kvo 49e jaargang nummer 7 juli 1985

J.E.v.d.Brink

D E W E D E R K O M S T

Onze ontmoeting met Hem in de lucht

De parousie of de komst des Heren is voor ons, en in het byzonder voor de komende generatie, het belangrijkste onderwerp van de eindtijd. Dan verrijzen de ontslapenen, en de gelovigen die dan nog op de aarde zijn, ondergaan naar het lichaam zo'n verandering, dat het opgenomen of geabsorbeerd wordt in het geestelijk lichaam. Met dit verheerlijkte lichaam gaan deze laatsten Jezus tegemoet in de lucht. De gemeente zal dan voor altijd volmaakt met Hem zijn verenigd.

Om ons een voorstelling te maken van de komst of tegenwoordigheid des Heren zoals deze in 1 Tessalonicenzen 4:13-18 summier beschreven is, willen wij enkele verhelderende gedachten aangaande dit gebeuren doorgeven. In het byzonder willen wij er op wijzen, dat de wederkomst van Jezus Christus voor zijn gemeente samenvalt met de climax van de strijd in de hemelse gewesten, waarvan de apostel Paulus in Efeziërs 6:12 spreekt. Het centrum van de strijd is dan Armagéddon. Dit woord betekent: de plaats waar de troepen samenkomen, namelijk die van de antichrist en die van Christus. Dit bijeenbrengen van de legermachten van vriend en vijand wordt door de apostel Johannes als volgt voorspeld: hij zag drie onreine geesten uitgaan, 'geesten van duivelen, die tekenen doen, welke uitgaan naar de koningen der gehele wereld, om hen te verzamelen tot de oorlog op de grote dag des almachtigen Gods. Zie, Ik kom (voor hen) als een dief. Zalig (is evenwel) hij die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele en zijn schaamte niet gezien worde (vanwege het ontbreken van het kleed der gerechtigheid). En Hij (onze komende Heer) verzamelde hen (zijn rechtvaardige volk) op de plaats die in het Hebreeuws genoemd wordt Armagéddon' (Openb.16:14-16).

Wat betekent het woord lucht?

Allereerst stellen wij de vraag: wat houdt het in als wij volgens de perikoop in 1 Tessalonicenzen over de parousie, de Here tegemoet gaan in de 'lucht'? Wij zijn immers allen door de dampkring omringd en ontmoeten onze medemensen altijd in dit onzichtbare mengsel van gassen. Moeten wij dan eerst als een vogel opwieken, of ons boven de kerkspitsen verheffen? Denken wij aan laaghangende wolken of aan cirruswolken van kilometers hoogte? zulke natuurlijke uitleggingen kunnen ons niet bevredigen, want het gaat bij de wederkomst des Heren over volkomen geestelijke mensen, die in een verheerlijkt lichaam zijn en die het Hoofd der gemeente zullen ontmoeten. Het advies van de apostel geldt ook in deze zaak: 'Bedenkt de dingen die boven zijn'. Het woordje 'boven' ziet dan op het Koninkrijk Gods, waar Christus is (Kol.3:1,2). De woorden 'lucht' en 'boven' zijn beelden uit de natuurlijke wereld, waarmee de dingen van de geestelijke wereld worden vergeleken, evenals bijvoorbeeld met de woorden 'licht' en 'duisternis'

In Efeziërs 2:2 gebruikt Paulus de uitdrukking 'overste van de macht der lucht'. Het Griekse woord 'aër' - vergelijk het met het Engelse woord 'air' of lucht - wordt ook in verband met de wederkomst des Heren genoemd. Klaarblijkelijk denkt Paulus bij deze vorst aan de duivel, die door Jezus enkele malen met 'overste dezer wereld' wordt aangeduid (Joh.12:31; 14:30; 16:11). Als 'overste der boze geesten' oefent hij macht uit in dat deel van de onzienlijke wereld, dat in het byzonder in betrekking staat met de aarde en de mens (Matt.9:34). Overste der lucht is een goede vergelijking, want de lucht behoort wezenlijk bij de aarde en bij de mens. De 'overste der lucht' bepaalt dan veelal de bedorven 'atmosfeer' die er op aarde bij de mensen is, want zijn lucht-'macht' wordt gevormd door 'de geest - een verzamelnaam - die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid'.

