kvo 49e jaargang nummer 10 oktober 1985

J.E.v.d.Brink

DE VRIJE WIL

Brieven van lezers

Brief:

Na vele jaren 'Kracht van Omhoog' te hebben gelezen, vertrouw ik dat u de goede persoon bent, die mij opheldering zou kunnen verschaffen aangaande een kwestie die mij al lang intrigeert. Het zal u zeker niet onbekend zijn, dat in kringen van het Volle Evangelie nogal eens de opvatting wordt verkondigd, dat de mens een 'vrije' wil zou hebben. Mij is echter opgevallen dat in het Nieuwe Testament diverse teksten voorkomen, die naar mijn mening de opvatting van de 'menselijke vrije wil' krachtig weerspreken. Ik denk hierbij aan Handelingen 13:48, Romeinen 9:16, Filippenzen 2:13 en 2 Timoteüs 2:25,26. Zoudt u mij over deze kwestie opheldering willen verschaffen? Bij voorbaat mijn hartelijke dank.

Antwoord:

De wil van de mens is zijn vermogen om bewust naar iets te streven, het te begeren en te wensen. De wil leidt tot een handeling waarvoor de mens verantwoordelijk is. De wilsdáád behoort daarom vooraf te worden gegaan door een beoordeling van de motieven door het geweten, dat is het gesprek dat de innerlijke mens met zijn geest, die de drager van de ingeschapen wet Gods is, voert. De christen zal zich verder conformeren aan de wil van God, die in de bijbel tot uitdrukking komt en die zijn wil beïnvloedt. Uiteraard zijn de wil en ook de wilshandeling vrijwillig en ongedwongen, want men maakt uit diverse mogelijkheden zelf een keuze. Het woordje 'wil' impliceert vrijheid. Zo riep Jozua het volk toe: 'Kiest dan heden wie gij dienen zult'. Jezus sprak: 'Indien iemand achter Mij wil komen' en de bijbel eindigt met de oproep: 'Wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet'.

Waar een juiste beoordeling van de motieven ontbreekt, wordt de wil verzwakt. Zo kan een jongen in zijn boosheid tot zijn moeder zeggen: 'Ik doe wat ik wil', maar hij weet niet wat hij wil. Waar de motivering duidelijk aanwezig is, spreekt men van een sterke wil. De wil en de wilsdáád worden in het spraakgebruik echter door elkaar gebruikt: je hebt hier niets te willen, of iemands uiterste wil of wilsbeschikking. Ook een slaaf heeft een vrije wil, maar hij kan deze niet realiseren vanwege de omstandigheden waarin hij leeft. Paulus schreef: wat ik wil of wens, doe ik niet, en wat ik niet wil of wens, doe ik wel. Hij wilde het goede en deed het verkeerde. Daarom voelde hij zich zo ellendig. Er was een macht in zijn leven, die hem tot slaaf maakte, dus een 'gebonden' mens. Hij vervolgt dan in Romeinen 7:20 met de logische gevolgtrekking: 'Als ik dan iets doe, dat ik niet wil, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont'. Paulus had als Farizeeër bevrijding nodig van een inwonende zondemacht teneinde zijn eigen wil uit te voeren. Daarom spreekt hij: 'Wie zal mij verlossen?' en dankt dan verder Jezus Christus, zijn Here, om diens verlossingsplan. Er zijn mensen die niet tot Jezus kúnnen komen. Zij moeten verlost worden. De kennismaking met het heilsplan van God, de waarheid, kan hen vrijmaken (Joh. 6:44,8:32). Zij die de gedachten Gods overnemen, die de waarheid verstaan en liefhebben, worden door de Vader langs deze weg 'getrokken' om Jezus te volgen.

Er zijn ook mensen die niet willen zoals bijvoorbeeld de inwoners van Jeruzalem. Jezus sprak tot deze stad: 'Hoe dikwijls heb ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild' (Matt.23:37). Zij bezaten wel kennis van het evangelie maar hadden de duisternis liever dan het licht. Jezus vergeleek hen met wit gepleisterde graven, die van binnen vol dorre doodsbeenderen zijn. Wie Gods wil niet doen wil, is geen kind van God!.

