kvo 50e jaargang nummer 4 april 1986

J.E.v.d.Brink

HET OPSTANDINGSLICHAAM

De christen heeft twee lichamen

In het opstandingshoofdstuk van 1 Korintiërs 15 gebruikt Paulus enkele termen, die inzicht geven op welke wijze de christen een verheerlijkt, onsterfelijk lichaam verkrijgt. In vers 44 schrijft de apostel: 'Bestaat er een zielelichaam, er bestaat ook een geesteslichaam' (Can.vert.). Het zielelichaam - ook wel weergegeven door natuurlijk lichaam - dankt de mens aan Adam. Er staat in vers 45 (vert.Brouwer): 'De eerste mens Adam werd een zielewezen'. Adams zielelichaam werd levend, doordat God zijn adem of geest erin blies. Het geestdoortrokken natuurlijk lichaam werd hierdoor van hoog niveau, want het aarden vat bevatte nu tevens een onsterfelijke geest die de drager van de wet Gods is. Door de zonde werd de geest echter beschadigd en zwak. Hij verkeert in het rijk der duisternis, doordat hij in het gebied van de overste dezer wereld leeft. Op zijn best kan hij zich daarom in de natuurlijke wereld ontplooien met zijn creatieve kennis en kracht. Door de prediking van het evangelie van Christus wordt evenwel de geest vernieuwd, want 'de laatste Adam is een levendmakende geest'. Zijn woord is vol leven, genade, herstel en heling. De mens die dit evangelie aanvaardt, is dan in plaats van een schuldige, een rechtvaardige op wie de boze geen claim meer heeft.

Door het geloof dat een eigenschap van de geest is, grijpt deze de gedachten van God aan die geest en leven zijn. Wanneer dit raadsplan zich als woord met de menselijke geest verbindt en deze als het ware bevrucht, wordt de geest gestimuleerd tot een ontwikkeling in een hogere dimensie. 'Wedergeboren, en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God' (1 Petr.1:23). Bij een geboorte komt een kind tevoorschijn in een nieuwe dimensie: het aanschouwt het levenslicht zoals men vroeger sprak. Geboorte is een ontwikkelingsproces van een bestaand kind.Het zelfde begrip vinden we in de wedergeboorte, want dan komt in het Koninkrijk Gods het geesteslichaam te voorschijn. Dit ontwikkelt zich daar verder van kind tot jongeling en tot volwassene.

Wanneer een kind geboren wordt, blijft het toch in de omgeving van de moeder en is het zelfs dikwijls in haar armen. Zo kunnen we het geesteslichaam ook niet scheiden van het zielelichaam. Wat het geesteslichaam betreft, geldt de uitspraak van Jezus: 'Wat uit de geest geboren is, is geest'. Deze opstandingsmens 'is geboren uit water - beeld van het woord - en uit geest' (Joh.3:5,6). De ware christen heeft dus twee lichamen en zelfs ook twee geesten, die elkaar aanvullen en ondersteunen: een zielelichaam en een geesteslichaam, een menselijke geest en de Heilige Geest. Hiervoor heeft hij ook tweeërlei voedsel nodig: natuurlijk en geestelijk. Bij brood alleen kan de mens niet leven. Ook is dit niet in staat het natuurlijk lichaam blijvend leven te schenken. Het 'brood des levens' houdt evenwel het geestelijk lichaam eeuwig in stand. Dit lichaam heeft oren om te horen wat de Geest zegt, ogen om in de onzienlijke wereld op te merken, voeten om op de hoge weg te wandelen en geloofshanden om de hemelse erfenis te aanvaarden.

