kvo 49e jaargang nummer 10 oktober 1985

J.E.v.d.Brink

G E R E S E R V E E R D E

P L A A T S E N

Een hemels verblijf

In de afscheidswoorden tot zijn discipelen wees Jezus reeds in de eerste verzen erop, dat de religie die Hij in de wereld had gebracht, voor zijn volgelingen tot een heerlijke realiteit zou worden. Hun opleidingscentrum zou niet op aarde maar boven zijn. Door de vernieuwing van denken zouden zij van natuurlijke tot geestelijke mensen worden omgevormd. Dit zou dan gebeuren in het huis van zijn Vader. Daar zou Jezus door zijn verzoenend sterven en door de doop met de Heilige Geest hun een plaats of verblijf bereiden. Het beeld is ontleend aan een groot oosters paleis, waar niet alleen de vorst en de erfgenaam van de troon zich bevinden, maar ook de andere zonen van de koning, hoe talrijk zij ook mochten zijn.

Het huis des Vaders is het huis Gods of de tempel Gods in de geestelijke wereld. Daar is voor de volgelingen van Jezus een plaats gesitueerd. Het woord 'moré', plaats, komt slechts tweemaal in het Nieuwe Testament voor, namelijk in Johannes 14:2 en in vers 23, waar staat dat de Vader en de Zoon door de Heilige Geest tot de discipelen zouden komen om woning of verblijf in hen te maken. Door de doop met de Heilige Geest zou het gebed van de Heer worden vervuld: 'Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen' (Joh.17:24). Paulus wees op deze mystieke situatie in het leven van de geestelijke christen met de woorden: 'God heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus' (Ef.2:6). Met zijn geestelijk lichaam, ziel en geest, vertoeft de ware christen in de tempel Gods, het huis des Vaders. Hij mag daar als een volmaakt rechtvaardige tot de troon der genade naderen. God is dan in hem en hij vertoeft in diens geestelijk domein. Daar is voor hem een gereserveerde plaats bereid.

De hemelse hof van Eden

In Ezechiël 28 wordt ons een hemelse hof van Eden geschilderd. Johannes zag later dat daar de rivier van het water des levens ontspringt uit de troon van God en van het Lam. In het midden van de hof is de heilige berg der goden met de tempel waar de troon van God zich bevindt. Op deze geestelijke berg Sion funktioneren de tronen de heerschappijen, de overheden en de machten, dus de hoogste rangen in de engelenwereld. Op de grote witte heilige troon was een plaats gereserveerd voor de geestelijke wezens die Gods beeld en zijn gelijkenis zouden dragen. Niemand zou deze plaats mogen bezetten dan de door God aangewezen personen.

De gereserveerde plaats op de troon van God werd beveiligd door de beschuttende cherubs of troonengelen onder aanvoering van de aartsengel Michaël. De gehele strijd in hemel en op aarde geldt deze gereserveerde plaats. Zij is nu reeds bezet door de Zoon des mensen en blijft open voor hen van wie gezegd wordt: 'Wie overwint, hem zal ik geven met mij te zitten op mijn troon, gelijk Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon' (Openb.3:21). God hield rekening met een doorkruising van zijn plan en daarom waren er beschuttende cherubs en ook was het Lam Gods, dat geslacht is sedert de grondlegging der wereld, in zijn gedachten.

Toen de aartsengel Lucifer die al het geschapene ordende, deze open plaats voor zich begeerde, werd hij door de beschuttende cherub omlaag gestoten: 'En heeft de beschuttende cherub u verjaagd' (Ez.28:16 Can.vert. en sept.). Hij werd verbannen van de berg der goden en werd een balling. In een visioen zag onze Heer dit verre verleden op het ogenblik dat de twee en zeventig met blijdschap terugkeerden, omdat zij macht hadden ontvangen over de legermacht van de vijand. Hij sprak toen tot zijn discipelen: Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen. Niet voor hem was de gereserveerde plaats op de troon bestemd, maar voor hen wier namen wel opgetekend zouden worden in de hemelse gewesten (Luc.10:17-20).

De aardse hof van Eden

'Voorts plantte God een hof in Eden, in het Oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij geformeerd had' (Gen.2:8). God schonk dus op aarde de mens een reservaat om in te wonen. Hij moest de hof ordenen, bewerken en bewaren tegen vijandelijke indringers. Door een geestelijk ontwikkelingsproces zou hij dan na een strijd zijn gereserveerde plaats in de hof kunnen innemen. Dit laatste nu wilde de tegenstander van God en de mens verhinderen. Als Hij Adam bij de naamgeving der dieren schaduwt, wordt zijn aandacht bepaald bij de slang, het listigste of sluwste van alle dieren. Zij was geschikt om zijn draaierijen en leugens over te nemen. Door dit overweldigde dier zou hij zijn doel bereiken. Voortaan is de slang het embleem van de duivel wiens devies is: ontwrichting van de schepping door de leugen.