Laten we nu eens de aangehaalde teksten bezien. In Handelingen 13:44-46 is er sprake van het verwerpen van het evangelie door de Joden. Paulus herinnert dan aan de tekst uit Jesaja 47:6, waar voorspeld wordt dat de Messias tot een licht der volken was gesteld. 'Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren; en allen, die bestemd waren ten eeuwige leven, kwamen tot geloof' (vers 48). Zij vernamen dat de tussenmuur die scheiding maakte, de vijandschap, was weggebroken (Ef.2:14). Ook zij waren nu opgenomen in het heilsplan van God en bestemd tot het eeuwige leven. Allen die het evangelie hadden gehoord en dit woord des Heren hadden verheerlijkt, waren zonder uitzondering, zonder nationale beperkingen, zonder wetsvoorschriften, bestemd tot het eeuwige leven. De Joden uit vers 46b die het evangelie hadden verstoten en dit niet wilden aanvaarden, waren niet bestemd ten eeuwigen leven, ook al zouden zij zich inspannen, want ze gingen hierbij niet uit van geloof, maar van vermeende werken (Rom.10:32). Zij waren niet bestemd of gepredestineerd tot een eeuwig behoud, omdat ze zich niet conformeerden met het heilsplan van God.

In Romeinen 9 houdt de apostel zich bezig met Gods soevereine verkiezing van mensen, die de geslachtslijn zouden vormen van de Uitverkorene. Niet Ismaël maar Izak, niet Ezau maar Jakob waren door God uitverkoren voor deze heilslinie. Indien Ismaël zich gewillig bij Izak gevoegd had, zou hij een geestelijke zegen ontvangen hebben. Wat de natuurlijke beloften betreft, werd hij tot een groot volk, maar de Islam staat buiten het heil dat alleen door Jezus Christus in de wereld gekomen is. Wanneer Ezau zich achter Jakob geschaard had, was er voor hem ook een plaats van berouw geweest, die zijn tranen en geween hem niet hebben kunnen schenken (Hebr.12:17). Indien Farao de door God gegeven leider Mozes terwille geweest was, zou ook hij gezegend zijn geweest evenals de Farao uit Genesis 47, die door Jakob werd gezegend. Voeg je daarom nu bij de Uitverkorene Jezus Christus en je ontvangt de zegen tot eeuwig behoud. 'Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God die zich ontfermt' (vers 16). Ruth had geen enkel voorrecht, maar ze voegde zich als Moabitische bij Naomi en sprak: 'Uw God is mijn God'. Ze voegde zich bij het uitverkoren volk en kwam zo in de heilslinie van Jezus Christus.

Ook zijn er in de heilsgeschiedenis verschillende mannen, die door God reeds voor hun geboorte uitverkoren waren tot een bepaalde taak. Denk aan Simson en Johannes de Doper, om maar niet te spreken over onze Here Jezus zelf. Ook stelt de Here in de gemeente apostelen, profeten, herders en leraars aan. Men doet goed zulke te herkennen en te erkennen. Dit is niet in strijd met de vrije wil, want men moet zich vrijwillig bij de uitverkorenen of aangestelden voegen.

In Filippenzen 2:13 staat, dat God het is, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons werkt. Gods welbehagen is zijn goede wil, wat Hem genoegen doet (eudokia). Door de prediking van het evangelie wordt onze wil gericht op het goede, het welgevallige en het volmaakte, dat is op de wil van God (Rom.12:2). Onze begeerte begint dus te werken. Hij roept ons immers door zijn heerlijkheid en macht (2 Petr.1:3). Wij willen nu dat de heerlijke beloften van God aan ons worden vervuld en deze wil bestuurt onze daden. Ook schenkt God aan allen die er Hem om bidden de Heilige Geest. Deze ondersteunt de menselijke geest, opdat onze wil tot daden wordt gebracht. In onwillige harten kan Gods Geest echter niet werken. Het gaat in deze tekst dus over de wil en de wilsdaad.

