kvo 49e jaargang nummer 9 september 1985

Han Goldschmeding

Het RECHT op GENADE

Genade en recht. Voor sommige mensen zijn dit twee haaks op elkaar staande begrippen. Waar het recht zijn loop heeft, daar zou men geen genade kennen. En wie genade voor recht laat gelden, doet eigenlijk aan het recht tekort. Bovendien, om genade moet je vragen, bijvoorbeeld door het indienen van een gratieverzoek. Doe je dat niet, dan krijgt het recht gewoon zijn loop.

Op het kerkelijk erf kunnen we ook groepen onderscheiden die of op de genade of op het recht de nadruk leggen. Wat het laatste betreft, weten sommigen te verklaren hoe bepaalde rampen gezien moeten worden als een rechtvaardig goddelijk oordeel op menselijk falen: de mens is slecht en ondergaat het oordeel Gods. Wie de genade van God benadrukt, verkondigt dat de mens in wezen niets te vertellen heeft, verdorven als hij is. Hij mag blij zijn dat God Zich om hem bekommert, maar hij hoeft nergens op te rekenen, want alles is genade. Dus ook hier is de mens slecht en hij mag er slechts op hopen dat God om ondoorgrondelijke redenen hem uitverkiest om zijn genade te bewijzen.

Natuurlijk zou men zulke meningen als extreem kunnen aanmerken. Er zullen dan ook heel wat gradaties tussen de uitersten te vinden zijn in het denken van onze christelijke medemens.

Bij dit soort denken werd ik onlangs weer bepaald toen ik luisterde naar een radio-programma waarin studio-gasten hun mening konden geven. De vraag die gesteld werd, had ongeveer de volgende inhoud: hebben gehandicapten recht op bepaalde voorzieningen? Een van de antwoorden kwam van een gehandicapte christen die rechten had gestudeerd. Dit antwoord was tweeledig. Ten eerste werd gesteld dat er op grond van de Nederlandse wetgeving inderdaad rechten bestonden op voorzieningen. Het beroepsmatige, juridische antwoord was dus; ja. De andere kant betrof de geloofsovertuiging en het antwoord dat daaruit voortsproot was echter: nee. Van Gods kant bezien, kunnen we nergens aanspraak op maken. We zijn zondaars en alles is genade.

Nu is er op de radio veel te horen waar je het al of niet mee eens kunt zijn. Zo ook deze wijze van denken. Toch leidde het horen van deze uitspraken ertoe om eens verder na te denken over de rechten die een mens en in het byzonder een christen heeft.

Nationaal recht boven goddelijk recht?

Wanneer iemand stelt dat hij aan de wetgeving van zijn overheid meer rechten kan ontlenen dan aan zijn God, dan moet de god die hij dient van een lagere orde zijn dan zijn regering. Of hij heeft een verkeerd beeld van God. Aangezien uit het gesprek duidelijk bleek dat het ging om de almachtige God, de Vader van Jezus Christus, moet het laatste het geval zijn.

Wij allen die bezig zijn te veranderen in ons denken hebben toch de ervaring dat we anders, beter, grootser van God zijn en moeten gaan denken dan in het verleden?

Als een christen die gebreken heeft (en wie is er al zonder?) slechts bij een wereldse overheid een rechtmatige claim kan laten gelden, dan zal hij daaruit meer hoop kunnen putten dan uit zijn geloof in God.

Als bovendien de overheid er is als dienares van God en dus in dienst van God staat ons ten goede (Rom.13:14), zou er dan geen beroep mogelijk zijn bij degene aan wie de overheid verantwoording schuldig is?

Als, ten derde, de christen slechts rechten kan ontlenen aan een tijdelijke wereldse overheid en niet aan God, hoe staat het dan met de niet-gelovige? Moeten we nu maar concluderen dat God de mensen als rechteloze wezens op aarde laat ronddolen, overgeleverd aan de willekeur van menselijke machthebbers en dat christen-zijn slechts een verzekeringspremie is voor de hemel na het sterven?

Wat is genade?

