kvo 50e jaargang nummer 7 juli 1986

J.E.v.d.Brink

O N S L E V E N I S

O N S E I G E N D O M

abortus, zelfdoding en euthanasie

Gij zult niet doden

Alle leven is uit God die geest is. Hij heeft het met al zijn rijke variaties uitgedeeld aan 'al wat leeft'. De organische schepping heeft het vermogen dit leven opnieuw door te geven. 'God blies de levensadem in de neus van Adam; alzo werd de mens tot een levend wezen' (Gen.2:7). Zijn leven was nu zijn persoonlijk eigendom, want God had het hem 'geschonken'. Jezus sprak later altijd over het leven van de mens als 'uw' leven en 'zijn' leven. Petrus zei tijdens de afscheidsrede van Jezus: 'Ik zal mijn leven voor u inzetten! Jezus antwoordde: Uw leven zult gij voor Mij inzetten?' (Joh.13:37,38). Hij sprak ook over 'het' leven en bedoelde daarmee het eeuwige leven (Matt.7:14).

Een kind ontvangt niet alleen zijn lichaam maar ook zijn levensgeest door middel van zijn ouders. Kinderen zijn 'ons vlees en ons bloed'. Het vergankelijke bloed is zinnebeeld van het onvergankelijke menselijke leven. Dit behoort bij zijn wezen en is zijn privé-bezit. Wanneer het kind nog klein is, zijn de ouders voor zijn leven verantwoordelijk. Zij hebben de opdracht het kind op te voeden, zodat het zich ongestoord kan ontwikkelen. Bij het volwassen worden neemt het kind deze verantwoordelijkheid voor zijn leven over. Als volwassen mens beschikt hij erover zoals hij een hem door zijn ouders geschonken woning beheert. Hij meubileert zijn huis, verzorgt het en is verantwoordelijk voor een goede staat. Natuurlijk heeft hij als eigenaar daarbij rekening te houden met zijn buren en hun woningen, met gemeenschappelijke belangen, rechten en verplichtingen. Hij moet ook zijn huis beveiligen tegen dieven en slechte individuen. Zo moet de mens zijn levenshuis bewaken tegen indringers, die hem zijn vrijheid willen ontroven en zeggenschap eisen in zijn eigendom. De dieven en rovers zijn beeld van de boze geesten, die iemands geestelijke huisraad willen stelen en die zijn spullen vernielen, omdat ze er niet mee weten om te gaan (verg.Matt.12:29,30 en 43-45). Zo'n mens loopt dan gevaar dat hij in zijn eigen huis niets meer heeft te vertellen, zoals de apostel vanuit zijn oude leven sprak: ik bewerk de ellende niet, maar de zondemacht die in mij woont (Rom.7:30).

Komt de mens tot bekering en wedergeboorte, dan geeft hij zijn hart aan Jezus Christus. Hij legt zijn leven dan in de hand van God, dus laat zich voortaan door de Heilige Geest leiden. Door zijn gebed opent de christen zelf de toegang voor de Heilige Geest en ontvangt Hem als gave Gods. Hij heeft dan een inwoner die hem in alles helpt en die hem toch volkomen vrij laat in al zijn beslissingen. Om het met de oude vertaling te zeggen: God zet Zich op de wagens van een vrijwillig volk. Ja, het komt zelfs zover, dat de Heilige Geest een huwelijksband met de menselijke geest aangaat. Er ontstaat dan een twee-eenheid, die het onvergankelijke leven nieuwe aspecten en nieuwe vreugde schenkt: 'Die zich aan de Here hecht, is één geest met Hem' (1 Kor.6:17). Aan het leven van de christen is dan een nieuwe dimensie toegevoegd, die zo krachtig is, dat elke indringer kan worden verjaagd en het huis vervuld wordt met vrede, gerechtigheid en blijdschap.

OMDAT HET LEVEN EEN PERSOONLIJK BEZIT VAN DE MENS IS, IS HET NIET GEOORLOOFD IEMAND VAN ZIJN AARDSE LEVEN TE 'BEROVEN', DUS VAN ZIJN NATUURLIJK LICHAAM.

