulus schreef: 'Ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mag'. Ook hij was in zijn ouderdom nog een idealist. Wij nemen zijn ideaal over, want dat is ook het toekomstbeeld van de Zoon des mensen, die zonen vormt, die volkomen zijn en tot alle goed werk volkomen toegerust. Het ideaal van Jezus is 'om een gemeente voor Zich te plaatsen, die stralend is, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zodat ze heilig is en onbesmet'. Ons ideaal is, dat geheel onze geest, onze ziel en ons geestelijk lichaam in elk opzicht gaaf en onberispelijk zullen zijn bij zijn wederkomst.

Het ideaal was onbekend

Vroeger was het ideaal voor ons een onbekende zaak. Als christenen hadden wij een geloof met vage begrippen en zonder doel. 'Tot alle goed werk toegerust' vertaalden wij met 'zondaar tot de dood'. Wij hoorden van een uitverkiezing tot eindeloze rampzaligheid, waar geen plaats was voor een ideale toekomst. De weg van de uitverkiezing tot behoud ging buiten de voorwaarden tot vernieuwing en vlekkeloosheid om. Zelfs de persoon van Jezus was voor deze uitverkiezing van eeuwigheid, niet onmisbaar, want ze was al verankerd in de onveranderlijke raad van God. Ook werd het ideaal van de openbaring der zonen Gods geblokkeerd door een opnameleer, die wel een grote afval van het volk van God kent, maar geen volle pinksterzegen. Wij zouden immers geen deel hebben aan de late regen, waarop de Landman wacht om de rijpe vrucht te aanschouwen als het 'einde' van zijn arbeid.

In KvO hebben wij als een Johannes de Doper vijf en twintig jaren stenen geruimd. Het denken van velen werd hierdoor vernieuwd. Nu staan wij voor een nieuwe door God gegeven opdracht in een volgende periode. Wij hebben daarbij nog steeds het heerlijke ideaal voor ogen. Wij blijven onveranderlijke idealisten, want wij bezitten een goddelijke visie. Daarom weigeren wij het evangelie van het Koninkrijk der hemelen te verkwanselen, en compromissen te sluiten met hen die een aardse weg bewandelen. Wij houden het hemelse perspectief voortdurend in zicht en vermeien ons in het draaiboek van de komende gebeurtenissen. Daarom weigeren wij ook met onze gemeenten naar rechts of links te zien om zo meegesleurd te worden door de misleidende geesten die in onze tijd werkzaam zijn.

Wij zullen overwinnen

Jezus zegt tot ons: 'Dit evangelie van het Koninkrijk der hemelen, dat Ik in deze laatste jaren opnieuw geopenbaard heb, zal over de gehele wereld worden gepredikt'. Hij zegt echter ook: 'Zal Ik nog geloof vinden in deze specifieke boodschap, die Ik eenmaal zelf op aarde drie jaar lang predikte?' Zijn er nog gelovigen met mijn ideaal? Zijn er nog idealisten in verband met mijn wederkomst? Vanuit zijn gevangenis schreef Paulus, zo'n idealist: 'Verblijdt u ten alle tijde', want wij bereiken het einddoel. Petrus schreef dat de apostelen 'geen verdichte fabelen waren nagevolgd, toen zij de kracht en de komst van Jezus hadden verkondigd'. Daarom tellen wij geen aantallen en houden geen rekening met natuurlijke mogelijkheden zoals geld, invloed of media, want de wereld wordt overwonnen door ons geloof in de prediking van het evangelie van het Koninkrijk. Wij overwinnen haar, omdat wij het oog voortdurend richten op de hemel en niet op de aarde. Wij overwinnen, omdat onze prediking alles te boven gaat. Ons ideaal stuwt ons voort, zodat wij niet door matheid van ziel verslappen of met knikkende knieën de weg des levens afleggen.

In onze tijd is het woord 'doemdenken' ook bij christenen ingeburgerd. Zij houden zich constant bezig met de ruiters die het overwinnende Woord vergezellen, dus met die op het rossige, op het vale of op het zwarte paard, en met de hen begeleidende onheilen. Hen rest nog slechts een vage hoop om in een punt des tijds door een mysterieuze hemelvaart te kunnen ontkomen. Zij schuwen immers de strijd, want ze zijn er niet voor klaar gemaakt. Ze bepalen zich onrustig bij de omringende teksten van Mattheüs 24:14. Daar is sprake van 'ten val komen', 'valse profeten', 'wetsverachting', 'de gruwel der verwoesting', 'grote verdrukking'. Maar Jezus zegt in vers 13 niet: wie volhardt tót de eindtijd, maar wie volhardt tót het einde, dat is tot de realisering van mijn ideaal, zal behouden worden.

Onze specifieke tekst

Onder de vijf en twintig teksten in Mattheüs 24 wijst de Here Jezus ons er één aan. Hij zegt: deze uitspraak is speciaal voor jullie, aan haar moet je je vastklemmen. Dit evangelie van het Koninkrijk gaat voort. Het is de hoge weg door de woestijn. Het gaat als een licht door de chaos van de eindtijd: 'Want duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de volken, maar over u zal het licht opgaan, en mijn heerlijkheid zal over u gezien worden'.

