kvo 50e jaargang nummer 5 mei 1986

J.E.v.d.Brink

' DIT IS HET ...'

Het Israël Gods

In het begin van de handelingen deelt Lucas mee, dat Jezus na zijn opstanding nog veertig dagen lang aan zijn discipelen verscheen om hen te onderrichten 'over al wat het Koninkrijk Gods betrof'. De Heer gaf dus een uitgebreid overzicht van zijn speciale boodschap zoals Hij deze drie en een half jaar in Israël had verkondigd. Ongetwijfeld sprak Hij ook over zijn recente ervaringen in het dodenrijk (1 Petr.3:19). Terwijl Hij met hen aanzat, gebood hij hen om Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte des Vaders, waarover Hij zo menigmaal met zijn discipelen had gesproken. Gespannen luisterden zij naar hun verheerlijkte Meester, want de volheid des tijds waarover Joël gesproken had, zou aan hen worden vervuld. De plaats van dit heilsgebeuren was volgens deze profeet de berg Sion, waarop de tempel te Jeruzalem was gelegen. Daar zou het heerlijke werkelijkheid worden, dat zij zouden ontkomen aan de hand van al hun vijanden in de hemelse gewesten en aan de beïnvloeding van een verhard, 'verkeerd geslacht' (Joël 2:32, Hand.2:40).

De vraag die de discipelen stellen, is begrijpelijk. Wanneer zij Jeruzalem niet verlaten mochten, was dit dan omdat de Here in deze merkwaardige dagen die zij beleefden, het Davidische koningschap in Israël zou herstellen? Jezus wijst hen er dan op dat het vaststellen van goddelijke tijden en geestelijke seizoenen niet een zaak van zijn volgelingen was. Dezen hebben slechts de opdracht om het evangelie van het Koninkrijk der hemelen over de gehele wereld te verbreiden (Matt.24:14).

Ook had de Here gezegd dat het Koninkrijk Gods van Israël zou worden weggenomen en gegeven aan een volk, dat de vruchten ervan opbracht (Matt.21:43). Hij had menigmaal de inwoners van Jeruzalem bijeen willen vergaderen gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, maar dat hadden zij niet gewild. Hun aardse tempel zou daarom worden prijsgegeven (Matt. 23:37,38).

Op welke wijze wordt nu dit Koninkrijk Gods van Israël weggenomen? Als de volgelingen van Jezus op de Pinksterdag in de tempel bijeen zijn, is door de uitstorting van de Heilige Geest dit Koninkrijk in hen. Het is geconcentreerd in de gemeente van Jezus Christus en haar leden zijn burgers van een rijk in de hemelen. Zij functioneren dan in het nieuwe Jeruzalem. Zij hebben 'in Christus zijnde', een plaats gekregen in de hemelse gewesten (Ef.2:6). Paulus schreef later, dat het God behaagd had hem op deze wijze af te zonderen van de schoot zijner moeder, dat is te scheiden van het aardse Jeruzalem met zijn religieuze instellingen. Na zijn bekering en doop met de Heilige Geest vond de apostel een ander tehuis, namelijk het hemelse Jeruzalem en dat was voortaan zijn moeder (Gal.1:15;4:26).

De discipelen moesten dus te Jeruzalem blijven om geestelijk van het natuurlijk Israël te worden losgemaakt. Zij zouden het begin vormen van het Israël Gods, dat zijn burgerschap in de hemelen heeft. Het Koninkrijk Gods of dat van Jezus Christus is immers niet van deze wereld (Joh.18:36).