In Efeziërs 6:12 staat er, dat de leden van de gemeente hun strijd niet moeten voeren tegen bloed en vlees, maar tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Paulus bedoelt in het byzonder hiermee dat deel of dat gewest van het Koninkrijk der hemelen, dat bij de aarde behoort, en dat vergeleken kan worden met de lucht. De Statenvertaling heeft 'tegen de geestelijke boosheden in de lucht', de Leidse vertaling heeft 'met de boosaardige geesten in het luchtruim' en de Canisius-vertaling heeft 'tegen de boze geesten in de lucht'. De volgelingen van Jezus hebben hun geestelijk burgerschap echter niet in de lucht, maar in de hogere gewesten, en wel in het Koninkrijk Gods. Dit zouden we dan kunnen vergelijken met het luchtledige van het universum. De aarde ligt immers wel onder de vloek, dat wil zeggen dat zij overgegeven is aan de boze geesten, maar het heelal niet. Bij de strijd tegen de boze geesten verheffen de burgers van het rijk Gods hun harten of innerlijke mens en nemen zij hun positie in. Dan vallen zij de vijand van boven aan, want deze moet onder hun voeten zijn, als beeld van onderworpenheid. Daarom spreken zij de vijand ook aan in de geestestalen van engelen, zoals de Geest van God die in hen is, geeft uit te spreken.

Ook lezen wij nog dat de achtergeblevenen samen met de verrezen ontslapenen op of liever in de wolken worden weggevoerd, de Here tegemoet in de lucht. Opnieuw is er sprake van een beeld. Wanneer het water op de aarde verdampt, stijgt het op onzichtbare wijze omhoog en vormt dan wolkenformaties. Het is een mooie vergelijking van de innerlijke mens van de gelovige die deel uitmaakt van een rijk in de hemelen. Wij denken hierbij aan een grote wolk van getuigen, die er bij de komst van Jezus zal zijn (Hebr.12:1). De ontslapenen die zijn opgestaan en zij die op de aarde achterbleven, worden dan verenigd tot één wolk. 'En ik zag en zie, een witte wolk, en op de wolk iemand gezeten als eens mensen zoon met een gouden kroon op zijn hoofd en een scherpe sikkel in zijn hand' (Openb.14:14). De oogst der aarde is dan geheel rijp, zowel het onkruid als het tarwe. De Zoon des mensen heeft zijn strijdbaar leger bijeengetrokken om de antichrist met zijn leger op het terrein van de duivel te verslaan.

Uit de hemel geworpen

Eenmaal sprak de Heer tot de twee en zeventig uitgezondenen, die bij hun terugkeer met blijdschap getuigden, dat zelfs de boze geesten zich aan hen hadden onderworpen: 'Ik zag de satan uit de hemel vallen. Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen' (Luk.10:18,19).

Wie over de boze geesten heersen en ze bij zichzelf of anderen uitdrijven wil, zal zich bewust moten zijn van zijn macht en niet van zijn onmacht. Hij zal tot het priesterlijke geslacht moeten behoren en van koninklijke huize moeten zijn. Hij zal in het geloof zingen: 'Ik ben een koning, ik overwin' (1 Petr.2:9). Hij kán ook de vijand overwinnen, omdat hij meerder en sterker is, 'want hoe kan iemand het huis van een sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden?' (Matt.12:29). De Geest van God zal hem daartoe bekrachtigen en helpen.

