kvo 50e jaargang nummer 7 juli 1986

J.E.v.d.Brink

GOD is GOED

brieven van lezers

Een broeder zit met enkele problemen die Gods goedheid betreffen: 'Hoe zit het met die tien plagen van Egypte, met het offeren van Izak door Abraham, met de muren van Jericho? Uit de volkstelling van David kunnen we bij het vergelijken van teksten in 2 Samuël 24:1 en 1 Kronieken 21:1 zien, dat het niet de Here was, die David aanporde, maar de satan.'

De volkstelling

Veronderstel eens dat het verhaal van de volkstelling niet in het boek der Kronieken door een latere schrijver gecorrigeerd was doorgegeven, wat zou men dan van mij gezegd hebben, als ik mijn twijfel had geuit aangaande de mededeling in het tweede boek Samuël, dat Gód David tot zonde had aangepord. Deze koning zou dan door God verzocht en misleid zijn geweest, hoewel in Jakobus 1:13 duidelijk staat, dat God niemand verzoekt. Van fundamentalistische zijde zou ik te horen hebben gekregen, dat ik iets wat God deed, niet aan de duivel zou mogen toeschrijven. Men moet immers lezen wat er staat. Ik zou het dan beter hebben willen weten dan de schrijver van het boek Samuël. Men houdt er immers geen rekening mee dat over het denken, dus ook over het uitspreken en neerschrijven van de dingen, nog altijd een bedekking lag. Niet voor niets profeteerde Jesaja dat de Here 'de sluier vernietigen zou, die alle natiën omsluiert, en de bedekking waarmee alle volken bedekt zijn' (25:7). Dit gold dus ook voor het volk Israël.

In het oude verbond behoorde de kennis van de onzienlijke wereld nog tot de verborgenheden, 'die van de grondlegging der wereld verborgen zijn gebleven' en die pas door Jezus werden ontsluierd (Matt.13:35). Hij is het ook die ons de Vader heeft doen kennen en wel als een goede God. De bedekking is helaas ook nog bij vele christenen aanwezig. Zij hebben het godsbegrip van oud Israël overgenomen, omdat zij geen weet hebben van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Toch schreef de apostel dat deze bedekking over het hart, in Christus, dat is zijn evangelie, verdwijnt (2 Kor.3:14-18).

De plagen van Egypte

Toen de Egyptenaren niet wilden gehoorzamen aan de veelvoudige oproep van de Here God om zijn volk te laten trekken, gaf Hij hen over aan hun eigen verwerpelijk denken en aan de willekeur van hun eigen goden. Hun hoofdgod was Rahab, een mythisch natuurmonster. Zijn naam betekent onbeschaamdheid, trots of geweld (Ps.87:4,89:11). Ook werd Egypte aangeduid onder de naam leviathan, de snelle, kronkelende slang, het monster van de zee, waarover Jesaja 27:1 spreekt (verg.Ez. 29:3,32:2). Mozes stond dus voor een door en door occult volk, dat geleid werd door de oppertovenaars Jannes en Jambres (2 Tim.3:8).

Gods goedheid bleek, wanneer Farao door de mond van Mozes tot hem riep. Ogenblikkelijk verdwenen dan de plagen door Gods ingrijpen. De voortdurende terugkeer van de machten der duisternis bleek uit het feit dat Farao's hart zich telkens weer verharde, wat niet het werk van God was, maar van de weerspannige geesten met wie de vorst was verbonden.

De verzoeking van Abraham

In Hebreeën 11:17 wordt meegedeeld, dat Abraham verzocht werd. In Genesis 22:1 staat in de Statenvertaling dat God dit deed. Jakobus getuigt evenwel dat God niemand verzoekt. Verzoeken is iemand in verleiding brengen met de bedoeling hem de wet van God te laten verbreken. De broeder des Heren die te midden van het judaïsme leefde, moest zijn broeders waarschuwen met de woorden: 'Laat niemand als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking' (Jak.1:13). Toch beweren ook nu nog velen, dat Abraham wel door God werd verzocht. Nu kan men het 'verzoeken' wel vertalen door 'beproeven', maar het ging erom, dat Abraham door God zou zijn aangezet om zijn eigen zoon te vermoorden. Gelooft men nu werkelijk dat God op deze wijze zijn kinderen uitprobeert?