Men berooft hem daarmee van zijn verdere geestelijke ontwikkelingsmogelijkheden. De vijanden van ons leven zijn de boze geesten. Ze zijn wetteloos en veroorzaken ziekte, zonde en dood. De zonde tast in eerste instantie het geestelijk lichaam van de mens aan en bewerkt een geestelijke doodstoestand. Ziekte valt het natuurlijk lichaam aan en desorganiseert het, wat meestal gepaard gaat met een aantasting van de innerlijke mens. God daarentegen ontneemt niemand het leven, want Hij is de bron van alle leven. Ziekte, zonde en dood zijn vijanden van God en van de mens. Bij de schepping was het niet Gods bedoeling om een mens de dood te doen sterven, maar om door een ontwikkelingsproces het natuurlijk lichaam van de mens door zijn volwassen geworden geestelijk lichaam te doen absorberen, zoals dit ook bij de wederkomst des Heren zal gebeuren met 'de levend achtergeblevenen'. Dan wordt immers bij de onberispelijke gemeente het lichaam van haar leden in een ondeelbaar tijdstip veranderd en sterft het niet.

Voor de zondvloed was er veel geweld op aarde en waren doodslag en moord schering en inslag. Lamech beroemde zich erop dat hij een man dood sloeg om zijn wonde en een knaap om een hem toegebrachte striem. Geen wonder dat de Here God na de vloed tot Noach sprak: 'Wie des mensen bloed (opzettelijk) vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden' (vergelijk Ex.21:14). God respecteert het onsterfelijke leven van ieder mens en deze zal op zijn beurt dat van zijn medemens moeten ontzien. De apostel zou later van de overheid schrijven: 'Indien gij kwaad doet, weest dan bevreesd, want zij draagt het zwaard (om te doden) niet tevergeefs. (Rom.13:4).

Een ouder is geroepen om het leven van zijn kind - ook al is het nog niet geboren - te beschermen. Een onbarmhartig oordeel zal echter gaan over allen, die in egoïstische onbarmhartigheid, of uit vrees voor een komende situatie, aan een ongeboren kind zijn enig bezit, het leven, te ontroven. Wanneer ouders een gezin gesticht hebben, zijn ze 'baas' in eigen woning. Dit houdt voor hen evenwel in dat ze de opdracht en de verantwoordelijkheid hebben het goede voor hun kinderen te zoeken en hun kleinen in alle sectoren van hun leven te beschermen, geestelijk zowel als lichamelijk. Het kind van een christen - ook het ongeboren - is geheiligd in de ouder, dat wil zeggen afgezonderd van de machten der duisternis (1 Kor. 7:14). Een vrouw die in verwachting is, heeft de verantwoordelijkheid voor het inwonende vruchtje. Het prille leven is het rechtmatig bezit van het kind. Op deze wijze is de vrouw 'baas' in haar eigen schoot. De ouders hebben hun ongeboren kind het leven 'geschonken' en dit behoort alleen aan het kind toe, ook al is het nog als embryo in een beginstadium.

Zelfdoding

Omdat het leven aan de mens zelf toebehoort, is hij verantwoordelijk voor wat hij ermee doet. Het leven is een gave Gods dat wij door middel van onze ouders hebben ontvangen en waarmee God een bedoeling heeft. Wanneer een mens zichzelf het leven beneemt, is hij verantwoordelijk voor deze daad. Bij een mislukte poging tot zelfmoord zal hij niet voor de aardse rechter worden gedaagd, evenmin als degene die op een andere wijze zondigt tegen zijn lichaam door bijvoorbeeld het gebruik van drank en drugs en daarmee zijn leven beknot. Hij zal voor God verschijnen en deze zal hem oordelen. Wij zullen echter de zelfmoordenaar niet veroordelen en hem zeker niet naar de 'hel' verwijzen. Niemand weet immers wat in de mens is en in hem werkt dan des mensen eigen geest die in hem is. 'Daarom, velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Here komt, die ook hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen der harten openbaar maken' (1 Kor. 2:11;4:5). Wij weten immers niet door welke boze geesten iemand aangevallen en overweldigd werd. Het zijn beslist niet de slechtste mensen die suïcide plegen. Denk ook hierbij aan geesteszieken, die vaak een willoze prooi zijn van de machten der duisternis.

HET IS OPMERKELIJK DAT IN DE ENKELE GEVALLEN VAN ZELFMOORD, DIE DE BIJBEL VERMELDT, NERGENS EEN OORDEEL OVER DE BETROKKENEN WORDT GEVELD OF ZELFS COMMENTAAR EROP GEGEVEN.