Genade is een kernwoord in het evangelie. De uitspraak 'alles is genade' komt echter in de bijbel niet voor. Het is een wat vage uitdrukking, die ook de indruk wekt dat de mens slechts aktieloos moet afwachten tot het God behaagt een aalmoes te geven. De bijbelse tekst die er het dichtst bij komt, staat in Ef.2:8,9: 'Want door genade zijt gij behouden... het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme'. Ons behoud gaat dus van God uit en vindt geen grond in de een of andere prestatie van onszelf. God is het die Jezus Christus op de aarde heeft doen komen. Deze heeft, zonder hulp van andere mensen, het door God opgedragen werk tot verlossing van de mensheid uitgevoerd. Hij heeft de verzoening tussen God en mensen tot stand gebracht. Hij heeft een hoopvolle toekomst bekend gemaakt en in die hoop zijn wij behouden. Het schenken van de genade is een daad van God, maar het aanvaarden ervan is een aktie van de mens. Zo is er na de bekendmaking van de verzoening de oproep: laat u met God verzoenen.

Dan volgt er meer. Genade is niet alleen het ontvangen van verlossing en vergeving, maar ook het kennen van het geheimenis van Gods wil, zo betoogt Paulus in Efeze 1:7,8.

Genade is niet een zoethoudertje voor zondaren, maar een krachtbron voor rechtvaardigen. Wij zijn namelijk gerechtvaardigd door Gods genade (Tit.3:7). Genade is niet een goddelijke meevaller waar je verder geen aanspraak op kunt maken, maar het is een vaste grond. Het is goed dat het hart zijn vastheid vindt in genade (Hebr.13:9). Gelovigen worden opgeroepen toe te treden (aktie!) tot de troon van genade om hulp te verkrijgen te gelegener tijd (Hebr.4:16). Bij genade moeten we dus niet denken aan een extraatje van God voor enkele uitverkorenen, maar aan de basis van herstel voor alle mensen. Een door God gewild herstel.

Recht op genade

Het klinkt misschien wat ongebruikelijk, maar een mens heeft recht op genade. Recht is gebaseerd op wetten. Door wettelijke regelingen is men in veel gevallen niet meer afhankelijk van iemands goede of slechte humeur. De wet gebiedt. Nu is er wat de eeuwige wetten betreft slechts één wetgever: de Schepper van de mens. Zijn Woord is wet, zijn Woord gebiedt. Heel de schepping heeft te maken met goddelijke wetten. De dode materie, zoals zon, maan en sterren, gehoorzaamt zonder meer. De mens heeft de mogelijkheid om af te wijken en het deel van de schepping dat onder zijn invloed staat, ondergaat daar de gevolgen van. Dat is dan weer een gevolg van het feit dat Adam de zonde de wereld heeft binnen laten komen. Daar hebben zijn nakomelingen verder niets meer aan kunnen verbeteren. Tot op de huidige dag is er zonde in de wereld, met alle nare gevolgen daarvan: dood en vergankelijkheid. Maar juist omdat noch Adam, noch zijn direkte nakomelingen in staat zouden zijn om zonde en dood van de aarde te verdrijven, heeft God onmiddellijk zijn maatregelen bekend gemaakt. Hij kondigde aan dat het zaad van de vrouw de overwinning zou behalen. Dit door God uitgesproken woord was wet. De beloofde overwinning moest komen en kon niet meer ongedaan worden gemaakt. Toch heeft deze goddelijke uitspraak in de daarop volgende tijd beslist niet altijd bij de mensen op de voorgrond gestaan. In Israël waren het de profeten die de komst van de verlosser weer onder de aandacht van de mensen brachten. Maar vond de Heer bij zijn komst geloof op aarde?