Sterven en opstanding

Wanneer de christen sterft, wordt zijn geesteslichaam voor altijd van het zielelichaam gescheiden. In het ontwikkelingsproces van het geesteslichaam heeft tijdens zijn aardse periode zijn ziel met haar gevoelsleven, haar liefde, haar wil en haar begeerten zich onafscheidelijk vastgehecht aan het geesteslichaam. Zij vormt dan een hechte eenheid met het geesteslichaam. Bij het sterven wordt het geesteslichaam onttrokken aan het 'aarden vat'. Het natuurlijk lichaam wordt prijsgegeven en het keert terug tot de elementen der aarde, waaruit het opgebouwd was. Het geesteslichaam blijft evenwel in het Koninkrijk Gods waar het ook geboren was. Daarom gaat de christen bij het sterven niet naar de hemel, maar hij blijft waar hij was, namelijk in het Koninkrijk Gods. Anders gezegd: hij neemt bij de Heer zijn intrek (2 Kor.5:8). Wij kunnen dus de apostel naspreken: als onze aardse tent, ons zielelichaam, waarin wij wonen, afgebroken wordt, hebben wij reeds een gebouw van God, namelijk ons geesteslichaam. Wij verkrijgen dit niet bij ons sterven, maar bezitten dit reeds uit kracht van onze wedergeboorte. Dit is ons eeuwig huis in de hemelen, waarmee wij in de onzienlijke wereld nu en later functioneren (2 Kor.5:1). Het natuurlijk lichaam is sterfelijk maar het geestelijk lichaam is onsterfelijk. Dit blijft na het sterven doorleven en bereikt dan zijn gaafheid of onberispelijkheid, indien dit bij de christen nog niet tijdens zijn aardse leven is geschied.

Bij de Heer onze intrek nemen betekent dat Jezus zijn volk in het nieuwe Jeruzalem bijeenbrengt, zoals Hij eenmaal het natuurlijk volk Israël in het aardse Jeruzalem wilde bijeenvergaderen. Of om een ander beeld te gebruiken: Jezus begroet ons bij het sterven in het hemelse paradijs (Luc.23:43).

De niet gerechtvaardigde mens gaat bij het sterven naar het dodenrijk. Daar heerst de duivel door de dood. Als overste dezer wereld heeft hij alleen de levende mens nodig om hem als zijn instrument dienstbaar te zijn. Sterft de onwedergeboren mens, dan is hij verder onbruikbaar voor de boze geesten. In de geestelijke wereld hebben ze hem echt niet nodig. Zijn innerlijke mens die geen metamorfose ondergaan heeft, wordt door de koning des doods op non-actief gesteld in de hades, een woord dat 'ongeziene' wereld kan betekenen. Ook wordt hades wel afgeleid van een werkwoord dat op 'allen ontvangen' wijst. Zoals de Here God de poel des vuurs voor de duivel en diens engelen bestemd heeft, zo heeft de vijand van de mens, de duivel, het dodenrijk bereid voor hen, die vanwege hun sterven voor hem onnut zijn geworden.

Voor zijn volk heeft Jezus evenwel de dood en het dodenrijk overwonnen door het opstandingsproces, waaraan zij allen deel hebben. Tot Martha sprak de Heer bij de dood van Lazarus: 'Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven', dus 'de dood niet zien', zoals 'The New Testament in Basic English' in zijn vertaling van Johannes 11:25,26 heeft.

Er staat: 'Opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen' (Hebr.2:14). Jezus heeft door zijn opstanding deze beheerser van de dood in eigen leven onttroond en voor alle heiligen, die met Hem opstonden (Matt. 27:52). Hij heeft hem ook verder onttroond, omdat allen die een geesteslichaam bezitten 'de dood in eeuwigheid niet zullen aanschouwen noch smaken' (Joh.8:51,52). Christus is nu heer over het dodenrijk, dat zijn bewarende taak nog vervult tot het laatste oordeel.

Vergankelijke en onvergankelijke opstanding

In Johannes 11 wordt verhaald hoe Jezus enkele weken voor zijn opstanding met het onverwachte heengaan van zijn vriend Lazarus werd geconfronteerd. Voordat de Heer naar het graf ging, had Hij eerst nog een kort onderhoud met Martha. Jezus troostte haar met de bemoedigende woorden, dat haar broer zou opstaan. Martha reageerde hierop met: 'Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongste dage'. Zij beleed daarmee wel haar rechtzinnig geloof, maar tegelijkertijd maakte zij de woorden van Jezus los van hetgeen weldra zou gebeuren. In deze ook voor Jezus zo droevige situatie was het, of de laatste vijand tot Hem wilde zeggen: 'U kunt wel menen dat de Vader u alle dingen al heeft overgegeven, maar uw vriend heeft toch maar geen deel aan uw heerlijkheid. Hij is nu in het dodenrijk en moet wachten op de jongste dag'. Toen Martha dit zei, was zij niet bedacht op de dingen Gods, maar op wat de orthodoxe joden terecht leerden. Dit was echter niet van toepassing voor haar overleden broer.