Koning Saul sloeg de hand aan zichzelf (1 Sam.31:4). Achitofel overwoog de voor hem hopeloos geworden situatie, 'trof beschikkingen voor zijn huis en verhing zich. Zo stierf hij, en hij werd begraven in het graf van zijn vader' (2 Sam.17:23). Als discriminatie en straf werd hem zelfs een zogenaamde ezelsbegrafenis gespaard (Jer.22:19). Judas kreeg berouw over zijn verraad en hij bracht de dertig zilverlingen terug en beleed zijn zonden. Daarop ging hij heen en verhing zich. (Matt.27: 3-5). Toen hij zijn duivels werk gedaan had, liet de boze hem los om plaats te maken voor een andere boze geest, teneinde hem wanhopig te maken. Was hij een 'duivel' gebleven, dan had hij zeker geen zelfmoord gepleegd (Joh.6:70). Hij verloor zijn apostelambt om naar 'zijn eigen plaats' te gaan (Hand.1:25). Petrus drukte zich met deze aanduiding wel zeer vaag uit. Hij bedoelde waarschijnlijk dat Judas naar het dodenrijk was gegaan, waar God hem ook een plaats had toegewezen zoals wij dit afleiden uit de geschiedenis van de rijke man en de arme Lazarus. Jezus en Judas kwamen dus ongeveer op dezelfde tijd in het dodenrijk. Volgens 1 Petrus 3:19,20 predikte de Heer daar aan de geesten, die eertijds ongehoorzaam waren geweest. Misschien speelde bij de apostel, toen hij voor het heengaan van Judas deze voorzichtige uitdrukking bezigde, nog een tekst mee, die te vinden is in Numeri 24:25. Daar staat dat Bileam naar zijn eigen plaats ging, wat volgens een rabbijnse uitleg de gehenna, de diepste diepte van het dodenrijk betekende.

Wat de martelaren van de begintijd betreft, lees ik in de kerkgeschiedschrijving van Eusebius: 'Sommigen van hen hebben, om de beproeving te ontgaan, vóór zij gegrepen werden en in handen van de beulen vielen, zich boven van de huizen te pletter gegooid, daar zij de dood als gewin beschouwden tegenover de boosheid der goddelozen'. Hij verhaalt ook van een vrouw te Antiochië, 'die heilig en bewonderenswaardig was om haar zielskracht. Toen deze christin en haar beide schone dochters gevangen genomen en met ontering bedreigd werden, verklaarden ze, 'dat het overleveren van de ziel aan de slavernij der boze geesten erger was dan elke dood en elk verderf'. De vrouw gaf te verstaan dat er maar één redmiddel bestond uit dit alles: de vlucht tot de Heer. 'Nadat zij het hier vervolgens over eens waren geworden, kleedden zij haar lichamen in kostbare gewaden en toen zij halverwege gekomen waren, wisten zij van de bewakers te verkrijgen, dat zij zich even verwijderen mochten. Toen stortten zij zich in de daar voorbij stromende rivier'. Hoewel ik mij hun zorg en angst levendig voorstellen kan, berustten deze handelingen toch niet op geloof. God is immers bij machte om uit iedere nood te redden. David sprak aan het einde van zijn leven, dat de Here hem uit al de benauwdheden had gered. Wat de ontering betreft, kan gezegd worden dat zij niet erger is dan 'dood en verderf'. Als voorbeeld noem ik Rachab en Tamar, vrouwen die zelfs niet tegen hun wil werden onteerd. Zij werden door God niet verstoten maar vanwege hun geloof opgenomen in de geslachtslijn van Jezus Christus.

Wat verder te zeggen van bepaalde nationale helden, naar wie straten vernoemd zijn en voor wie standbeelden werden opgericht? Herman de Ruyter, de emissario (boodschapper) van prins Willem van Oranje, veroverde het slot Loevestein. Na tien dagen bezetting moest hij het weer overgeven. Hij stak de lont in het kruit, waarbij vriend en vijand omkwamen. Jan van Speyk liet tijdens de Belgische opstand zijn kanonneerboot, die tegen de wal dreef, in de lucht vliegen. Hij werd begraven in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Moge in de geschiedenisboeken deze mensen als helden genoemd worden, ondanks het feit dat zij ook hun ondergeschikten de dood injoegen, vanuit onze christelijke visie kunne we moeilijk spreken van geloofshelden. De christelijke encyclopedie spreekt in soortgelijke gevallen van grensethiek, wanneer bijvoorbeeld onder het Hitler-regime gevangenen zichzelf van het leven beroofden, omdat zij bevreesd waren bij een verhoor 'door te slaan'. De wereld kan begrijpelijker wijs hun daden waarderen, omdat zij op deze manier bevrijd dachten te worden van hun benauwdheden en angsten, maar de christen weet dat God hem bewaren wil in de ure der verzoeking. Van de geloofshelden in Hebreeën 11 staat geschreven, dat zij van geen bevrijding wilden weten, dus geen uitweg zochten ten koste van hun geloof. Ze vertrouwden alleen op Gods bewaring.