In de tijd van Jezus waren er enkelen die volhardend geloofden. Zo was daar Simeon, die de vertroosting voor Israël verwachtte en Anna, die God diende met vasten en bidden, nacht en dag (Luk.2:25,37). In Lukas 18:7 spreekt Jezus over zulke mensen die dag en nacht tot God roepen. Hij laat weten dat God hun recht zal verschaffen. Zonde en dood zijn namelijk een groot onrecht onder het volk van God. Dat was toen zo en dat is nu zo. Onder het volk zijn er nog te weinig die dat door hebben en tot God om recht roepen. Omdat Simeon en Anna dat wel deden, waren hun ogen geopend toen het heil in de wereld kwam. Eindelijk gerechtigheid! Nu laat Gij Heer uw dienstknecht gaan in vrede, kon Simeon zeggen. Mijn ogen hebben uw heil gezien dat Gij bereid hebt voor het oog van alle volken: licht tot openbaring voor de heidenen (Luc.2:29,32). Aan het nageslacht van Adam werd recht gedaan. De genade van God was verschenen, heil brengend voor alle mensen (Tit.2:11). Dit was volgens het woord dat God ooit gesproken had. Ieder nakomeling van Adam heeft dan ook recht op deze genade. Daarom is de prediking van de genade die God geeft een rechtmatige zaak. Iedere overheid die dit tracht tegen te gaan, gaat in tegen het goddelijk recht en zal zich te gelegener tijd voor de enige wetgever en rechter moeten verantwoorden.

Wanneer de overheid, de dienares van God, door het uitvaardigen van wetten het leven van zwakken en onderdrukten tracht te beschermen, handelt zij (op het natuurlijke vlak) juist in overeenstemming met God, want God zelf doet dit door zijn genade ook. En waar wetten zijn, daar kan men zijn recht kennen.

Rechten van gelovigen

De rechts- en wetswinkels blijken in een behoefte te voorzien. Dat komt mede omdat men tracht duidelijk te maken wat nu wel de rechten zijn van een doorsnee burger. En de hulp is zo mogelijk gratis. Het enige wat men moet doen is van de geboden mogelijkheden gebruik maken, door te komen (Aktie!). Dit is nu precies wat God ook wil. Hij wil de mensen de ogen openen voor de rechten die zij hebben. Zij moeten daartoe het evangelie geloven. Heidenen weten niet dat zij recht hebben op het evangelie. Dat is in hun hart niet opgekomen en daarom moet het hun verteld worden. Hoe zouden zij geloven zonder het gehoord te hebben? Maar als zij het aanvaarden is er licht tot openbaring. Paulus bad voor de Efeziërs dat zij verlichte innerlijke ogen zouden hebben. Wij, net als de Efeziërs eens heidenen, mogen dat gebed vrijmoedig overnemen voor elkaar en voor onszelf. Waarom? Om te weten welk een geweldige toekomst er klaar ligt voor hen die geloven en hoe groot de kracht van God is waarmee Hij werkt, ons ten goede (Ef.1:18,19).

De heerlijke toekomst die in het verschiet ligt, is die van volwassen zonen van God. Daaraan begint God niet te werken na ons sterven, maar nu. Het werk van Jezus op aarde had mede ten doel dat wij het recht van zonen zouden verkrijgen. Geen slaven meer, vrijwel zonder rechten, maar zonen met grote vrijheid. Wie de Geest uit God ontvangen heeft, heeft de geest van het zoonschap (Gal.4:5-7). De Hebreeën-schrijver deelt ook mee dat God ons behandelt als zonen (Hebr.12:7). Dat kan wel eens zwaar zijn, omdat een zoon nu eenmaal meer verantwoording draagt dan een slaaf. Verantwoording die voortkomt uit vrijheid. En vrijheid betekent het niet beperkt zijn in je rechten. De rechten die zonen hebben, staan heus niet allemaal omschreven, ook niet in de bijbel. Van rechten hoef je bovendien ook niet altijd gebruik te maken. Vanuit de vrijheid van het zoonschap kon Paulus opmerken: Alles is mij wel geoorloofd, maar niet alles is nuttig, niet alles is opbouwend.

