kvo 49e jaargang nummer 6 juni 1985

K.Goverts

woord voor woord

G E R E C H T I G H E I D

Het valt mij op dat wij vaak behept zijn met een verengd begrip van gerechtigheid; alleen de negatieve kant wordt benadrukt. De mens die een rechtvaardige geworden is, heeft geen schuld meer en hij bevindt zich nu in een toestand alsof hij nimmer zonde had gedaan. Op zich is dit volkomen waar, maar toch kan er een gevaar in zitten, namelijk dat we op ons zelf gericht blijven; als ik nu maar de volmaaktheid bereik. Zo kan de mens, alle goede bedoelingen ten spijt, verzanden in een egocentrische levenshouding. We krijgen dan een gedachtenpatroon in de trant van: gerechtigheid heb ik nodig om in de hemel te komen.

Als we echter in de schrift nagaan wat gerechtigheid nu werkelijk is, dan blijkt: het is niet alleen maar afwezigheid van iets (in dit geval schuld of zonde) ; het woord heeft een veel positievere inhoud. Zo zijn er trouwens meer van die termen: onberispelijk bijvoorbeeld betekent veel meer dan alleen maar dat er niets te berispen valt. Gerechtigheid heeft een oneindig diepere betekenis dan afwezigheid van ongerechtigheid. Zij is een heel intense aanwezigheid van iets. En deze willen we op het spoor komen.

Gods rechtvaardigheid

Laten we dan beginnen bij de bron: God zelf. Van Hem wordt gezegd dat Hij rechtvaardig is, en dat is wellicht de meest diepgaande eer die een mens Hem kan bewijzen. Want daarmee doen psalmisten en profeten niet een abstrakte uitspraak over een steriele eigenschap van God, in de zin van: Hij is zondeloos. Neen, daarmee vertolken ze iets wat hun hele bestaan raakt. Gerechtigheid is in de Schrift namelijk een relatiebegrip. Je kunt niet op je stoel gaan zitten rechtvaardig te zijn, neen, je bent rechtvaardig ten opzichte van de ander. God is rechtvaardig, dat is geen omschrijving van : Hij doet nooit een vlieg kwaad; zelfs niet van: Hij geeft ieder het zijne. Een dergelijke definitie is veel te kil en te koudbloedig.

|Gods gerechtigheid is geen statische hoedanigheid, maar een konkrete, uiterst existentiële zaak |

Een kerntekst over dit thema vinden we in Psalm 31, waar David bidt: 'Doe mij ontkomen door uw gerechtigheid' (vers 2). In deze Psalm getuigt hij van zijn neergebogenheid, van de benauwdheden van zijn ziel, kortom van zijn hulpeloosheid. En wat is zijn reaktie? Hij doet een beroep op Gods gerechtigheid. Dat is derhalve geen statische, theoretische hoedanigheid, want daar zou David op dat moment niets aan hebben. Neen, het is voor hem een heel konkrete, uiterst existentiële zaak, een zaak die zijn totale bestaan raakt. Het houdt in dat God hem niet prijsgeeft aan zijn vijanden, dat God voor hem een beschuttende rots wordt, een sterke vesting (een bastion) om hem te redden. Eigenlijk staat er om mij te bevrijden. Dat is gerechtigheid: de bevrijding van de hulpeloze, van de bedreigde, van de vereenzaamde.

Bevrijding

Want dat laatste aspekt roert David in dezelfde Psalm ook aan: 'Voor alle die mij benauwen, ben ik een smaad geworden, voor mijn buren allermeest, en voor mijn bekenden tot een schrik;... Vergeten ben ik, uit het hart, als een dode; ik ben geworden als gebroken (er staat: verloren geraakt) vaatwerk' (vers 12,13). Hier geeft David de kern aan van zijn probleem: Hij is geworden een mens zonder broeder, een mens alleen.