De christenen moeten daarom inzien dat zij niet geworteld zijn in het jodendom. De fundamenten van hun stad zijn niet genomen uit die van het aardse Jeruzalem. Het christendom is geworteld en gegrond in de liefde van God jegens de gehele wereld. Een scheut uit deze wortel is Jezus Christus, de Zoon des mensen, die als jood onder de wet werd geboren. Toen Hij stierf en opstond uit de doden had Hij opgehouden jood te zijn. Hij is nu koning over een hemels Koninkrijk, over het volk der heiligen des Allerhoogsten en zijn koningschap is een eeuwig koningschap (Dan.7:27). Zo is het ook met de ware christen. In Christus is hij alleen hemelburger. Hij is geëmigreerd naar de 'nieuwe wereld' en heeft daarmee het contact met zijn oude bestaan verbroken.. Het jodendom was eenmaal het nest, dat bijeengehouden werd door de mozaïsche wetten. Daar werd het ei in gelegd. Toen de schaal doorbrak, vloog de vogel heen naar hogere sferen om nimmer terug te keren. Dezelfde gedachte vinden we bij de schepping. In Gods plan was de mens het hoofd van de schepping en bestemd om zijn beeld en gelijkenis te zijn. De planten- en dierenwereld die tot de vergankelijke schepping behoren, geven de onsterfelijke mens gelegenheid zich te ontwikkelen van natuurlijk tot geestelijk wezen. De verheerlijkte mens heeft dit alles niet meer nodig om eeuwig te existeren. Het gaat niet om de rups maar om de vlinder. Het gaat niet om het nest maar om de vogel. Het gaat niet om Israël naar het vlees, maar om Israël naar de geest. De discipelen moesten te Jeruzalem blijven, teneinde deze stad als geestelijke mensen te verlaten.

Een tweeledige opdracht

Het was de bedoeling van Jezus om reeds tijdens zijn leven op aarde te Jeruzalem Zich een volk te vergaderen, dat Hem geheel zou toebehoren. Dit zou dan voor hen het einde betekenen van het oude verbond met zijn wetten en instellingen. In de mozaïsche maatschappij was immers geen plaats voor een hemels burgerschap en er waren ook geen voorzieningen getroffen om aan de Heilige Geest een rechtmatige plaats te geven. De opdracht aan het overblijfsel uit Israël luidde nu: predikt het evangelie dat Ik aan Israël verkondigd heb, aan álle volken, maar doe dit niet voordat je met de Heilige Geest gedoopt bent, zoals Ik ook gewacht heb op mijn Geestesdoop, die Ik bij de Jordaan ontving. Zo openbaarde Jezus de raad Gods aan zijn discipelen voor hun tijd.

Op de eerste dag van zijn opstanding sprak de Here: 'Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u'. Hij was gekomen om de werken des duivels te verbreken, schreef Johannes, en dit moeten ook wij als zijn volgelingen doen. De Vader in de hemel werpt geen duivelen uit, maar de Zoon des mensen deed dit ons ten voorbeeld. De vijandschap tussen het zaad van de slang en dat van de vrouw zou hoog oplaaien, want Jezus gaf de gelovigen de macht om op slangen en schorpioenen te treden en om de gehele legermacht van de vijand te onderwerpen. Macht veronderstelt vermogen of autoriteit om op te kunnen treden. Deze macht moet echter ondersteund worden door de kracht van de Heilige Geest. De tweeledige opdracht voor de gemeente van Jezus Christus luidt dus: verkondig het evangelie van het Koninkrijk der hemelen aan de ganse schepping en wordt gedoopt met de Heilige Geest, opdat deze tekenen de gelovigen zullen volgen: in zijn naam zullen ze duivelen uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken en op kranken de handen leggen, dat wil zeggen hen claimen voor het Koninkrijk Gods, en ze zullen genezen worden (Marc.16:15-18).

De verkondiging van het evangelie der verzoening en van de schuldvergeving is noodzakelijk om binnen de poorten van het nieuwe Jeruzalem te komen. Dan is er sprake van 'kinderkens' aan wie de zonden zijn vergeven. Maar deze 'kinderkens' moeten jongelingen worden, die sterk zijn en de boze hebben overwonnen op dezelfde wijze als Jezus dit heeft gedaan. Hiertoe moeten zij bekend zijn met het evangelie der heerlijkheid van Jezus Christus en gedoopt zijn met de Heilige Geest, die hun de kracht schenkt de vijand te onderwerpen. Wanneer echter iemand gedoopt is met de Heilige Geest zonder dat hij bekend is met het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, zal hij bemerken dat de geestelijke wereld voor hem gesloten blijft. Hij zal evenmin als de kinderen strijd kunnen voeren in de hemelse gewesten en de eretitel 'overwinnaar' kan ook hem niet geschonken worden.

