kvo 50e jaargang nummer 1 januari 1986

J.E.v.d.Brink

(brieven van lezers)

De wil, vrij of gebonden

(lees eerst kvo85101)

Een broeder las mijn artikel over de vrije wil in het oktobernummer van 1985. Hij kan zich (nog) niet met mijn zienswijze verenigen en voert hiervoor enkele argumenten aan, die hij graag beantwoord wil zien.

Allereerst wil ik inhaken op uw uitspraak: 'Het woordje 'wil' impliceert vrijheid'. 'Is dat wel zo?' vraag ik mij af. Iemand wil drinken omdat hij dorst heeft. Naarmate zijn dorst groter wordt, wordt zijn wil om te drinken sterker. De wil is in dit geval volgens mij geen uiting van vrijheid, maar een gevolg van een onvrijheid, namelijk het feit dat een mens zonder te drinken niet leven kan.

Honger en dorst worden bepaald door de behoefte van het lichaam. Hoe groter deze is, des te sterker honger en dorst. Eten en drinken bevredigen de natuurlijke verlangens. Ditzelfde vinden wij bij al wat leeft, dus ook bij planten en dieren. Men kan hier moeilijk spreken van een wil, want deze is een bewust streven naar iets, waarvoor verantwoordelijkheid wordt gedragen. Zo is de mens niet verantwoordelijk voor het feit dat hij moet ademhalen. Ieder levend wezen spant zich in om te eten, te drinken en adem te halen teneinde zijn leven in stand te houden. Indien echter iemand aan die behoeften niet wil voldoen, hoewel de mogelijkheid er voor is - dus niet in een woestijn waar geen voedsel en water is - is dit een teken dat er een tegenkracht aan het werk is. Denk aan weerspannige kinderen, aan geestelijk gestoorden of aan hen die om bepaalde redenen vasten, dus weigeren voedsel of drank tot zich te nemen. Ook wanneer iemand teveel eet of drinkt, bewijst dit dat er een macht aan het werk is, die hem belet zich te beheersen. Ook zulke mensen kunnen vragen: wie zal mij verlossen, opdat mijn lichaam weer op natuurlijke wijze kan functioneren? Na een bevrijding kan men dan weer normaal leven. De wil is nodig om zich te beheersen of zich te laten bevrijden.

In Prediker 3:11 staat, dat God bij de mens de eeuw in zijn hart heeft gelegd, dat is het honger- en dorstgevoel naar de onzienlijke wereld, naar de dingen die boven het tijdelijke uitgaan. Daarom wordt gezegd: 'Wie dorst heeft, kome en wie wil, neme het water des levens om niet'. Het gaat er dus om dat iemand uit vrije wil tot de Heer komt om zijn dorst te lessen!

Als de Geest des Heren ons vrijgemaakt heeft (2 Kor.3:17), is onze eigen menselijke wil zo onbelangrijk geworden, dat wij in momenten van overgave kunnen vragen: 'Vader, wat wilt Gij dat ik doen zal?' Niettemin heeft ook de gelovige christen nog vaak een innerlijke strijd te voeren, voordat hij zich overgeeft aan Gods wil. Dat geldt niet alleen voor Paulus, maar ook Jezus heeft ermee geworsteld en gebeden: 'Laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan'. Zo leerde Hij gehoorzaamheid uit zijn lijden.

De wil van God ten opzichte van de mens is altijd het goede, het welgevallige en het volkomene (Rom.12:2). Zolang de wil van de mens zich hiermee conformeert - dat is zeer belangrijk - zal zij zich ook op God, die enkel goed is, richten. Wanneer hier een worsteling voor nodig is, betekent dit dat er verleiders aan het werk zijn, die de mens van het goede willen aftrekken. De overweldigde mens wil wel het goede, doch de kwade macht is bij hem aanwezig (Rom.7:20,21). Hij moet dan de strijd voeren tegen de boze geesten in de hemelse gewesten, tegen de zondemacht die in hem woont.

Wanneer Paulus aan God vraagt om de engel van satan uit zijn leven weg te nemen, is dit, omdat de strijd zelf niet tot het goede behoort. Zijn hart verlangde naar de vrede en de rust van het Koninkrijk Gods. De strijd was voor hem een beletsel om zich in dit rijk te kunnen verheffen. Hij moest immers bezig zijn met de gedachten en aanvallen van de vijand. De apostel leed terwille van het evangelie Gods, waarvan hij de verkondiging vrijwillig op zich had genomen. Hij wilde zijn roeping getrouw blijven en de Here beloofde hem, dat Zijn kracht hem daartoe in staat zou stellen.