Abraham had veel nagedacht over de dingen die God beloofd had en die zouden gaan gebeuren. De bijbel zegt dat hij de dingen 'overwoog'. Hij trachtte het raadsplan van God te doorgronden, maar ook zijn gedachten waren hierbij versluierd, even goed als dit nu nog bij de voorgangers, predikanten en professoren in de theologie kan voorkomen. Abraham kreeg inspiraties over het offer van Christus zoals ook Abel eeuwen tevoren had ontvangen. In de hemelse gewesten had Abraham slechts één zoon, slechts één zaad, namelijk Christus. In Galaten 3:16 schrijft Paulus: 'Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan zijn zaad, dat wil zeggen Christus'. Op aarde had Abraham minstens twee zonen. Zijn gebrek aan kennis van het Koninkrijk der hemelen en zijn gemis aan inwoning van de Heilige Geest waren de oorzaak, dat hij zich vergiste en niet in staat was de beloften voortdurend in een hogere dimensie te zien, hoewel zijn hart ernaar uitging. Zijn veelvuldig offeren en zijn besnijdenis in het vlees hadden hem evenwel steeds erbij moeten bepalen, dat zijn ganse bestaan verweven was met het grote herstelplan van God in Christus Jezus, zijn ware en enige zaad, en met de stad waarvan God de ontwerper en bouwmeester is, het hemelse Jeruzalem.

De twijfel van Abraham of hij wel op de goede weg zat, kwam naar boven, toen hij tot Izak sprak,' dat God Zichzelf van een lam ten brandoffer zou voorzien' (Gen.22:8). Men beweert dat Abraham zo sprak om zijn zoon niet in moeilijkheden te brengen, maar het leven van Izak behoorde aan hemzelf toe en niet aan Abraham. Deze had geen recht om over het leven van zijn jongen te beschikken. Dit deed de hemelse Vader ook niet over het leven van zijn Zoon. God handelde niet buiten Jezus om, maar de Vader kende Hem in zijn plan en Jezus heeft Zich vrijwillig voor ons overgegeven. Hij zette zijn leven in voor zijn vrienden. Hij heeft Zichzelf éénmaal geofferd om veler zonden op Zich te nemen. Tot de Vader sprak Hij: 'Zie, hier ben Ik... om uw wil, o God, te doen' (Hebr.9:28,10:7). Het gedachtenleven van Abraham was evenwel in dit alles zo verheven, dat God zag dat hij in staat was hetzelfde te doen als de hemelse Vader zelf, namelijk zijn enige Zoon, zijn Zaad, ten offer te brengen.

Paulus schreef dat wij de profeten van het nieuwe verbond zullen beoordelen (1 Kor.14:29). Wie beoordeelde echter Abraham in zijn luisteren naar de stem van de Allerhoogste? Moeten wijzelf ook niet voortdurend bidden om leiding van de Heilige Geest, opdat wij niet verkeerd zullen denken en handelen? Daarom veroordelen wij de heiligen van het oude verbond niet. Hun kennis van de onzienlijke wereld was minder dan die van ons, van wie Paulus schrijft, dat ook ons kennen nog onvolkomen is (1 Kor.13:9). Maar de minste in het Koninkrijk der hemelen is meer dan Abraham, die voor zij tijd de raad Gods heeft gediend.