Welnu, juist hier komt de gerechtigheid van God te voorschijn. God wordt de naaste van hem die geen naaste heeft. God neemt het op voor de uitgestotene, voor de verworpene. Om het te formuleren met de woorden van David: 'Gij hebt achtgeslagen op mijn ellende' (vers 8). Of concreter vertaald: Gij hebt mijn neergebogenheid gezien, 'Gij hebt geweten van (eigenlijk dieper: Gij hebt gekend) de benauwdheden van mijn ziel' (vers 8). Zo heeft David het ervaren: toen ik geen broeder meer had, is God mijn broeder geworden. Gerechtigheid is, zo ontdekken we uit dit lied, heel tastbaar en levensecht: God kent, God ziet en God bevrijdt.

Hiermee komen we bij een tweede tekstverband: Jesaja 45. De profeet vertelt daar dat de heidenen bidden tot een god die niet verlossen (eigenlijk:bevrijden) kan (vers 20). Daartegenover komt dan de uitspraak: 'Een rechtvaardige verlossende God is er buiten mij niet' (vers 21). Nauwkeurig vertaald: Een godheid, rechtvaardig en bevrijdend, geen is er behalve Ik. Wat is het unieke van deze God, waarin onderscheidt Hij zich van alle goden? Eén kenmerk springt eruit, dat is het waarmerk: deze God is rechtvaardig. En dan komt er nog niet een tweede kenmerk bij: Hij is daarnaast ook nog bevrijdend; neen, het is in wezen één karaktertrek. Hij is rechtvaardig en daaruit volgt dat Hij bevrijder is. Het zijn twee begrippen die elkaar volledig dekken. Juist omdat Hij een God van gerechtigheid is, neemt Hij de bevrijding met kracht en met vasthoudendheid ter hand.

Gerechtigheid en bevrijding horen onlosmakelijk bij elkaar

Daarom kan Hij dan ook meteen de oproep laten klinken: 'Wendt u tot Mij en laat u verlossen (weer:bevrijden), alle einden der aarde' (vers 22). Zo is heel dit gedeelte uit Jesaja gebouwd op die twee basisgedachten: gerechtigheid en bevrijding. Want die horen onlosmakelijk bij elkaar.

Gods handelen

Hoe konkreet dit punt verstaan dient te worden, komt heel treffend tot uiting in vers 24 van dezelfde perikoop: 'Alleen bij (beter:in) de Here, zal men van Mij zeggen, is gerechtigheid en sterkte'. Hier staat in de grondtekst een meervoud: gerechtigheden. Dat zijn Gods rechtvaardige en dus bevrijdende daden. Die meervoudsvorm vinden we bijvoorbeeld ook in het lied van Deborah. Daar bezingt zij de gerechtigheden of rechtvaardige daden des Heren, en dan gaat het heel concreet over de bevrijding uit de hand van Sisera. God neemt het op voor de verdrukten (Richt.5:11).

Zo komen we tot de volgende definitie: gerechtigheid is de waarachtigheid in houding en handelen, zowel naar binnen als naar buiten, waardoor God zelf tot zijn recht komt en waardoor Hij de mens tot zijn recht doet komen.

