kvo 49e jaargang nummer 9 september 1985

J.E.v.d.Brink

A R M A G E D D O N

Hemelse dimensies

Op de vraag van een luisteraar aan Jezus: 'Here, zijn het weinigen, die behouden worden?' was het antwoord: ' Strijd om in te gaan door de enge poort', die de mens toegang verleent tot de lichtzijde van het Koninkrijk der hemelen. In het oude verbond moest het volk van God om Kanaän in bezit te krijgen, strijden tegen vijanden in de natuurlijke wereld. De opdracht voor de nieuwtestamentische gelovigen is echter om tegen de onzienlijke tegenstanders te kampen in het Koninkrijk der hemelen.

In Efeziërs 6;12 stelt de apostel Paulus nadrukkelijk, dat wij niet te worstelen hebben tegen bloed en vlees, ook niet tegen onszelf, maar tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Toen hij aan het einde van zijn aardse loopbaan gekomen was, getuigde hij: ' Ik heb de goede strijd gestreden'. Hij erkende hiermee dat hij een permanente strijd had gehad tegen de engelen van de satan, die hem voortdurend wilde beletten dat hij zich in de onzienlijke wereld zou verheffen. Hij kon schrijven: 'Want al leven wij in het vlees, wij trekken niet ten strijde tegen het vlees, want de wapenen van onze veldtocht zijn niet vleselijk' (2 Kor.10:3,4). Om het ontstaan van zonde, gebondenheid, verdrukking, geweld en ziekte te begrijpen, behoort de christen, naar de woorden van Jezus in Mattheüs 13:11, 'de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te kennen'. Hij moet immers deelnemen in Gods 'star-wars'- project.

In het Koninkrijk der hemelen of in de hemelse gewesten heerst een strijd tussen licht en duisternis, tussen de macht van het goede en die van het kwade. In deze strijd is de mens nauw betrokken en is hij aangewezen om hem te winnen, want God wil Zich rechtvaardigen uit zijn werken. Hij wil aantonen dat Hij Zich niet vergiste, toen Hij van eeuwigheid besloot de mens te scheppen, die gesteld zou worden boven al de werken van zijn handen. Daarom wordt van de mens gezegd, dat de vijandschap tussen hem en de slang zal toenemen. Niet de duivel zal ten hemel kunnen opstijgen en boven de sterren Gods zijn troon oprichten en zetelen op Sion, de berg der samenkomst, maar de mens zal zich 'verheffen' en deze plaats innemen (Jes.14:13,14).

Vanwege zijn uitnemende geest, die door de goddelijke Geest ondersteund wordt, zal de mens blijken bekwaam te zijn om alle hemelse terreinen van het kwade te zuiveren. Het grote voorbeeld ervan bezitten wij in de Zoon des mensen. Hij begon met het goede zaad van het Koninkrijk der hemelen op de akker der wereld uit te strooien. Het onkruid dat de duivel er tussen zaaide, zal na een groeiproces op aanwijzing van zonen uit de mensen, door hun dienende geesten bijeen worden gebonden om verbrand te worden. God verzamelt Zich zonen, die in het voetspoor van hun overste Leidsman de overwinning zullen behalen in alle gewesten van het Koninkrijk der hemelen: in het Koninkrijk Gods, in het koninkrijk van de satan, in het koninkrijk van de dood en in het koninkrijk van Apóllyon, de engel van de afgrond. Daarna zal alles wat de zonde doet en liefheeft, worden bijeenvergaderd in de poel des vuurs, de diepste duisternis, het laagste hemelse gewest, dat voor de duivel en zijn engelen is bereid. Wij beperken ons in dit artikel bij de gebeurtenissen die onze eeuw of bedeling afsluiten, namelijk de overwinning van de eindtijdgemeente in het Koninkrijk Gods en die in Armagéddon in het gebied van de overste van de macht der lucht.