De val van Jericho

De val van de muur van Jericho was het gevolg van het feit, dat God de inwoners van de stad losliet. God gaf ze over aan een verwerpelijk denken. Deze nakomelingen van Kanaän die met boze geesten verbonden waren, wisten dat zij tegen de God des hemels streden, en diens grote daden waren hen bekend (Joz. 2:8-11). Hoewel zij doodsbenauwd waren en de Here hen dagen lang waarschuwde door middel van de stille omgang der duizenden krijgers, bleven zij zich verzetten, terwijl zij de poorten hermetisch hadden gesloten. Wat gebeurde er toen? 'God die alle dingen draagt door het woord van zijn kracht', trok de kracht terug, die in de materie aanwezig is en die de muur staande hield, zodat deze instortte. In zijn boek 'The story of Jericho' deelt John Garstang, professor in de archeologie te Liverpool, mee, dat bij zijn onderzoek was gebleken, dat de fundamenten onder de muur volkomen gaaf zijn gebleven. Hieruit kunnen we concluderen dat er geen grondstoringen waren, dus de val van de muur niet te wijten was aan een aardbeving. Volgens de Christelijke Encyclopedie heeft men de muur, die op het geluid der horens gevallen was, nooit gevonden. 'Misschien hebben slopende krachten de muurresten weggevaagd, of dat de ban zo intensief is geweest, dat van de (muur der) stad niets overbleef'. Later zien we hoe kosmische krachten uitvallen, wanneer de zon in het midden des hemels stil bleef staan te Gibeon en de maan niet hoger klom in het dal Ajalon (Joz.10:12).

Heeft God werkelijk gezegd dat Jozua de stad moest uitmoorden en later ook Ai en tientallen andere steden? (Joz.10:11). Ik geloof dit niet, maar deze legeraanvoerder had de gedachte der semitische volken overgenomen, dat hij op deze wijze God het meest eerde. Hetzelfde deed bijvoorbeeld ook Mesa van Moab. In 'Gods Woord en der eeuwen getuigenis' van dr.A Noordtzij lees ik over de beroemde steen van Mesa, die in 1868 door de duitse zendeling dr.Klein werd gevonden. Op deze steen verhaalt koning Mesa hoe hij in het Overjordaanse 'het gehele volk doodde van stad tot stad, een lust voor (god) Kamos en voor Moab'. Zo vermoordden later de kruisvaarders onder het motto 'God wil het' talrijke joden. In onze geschiedenis werd het 'kettergebroed' van Naarden en Haarlem onder het aanroepen van de maagd Maria door de legers van Alva uitgeroeid. De Pilgrimfathers aan de oostkust van Amerika deden de Pequod-Indianen 'in de ban'. Zij loofden prijzen uit voor elke scalp. Niets mocht bij hen op zondag gedaan worden, behalve deze stelselmatige uitroeiing der heidenen. Deze latere gruwelen werden gedaan op grond van oudtestamentische verhalen. Men handelde dus wel in strijd met de woorden van Jezus dat men zijn vijanden behoort lief te hebben en hen zelfs wel te doen.

Wat gebeurde er met de koning van Jericho? Hij werd aan een paal gespietst evenals de koning van Ai (Joz.8:2,29). Met ontbloot onderlijf werd hij omhoog gezwaaid op een puntige paal, stevig in de grond geslagen. Langzaam zakte het lichaam door eigen gewicht er verder in. Staan wij als christenen hier nu achter? Ook Jozua behoorde tot hen die God niet gezien hebben zoals deze werkelijk is. De eniggeboren Zoon die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem (ons) doen kennen (Joh. 1:18). Men kan wel zeggen met de kruisvaarders: 'God wil het', maar zijn wil is alleen het goede, welgevallige en volkomene (Rom.12:2). Daarom sprak Jezus: 'Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is,... maar Ik zeg u'. De wortels van ons geloof liggen niet in het oude volk Israël en ook niet in het aards gerichte ongeestelijk 'geestelijk' Israël der kerken, waarvan de portalen gevuld werden met het bloed der martelaren, maar de gemeente van Jezus Christus is 'geworteld en gegrond in de liefde' van God, die zich uitstrekt tot de gehele wereld.

zie voor andere artikelen kvooverz