Het evangelie van het Koninkrijk ontwikkelt zich in de verborgenheid van ons hart ondanks de tegenstand van de boze en ondanks de verguizing die wij overal ontmoeten. Het zal de wereld doorgaan en overal worden gehoord. Het zal alle mensen dwingen hun standpunt in te nemen: ja of neen, voor of tegen. Uiterlijk triomfeert wel de macht van de satan maar Christus zal de sterkere blijken.

Het evangelie van het Koninkrijk komt overeen met een mosterdzaadje, dat kleiner is dan alle andere zaden. Dit minuscule begin is opnieuw in de aarde gebracht. Het zal echter tot een grote boom worden, zodat de vogelen des hemels in zijn takken gaan nestelen. Het evangelie van de onzienlijke geestelijke wereld trekt immers de heilige engelen naar ons toe. De engelen der gemeenten komen weer in actie. De tegenstelling hiervan vindt men in het grote Babylon, dat een woonplaats is van duivelen en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte. Teneinde in de laatste dagen zijn ideaal te concretiseren stort de Here Jezus zijn Heilige Geest in rijke mate over ons uit. Daar stellen wij ons in de nieuwe fase geheel op in.

Het volle evangelie is geen leer van de aarde, maar houdt zich bezig met de onzienlijke wereld, niet met een aards Jeruzalem maar met een hemels, want deze stad is ónze moeder. Daarom leent dit evangelie zich niet tot dogmatiseren. Men kan er geen belijdenisgeschriften over opstellen en die ter ondertekening voorleggen. Dit evangelie betreft een strijd in de hemelse gewesten. Het gaat over de directe inspiratie door de Heilige Geest en over het luisteren naar een stem van een sprekende God.

Het evangelie van het Koninkrijk der hemelen houdt zich bezig met het leven en daarom is het dynamisch en niet statisch. Het veroorzaakt een groeiproces, want het ontwikkelt zich uit een mosterdzaad. Het is niet op te vangen in een aantal leerstellingen. Die bezaten de Farizeeën in menigte. Zij hadden afgebakende voorschriften en hun wetten omheinden een geheel volk. Het evangelie van het Koninkrijk is evenwel een geloofsprediking, waarbij men de onzienlijke dingen leert te grijpen. Het geloof hecht zich aan de inhoud en het doel van dit evangelie. Wie op de troon van God begeert te komen, zal kennis moeten verzamelen van die geestelijke wereld, waar de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn met de heilige engelen. Daarom staat er: 'Bedenkt de dingen die boven zijn, waar Christus is'.

Getuigen

Wij zullen voorzichtig moeten zijn met de wijze waarop wij de geestelijke wereld onder woorden brengen. Jezus verborg zijn leer zelfs in gelijkenissen vanwege de afgeslotenheid van zijn luisteraars voor de hemelse zaken. In de loop der tijden 'was immers het hart van het volk van God vet geworden en hun oren waren hardhorend geworden'. Wij hebben geen enkele reden om ons te verheffen, want in onze tijd is de situatie hetzelfde. Hoe weinig weten ook wij nog maar van de geestelijke werkelijkheid. Daarom past ons een bescheiden opstelling en we zullen zeker elkaar hierom niet veroordelen, maar met elkaar trachten de sluier, die alle volken nu nog bedekt, te vernietigen.

Onze opdracht is om te getuigen, want het evangelie van het Koninkrijk moet gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken. Wij zullen ervan getuigen dat God goed is, dat Hij een goede Schepper is, uit wie alleen iets goeds voortkomt. Zijn Zoon is ook goed, want Hij redt, geneest en doopt met zijn Heilige Geest. Daarom prediken wij het evangelie van God of dat van Christus. Paulus sprak over 'mijn' evangelie en dat doen wij ook, want wij identificeren ons met deze boodschap. Wij getuigen wat God en zijn Zoon deden en nog doen voor ons en in ons en door ons. Ook hebben wij de zekerheid 'dat God medegetuigenis geeft door tekenen en wonderen en velerlei krachten en door de Heilige Geest toe te delen naar zijn wil'. Deze wil is altijd gericht op het goede en op het volkomene. Wij verkondigen geen onheil en verderf, geen hel en verdoemenis, hoewel ze er wel zijn. Onze opdracht is om vreugdeboden te zijn voor allen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Wij zijn boodschappers van een goede tijding, van het aangename jaar des Heren. Wij zaaien goed zaad, terwijl wij bij het opwassen het onkruid niet uittrekken, zoals men dit vroeger met geweld meende te moeten doen. Wij wijzen alleen het onkruid aan. Werkelijk, het einde is nabij gekomen en het ideaal wordt bereikt door de bekendmaking van dit evangelie!

zie voor andere artikelen kvooverz