Ook de prachtige boom, die een lust voor de ogen was en die in de nabijheid van de boom des levens in het midden van de hof stond, kwam onder zijn okkulte beïnvloeding, zoals later bij de bosnegers in Suriname de obea-boom midden in het dorp de woonplaats is van een geest, of zoals de heilige waringin in de dessa op Java spuwgeesten had, of de Wodanseiken bij Wolfheze of de heilige bomen bij de Kanaänieten met de afgoden waren verbonden.

De boom des levens was verbonden met het Woord en de gedachten van God. Al etend van zijn vrucht hoorde het eerste mensenpaar innerlijk de stem des Heren. Daarom was deze boom symbool van Jezus Christus in wie het Woord Gods vlees werd. Wie eet van het brood des levens dat Hij schenkt, ontvangt het Woord van God. De boom des levens leerde alleen het goede uit de geestelijke wereld kennen en daardoor zou men vanzelf hetgeen hiervan afweek, het kwade, kunnen onderscheiden. Adam en Eva werden echter betoverd door het wonder van de sprekende slang. Hiermee werd de boom der kennis van goed en kwaad tevens symbool van de antichrist, wiens 'komst is naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen'. De vrucht van deze boom stelde de 'verlokkende ongerechtigheid voor' (2 Tess.2:9,10). Het eten van de boom des levens schonk kennis en ervaring van het goede. Het eten van de boom der kennis van goed en kwaad schonk ook kennis maar tevens ervaring van het kwade, waarbij het laatste zou overheersen. Deze kennis zou nimmer tot het doel voeren, want God is één. Hij is enkel goed en deelt nimmer zijn troon met hen die door de kennis van goed en kwaad innerlijk verdeeld zijn.

Wie van de okkulte boom at, zou de dood sterven. De poorten van het dodenrijk zouden hem dan overweldigen. Dit rijk is dan voor de onsterfelijke innerlijke mens de gereserveerde plaats, waar noch het goede noch het kwade zich verder kunnen ontwikkelen. Wie evenwel in Jezus in het paradijs Gods overgeplaatst is, zal na zijn sterven zich blijven ontwikkelen, want hij heeft eeuwig léven.

Adam stierf de dood, dit wil zeggen dat hij geestelijk in ballingschap ging evenals Lucifer. Hij werd uit de aardse hof van Eden verdreven, terwijl de toegang tot de boom des levens werd versperd door 'de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken'. Deze heilige engelen hanteerden het Woord van God om ieder te weren, die verbonden met de ongerechtigheid het eeuwige leven wilde grijpen. Voortaan bleef alleen de boom van goed en kwaad voor de mens bereikbaar.

Het beloofde land

Bij de val van de mens werd zijn geestelijk onderricht afgebroken. Duizenden jaren zouden voorbij gaan waarin geen waarachtig geestelijke mensen werden gevonden. De weg naar het Koninkrijk Gods bleef verborgen. 'De hemel is de hemel van de Here, maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven' staat in Psalm 115:16. Zelfs Mozes, de man Gods, die zulke geweldige dingen in de hemel aanschouwd had, moest erkennen: 'De verborgen dingen zijn voor de Here, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen voor altijd, opdat wij al de woorden dezer wet - op stenen tafelen gegrift - volbrengen' (Deut.29:29). De besten onder Gods volk verlangden naar een hemels vaderland, maar slechts uit de verte hebben zij dit gezien en begroet (Hebr.11:13). Zij bleven dus geestelijk in ballingschap.

