kvo 49e jaargang nummer 8 augustus 1985

J.E.v.d.Brink

HET SCHEUREN DER HEMELEN

Tragiek van het oude verbond

In Jesaja 64 horen wij een man, een vertegenwoordiger van Israël, tot Jahweh roepen om de hemelen te scheuren. Hij bidt dat God naar de aarde zal afdalen om bergen te doen wegsmelten, en dat Hij als een vuur dat brandhout doet ontvlammen en water doet stomen, voorbij zal trekken. Dan zullen de vijanden verstaan wat de geduchte naam des Heren voor zijn geliefd volk betekent, en zij zullen sidderen. In de Hebreeuwse tekst behoort de kreet 'Och, dat Gij de hemelen scheurdet' bij het slot van hoofdstuk 63. Daar denkt de profeet aan het herhaalde ingrijpen van God ten behoeve van zijn volk in de dagen van benauwdheid. Zo daalde Hij neer om de ellende van zijn volk te bezien, teneinde het uit de macht van Egypte te redden. Hij daalde af op de Sinaï om Israël zijn wet te geven en het geestelijk om te vormen. Hij toog uit Seïr en uit de velden van Edom om zijn volk het beloofde land binnen te leiden. David bezong later dit voortdurende triomferende nederdalen in de bekende klanken: 'Gij zult hen daar G'in glans verschijnt, als rook en damp, die ras verdwijnt, verdrijven en doen dolen. 'Godd'loze volk wordt haast tot as, 't zal voor uw oog vergaan als was, dat smelt voor gloende kolen'. Uit ervaring kende deze psalmist-koning het geluid van de schreden van God in de moerbeitoppen. Hij wist daardoor dat de Here voor hem was uitgetrokken om het leger der Filistijnen te verslaan (2 Sam. 5:24).

De tragiek van dit veelvuldig goddelijk ingrijpen was echter dat het volk toch weerspannig bleef en het de Heilige Geest bedroefde. Ondanks de van God gegeven leiders daalde het af. Telkens lezen wij dat het volk opnieuw deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh. Daarom moet de profeet bedroefd constateren, dat slechts voor een korte tijd het heilig volk zijn erfdeel in bezit had gehad en dat zijn tegenstanders het heiligdom hadden vertrapt. Israël was geworden 'als degenen over wie Gij van ouds niet hebt geheerst, over wie uw naam niet is uitgeroepen' (Jes.63:18,19).

Een waarschuwing voor ons

'Dit is hun overkomen tot een voorbeeld voor ons en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is', schrijft Paulus in 1 Korintiërs 10:11. Is er verschil tussen de geschiedenis van de christenheid en die van het oude volk? Werden in de loop der eeuwen betere resultaten geboekt? Staat de doorsnee christen op hoger niveau dan de tempelganger? Of is het massachristendom ook geworden als die waar de Here nooit over heeft geregeerd, en als waren zij nooit naar Christus genoemd? Geldt ook voor hen niet de godsspraak: 'Zie, de hand des Heren is niet te kort om te verlossen, en zijn oor niet te onmachtig om te horen; maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God'? (Jes.59:1). Er is nog steeds over de christen een sluier, die álle natiën omsluiert en een bedekking waarmee álle volken bedekt zijn' (Jes.25:7). De god van deze eeuw heeft ook bij de christenen een bedekking geweven, zodat zij met blindheid zijn geslagen en het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der héérlijkheid van Christus (2 Kor.4:4). Deze god inspireert hen om het heil niet ten volle te geloven. Ook nu zingt men nog vanwege deze omfloersing: 'De boosheid kleeft ons altijd aan. Wie onzer zou voor U bestaan'. De vrome wens is: 'Och, of wij uw geboon volbrachten. Gena, o hoogste Majesteit'. Ook bij de rechtzinnigen ligt tot heden dezelfde bedekking over de voorlezing der wet als bij het Joodse volk, hoewel zij toch volkomen kon verdwijnen bij hen die in Christus zijn (2 Cor.3:14). Dit verdwijnen geschiedt echter nimmer automatisch, maar alleen als men de denkwereld van Christus overneemt en zijn woorden bewaart. Waar een bedekking is, kan de stem van God niet doordringen. Mannen als Henoch, Noach, Abraham, Mozes, David en de profeten wandelden met God. Wij zouden kunnen zeggen dat zij met God converseerden. De Here kon hen benaderen, omdat zij zich openstelden voor de geestelijke wereld. Zij leefden daarom als vreemdelingen en bijwoners op aarde. Zij richtten hun gedachten op een vaderland in de hemel. Deze kennis verscheurde bij hen soms de sluier, zodat hun denken en dientengevolge ook hun gelaat de heerlijkheid van God reflecteerden. Wat is er al niet in Job omgegaan, voordat hij begrip kreeg van de onzienlijke wereld? Deze godsman moest belijden: 'Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen', zoals tegenwoordig ook zovele christenen moeten erkennen. Door een rechtstreeks goddelijk onderricht kon hij evenwel 'als ziende de Onzienlijke' aan het einde van zijn lijden getuigen: 'Maar nu heeft mijn oog U aanschouwd', en kon hij zich scharen bij hen die kunnen zeggen: 'Wij zien Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond'.