Waarom zijn in de voorbij gegane eeuwen zo weinig overwinningen geboekt en waarom zijn de uitdrukkingen 'overwinnaar' en 'meer dan overwinnaar' uit het spraakgebruik van de christenen verdwenen? In Openbaring 12:10 staat, dat de duivel de aanklager der broeders is voor God. Hoe verricht hij dag en nacht deze werkzaamheid? Verlaat hij dan de luchtlaag om voor de troon van God zijn negatieve rol te vervullen? Neen, het gaat veel eenvoudiger. De duivel is de grote misleider en als vader der leugen de inspirator der verkeerde gedachten. Wanneer een christen in een geestelijke worsteling verwikkeld is, nadert hij tot God in zijn gebed. Hij beweegt zich dan in het Koninkrijk Gods. En wat gebeurt er veelal? Hij gaat zichzelf aanklagen en beschuldigen, niet beseffend dat de boze door hem heen zijn negatieve gedachten aan het spuien is. Hij belijdt dat hij doemwaardig is. Hij maakt zichzelf zo klein mogelijk en vergelijkt zich met een worm of een druppel water. Hij zucht: ik ben een zondaar tot de dood toe en de zonde kleeft mij altijd aan. Ik ben niets, ik heb niets en ik kan niets. Van nature ben ik onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Ik ben zelf slecht, want de zonde is een wezenlijk bestanddeel van mijn innerlijke mens; daarom ben ik onmachtig tot het goede. Hij belijdt dat hij eigenlijk een medewerker is van de boze en geestelijk aan hem verwant, ja zelfs aan hem ondergeschikt is. Het zaad der vrouw belijdt niet de eeuwige vijandschap met de slang, maar zegt: wij zijn allemaal zondaars. Zo'n christen spreekt voor God voortdurend over de kleinheid van de mens, die toch in diens plan voor de troon is bestemd. Hoe kan God nu ooit met zulke christenen de oorlog winnen? Krachtens hun eigen belijdenis zijn ze onmachtig te strijden en zeker niet in staat om te overwinnen. Zij bewaren niet het kleed der gerechtigheid, maar wandelen naakt en hun schaamte tonen ze. Zij spreken niet uit het geloof maar uit de negatieve ervaring. Ze zijn geen overwinnaars, omdat ze niet geloven wat God zegt.

In de eindtijd zullen evenwel de zonen Gods verschijnen, die volkomen vernieuwd zijn in hun denken. Van hen wordt gezegd: 'Gij zijt sterk, en het woord van God blijft (wel) in u, en gij hebt de boze overwonnen' (1 Joh.2:14). Er staat ook: 'Zij hebben de aanklager overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis' (Openb.12:11). Deze pinkstergelovigen maken opnieuw de grote werken Gods, die in hen zijn geschied, bekend (Hand.2:11). Zij vermorzelen de kop van de slang, want zij snoeren diens bek dicht met het Woord Gods. Zij laten de geesten niet toe te spreken (Mark.1:34). Zij belijden: wij zijn rechtvaardig door zijn bloed. Door de kracht van de Heilige Geest die in hen is en die hun tot helper is, brengen zij de vijand onder hun voeten. Zij werpen evenals de apostelen dit deden, boze geesten uit in de naam van Jezus. Dit is dan de oorzaak dat de satan uit de hemel wordt geworpen en dat hij neergesmakt wordt op zijn eigen terrein, de lucht.

Een christen die in de zonde leeft of door dwalingen is misleid, verliest - wanneer hij zich niet bekeert - onherroepelijk het burgerschap in de hemel. Het Koninkrijk Gods wordt van hem weggenomen en hij valt uit de hemel. Hij kan immers niet meer belijden: ik ben een burger van een rijk in de hemelen, waaruit ik ook mijn Heer Jezus Christus als verlósser verwacht, die mijn vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmee Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen (Filip.3:20,21). Hij heeft geen opdracht voor Armagéddon, omdat hij in eigen Armagéddon de verliezer is. De Here zegt dan tot zo'n onverschillige of ongelovige dienstknecht: 'Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u' (Openb.2:5). In de eindtijd zullen echter de overwinnaars zeggen: de overste van de lucht komt tot ons met zijn influisteringen, maar vindt in ons enkel positieve gedachten van God. De boze komt en vindt in hen niets, dus geen enkele aansluiting.