Aanleiding tot de strijd

Het is vanzelf sprekend dat de Schepper koning en heerser is over al het geschapene. De schepping behoort aan Hem, zowel de onzichtbare als de zichtbare. Aan het einde van zijn creëren vertrouwde God de aarde toe aan de mens. Deze moest haar onderwerpen en heersen over al wat leeft. Hiermee onttrok God de aardse schepping aan de supervisie van Lucifer, die aangesteld was om op al het geschapene toezicht te houden en dit te ordenen. Door het handelen van God werd zijn arbeid steeds uitgebreider, maar vanwege de opdracht aan de mens werd deze 'uitgebreide handel' beknot (Ez.28:16). Hij moest een deel afstaan aan de mens, die naar het inzicht van Lucifer hiertoe onbekwaam was. Daarmee twijfelde deze aartsengel aan de kennis en wijsheid van de Schepper, wiens verstand niet te doorgronden is of af te meten. Toen werd er onrecht of leugen in deze lichtdrager gevonden.

In de Canisiusvertaling en in de Septuaginta staat in Ezechiël 28:14 dat de positie van Lucifer zo hoog was, dat hij een cherub of troonengel - waarschijnlijk Michaël - had om hem te beschutten: 'Een cherub met uitgespreide vleugels had Ik u tot schutse gegeven'. Toen hij evenwel in zijn denken de heilige en almachtige God aantastte, werd hij door deze verstoten en door de beschuttende cherub verdreven en op aarde geworpen: 'Verdreef Ik u van de heilige godenberg. En heeft de beschermende cherub u verjaagd. Uit het midden der vurige stenen' of hooggeplaatste engelen. De beschuttende cherub daalde mee af en werd toen de hemelvorst, die de zonen van het volk van God - ook in het nieuwe verbond - terzijde staat en als de engel des Heren hen beschut en bewaart (Dan.12:1, Ps.34:8). Geen wonder dat de psalmist hieraan toevoegt: 'Smaakt en ziet, dat de Here goed is'.

Op aarde begon de satan na zijn val ogenblikkelijk de schepping onder zijn regime te brengen en te beschadigen. Zo misbruikte hij al vroeg de slang. Daarom reserveerde de Here God voor Adam de hof van Eden. De strijd was begonnen, want de mens moest het paradijs tegen de infiltrerende machten der duisternis 'bewaren en bewaken'. Hierbij kon hij gebruik maken van het feit dat hij de ware aard en het wezen der dieren kende. Adam faalde in deze opdracht. Eva werd misleid door de leugen van de slang, die opnieuw Gods liefde en wijsheid discutabel stelde. Voortaan was de mens met de aardse schepping overgeleverd aan de supervisie van de satan. De aarde werd vervloekt, dus prijsgegeven aan de boze machten, en de duivel werd overste van deze wereld en overste van de macht der lucht, beeld van het hemelse gewest dat bij de aarde behoort.

Opdat Gods plan met de mensheid toch doorgang vinden zou, beschermden cherubs de weg tot de boom des levens met het vlammende zwaard van het Woord van God. De mens zou moeten wachten totdat hij weer een volmaakt rechtvaardige zou zijn door het verzoenende werk van Jezus Christus. Later zou God ook een afgesloten gebied voor Israël reserveren. Voordat dit volk het beloofde land binnentrok, hadden de nazaten van de 'vervloekte' Kanaän, geleid door hun vorst of wereldbeheerser dezer duisternis, dit kostelijke gebied dat overvloeide van melk en honing, al in bezit genomen. De Israëlieten moesten het land veroveren, maar zij hebben evenmin volhard in hun opdracht. Zoals Adam vanuit het paradijs de aarde bevrijden moest, had Israël vanuit het beloofde land de zegen over de gehele wereld moeten spreiden. Omdat dit volk eveneens ongehoorzaam was, werd het ook verbannen en tot balling gemaakt.