Waarom grijpt God in

Wanneer de duivel bij zijn val uit de hemel geworpen wordt, verwijst God hem niet naar de poel des vuurs, die voor hem en zijn engelen bereid is, maar wordt hij op de aarde geworpen, 'die aan de mensenkinderen was gegeven'. Niet God zal de duivel vernietigen, maar de mens zal de kop van de slang verbrijzelen. God zal Zich rechtvaardigen in zijn daden, wanneer de satan ervaart, dat de mens een hoger wezen is dan hij, ja, dat alle dingen onder diens voeten zijn onderworpen. Het zal blijken dat de mens zeer goed geschapen is en dat hij een uitnemende geest bezit. Sprak Jezus niet tot de twee en zeventig apostelen: 'Zie Ik heb u macht gegeven over de gehele legermacht van de vijand'?

Wanneer de zondvloed voorbij is, 'spreekt de Here bij Zichzelf: Ik zal de aardbodem niet meer vervloeken - dus prijsgeven aan de duivel - omdat het voortbrengsel van des mensen hart boos is van zijn jeugd aan' (Gen.8:21). Is er niet iets tegenstrijdigs in, dat God juist om die reden de aarde spaart? Schijnbaar wel. Vanaf diens prille jeugd zetten de boze geesten evenwel het kind al onder pressie en vallen zij het aan. Het wordt soms al vroeg overweldigd en misbruikt. Wanneer de demonen in de slaap op hem afkomen, schreeuwt het kind in zijn angst. Het ziet een zwarte gedaante, die hem verlamt van vrees. Hij heeft geen verweer. Velen van ons herinneren zich zulke ervaringen uit eigen leven. De ouders begrijpen er niets van daar er een bedekking op hun verstand is. Zij zijn niet in staat hun kind te heiligen, dus af te zonderen van het rijk der duisternis. God heeft evenwel medelijden met de mens en komt hem te hulp. Daarom zond Hij zijn Zoon, die in zijn jonge jaren geen prooi werd van de boze, want de Vader heiligde Hem, totdat Hij in de wereld werd gezonden.

Wat in het oude verbond zich zo menigmaal moest herhalen, doet de vader in het nieuwe verbond nog eenmaal en dan definitief. Hij komt hem tegemoet, die met vreugde gerechtigheid doet, hun die op zijn wegen aan Hem denken (Jes.65:5). God komt de mens tegemoet door zijn Woord en zijn Geest. Dan kan de geestelijke mens ontstaan en zich ontwikkelen. Deze kan zelfs de diepste gedachten van God doorzoeken en leren kennen door de Geest die in hem woont. Voor de mens die de troon Gods gaat verwerven, worden de beperkingen uit het oude verbond weggenomen.

De hemelen gescheurd door Woord en Geest

In 2 Korintiërs 4:6 schrijft Paulus: 'Want de God, die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kénnis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus'. Bij de aanvang van het nieuwe verbond sprak God: er zij licht en het licht scheen in de duisternis waar de overste van de macht der lucht - beeld van het hemelse gewest dat met de aarde is verbonden - heerschappij uitoefent. In het Woord dat bij God en in God was, is leven en herstel van leven. Dit scheurt de duisternis van de onzienlijke wereld waarin wij ons bevinden. Het daalt neer overwinnende en om te overwinnen. Daarom wordt opgemerkt: 'De duisternis heeft het niet gegrepen' of overmocht of overweldigd, zoals in het verleden steeds gebeurde (Joh.1:1-5). Dit Woord daalde neer en kreeg gestalte of werd vlees in de mens Jezus Christus, de Zoon van God. Hij verscheurt met zijn evangelie van het Koninkrijk der hemelen de sluier die alle volken omsluiert. Hij opent hierdoor de weg naar de hoogste hemelse gewesten, het Koninkrijk Gods. Door zijn woorden worden de gedachten vernieuwd.. Hij deed zijn mond open met gelijkenissen. Hij verkondigde wat sedert de grondlegging der wereld verborgen gebleven was, namelijk het inzicht in de geestelijke wereld (Matt.13:35).