Krijgsrumoer in de lucht

De gedachte dat de Heer zijn gemeente plotseling wegnemen zal en dat zij dan op lieflijke wijze ver van het strijdgewoel naar zaliger oorden verplaatst wordt, is opgekomen bij een christendom dat geen inzicht had in de strijd in de hemelse gewesten. Men spreekt dan wel over een ontsnappingstheorie, maar die is dan wel in flagrante tegenstelling met wat Paulus in de perikoop over de toekomst des Heren meedeelt. Hij wijst daar op drie begeleidende verschijnselen van de parousie: De Here zal nederdalen op een teken, bij het roepen van een aartsengel, bij het geklank ener bazuin Gods. Wij willen deze omstandigheden nader bezien:

In 'The epistles of St.Paul' door Conybaere staat: Want de Here zelf zal nederdalen van de hemel met de oorlogskreet'. De Lutherse vertaling luidt 'met een veldgeroep'. Letterlijk kunnen we lezen: in of tijdens een krijgsgeroep. Toen Mozes en Jozua van de Sinaï afkwamen, sprak Jozua tot Mozes: 'Er is een krijgsgeschreeuw in de legerplaats'. Hij vergiste zich echter in dit 'teken', want het was het signaal van een feestgedruis. Tijdens dit teken daalden zij beiden af (Ex.32:15-18). Onze Heer zal van de hemel nederdalen tijdens krijgsgeschreeuw, dat door zijn volk op aarde wordt aangeheven. Bijna achttien eeuwen zijn voorbijgegaan zonder dat de christenen oorlog voerden in de hemelse gewesten. Wat wist men van het uitdrijven van boze geesten, die toch alle ellende op aarde veroorzaken? Wat wist men van een wandel in de hemel, een zich verheffen van de innerlijke mens tot God, om vanuit deze hoge positie de boze geesten in de lucht aan te vallen? In de tijd van de late regen komen evenwel de 144.000 verzegelden te voorschijn, die met de apostolische opdracht uitgaan, namelijk om macht en gezag over de boze geesten te hebben en om ziekten te genezen. Zij worden uitgezonden om het Koninkrijk Gods te verkondigen en genezingen te doen (Luk.9:1,2). Deze grote schare van mannen en vrouwen, die het getal van de apostelen uitdrukken, redden miljoenen uit alle volken, stammen, talen en natiën. Hierdoor komen zij in de grote verdrukking ten tijde van de antichrist, maar zij gaan door met de heilige oorlog en hun krijgsgeroep wordt in de hemel vernomen.

Ten tweede daalt Jezus neer in of tijdens 'het geroep van de aartsengel' (Can.vert.). Niet alleen de aarde maar ook de hemel wordt bewogen. De heilige engelen beginnen niet met de oorlog, want ze zijn dienaren en wachten het teken af om de heiligen op aarde bij te staan. Eeuwen lang had de slang het zaad der vrouw de hiel vermorzeld, zodat het volk van God slechts moeizaam kon voorttrekken. Nu gaat het evenwel de strijd aanbinden, aangedaan met de hemelse wapenrusting en met kracht van omhoog. Wanneer de zonen Gods de vijand aanvallen zoals Jezus en de apostelen dit eenmaal deden, snelt Michaël, de grote vorst, die de zonen van het volk terzijde staat, te hulp. Dit is dan de tijd van benauwdheid, zoals er niet geweest is, sinds er volken bestaan (Dan.12:1,2). Deze oorlog is immers geheel geestelijk. In Openbaring 12:7-9 staat in de Canisiusvertaling: 'Toen barstte een strijd in de hemel los: Michaël met zijn engelen streed tegen de draak; ook vochten de draak en zijn engelen. Maar de laatsten legden het af, er was geen plaats meer voor hen in de hemel. De grote draak werd neergesmakt, de oude slang, die duivel en satan heet en de ganse aarde verleidt; neergesmakt op de aarde, neergesmakt zijn engelen met hem'. Elke aanklacht verstomt. Vervolgens staat er: 'De duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid'. Hij wordt met zijn engelen neergeworpen en trekt zich terug op zijn eigen terrein in de lucht.