Met de verbanning van Lucifer had God zijn hemels Koninkrijk gereinigd van de boze engelen. Hij sprak zijn oordeel over de satan uit, want diens kop moest vermorzeld worden. Wie zou de uitvoerder hiervan zijn? Na een felle strijd zou de mens het beschreven vonnis uitvoeren en daarmee aantonen, dat Gods werk volmaakt is en in zijn voornemen geen fout te vinden is. Ook zou de volmaakt geestelijke mens de engelen vonnissen, zoals er staat: 'Weet gij niet, dat wij over engelen zullen oordelen?' (1 Kor.6:3). Toch lezen we in het boek Job, dat de satan te midden van de engelen voor Gods aangezicht stond? Hoe was het mogelijk dat hij daar zijn gedachten aangaande de mens opnieuw spuien kon? Hoe kan hij dag en nacht de broeders aanklagen, zoals in Openbaring 12:10 wordt meegedeeld? Het antwoord is dat hij dit door middel van de mens doet, die Gods aangezicht zoekt. De rechtvaardige Job weigert zichzelf aan te klagen of minderwaardig te achten, maar de boze klaagde deze door God zo hooggeachte rechtvaardige aan door middel van zijn 'vrome' vrienden. Geleid door de inspiratie van een boze geest beweerde Elifaz zelfs dat geen sterveling voor God rechtvaardig is, of een man rein tegenover zijn Maker. Uit eigen ervaring sprak de duivel door deze vriend van Job: 'Zie, in zijn dienaren stelt God geen vertrouwen, en bij zijn engelen vindt Hij dwaling'. De waarheid was echter dat bij hem 'onrecht werd gevonden' en niet bij de heilige engelen. We horen opnieuw de stem van deze leugenaar, wanneer de godsdienstige zondaar zich verontschuldigt met de opmerking dat wij toch allemaal zondaars zijn! Daarom voegde de sluwe geest er aan toe: 'Hoeveel te meer dus bij de mensen, die in lemen hutten of aarden vaten wonen' (Job 4:18,19). Men hoort hier bovendien de verachting van satan voor de mens. Vooral diens kwetsbaar lichaam hoont hij.

Ook in het nieuwe verbond wordt de christen nog steeds door de boze aangeklaagd, ook al is hij volkomen gerechtvaardigd door het bloed van Jezus Christus. Ook tracht de satan nog steeds de broeders, die vrije toegang tot de troon der 'genade' hebben, aan te klagen. Hij laat hen zelf zijn inspiraties voor Gods aangezicht uitspreken of gebruikt er andere broeders voor. Ze zijn dan niet de mond des Heren maar die van de boze. Vanwege hun kennis van de waarheid van het Koninkrijk der hemelen weigeren in de eindtijd de zonen Gods hun mond hier echter voor te lenen. Zij belijden alleen wat zij in Christus zijn: rechtvaardigen door het geloof, reinen van hart door het aanvaarden van het woord dat Hij tot hen heeft gesproken, en hun koning- en priesterschap naar het eeuwige raadsplan van God.

God wil dat wij onszelf oordelen en opmerken wat in ons van de boze is en wie wijzelf zijn. Ook daarin helpt de Heilige Geest, die ons overtuigt van zonde en gerechtigheid en van het scheiden van deze twee door het oordeel (Joh.16:8). Door de kracht van God is de mens in staat het kwade uit zijn hart weg te doen. Door deze vernieuwing van denken worden de plaats en de gedachten der boze geesten ook niet meer in de hemel gevonden (Openb.12:8).De satan wordt geheel teruggeworpen op de aarde, indien de christen zich van diens vijandschap tegenover hem bewust is en hij zich gedistantieerd heeft van hetgeen de duivel over hem zegt. De gelovige houdt vast aan het volle evangelie, dat de mens opvoedt in de gerechtigheid, zodat hij volkomen mag zijn, tot alle goed werk volkomen toegerust (2 Tim.3:17).