Juist enkele weken voor Jezus Zich een gemeente ging vormen en haar leden zou dopen in de Heilige Geest, werd Lazarus weggenomen. Deze intieme vriend van de Meester zou dus niet meer tot het lichaam des Heren kunnen behoren en ook zou hij het geestelijk lichaam missen, dat onmisbaar is voor de eerste opstanding. Is het wonder dat Jezus 'verbolgen in de geest werd en diep ontroerd was'? Daarom riep Jezus met luider stem: 'Lazarus, kom uit!'. Kom uit dat dodenrijk, opdat ook van jou, mijn vriend, gezegd zal worden: 'Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding' (Openb.20:6). Lazarus spoedde zich daarna naar buiten, de voeten en handen gebonden met grafdoeken en met een zweetdoek om het gelaat gebonden. Jezus verzocht enkele vrienden de windselen los te maken door ze voorzichtig los te scheuren of door te knippen. Ook Jezus zelf werd na zijn sterven gewikkeld in linnen windsels met specerijen, wat bij de joden gebruikelijk was bij het begraven (Joh.19:40). Door toevoeging van de balsem ontstond een soort cocon. Na de opstanding bezocht Petrus het graf en 'toen hij zich bukte, zag hij alleen de windsels. En hij ging weg, bij zichzelf verbaasd over wat er mocht gebeurd zijn' (Luc.24:12). Van Johannes staat dat deze het graf binnenging en 'hij zag en geloofde'. De windsels waren niet losgemaakt en opgerold, want het gomachtige hars liet de windsels niet meer los. Zij waren nog in dezelfde vorm, zoals zij om het lichaam waren geweest. Dit was voor de discipelen het bewijs dat het natuurlijk lichaam van Jezus in een ogenblik was veranderd. Het was 'verzwolgen in de overwinning' (vers 54). De windsels waren gaaf en ongeschonden maar zonder inhoud.

Wanneer onze Heer wederkomt, worden de ontslapenen onvergankelijk opgewekt (vers 52). Wordt dan het begraven of misschien verbrande lichaam opgewekt? Is er zoiets als een opstanding des vlezes? Beërft het vergankelijke toch nog het onvergankelijke? Paulus schrijft in dit verband: 'Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven' (vers 50). In vers 44 stelt hij: 'Gezaaid wordt een zielelichaam, opgewekt wordt een geesteslichaam' (vert.Brouwer). Het is dus duidelijk wat wel en wat niet opgewekt wordt. Wanneer iemand opgewekt wordt, gaat hij na een periode van rust in de natuurlijke wereld aan de arbeid. Bij de opstanding heeft het geesteslichaam zo'n enorme kracht in zich, dat het zich kan transformeren tot vlees en beenderen evenals dit bij onze Heer het geval was. Hierdoor kan hij opnieuw op aarde functioneren (Luc.24:39). Wij trekken dus deze conclusie: bij het leven in zijn vernederd lichaam heeft de christen de mogelijkheid zich met zijn geesteslichaam naar de hemel te 'verplaatsen'. Na zijn opstanding heeft hij de mogelijkheid om zich met zijn geesteslichaam op aarde te manifesteren.

Wat betekent tenslotte de verandering van Jezus' lichaam voor ons? De apostel schrijft in vers 51: 'Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden in een ondeelbaar ogenblik'. Wanneer de gemeente haar volle wasdom bereikt, zijn haar leden naar geest, ziel en lichaam onberispelijk (1 Tess.5:23). Dan is de kracht die Jezus uit de doden opgewekt heeft en die ook in hen is, zo groot, dat het natuurlijk lichaam in een punt des tijds door het geesteslichaam geabsorbeerd wordt. 'Want wij zijn - in wezen - burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser - van ons lichaam - verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt' (Filip.3:21). Dan geldt ook voor ons: 'Zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning' (vers 54). Een heerlijk vooruitzicht voor allen die het doel najagen om een waar geestelijk christen te zijn!

zie voor andere artikelen kvooverz