Tenslotte speelt de komst des Heren zich af in of tijdens het blazen van de bazuin Gods. In 1 Korinthiërs 15:52 spreekt Paulus over 'de laatste bazuin', dat is dan de zevende, zoals geschreven staat in Openbaring 10:7: 'Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheimenis van God, gelijk Hij zijn knechten, de profeten, heeft verkondigd'. Het grote mysterie is, dat de christen niet altijd zondaar tot de dood blijft, dus verbonden is met de vijand, maar dat hij uit de hand der vijanden is verlost, en God kan dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al zijn dagen (Luk.1:74,75). In de tijd van de late regen overwint het Woord van God in de harten van zijn volk en komen zij als overwinnaars te voorschijn, want de kracht Gods werkt in hen. Dan is de mens Gods volkomen en tot alle goed werk volkomen toegerust (2 Tim. 3:17). Dan plaatst onze Heer de gemeente voor Zich, stralend , zonder vlek of rimpel (Ef.5:27). Op deze voltooiing van de zonen Gods ziende, stelde Paulus de komst des Heren in het kader van de algehele heiliging. In 1 Tessalonicenzen 4:3 schrijft hij: 'Want dit is de wil van God: uw heiliging' en hij eindigt zijn brief met de oproep: 'Onthoudt u van alle soorten van kwaad. En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in alle dele onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept is getrouw; Hij zal het ook doen'. De gemeente in de eindtijd weerspiegelt de heerlijkheid des Heren. In haar natuurlijke leven is zij vol reinheid en heiligheid. De Here wandelt immers te midden van de kandelaren om zijn volk voor de grote oorlog toe te bereiden. In de eindtijd wordt geconstateerd: de vrouw heeft zich gereed gemaakt voor de zware eindkrijg, die gevoerd moet worden tegen die andere vrouw, die de zonen des verderfs voortbrengt, de leden van de antichristelijke gemeente.

Voor de ontslapenen geldt óók de voorwaarde, dat zij in Christus moeten sterven, dat wil zeggen in de Gezalfde met de Heilige Geest. Men kan evenwel niet in Hem sterven, indien men niet in Hem geleefd heeft. Voor deze ontslapenen geldt: 'Zalig en heilig is hij - niet wordt hij - die deel heeft aan de eerste opstanding'. Zij alleen zullen priesters van God zijn en met Jezus als koningen de duizend jaren regeren (Openb.20:6).

In de worsteling om te overwinnen zullen wij ons niet laten ontmoedigen en ook niet menen dat wij een hersenschim najagen. Jezus Christus is immers getrouw en Hij zal het ook doen, want Hij zal door zijn Geest zijn wetten in ons verstand schrijven. De heiligmaking is een vernieuwings- en vormingsproces waaraan wij ons met vreugde wijden. Wij groeien immers naar Hem toe, indien wij ons aan de waarheid van zijn woord houden. Daarom bedenken wij gaarne de dingen die boven zijn, want door zo bezig te zijn, worden wij gestimuleerd om de hoge weg te bewandelen. Wij vermanen, bemoedigen en vertroosten elkaar dus met deze woorden, die zo nauw verweven zijn met onze eeuwige status in het rijk van God.

zie voor andere artikelen kvooverz