In 2 Timoteüs 2:25,26 gaat het over dwarsdrijvers of malcontenten in de gemeente. Men moet ze met zachtmoedigheid vermanen, want 'het kon zijn, dat God hun gaf zich tot erkentenis der waarheid te keren en, ontnuchterd, zich te wenden tot de wil van God'. Men moet ontevredenen niet door hardheid of onvriendelijkheid op het natuurlijke vlak van zich vervreemden. Het zou kunnen zijn dat zij de waarheid of de gerechtigheid nog niet goed kennen en verblind zijn door onwetendheid of vooroordelen. Wanneer zij de waarheid nog eens goed horen, kan deze hen vrijmaken van hun gebondenheden. Zij worden er door tot bekering gebracht zoals de Statenvertaling heeft. Het woord dat onder leiding van de Heilige Geest uitgesproken wordt, kan het middel tot verandering worden. In 2 Petrus 4:11 staat, dat wij woorden moeten spreken als van God afkomstig. God werkt hier door zijn woord dat mensen uitspreken.

De vraag over de vrije wil en de kracht om deze te doen, heeft in de kerkgeschiedenis heel wat gemoederen verhit. Reeds Pelagius (ongeveer 400) leerde, dat men het objectieve feit van de menselijke verlossing door Christus al te nadrukkelijk onderstreepte ten koste van de eigen wil en inspanning. Hij schreef: 'Wij getuigen tegen de Heer, als wij zeggen: dat is hard, dat is moeilijk, dat kunnen wij niet, wij zijn maar mensen'. Hij wees ook op de werking van Gods Geest in de christen. Als volle-evangeliechristenen belijden ook wij dat de Heilige Geest ons grote kracht schenkt, zodat wij kunnen doen, wat wij willen en kunnen uitroepen: 'Wat ik wil, doe ik, ik gelukkig mens'. Filippenzen 2:13 wordt immers voorafgegaan door de vermaning, dat wij eigen zaligheid moeten uitwerken en wel met vreze en beven, teneinde de Heilige Geest die in ons woont, niet te bedroeven. Wie de mens een vrije wil ontzegt, verlaagt hem tot een marionet, die niet voor zijn daden verantwoordelijk is. Augustinus streed tegen Pelagius en vanwege deze kerkvader is het verlossende evangelie steeds vergezeld door zijn uitspraak: 'non posse non peccare et mori', dat is: niet kunnen niet-zondigen, en sterven. De mens is dus zondaar en blijft zondaar tot de dood. Luther schreef bij Romeinen 7:18, dat het volbrengen in dit leven niet gebeurt. Wij geloven echter dat het evangelie een kracht Gods is tot behoud en het doel ervan 'opdat de mens Gods volmaakt is en tot alle goed werk volmaakt toegerust' ook bereikt kan worden (2 Tim. 3:17). Om het te bereiken is nodig, dat we geloven in Gods Woord en in de leiding en in de kracht van de Heilige Geest.

Bij sommigen onder ons is evenwel een dwaling ingeslopen die parallel loopt met die van de menselijke onmacht. Sommigen zeggen dat de boze geesten hen doen zondigen en dat zij daarvoor niet meer verantwoordelijk zouden zijn. Zij geven de duivel de schuld en verdraaien daarmee het Woord van God tot eigen verderf. Zij werken immers hun eigen behoud niet uit en vertrouwen niet op de Heilige Geest, die in hen het willen en het werken volbrengt. Zij brengen daarom de boze geesten niet onder hun voeten. Zoals wij echter de ziektemachten met natuurlijke en geestelijke middelen bestrijden, doen wij dit ook met de zondemachten. Wie bijvoorbeeld van onreine geesten verlost worden wil, zal allereerst in de natuurlijke wereld alles vermijden wat hem met de onreinheid in aanraking brengt, en daarbij waakzaam blijven om de onreine geesten die hem inspireren, te weerstaan. Dan wordt aan hem vervuld: 'En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn'. Dit kan, want de apostel vervolgt: 'Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen' (1 Tess.5:23,24).

zie voor andere artikelen kvooverz