Ook voor de Here Jezus was het lijden een gevolg van zijn roeping, die Hij vrijwillig had aanvaard. De duisternis waarin Hij kwam, behoorde niet bij Hem. Zij scheidde Hem af van zijn goede Vader in de hemelen, want diens Heilige Geest verliet Hem. Hij aanvaardde evenwel dit lijden en bleef gehoorzaam teneinde de wereld vrij te kopen voor zijn Vader. Het bleef de wil van Jezus om de wil van zijn Vader te doen en diens verlossingsplan uit te voeren. Hij leerde gehoorzaamheid uit zijn lijden, opdat door het kwade dat Hem overkwam, de wil van God om de ganse mensheid het goede te schenken, geopenbaard zou worden en tevens Gods naam geheiligd zou zijn, dus nimmermeer met het kwade, dus met leed en onheil zou worden verbonden. Zijn leven was immers de prijs die aan de boze werd uitgekeerd als een losprijs tot vrijlating van de mens.

Toch is het niet steeds alleen maar een kwestie van onze wil onderwerpen aan Gods wil. God heeft ook de mogelijkheid om onze wil rechtstreeks te beïnvloeden, door zowel het willen als het werken in ons te werken (Filip.2:13). Onze menselijke wil kan uiteraard beïnvloed worden door de prediking. Hierin worden ons mogelijkheden gewezen, die appelleren op elementaire menselijke begeerten, zoals genezing, leven en overvloed, blijdschap en eeuwig leven. Maar is dat de reden die God ertoe beweegt om ons de wederbarende werking van zijn Geest waardig te keuren? Is het niet zo dat de oorzaak van onze bekering geheel aan Gods kant ligt?

God heeft de mens een wil geschonken, opdat deze aan zijn functies richting zou geven. ook gaf de Here de mens het vermogen om hetgeen deze wil, in daden om te zetten. Dit geldt ook voor de verkeerde wil. Doet de mens het kwade, dan wordt dit veroorzaakt door de zondemacht die in hem woont of die bij hem is en hem verleidt. Richt hij zich op het goede, dan heeft hij God tot zijn helper door de Heilige Geest. Deze Geest ontvangt hij niet vanzelf maar op zijn gebed, dus op zijn willen (Luc.11:13). Dan werken Gods Geest en de menselijke geest in dezelfde richting (Rom.8:16). De mens heeft de Heilige Geest nodig, omdat hij van nature niet geschapen is om in eigen geestkracht de boze geestenwereld te overwinnen, want deze is door God verstoten en hoort niet in de goede schepping thuis. Inderdaad appelleert de prediking op de elementaire begeerten van de mens van herstel en heil. Wij worden daarom niet tot de goede God geroepen door een prediking van hel en verdoemenis, maar door die van zijn heerlijkheid en macht (2 Petr.1:3).

Wat bekering en wedergeboorte betreft, roept God de mens op: 'Bekeert u'. De wedergeboorte geschiedt door het gelovig aanvaarden van het goede woord van God. Er staat: 'Hij heeft ons voortgebracht door het woord der waarheid' (Jac.1:18). Wij zijn 'wedergeboren, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God' (1 Petr.1:23). Dit is ook logisch, want wedergeboorte is een beeld van de vernieuwing van denken. De mens is dan niet geboren uit het vlees op natuurlijke wijze, maar uit de geest in de onzienlijke wereld (Joh.3:6).

Wanneer het goede woord van God gepredikt wordt, kan de wil de aandacht richten om dit woord te aanvaarden zoals bij Lydia het geval was, of om dit woord af te wijzen zoals de leiders in Israël deden. Van hen sprak Jezus: 'Gij hebt niet gewild'. De oorzaak van ons heil ligt in de acceptatie van de waarheid, die wij aanvaarden.

Jezus maakt ons dit duidelijk in Johannes 6:37, waar Hij zegt: 'Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen'. Als Jezus iemand tot Zich wil laten komen, heeft Hij daarvoor vele mogelijkheden. Zo lezen wij in handelingen 16:14: 'En de Here opende haar hart, zodat zij aandacht schonk aan hetgeen door Paulus gezegd werd'. Zo ook kunnen wij begrijpen, hoe het mogelijk is, dat door de prediking van een onwillige Jona de gehele bevolking van Ninevé zich bekeerde. De uitverkiezende genade Gods houdt geen halt voor menselijke onwil!