Opleiding voor de luchtoorlog

Onze Here Jezus werd als laatste Adam door de Vader 'in de wereld gezonden' teneinde 'zijn dorsvloer geheel te zuiveren'. Hij maakte daarmee een aanvang, toen 'Hij rondging, weldoende en genezende allen, die door de duivel waren overweldigd' (Hand. 10:38). Aan het begin van zijn loopbaan trachtte satan Hem ook te onderwerpen. Hij toonde Jezus alle koninkrijken der aarde en bood ze Hem aan met de woorden: 'U zal ik al deze macht geven en hun heerlijkheid, want zij is mij overgegeven - door de eerste Adam - en ik geef haar wie ik wil. Indien Gij mij dan aanbidt - en mij daardoor als meerdere erkent - zal zij geheel van U zijn' (Luk.4:6,7). In de wereld heerste de satan dus als koning en er is sprake van zijn koninkrijk (Matt.12:26). Jezus weigerde echter op deze transactie in te gaan , want Hij zou aan het einde van zijn aardse leven de ganse mensheid vrijkopen voor God uit de macht van haar vijand, door zijn bloed als losprijs voor allen te geven (1 Tim. 2:6).

Na zijn opstanding brak voor Jezus een nieuwe tijd aan, waarin Hem alles was overgegeven. Uit de vrijgekochten vormt Hij Zich nu een legermacht, die zijn bevrijdend en herstellend werk op aarde voortzet. Voor hen reserveert God geen landschap of stad op aarde, maar zij worden in Christus overgeplaatst naar het hemelse Jeruzalem of naar de tempel Gods aldaar. Hun wordt de hemelse hof van Eden toegewezen. Als geestelijke mensen zijn zij vreemdelingen en bijwoners op aarde - ook dikwijls in de christelijke wereld - en burgers van een rijk in de hemelen. Uit de strijd tegen de boze geesten zal dit machtig leger als overwinnaar te voorschijn komen. Het zal de aarde verlossen van de heerschappij van de boze geesten en tot het Koninkrijk van Jezus Christus maken. Het zal de lucht bevrijden in geloof aan de hemelse Koning. Dan zullen er stemmen in de hemel klinken: 'Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde (gemeente), en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden' (Openb. 11:15). De dienstknechten van God worden nu opgeleid om de macht en de kracht die Jezus Christus hun heeft gegeven, ook te gebruiken. In principe doen zij daarom al de werken die Hij deed. Zij prediken het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, drijven boze geesten uit en genezen zieken. Hierdoor ontstaat er een oorlog in het onzienlijke gewest dat bij de aarde hoort, en dat de apostel Paulus in beeldspraak 'de lucht' noemt (Ef.2:2). In de eindtijd komt deze strijd tot een climax, wanneer de Here Jezus bij zijn wederkomst zijn heilsarmee uit hemel en aarde gaat vergaderen in de lucht (1 Tess.4:17). Ook de satan verzamelt zijn troepen maar dan vanuit de afgrond en van de aarde. Wij zien dus hoe belangrijk dit onderwerp is, omdat wij er allen mee te maken krijgen. Wij zullen tot de overwinnaars of tot de verliezers behoren.

Troepenconcentraties

Nadat de vrouw de zonen Gods gebaard heeft en de satan uit het Koninkrijk Gods geworpen is, schildert de Openbaring diens aanwezigheid op het zand van de zee, die beeld is van het dodenrijk. Gebruik makende van spiritistische krachten in het afvallige christendom doet hij dan uit de duistere diepten van de afgrond Apóllyon, de wetteloze engel des verderfs, met zijn sinister gevolg opkomen. Petrus deelt ons mee dat deze engelen, die gezondigd hadden, in de afgrond waren geworpen en daar aan krochten der duisternis waren overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren (2 Petr.2:4). In Judas staat dat deze engelen eenmaal hun oorsprong ontrouw werden. Zij verlieten hun eigen woning en incarneerden zich in mensen. Zij huwden dus met de geesten van mensen, een verbinding die alleen aan de Heilige Geest toekomt. Zij kwamen in de diepste regionen van het dodenrijk, omdat zij met de mensen meegingen die deze machten bij hun sterven niet loslieten of konden loslaten, hetgeen bijvoorbeeld bij de zondvloed massaal is voorgekomen. Ook werden vele van zulke geesten door Jezus en zijn volgelingen in de afgrond geworpen. Wij denken bijvoorbeeld aan het legioen dat bij de bezetene van Gadara werd uitgedreven. Deze engelen worden met eeuwige banden der donkerheid bewaard voor het oordeel van de grote Dag.