De natuurlijke mens, die van de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad at, dreigde door boze geesten verleid, overweldigd en geheel gedemoniseerd te worden. Daarom verbood de Here iedere vorm van afgoderij. Ook reserveerde Hij voor de rechtvaardige Abraham, die een ervaring van het goede had, een stukje grond, 'opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des Heren zouden kennen door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Here aan Abraham vervulle, wat Hij over hem gesproken had' (Gen.18:19). In Abrahams tijd ging het echter al fout met een belangrijk deel van het beloofde land. In hetzelfde hoofdstuk lezen we toch dat de zonde van Sodom en Gomorra 'zeer zwaar' was, zodat Abrahams erfdeel een prooi werd van de ontbindende geweldgeesten. Deze 'streek' was eenmaal 'als de hof des Heren' en 'vloeide over van melk en honing'. Natuurlijk zijn er meer van zulke zondige gebieden geweest, maar de Here wilde niet dat het erfdeel van Abraham zo verschrikkelijk verontreinigd zou worden. Daarom staat er dat God voor Abraham niet ging verbergen dat Hij deze streek zou overgeven of loslaten. Abraham kwam echter in het geweer, want het ging om zijn erfdeel. Hij wilde niet dat dit gebied een woestenij zou worden. Hij pleitte op de aanwezigheid van rechtvaardigen, zoals bijvoorbeeld het volk van Abimelech in Gerar, dat niet gedood werd, en Melchizedek in Jeruzalem. (Gen.20:4,14:18). Zij toonden dat het werk der wet in hun harten was geschreven (Rom.2:14).Voor de rechtvaardige Lot reserveerde de Here het plaatsje Zoar, zoals Hij eenmaal de rechtvaardige Noach in de ark redde.

Omdat bij het volk van God ook de ingeschapen kennis van het goede verdwenen was, schonk God het de wet op stenen tafelen. Israël werd echter 'de natie, beladen met ongerechtigheid, het gebroed van boosdoeners, de verdorven kinderen' (Jes.1:4). Het kwade werd overheersend en de geschiedenis herhaalde zich: het volk werd in ballingschap gevoerd en het beloofde land ingelijfd door de wereldmachten, die als grote dieren uit de wereldzee opstegen.

De gemeente, de hof van Eden

God laat nimmer zijn plan met de mens varen. In de volheid des tijd zond Hij zijn Zoon, die het evangelie of de blijde boodschap van het Koninkrijk der hemelen verkondigde. Door zijn lijden en sterven kwam de zegen van Abraham - de gerechtigheid - tot ons in Jezus Christus en ontvingen wij door geloof de Heilige Geest (Gal.3:14). Door zijn prediking werd onze Heer de weg tot de boom des levens en daardoor fungeerde HIJ, 'het vleesgeworden Woord', als deze boom. Petrus had dit opgemerkt en zei: 'Gij hebt woorden van eeuwig leven'. De mogelijkheid om zich op de juiste wijze weer geestelijk te ontwikkelen was gekomen. Jezus dankte de Vader omdat deze Hem volmacht had gegeven om alle wat Hem toebehoorde, eeuwig leven te schenken.

God plantte opnieuw een hof van Eden op aarde, namelijk de gemeente die door Jezus Christus wordt gebouwd. In het midden van deze hof staat HIJzelf als Boom des levens centraal. Zijn bladeren zijn artsenij tot genezing der volkeren. Wie van zijn vrucht eet, hoort de stem van God door de woorden die Hij sprak en die zijn Geest doorgeeft of in herinnering brengt bij zijn volgelingen. Hij is ook de doper met de Heilige Geest, waardoor zijn volk de onderscheiding der geesten ontvangt. Daarom volgen de schapen Hem en de stem van de vreemde volgen zij niet.

In de tegenwoordige hof of gemeente staat tevens de boom der kennis van goed en kwaad. Zo schreef Paulus aan de Korinthirs: 'gij zijt nog vleselijk, ik kan mijn woorden aan jullie niet kwijt. Jullie eet onvoldoende van de Boom des levens. Ik kan nog niet goed tot jullie spreken over hemelse zaken, over het hogere, over het Koninkrijk der hemelen, hoewel de geestelijke begaafdheden onder jullie werkzaam zijn. Hij vreesde zelfs, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, hun gedachten van de eenvoudige en loutere toewijding aan Christus waren afgetrokken. Ze werden misleid door een ander evangelie met een andere Jezus, die verbonden was met het wetticisme en legalisme van het oude bondsvolk (2 Kor.11:1-6). Jezus was echter niet gekomen om het oude te restaureren en een natuurlijk volk Gods te leiden, maar Hij sprak tot Petrus over diens geloofbelijdenis aangaande de Christus: 'Op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen'. Hij wilde allen uit Jood en heiden om de Boom des levens vergaderen, teneinde allen over te plaatsen in zijn Koninkrijk.