Door de prediking van Jezus kwam het Koninkrijk der hemelen nabij. Hij sprak over God die Geest is, over de Heilige Geest, over de goede en boze engelenwereld. Deze allen worden voor zijn volgelingen reële begrippen, niettegenstaande zij voor het natuurlijke oog verborgen zijn. Het oude was voorbijgegaan en het nieuwe was gekomen, want 'nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galiléa om het evangelie Gods te prediken, en Hij zeide: 'De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie', dat is de blijde boodschap van het Koninkrijk Gods (Mark.1:14,15).

In het leven van Jezus scheurden de hemelen bij zijn doop met de Heilige Geest. Er staat: ' Hij zag de hemelen scheuren en de Heilige Geest als een duif op Zich neerdalen' (Mark.1:10). Deze Geest daalde niet tijdelijk op Hem, maar 'bleef op Hem' (Joh.1:32,Luc.4:18). De eerste geestelijke mens ontving toen ook de inwoning van de Heilige Geest, terwijl Hij als mens tegelijkertijd in het rijk van de overste van de macht der lucht vertoefde. Natuurlijk veroorzaakte dit grote spanningen. We lezen daarom: 'Jezus nu, vol van de Heilige Geest keerde terug van de Jordaan en werd door de Geest geleid in de woestijn, waar Hij veertig dagen verzocht werd door de duivel'. De strijd in de hemelse gewesten ving toen aan. Hij was gekomen om vuur op aarde te werpen en het werd door Hem zelf ontstoken. (Luc.12:49). Zijn volgelingen kunnen dit uit ervaring beamen. De Geest daalde Op Hem als de kracht van omhoog. De bergen - beeld van machten der duisternis - wankelden en smolten als was voor het vuur. Sidderend riepen de onreine geesten: 'Zijt Gij gekomen om ons te verdelgen?' (Mark.1:24). Door deze krachtsopenbaring kon Hij de zuchtende schepping tegemoet komen en redden. Door zijn prédiking was het Koninkrijk der hemelen nábij gekomen, maar Hij sprak: 'Indien Ik door de Geest Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods óver u gekomen' (Matt.12:28). Op de Pinksterdag zou de Heilige Geest de harten vervullen en het Koninkrijk Gods zou in hen komen.

De juiste volgorde

Na zijn opstanding verscheen Jezus veertig dagen lang aan zijn discipelen om hen verder te onderwijzen in de leer aangaande het Koninkrijk Gods. Daarna waren ze in staat om de Heilige Geest op de juiste wijze te ontvangen, namelijk zo dat deze zijn werk in hen en door hen zou verrichten. De Heilige Geest is de grote helper van de christen. De mens heeft immers de opdracht om de vijand onder zijn voeten te brengen en daarin heeft hij de ondersteuning van de Geest nodig.

Op de Pinksterdag werden opnieuw de hemelen gescheurd. Uit het Koninkrijk van God daalde de Heilige Geest neer op honderd twintig personen, die zich op het terrein van de overste dezer wereld of van de lucht bevonden. Er werd toen een geluid gehoord als van een geweldige windvlaag. Nu hoort men de wind slechts, wanneer deze op tegenstand stuit. Ook voor de eerste christenen begon toen de strijd in de hemelse gewesten. Zo kwamen ze bijvoorbeeld al onmiddellijk in botsing met de religieuze geesten die de bedekking op het hart van de tempelgangers en van de leidslieden van het volk hadden gebracht. Het splijten van de geestelijke bergen zodat deze zouden wankelen, was begonnen. Bij de prediking van Petrus ving het scheuren of vernietigen van de geestelijke sluier aan. Zodra dit proces begonnen was, moest de doop in de Heilige Geest erop volgen. De luisteraars moesten behouden worden uit een verkeerd geslacht, dat volkomen blind was door de bedekking die op hun hart lag. Zij moesten zich bekeren en als blijk dat zij een nieuwe fase van hun leven waren ingegaan, zich laten dopen. Dan zouden ook zij de gave van de Heilige Geest ontvangen.

Het proces van de algehele vernietiging van de sluier moet nog voltooid worden. Wanneer dit geschied is, wordt vervuld: 'Dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld worden gepredikt tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn, dat wil zeggen dat gezien zal worden welke heerlijke resultaten van herstel en vernieuwing bereikt zullen zijn. Laten wij ons dan ook losmaken van een verkeerd geslacht dat het evangelie van het Koninkrijk der hemelen wederstaat en de doop in de Geest afwijst.

