kvo 50e jaargang nummer 1 januari 1986

J.E.v.d.Brink

HET KONINKLIJK

BRUILOFTSMAAL

Enkele dagen voor zijn lijden en sterven schetste Jezus in Mattheüs 22:1-14 in een gelijkenis het huwelijksfeest, dat de hemelse Vader Hem ging bereiden. Deze parabel was een aanduiding dat Hem een gemeente geschonken werd, die als een gehuwde vrouw in nauwe gemeenschap met Hem zou leven. De profetie uit Jesaja 25:6 en 7 zou worden vervuld, dat de Here der heerscharen op de hemelse berg Sion voor alle volken een feestmaal zou aanrichten van vette spijzen en belegen wijnen. Ook zou Hij daar de sluier van het ongeestelijk denken vernietigen, die alle natiën versluiert en waarmee zonder uitzondering alle volken zijn bedekt.

De gezanten van het rijk Gods worden in drie fasen uitgezonden, teneinde de invitatie voor het komende heil bekend te maken. De gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal tekent in vogelvlucht hoe het 'Woord Gods' met het evangelie van het Koninkrijk der hemelen zal uittrekken, overwinnende en om te overwinnen (Openb.6:2,19:13).

De eerste fase

Allereerst is de uitnodiging voor het feest aan Israël gericht. In Mattheüs 10 wordt verhaald dat de discipelen van Jezus zich tot de verloren schapen van het huis Israëls moesten begeven. Het woordje 'verloren' tekent wel de desolate, religieuze toestand van de schare, die de wet niet kende, en vervloekt was (Joh.7:49). De twaalven predikten: ' Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen'. Als tekenen ervan genazen zij zieken, wekten doden op, reinigden melaatsen en dreven boze geesten uit. Jezus herhaalde later het aanbod van heil in nog ruimere kring door een zesvoud der twaalven twee aan twee als zijn wegberijders uit te zenden. Volgens Lucas 10 hadden ook zij de opdracht zieken te genezen, boze geesten uit te werpen en aan te kondigen dat het Koninkrijk der hemelen nabij was gekomen. Wie deze boodschap aanvaardde, zou deel hebben aan het herstel en in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap mogen leven (Rom.14:17).

Hoe de leidslieden op de verkondiging van het eeuwige evangelie reageerden, komt duidelijk uit in de voorafgaande gelijkenis van de onrechtvaardige pachters. Zij grepen de dienstknechten, sloegen ze en doodden hen. Dit proces van verwerping bereikte zijn dieptepunt, toen ook de door God gegeven Zoon door hen werd gedood. Omdat het profeten dodende volk de maat hunner vaderen volmaakte, werd het Koninkrijk Gods van hen weggenomen. Het hield op het uitverkoren volk te zijn, 'want zij wilden niet komen' (vs.3).

De tweede fase

Met de zegevierende opstanding van Jezus Christus werd een nieuw tijdperk ingeluid. De wereld zou met het evangelie Gods bekend worden gemaakt. Die dienaars moesten te Jeruzalem, in Judéa, in Samaria en tot het uiterste der aarde getuigen van Christus. Geen volk werd buitengesloten - ook Israël niet - want de heilige Israëls zou God der ganse aarde worden genoemd (Jes.54:5). De 'andere slaven' van wie in vers 4 sprake is, zijn dan allereerst de apostelen, die er nu zelfstandig op uittrokken met de boodschap, die zij tijdens hun stagetijd hadden verkondigd. Zij werden bijgestaan en later opgevolgd door vele andere dienstknechten. 'Over de ganse aarde ging hun geluid' en ieder werd uitgenodigd om tot het feest te komen (Rom.10:18). De invitatie luidde: ' Alles is gereed, komt tot de bruiloft' (vs.4). God heeft immers de ganse wereld in Christus met Zichzelf verzoend door hun overtredingen niet toe te rekenen (2 Kor.5:19). Ieder die de schulddelging aanvaardt, ontvangt het kleed der gerechtigheid en op zijn gebed de Heilige Geest. Ook de geestelijke gaven worden dan geschonken.