Wie alleen leeft door de woorden van Jezus Christus, de Boom des levens, zal bemerken dat hij zich geestelijk ontwikkelt en een mens Gods wordt, die volmaakt is en tot alle goed werk volmaakt is toegerust (2 Tim.3:17). Hij bedenkt dan de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn en daarom laat Hij zich ook niet in met een ander evangelie, dat zich bezighoudt met een natuurlijk volk en zijn herstel in het beloofde land op aarde. Er is slechts één weg. Wanneer het Woord Gods overwonnen heeft en allen van de Boom des levens eten, zal de aarde in haar geheel hersteld worden vanuit de hof van Eden. Het is immers voor de Here te gering dat slechts dit kleine gebied in het Midden-Oosten het centrum van het heil zal worden. Jezus sprak tot de Samaritaanse: 'De ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden.. De ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid' (Joh.4:21-23).

De geschiedenis der kerk leert dat men zich als Eva met de boom der kennis van goed en kwaad heeft afgegeven. Eeuwenlang heeft men geleerd dat het kwade tot het wezen van de mens behoort evenals dit het geval is bij de duivel. Zelfs belijdt men uitgaande van oudtestamentische inzichten, dat het kwade ook van de Vader der lichten komt. Op deze wijze zou de mens aan God gelijk zijn. Ook reppen de belijdenisgeschriften der kerk nergens van een overgeplaatst worden naar de hemelse hof van Eden. Gods optimistische visie op de mens die Hij zeer goed geschapen had, werd volkomen vervangen door het pessimistische geloof dat het de christen nimmer gelukt om zonder zonde te leven, hoewel de Heer in vol vertrouwen sprak: 'Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk de hemelse vader volmaakt is'.

Het onderwijs van Jezus betreft alleen het goede. Wij behoeven daarom de diepten van satan niet te onderzoeken. ook stellen wij ons niet voortdurend op de hoogte van al het kwade dat tot ons komt tijdens het lezen van bepaalde dagbladen en boeken, het zien van films en t.v. waar die ons bezighouden met de werken der duisternis. Jezus wil dat zijn hof wordt bewaakt en bewaard door hen, die Hij hiervoor aanstelt, die altijd het goede zoeken en van wie ook gezegd kan worden 'altijd het goede doende'. Ook zullen wij niet experimenteren met allerlei okkulte zaken en paranormale verschijnselen, die tegenwoordig ook onder christenen zoveel aandacht opeisen. Het goede dat ons uit Gods Woord geschonken wordt, is voldoende om het doel te bereiken en eeuwig te leven.

In de gemeente zijn ook gereserveerde plaatsen. De Hovenier plaatst aan de rand van de border kleine, keurige plantjes. Hij reserveert ook een plek voor struiken en bomen, die groter aanzien hebben maar wel de wind moeten opvangen. Ieder lid in de gemeente behoort deze voor hem of haar toegewezen plaats te kennen.

Vanaf het begin is het helaas zo, dat ook vele hoge bomen in kontakt staan met en beïnvloed worden door boze geesten. De vruchten die zij voortbrengen, zijn dwalingen, wetteloosheid en verleide en misleide, zwakke leden. Paulus voorspelde reeds dat uit het 'midden' der gemeente mannen zouden opstaan, die verkeerde dingen zouden spreken om de discipelen achter zich te trekken.

Aan het einde van onze bedeling zullen wij zien dat de gemeente haar plaats in de hemelse hof geheel inneemt. De belofte is immers: 'Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de boom des levens, die in het paradijs Gods is' (Openb.2:7). Een verbasterd christendom zal zich steeds meer groeperen om de bomen der kennis van goed en kwaad, waarbij het kwade zal overwinnen. Nadat het zuiveringsproces voltooid is, zal zij zich verzameld hebben om de allergrootste boom der kennis van goed en kwaad, de antichrist. Zijn kennis van het goede is die van de duivel, dus slechts uit herinnering. Zijn wijsheid om haar toe te passen is ook verloren gegaan. Hij is de mens der zonde, die een kerk sticht, welke bij de slag van Armageddon het doel van satan tracht te bereiken: de gemeente van Jezus Christus te verslaan en de gereserveerde plaats naast God te bezetten. Het Woord Gods zal echter vonnis vellen en oorlog voeren in gerechtigheid. De antichrist die van elders inklimmen wil, wordt dan samen met het inspirerend beest uit de afgrond in zich, geworpen in de gereserveerde plaats die voor de duivel en zijn engelen bereid is, dat is de poel des vuurs. Christus en zijn gemeente zullen dan voor eeuwig en altoos regeren vanaf de troon over al de werken van Gods handen.

zie voor andere artikelen kvooverz