Vervulling van de belofte

De goddelijke belofte voor de laatste dagen blijft onverminderd van kracht en luidt: 'Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; uw zonen en dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen' (Hand.2:17). In het oude Jeruzalem had Jezus tevergeefs getracht de 'kinderen' te vergaderen. In het nieuwe Jeruzalem brengt Hij de geestelijk rijpe zonen en dochters en de geestelijk volwassenen ouden of oudsten bijeen. In deze laatste dagen horen we ook spreken van 'bloed en vuur en rookwalm'. De antichristelijke macht maakt zich gereed voor de beslissende invasie in de hemelse gewesten. Nu wordt ook het oorlogsgeroep gehoord van een aartsengel en het geklank van de krijgsbazuin van God (1 Tess.4:16). Onze Heer verzamelt zijn machtig leger, dat toegerust is tot de laatste worsteling in het hemelse Harmàgedon. Hij haalt de zonen en dochters bijeen in de tempel van het hemelse Jeruzalem. Zij zijn immers sterk en het woord Gods blijft in hen en zij hebben de boze overwonnen (1 Joh.2:14). De machten der duisternis hebben geen heerschappij meer over hen, maar zij onderwerpen de boze geesten en de wereldbeheersers dezer duisternis. Omdat het woord Gods blijvend in hen is, horen zij de stem van de Meester in profetieën en vallen hun gezichten ten deel. Zij worden als 'levende stenen' vergaderd in de tempel Gods die in de hemel is. De ark des verbonds, Jezus Christus, wordt zichtbaar in deze verheerlijkte gemeente. Maar Johannes zag en hoorde tegelijkertijd de bliksemstralen en stemmen en donderslagen en aardbeving en zware hagel, beeld van het rumoer van het leger van de antichrist, dat op deze tempel losstormt (Openb.11:19).

De oudsten - niet in leeftijd maar in kennis en kracht - zijn de vaders, van wie Johannes schrijft: 'Gij kent Hem, die van den beginne is'. Zij zijn de 'dromers' uit de Joëlsprofetie, want zij bewegen zich voortdurend in de onzienlijke wereld. Van hen kan gezegd worden, wat ook voor Jezus gold toen Hij op aarde was: 'De Zoon des mensen, die in de hemel is' (Joh.3:13 St.vrt). In de tempel waar de jongelingen vertoeven, zijn de oudsten de pilaren, die van geen wankelen of wijken weten in de dag van de grote strijd. De glans der morgenster ligt op hen, want ze zijn de herauten van de nieuwe dag, van de heerlijkheid die in deze eschatologische dagen wordt geopenbaard. Van deze oudsten wordt gezegd: 'Wie overwint, hem zal ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan' (Openb.3:12).

Jezus vergadert geen 'kinderkens' tot de strijd. Van hen wordt opgemerkt: 'De zonden zijn u vergeven om zijns naams wil'. Zij kennen alleen de Vader in zijn ontfermende genade. Het evangelie van het Koninkrijk der hemelen bleef voor hen echter verborgen en aan de doop met de Heilige Geest kwamen zij niet toe. Daarom zijn ze ongeschikt om de strijd in de hemelse gewesten te voeren en ook niet toegerust om met de gemeente van Jezus Christus het grote herstelwerk te voltooien. Ook dreigt het grote gevaar dat de 'kinderkens' in de demonische eindtijd niet kunnen standhouden en dan nog gaan verliezen wat ze hebben.

Eenmaal verweet Jezus de geestelijke leidslieden van het volk dat zij de tekenen aan de natuurlijke hemel wel waarnamen en daar hun conclusies uit trokken, maar dat zij de geestelijke werkelijkheid niet opmerkten. Zij onderkenden daarom het uur van hun bezoeking niet en de mogelijkheid om de toorn te ontgaan en te staan voor de Zoon des mensen. Zo is het ook in onze tijd. Velen zien wel de afval en de verwording onder de christenen, en het opdringen van vijandige religies. Zij worden beangstigd door de duisternis die de aarde in de natuurlijke wereld gaat bedekken. De weg tot ontkoming wordt evenwel ook door hen niet opgemerkt. Ze missen de kennis van het onzienlijke Koninkrijk der hemelen en hebben geen visie op de heilsbelofte van Joël, waarvan Petrus sprak: 'Dit is het!'

Pinksteren met zijn rijke, geestelijke toerusting en onbegrensde mogelijkheden schenkt alleen de oplossing van de geweldige crises in onze eindtijd.

zie voor andere artikelen kvooverz