Een belangrijk recht dat in de bijbel wel genoemd wordt, is het recht om vrij te zijn van zonde. Wie met Christus gestorven is (omdat hij deel is gaan uitmaken van zijn lichaam), is rechtens (juridisch) vrij van zonde (Rom.6:7). Het is niet zo dat iedere christen dat ook al volledig als een realiteit in zijn leven ervaart. Doorgaans spreekt men het meest over zijn rechten in verband met de zaken waarin men juist onrecht ervaart. Nu, veel christenen ervaren nog het onrecht van zonde in hun leven, maar zij hebben er recht op om daar vrij van te zijn. Jammer genoeg erkent nog niet iedere christen dat zonde een onrecht is in zijn leven. Vrij van zonde, van elke innerlijke misvorming en niet meer beïnvloedbaar door werkingen vanuit het rijk van satan: voor menigeen is dat een onrealistische gedachte, voor anderen een mooi, maar niet te berijken ideaal, voor sommigen echter een hoop die zeker op aarde verwezenlijkt zal worden. Zonen hebben in ieder geval recht om op hun vader te lijken. Zo ook zonen van God. Jezus riep op tot dit verlangen toen Hij zei: 'Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is' (Matt.5:48).

Blijven bidden

In Lukas 18 lezen we dat Jezus zijn discipelen wilde leren om altijd te bidden. We weten ook dat in de daarbij vermelde gelijkenis God niet lijkt op de onrechtvaardige rechter. Integendeel. God heeft het recht lief en Hij waakt over de paden van het recht. Is God dan toch te 'verbidden' en moet er daarom aanhoudend tot Hem geroepen worden?

Jezus zei eens dat er tijden en gelegenheden zijn waar de Vader rekening mee houdt. Zo zond Hij zijn Zoon uit in de volheid van de tijd (Gal.4:4). Het werken van God is niet vooruit te berekenen. Maar als God op aarde een werk verricht, heeft Hij wel graag dat de mensen door geloof daar op reageren. Zoals Simeon en Anna. Zij baden voortdurend en het gevolg was dat God bij hen een weerklank vond toen zijn heil, nog in een heel pril stadium, hun onder ogen kwam. Zij merkten op wat God deed. Jezus wilde zijn volgelingen leren om ook waakzaam te zijn. Om onmiddellijk te kunnen reageren als er een b_zondere openbaring van God plaats vindt.

God weet wat zijn volk nodig heeft. Als dan een rechter die slecht is toch nog recht verschaft, hoeveel te meer de goede Vader die in de hemelen is! Jezus deed een soortgelijke uitspraak: Indien dan gij die slecht zijt goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen die Hem daarom bidden. En God gaf de Heilige Geest, toen men in volhardend gebed was. Dat was zo'n gelegenheid waarbij God weer een verdere openbaring van zijn heil gaf.

We mogen verwachten dat het heil van God, door Jezus Christus, nog verder zal geopenbaard worden. Maar zal er geloof zijn op aarde? Zullen er mensen zijn die er positief op reageren?

God is barmhartig

Sommige mensen denken dat het enige wat we nog van God te verwachten hebben, het laatste oordeel is. Het recht van God zou dan daaruit blijken dat er allerhande ellende over de mensheid uitgestort wordt als straf op de zonde.

Nu weten we dat er inderdaad, naar het woord van Jezus, grote benauwdheid op de aarde zal komen, die heel wat mensen in onrust zal brengen en ook nu al in onrust brengt. Daarom spreekt de bijbel over een heden, over een tijd die nu aan de gang is. Zolang het heden duurt kan het volk van God ingaan (aktie!) in de rust die God geeft (Hebr.4:6-11). En wie tot die rust van God ingegaan is, zal niet omkomen maar behouden worden. Nu is het de tijd van het welbehagen en nu is de dag van het heil (2 Kor.6:2). God wil niet dat zondaren verloren gaan, maar zich bekeren en behouden worden.

God is niet onrechtvaardig, ook niet wanneer Hij zondaren, die door het geloof in Jezus zijn gekomen, tot rechtvaardigen verklaart (Rom.3:26). God is niet onrechtvaardig, maar barmhartig. Daarom geeft Hij eerst het recht van de genade en daarna komt pas het recht van het oordeel. De barmhartige God wil dat zoveel mogelijk mensen van hun rechten gebruik zullen maken. Van het recht op genade en van de rechten die zij dan als kind van God hebben, door Jezus Christus.

zie voor andere artikelen kvooverz