De uitnodiging tot de bruiloft is de periode in het wereldwijde christendom, waarin de Here Jezus Christus Zich een vrouw zoekt, namelijk een gemeente die zonder vlek en rimpel, heilig en onberispelijk is (Ef.5:27). Daarom heet de boodschap van het Koninkrijk der hemelen ook wel 'het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is' (2 Kor.4:4). Ook nu herhaalt zich echter de geschiedenis. De christenheid slaat geen acht op het evangelie van de onzienlijke wereld, waarvan Jezus toch uitdrukkelijk had gezegd, dat 'dit evangelie van het Koninkrijk over de gehele wereld zou gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken' (Matt.24:14). Ook het christendom heeft deze verkondiging afgewezen met uitzondering van een rest, evenals Israël dit gedaan had. Men gelooft er niet in en men houdt zich er niet mee bezig. Het doel van dit evangelie: de volmaakte, geestelijke mens tot alle goed werk volmaakt toebereid, werd een onbereikbaar ideaal. Men leerde dat de christen pas bij zijn sterven naar de hemel ging en daar zou hij de volkomenheid plotseling bereiken. Men verwierp daarmee de leer van de apostel, dat God ons, die in Christus Jezus zijn, reeds nu een plaats in de hemel heeft gegeven (Ef.2:6). Vanwege onze wandel, strijd en overwinning in de hemelse gewesten kunnen wij dus nu reeds het voorgestelde doel der volkomenheid bereiken.

Ook de christenen sloegen geen acht op hun hemelse roeping, maar 'zij gingen heen, de een naar zijn akker, de andere naar zijn zaken' (vs 5). Zij vervreemdden volkomen van het evangelie der heerlijkheid van Christus. Zij waren blind voor de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen. Zo ontstond Babylon, waarvan de inwoners evenals die van Jeruzalem de profeten hebben gedood. In deze stad van geestelijke chaos 'wordt het bloed gevonden van profeten en heiligen en van allen, die geslacht zijn op aarde' (Openb.18:24). Zoals Jeruzalem eenmaal in natuurlijke zin een prooi van het vuur werd, zo zal Babylon geestelijk ondergaan. De stad van het verbasterde christendom zal met vuur worden verbrand, dit betekent prijs worden gegeven aan de antichristelijke geesten (Openb.18:8). In vers 7 wordt daarom gezegd: 'En de koning werd toornig en hij zond zijn legers uit en verdelgde de moordenaars en stak hun stad in brand'. Hoewel de afhoererende stad van geweldige afmetingen is, want zij heet het grote Babylon, hoort men zelden over haar spreken. Ook hier camoufleert zich het rijk der duisternis, want de afvallige stad is 'een schuilplaats van alle onreine geesten' (Openb.18:2).

  

De derde fase

Voor de derde maal trekken de herauten van het heil erop uit. Zoals de eerste verkondigers van het eeuwig evangelie Jeruzalem verlieten om de christelijke kerk te stichten, zo trekt nu een rest uit het ten ondergang gedoemde Babylon om de bruiloftsgangers te verzamelen. Johannes hoorde een stem uit de hemel zeggen: 'Gaat uit van haar mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen. Want haar zonden hebben zich opgehoopt tot aan de hemel (Openb.18:5). De stadsverlaters brengen de zonen Gods voort, die de zuchtende schepping gaan herstellen door middel van de boodschap van het Koninkrijk der hemelen. Er komt dan een genade tijdperk zo machtig en luisterrijk, zo vol van heil, als er nimmer is geweest. Het Koninkrijk Gods breekt zich dan baan.