Volgens de dagbladen werden vorig jaar in Nederland 100.000 pogingen tot zelfmoord gedaan, waarvan 2000 met dodelijke afloop. Wij denken hierbij aan de onrustbarende toename van zelfmoord onder de opgroeiende jeugd, vooral schoolgaande. Ze kunnen niet meer mee, hebben slechte rapporten, hebben faalangst en zijn gegrepen door een geest van verwerping. Wie staat hen bij? Nog zijn de ouders verantwoordelijk voor deze onvolwassen jongeren, maar die hebben zelf meestal geen weet van wat er in de onzienlijke wereld met hun kinderen aan de hand is. De tieners wenden zich niet meer tot hun natuurlijke beschermers en bevinden zich in een duister niemandsland. Hoe heerlijk is het daarentegen, dat wij zien dat de jeugd in onze gemeenten wel geholpen wordt. Wij danken de Heer voor de vele capabele jeugdleiders en voor de ouders, die de strijd in de hemelse gewesten aan kunnen terwille van hun jongens en meisjes. Deze zijn niet moeilijk maar hebben het moeilijk vanwege de boze geesten die zich in deze demonische tijd op hen werpen. Maar het groene gras verbrandt dan niet (Openb.9:4).

Wij horen nog wel eens de uitdrukking: God beschikt over het leven. Indien dit in absolute zin waar zou zijn, zouden we moeten concluderen dat onze goede God niet alleen de hand heeft in allerlei ziekten en rampen, maar dat Hij ook het kwaad van de zelfdoding in dit jammerdal aan bepaalde zwakke geesten toeschikt. Het geloof van zondag 9 uit de Catechismus, dat Hij alles nog ten beste keren zal, komt dan wel cynisch over.

Doden op verzoek

In 'De Tijd' las ik de uitspraak van een predikant dat de mens de bediening van zijn levensklok niet van God mag overnemen. Daarin ligt de gedachte opgesloten dat God het ogenblik van iemands sterven bepaalt, of dit nu vóór of bij de geboorte, of op jeugdige leeftijd, of op hoge ouderdom is. Maar regelt Hij dan ook het stervensogenblik van de coureur die bij de snelheidsrace uit de bocht vliegt, of van de alcoholist en de drugsverslaafde? Neen, maar de duivel zet door middel van zonde en ziekte de polsslag van het leven stil. Bij zijn schepping had God de dood van de mens niet ingecalculeerd, maar wel de afweer van de belager, het herstel van het beschadigde en de aanpassing in wisselende omstandigheden.

Het leven is het eigendom van de mens zelf, maar allen zullen wij voor de rechterstoel van God geopenbaard en geoordeeld worden naar wat wij met ons leven hebben gedaan, hetzij goed hetzij kwaad.

God treedt dan niet op als bezitter van het leven, maar als onpartijdig rechter. In zijn wetten heeft Hij wat de aantasting van het leven betreft, slechts één ding geregeld, namelijk het geval dat de mens die een ander opzettelijk doodt, ook gedood moet worden.

De vraag van onze tijd is, of men uit medelijden een hoog bejaarde of een chronische patiënt uit een zwaar lijden mag verlossen, wanneer zij erom vragen. Mag men de beëindiging van hun leven in de handen van een ander mens leggen, of is zo'n verzoek tot euthanasie in wezen een poging om een medemens tot zonde te verleiden? Als opstelling tegen zo'n daad las ik in een artikel van het 'Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde': 'Als verdere afbakening stel ik dat de arts niet te maken heeft met een modieuze flirt met de dood, met lippendienst aan het recht van de stervenden, met verzoeken en wensen van familieleden (en soms van de patiënt zelf), en met een codicil in de portefeuille van de adolescent'. De ingeschapen wet om onder geen enkel beding het leven van de mens hem te ontroven, wordt verwoord in een brief van het 'Nederlandse artsenverbond' aan de kerken van Nederland:

'Sinds de dagen van Hippocrates, meer dan 24 eeuwen geleden, hebben de artsen gezworen nooit euthanasie of abortus toe te passen, ook niet op verzoek van de patiënt, omdat men alleen vertrouwen kan hebben in een arts, als men weet dat hij in geen enkel geval zijn kennis zal gebruiken om te doden'.

Het beëindigen van een zinloze behandeling is geen euthanasie. Het geeft de mens de gelegenheid zonder verlenging van het stervensproces heen te gaan, maar hij wordt niet gedood.