Wanneer Apóllyon, het wetteloze beest uit de afgrond, op die grote Dag des Heren uit de zee opstijgt, ontvangt hij van de draak al diens macht en kracht en ook zijn troon, dat is zijn koningschap (Openb.9:1-11,13:1,2). Deze geweldgeest neemt dan inwoning bij de mens die hem opgeroepen heeft, dus die dan de antichrist wordt. De satan legt dus zijn macht over alle koninkrijken der wereld in handen van een mens, die deze wél aanvaardt. De gehele aardbodem die aan de antichrist onderworpen is, aanbidt dan ook de draak (Openb.13:4). Door het opkomen van het beest uit de afgrond wordt de 'lucht' - zoals letterlijk in Openbaring 9:2 staat - verduisterd, dus geestelijk vervuild. Het heerleger uit de afgrond vaart vervolgens in talrijke mensen op aarde, die als eertijds voor zondvloed, geheel worden gedemoniseerd door de wetteloze geesten.

Ook verzamelt de antichrist nog op andere wijze op aarde een groot okkult leger, teneinde het in de lucht in te zetten. De heidense godsdiensten uit het verre Oosten gaan zijn gelederen versterken. Daar vindt men de afgodendienaars, de beoefenaars van yoga en transcendente meditatie met hun buitenzintuigelijke waarnemingen en ervaringen. In de westerse cultuur zijn de yogi's al allerwegen binnengedrongen, ook in de kerkelijke wereld. Bovenal denken we aan de reïncarnatieleer, welke ervan uitgaat dat bij het sterven de ziel van de mens kan 'verhuizen' en vlees kan aannemen van dieren of mensen. In werkelijkheid gaan de zielen der overledenen naar het dodenrijk, maar zoeken de inwonende machten een nieuwe behuizing. Wanneer het afvallige christendom in het grote Babylon zonder 'water' komt, dus zijn kracht en leven verliest, trekken de valse leergeesten uit het Oosten over de uitgedroogde 'grote rivier, de Eufraat' Babylon binnen om zich te verbinden met de antichristelijke kerk (Openb.9:14,16:12).

Wanneer onze Here Jezus zijn heerscharen in de lucht bijeen brengt, - zie ons artikel in het julinummer - brengt ook de antichrist tijdens een geweldige spiritistische seance zijn okkulte troepen daar. In het hemelse Armagéddon komt het dan tot een treffen. Het leger van God valt de boze geestenwereld aan onder wie ook de wereldbeheersers dezer duisternis, de krachtige boze machten die met de koninkrijken der aarde zijn verbonden. Uit de mond van 'het woord Gods' komt dan een scherp zwaard om daarmee de heidenen, het leger van de antichrist te verslaan en te verdoen (Openb.19:15). Aan het hoofd van zijn uitverkoren helden voert onze Heer oorlog en velt Hij vonnis in gerechtigheid. Dan blijkt aan het einde van onze bedeling dat God achter de mens staat met zijn Woord en zijn Geest. De triomferende gemeente wordt in de eindtijd waardig gekeurd om te staan voor de Zoon des mensen. Deze overwinnaars wandelen dan in witte gewaden, omdat zij het waardig zijn (Luk.21:36 St.vert.,Openb.3:4).

Zie voor andere artikelen kvooverz