Geschiedenis van het christendom

Vele eeuwen zijn voorbijgegaan zonder dat de leer die Jezus zelf bracht, werd verkondigd. Ook de doop in de Heilige Geest werd niet of slechts sporadisch ervaren. Daarom kon men zich niet verheffen in de hemelse gewesten en de aandacht werd op de aarde gericht. Door middel van valse leringen weefden de vrome geesten spinnewebben. 'Deze webben deugden niet tot kleding (van de gerechtigheid), en met hun maaksel kon niemand zich dekken' (Jes.59:6). Door deze versluiering kon men het doel van God met de mens niet bereiken, namelijk de mens Gods die volkomen is en die tot alle goed werk volmaakt is toegerust (2 Tim.3:17). Het 'geloof ván God' in de mens die naar zijn beeld en gelijkenis werd geschapen, liet men los en de gedachten van de boze, dat de mens niet deugt en dat deze wezenlijk slecht is, nam men over. Men spreekt wel over 'de ere Gods' maar maakte haar los van de mens. Men maakte immers geen scheiding tussen de mens en de macht. Men streed tegen bloed en vlees, zelfs tegen zichzelf, in plaats van de ware vijand van de mens buiten te werpen. Daarom kende het christendom geen koningen in de geestelijke wereld en de oproep: wie overwint, stuitte af op de leer van de totale verdorvenheid en onmacht van de mens. Men wist nog minder van het Koninkrijk der hemelen dan het volk Israël, want dit bezat tenminste nog zijn profeten.

Maar hebben wij dan niet aan het begin van deze eeuw een machtige pinksteropwekking beleefd? Zijn er niet miljoenen met Gods Geest gedoopt? Inderdaad verheugen wij ons over de spade regen. Toch konden ook de pinkstergelovigen het voorgestelde doel van de volmaaktheid niet bereiken. De gemeenten namen wel toe in grootte maar in de loop der jaren bemerkte men toch, dat men een plafond boven zich had, dat men niet kon doorbreken. De doop in de Heilige Geest was op een volk gevallen dat niet toegerust was vanwege het gemis van de prediking van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Ook de pinkstergelovigen bleven daarom onder de sluiering, die de christenen bedekt. Eigenlijk was de Geest van God uitgestort in het grote Babylon van onbevrijde en niet verloste mensen. Men geloofde wel in de verlossing van zondeschuld door het bloed des kruises, maar men kwam niet tot de verlossing van zijn vijanden, de boze geesten in eigen leven. Welke voorganger liet zich bevrijden? Men leerde immers dat een kind van God niet gebonden kon zijn. Indien de leidende broeders eens alle tijd en energie, die zij nu aan de verkondiging van een aards gerichte, politieke Israël-leer spanderen, zouden wijden aan de bestudering van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, wat zou er dan veel gewonnen zijn. Wat een geestelijke opklaring zou er dan in hun gemeenten komen. Dan zouden zij de hemel open zien en de engelen Gods opstijgen en nederdalen op hun zonen en dochters.

Wij bemerken in de pinksterbeweging een geestelijke moeheid. Die wordt veroorzaakt door gebrek aan inzicht in de hemelse gewesten. Hierdoor wordt men gefrustreerd en tracht men direkt of indirekt een fusie aan te gaan met de evangelische richting, die vol aktiviteiten zit en die op oudtestamentische wijze de mens nog oproept tot bekering, berouw en dienst aan God. Wij zien hiervan het aantrekkelijke wel in, omdat velen nog gered en menswaardig worden. Maar wij staan aan de grenzen van een nieuwe eeuw. De god van die eeuw weet dat hij nog maar een korte tijd heeft en zal dan met geweld de mensheid verder demoniseren. Kan men zich zonder het evangelie van het Koninkrijk der hemelen hiertegen wapenen om stand te kunnen houden? Wie dit evangelie lief heeft, bevindt zich onder een open hemel. Hij raakt niet gefrustreerd, niet moede en mat, want hij ontdekt in de schatkamer van dit volle evangelie steeds grotere rijkdommen. Wij putten er bij het ouder worden steeds meer nieuwe kracht uit. Wij weten ons als op vleugelen van de grote arend gedragen, vanwege de kostelijke toekomstperspectieven die wij hebben. Wij kennen geen doemdenken bij een licht dat helderder zal gaan stralen dan ooit tevoren. Wij zien er ook naar uit dat de hemelen worden gescheurd en het Woord zal nederdalen vanuit het Koninkrijk Gods om het heilige volk te verzamelen in de lucht. Dan zullen de opgestane ontslapenen wederkeren met Jezus. Zij die op de aarde overblijven, zullen in een ogenblik worden veranderd om ook in de lucht, het domein van Satan, aanwezig te zijn. Dan zullen de vijandelijke legers van de antichrist en het beest worden vernietigd. Zo zal dan door de overwinning van de herschapen mens het vrederijk worden ingeluid en het Koninkrijk Gods de aarde bedekken gelijk de wateren de bodem der zee bedekken.

zie voor andere artikelen kvooverz