De bijbel geeft mijns inziens slechts één voorbeeld van euthanasie, waarin alle facetten die vandaag aan de dag besproken worden, voorkomen. Koning Saul was in een hevige strijd met de Filistijnen gewikkeld. Aan het einde van een verloren veldslag had hij zich teruggetrokken op het gebergte Gilboa, waar zijn vijanden hem op de hielen zaten. Reeds waren zijn drie zonen gesneuveld. De vijandelijke boogschutters hielden de koning onder schot. De septuaginta vermeldt zelfs dat hij door een pijl in zijn buik was verwond (1 Sam.31:3). Er was geen ontkomen meer aan. Reeds zag de koning in zijn gedachten op welke wijze de onbesnedenen hem zouden martelen en bespotten. In deze 'uitzichtloze noodsituatie' keerde hij zich tot zijn wapendrager en vroeg deze hem te doden. Gewetensvol weigerde de man echter aan Sauls verzoek te voldoen. Hij vreesde zeer dit kwaad te doen en zijn naaste te doden. Hij schrok er echter niet voor terug om zijn heer te volgen, toen deze een poging tot zelfdoding deed. Wat het doden van zijn vijanden betrof, kon hij zich erop beroepen dat hij in dienst van de overheid had gestaan. De onbesneden Filistijnen hadden zich tegen Israël verzameld en er was dus sprake van een 'gerechtvaardigde' oorlog.

We zien dat de wapendrager van Saul de wet van God respecteerde. Hij weigerde daarom op het verzoek van de gezalfde koning over te gaan tot euthanasie. Toen Saul daarna in zijn eigen zwaard viel, bleek dat zijn zelfmoord poging mislukt was. Zijn leven was nog in hem, maar toch was er sprake van 'een zekere doodsverwachting' en wel onder tragische omstandigheden. Dan passeert er een jonge Amelekiet, die in het leger van de koning diende evenals bijvoorbeeld Doëg, de Edomiet (2 Sam.1:4). Ook tot deze jongeman richt Saul het verzoek hem te doden, 'want een vreselijke duisternis is op mij gekomen, maar mijn leven is nog geheel in mij'. (2 Sam. 1:9 septuaginta). De Amelekiet ziet Saul in een deplorabele toestand. Hij gaat in op het dringende verzoek van de ten dode gedoemde koning en geeft hem zonder scrupules te maken de genadestoot om de doodstrijd te verlichten. Het enige bezwaar dat de humane mens in onze tijd tegen zijn daad zal aanvoeren, is het feit dat de wapendrager geen medische bevoegdheid ertoe bezat.

De jongeman komt dan drie dagen later bij David na een geforceerde mars van zeker 130 kilometer over het gebergte van Efraïm en Juda. Als teken van rouw verschijnt hij met gescheurde kleren en aarde op het hoofd. Hij verteld aan David dat hij op diens verzoek koning Saul had gedood. 'Ik begreep, dat hij, na eenmaal gevallen te zijn, toch niet in leven zou blijven. Daarop nam ik de diadeem, die om zijn hoofd en de armband, die om zijn arm was; en deze breng ik hier aan mijn heer'. Het verzoek van de koning had hem tot deze zonde gebracht. Hij kon David echter niet overtuigen, dat hij de bede van de gezalfde des Heren niet had kunnen afwijzen, dat zijn daad uit medelijden was geschied en dat de koning toch niet in leven zou zijn gebleven. David discussieert niet met de Amelekiet, maar beschuldigd hem van opzettelijke doodslag, dus van moord. Hij sprak: 'Uw bloed zij op uw hoofd, want uw eigen mond heeft tegen u getuigd, doordat gij gezegd hebt: 'ik heb de gezalfde des Heren gedood' (2 Sam.1:1-16). De Amelekiet was dus fout geweest, toen hij het verzoek van de gezalfde des Heren, die men anders altijd gehoorzamen moest, inwilligde.

Als christenen zijn wij verzekerd dat wij naar het woord des Heren de dood niet zullen zien noch smaken (Joh.8:51,52). Dit laatste houdt een belofte in, dat wij bij het sterven - wanneer er scheiding wordt gemaakt tussen de inwendige en uitwendige mens - mogen bidden dat de vrede en de rust van het Koninkrijk Gods bij het ontslapen bewaard mogen blijven. In de naam van Jezus zullen wij ook een stervende bijstaan door iedere macht der duisternis, die deze vrede en rust wil verstoren, te bestraffen en te verdrijven. Maar dit is dan wel een zaak van geloof en van liefde.

zie voor andere artikelen kvooverz