Wanneer de wetteloze geest van de antichrist de volken verleidt, klinkt de oproep tot de zonen Gods: 'Gaat naar de kruispunten der wegen', of liever naar de uitvalswegen, of waar de straten van de grote stad eindigen en overgaan in het open veld. Het gaat niet langer om hen die op grond van hun geboorte of positie tot de genodigden behoren, maar om mensen 'van buiten'. Het is alsof de Here in dit late uur tot zijn dienaren zegt: 'Werpt nu uw net aan de andere zijde van het schip en gij zult vinden'. Dan zal het net niet meer te trekken zijn vanwege de menigte vissen (Joh.21:6). Gods Geest valt dan op alle vlees: op slechten en goeden, goddelozen en rechtvaardigen, blinden en lammen, geestelijk en lichamelijk gehandicapten. Ze komen uit de sloppen en ontoegankelijke verkrotte woonbuurten, maar ook uit de geïsoleerde wijken der aanzienlijken. Allen komen vol vreugde vanwege het onverwachte geluk dat hun ten deel valt. Zij vormen de grote schare, die niemand tellen kan, binnengebracht door de honderdvier en veertig duizend, het enorme veelvoud der twaalf apostelen, die het Lam volgen waar het ook heengaat. Met Petrus kunnen zij het zeggen: 'Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn u gevolgd' (Matt.19:27 en Openb.14:4). De glorie van het eerste pinksterfeest, toen duizenden zich bekeerden en lieten dopen, verbleekt bij hetgeen in de toekomende eeuw gaat gebeuren. Gods zonen gaan rond 'weldoende en genezende allen die door de duivel overweldigd zijn' (Hand.10:38).

Geen bruiloftskleed

De koninkrijkszaal is vol, wanneer de koning binnentreedt om de aanliggende gasten gade te slaan. Zijn oog valt op iemand die geen bruiloftskleed aan heeft. Deze geveinsde was het gelukt onopgemerkt binnen te komen, maar Hij die tussen de kandelaars wandelt, ontdekt hem. De man was niet naakt, maar miste het feestkleed, dat alleen het verlossende evangelie kan schenken. De vraag van de koning is: 'Vriend, hoe zijt gij hier gekomen zonder bruiloftskleed?' (vs 12). Het woord 'vriend' (hetairos) drukt hier geen liefde en verbondenheid uit, zoals het andere woord voor vriend (philos) dit doet (vergelijk Jac.2:23). Het woord kan misschien het best getypeerd worden door het vrijblijvende woord 'kameraad'.

Met welk recht was deze persoon binnengekomen? Hij was klaarblijkelijk niet door de poort van de feestzaal gegaan, maar van elders ingeklommen en zoiets doet men nooit in feestkledij. Hij droeg geen kleed der gerechtigheid vanwege het verzoenend bloed van Christus en miste daarbij ook de speciale 'heilige feestdos' of de 'klederen des heils', die zij dragen, die het evangelie der heerlijkheid van Christus belijden (Ps.110:3,Jes.61:10). Een antwoord komt er niet uit, want de 'vrome' geest verstomde, of zoals 1 Korinthiërs 9:9 dit werkwoord weergeeft, werd gemuilkorfd. De mens had het goede woord Gods gesmaakt en genoten van de krachten der toekomende eeuw, maar hij stond negatief ten opzichte van de goddelijke realiteit van het eeuwig evangelie (Hebr.6:6). Nu wordt hem duidelijk dat hij in wezen geestelijk aan handen en voeten is gebonden en onmachtig tot enig goed. 'Hetgeen in de duisternis verborgen was, wordt dan aan het licht gebracht' (vs 13). Als een zichtbaar gebonden mens wordt hij uit de feestzaal geworpen in de duisternis die buiten is, waar de boze geesten heersen over de honden (dwaalleraars), tovenaars, hoereerders, moordenaars, afgodendienaars en leugenaars (Openb.22:15). Bij deze gebonden man is de duisternis des te dieper, omdat hij uit de helder verlichte zaal kwam. Het geween en het tandengeknars zijn typische verschijnselen van 'vrome' geesten. Zij huilen of maken zich kwaad. Bij hem werd dit veroorzaakt door herinneringen aan wat hij in de bruiloftszaal gezien en gehoord had. Er wordt niet over gesproken of hij zich later nog aan de poort meldde om op de juiste wijze binnen te gaan. Dan zou hij zich hebben moeten bekeren en zich van zijn banden laten bevrijden.

Tenslotte wijst Jezus erop dat de weg door het hemelse Koninkrijk een smal pad is, dat naar verhouding weinig christenen begaan (Matt.7:14). Maar wie het bewandelt, ervaart de onuitsprekelijke en verheerlijkte hemelvreugde, waarmee het einddoel des geloofs wordt bereikt.

zie voor andere artikelen kvooverz