De Vader schenkt zijn Zoon diegenen, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en die door de prediking in God en in zijn Zoon gaan geloven. Jezus zal zulken nooit afwijzen, maar aanvaardt hen in blijdschap als bouwstenen voor zijn tempel, de gemeente. Hij verwerpt geen tollenaars en geen Farizeeërs, geen Joden of Grieken, indien ze in geloof willen komen. De wil ertoe moeten ze zelf richten en daarom zijn ze ook verantwoordelijk voor de stappen, die ze doen.

De Here opende de ogen van de Godvrezende Lydia voor de waarheid door de prediking van Paulus. Toen werd zij wedergeboren of vernieuwd in haar denken. Het geloof is immers uit het horen, en het horen door het woord van Christus' (Rom.10:17).

Wat was de oorzaak van de onwilligheid van Jona? Zijn verkeerde inzichten ten opzichte van Gods bedoeling met de heidenen. Iets soortgelijks treffen we aan bij Saulus van Tarsus, die de gemeente vervolgde in zijn 'onwetendheid' omtrent het plan van God (1 Tim.1:13). Jona overlegde dat de opdracht die hij had ontvangen, niet overeenstemde met Gods wil zoals hij die meende te kennen. Daarom vluchtte hij. Door alles wat hem toen overkwam, bekeerde hij zich evenals de zoon, die in eigenwijsheid tot zijn vader had gezegd: 'Ik wil niet in uw wijngaard werken', maar later berouw kreeg en toch ging (Matt.21:30). Jona gehoorzaamde, omdat hij tenslotte de wil van God niet dorst te weerstaan. Zijn verkeerde inzichten veranderden pas onder de verdorde wonderboom. Deze profeet deed dus iets wat hij niet wilde., omdat God hem uit zo'n grote nood had gered en hem ten tweede male de opdracht gaf. God gebruikte deze zaak om door zijn 'woord' de Ninevieten te bekeren, maar ook zijn knecht Jona.

Wordt de mens hierdoor gedegradeerd tot een marionet? In elk geval is God bereid een dialoog met ons aan te gaan, waartoe Hij ons met name in het gebed een mogelijkheid geeft.

Wanneer een mens geen vrije wil heeft, dus niet kan kiezen wie hij dienen wil, is hij inderdaad 'een stok en een blok'. Dan had Israël nooit antwoord kunnen geven aan de oproep van Jozua: kiest u heden wie gij dienen wilt, noch aan de oproep der profeten: bekeert u. Een dialoog heeft de mens met God niet aan te gaan. Uit Gods Woord kennen wij zijn wil, namelijk dat Hij het goede met de mens voorheeft. Over deze wil tenopzichte van alle mensen valt niet te discussiëren. Het gaat er maar om of deze waarheid aan de mens wordt gepredikt en hij dan zijn keuze kan maken: ik wil of ik wil niet. Daaruit blijkt dat zijn wil vrij is en hij verantwoordelijk kan worden gesteld. Wie dan het kwade kiest, is geneigd tot alle kwaad. Wie het goede kiest, is geneigd tot al het goede. Jezus sprak: 'Een goed mens, brengt uit zijn goede schat goede dingen voort, en een slecht mens uit zijn boze schat boze dingen' (Matt.12:35).

Wanneer zich de briefschrijver tenslotte beroept op de synode van Orange (529nC), komt hij tot de conclusie dat de Heilige Geest reeds in een mens werkt en trekt, alvorens die persoon zich bekeert, maar dit betekent ook dat de Heilige Geest niet in ieder mens zou werken. Zo komt men dan tot de tweede gevolgtrekking, dat God mensen van eeuwigheid zou hebben verkoren tot behoud, maar anderen de werking van de Geest heeft onthouden, zodat zij voor een eeuwig verderf zijn voorbestemd. Deze leer ging zelfs de synode van Orange te ver, want zij verwierp de leer, die een uitverkiezing tot eeuwig verderf inhoudt. Wij hebben een goede God en Jezus Christus is verschenen heil brengend voor alle mensen (Tit.2:11). Aan ons de prediking van het heil over de ganse aarde, want hoe zullen zij geloven, indien zij het niet gehoord hebben? (Rom.10:12).

zie voor andere artikelen kvooverz