Gerechtigheid: waarachtigheid in houding en handelen

Navolgers Gods

God neemt het op voor de mens die het zelf niet redt. Nu is de mens geroepen om op zijn beurt gerechtigheid te doen. Zo is hij de navolger van God, wat het kernthema is van heel de Schrift. We noemen allereerst een voorbeeld uit het boek Genesis. In hoofdstuk 37 en 38 horen we twee verhalen over broeders: het eerste handelt over Jozef en zijn broeders, de broeder die denken te kunnen leven zonder hun broeder. Het tweede verhaal gaat uit van Juda en diens broeders. Het woord 'broeder' vernemen we in deze hoofdstukken respektievelijk twintig en acht keer. 'In die tijd trok Juda van zijn broeders weg' (letterlijk: hij daalde af), zo luidt de aanhef van Genesis 38. De eerst geborene van Juda sterft kinderloos. Dan zegt Juda tot zijn tweede zoon: 'Ga tot uws broeders vrouw, en verwek voor uw broeder nakroost' (eigenlijk: en doe uw zaad opstaan voor uw broeder, vers 8). Nu weten we dat zaad een van de hoofdmotieven is van het eerste bijbelboek. Het zaad moet voortgeplant worden, want daarin wordt de Naam des Heren) voortgeplant. Onan echter wil zijn broeder geen zaad geven; hij is dus geen rechtvaardige. Vervolgens weigert Juda zijn derde zoon aan Tamar te geven, opdat hij ook niet sterve evenals zijn broeders.

| De rechtvaardige: de mens die zich totaal inzet, opdat zijn broeder tot zijn recht komt |

Nu gaat het ons om het eind van de geschiedenis. Tamar blijkt dan zwanger te zijn van Juda. Hij moet erkennen: 'Zij staat tegenover mij in haar recht, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sela gegeven heb' (vers 26). Er staat eigenlijk: zij is rechtvaardig, meer dan ik. Dat gaat dieper dan dat ze in haar recht staat; het houdt in dat zij een rechtvaardige was. Dat wil zeggen: zij kwam op voor de broeder, in dit geval voor de gestorven broeder. Zij stelde zichzelf in de waagschaal om zaad te doen opstaan voor de broeder. Als Juda het verzuimt, zal Tamar het op zich nemen. Dit is de ware gerechtigheid: inspringen en aanvullen waar een ander tekort schiet, plaatsbekledend optreden ten behoeve van de broeder. Zo vormt Tamar het tegenbeeld van de broeders van Jozef. Zij lieten hun broeder vallen, ze maakten hun broeder tot handelswaar, terwijl Tamar alles op alles zet om de broeder tot zijn recht te laten komen. Dat is in de Schrift de rechtvaardige: de mens die zich totaal inzet, opdat zijn broeder tot zijn recht komt. Zo laten de twee broederverhalen ons zien wie de rechtvaardige is en wie niet.

Alle gerechtigheid vervullen

Dezelfde grondgedachte vinden we terug in Mattheüs. Het eerste woord dat Jezus in dit evangelie spreekt, is een woord over gerechtigheid. Jezus wil Zich laten dopen. Johannes verzet zich daartegen. Het was immers een doop tot bekering en vergeving van zonden en dat had Jezus niet nodig.

| Jezus vervulde alle gerechtigheid om Zich volledig een te maken met zijn broeders |

De vraag dringt zich op: wat betekende de doop voor Jezus? Dit zei Hij er zelf van: 'Aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen' (Matth.3:15). Met andere woorden: Jezus deed dit om Zich volledig een te maken met zijn broeders. Immers, gerechtigheid is het opnemen voor de broeder. Als Jezus Zich laat dopen, wil Hij dit uitbeelden: Ik ben gekomen om naast mijn broeders te staan, om naast het te gaan tot in de dood en tot in het graf. Hier ben Ik om broeder met hen te zijn heel de weg, tot de laatste grens; alle gerechtigheid zal Ik vervullen, alle, niets minder dan dat. Ik zal de ware broeder zijn, voor hen die geen broeder meer hadden, voor hen die het woord van Jeremia aan de lijve hebben ondervonden: 'Wacht u, ieder voor zijn naaste, en vertrouwt niet op enige broeder' (Jer.9:4). Hier ben Ik om de gerechtigheid ten volle, tot het einde toe, te realiseren. Op dit fundament begint Jezus zijn optreden. Met dit woord en met deze daad legt Hij de grondslag van heel zijn mens-zijn en van heel zijn roeping open.

De wet vervullen

Hiermee hangt samen een ander woord van Jezus, in de bergrede, waar Hij verklaart dat Hij gekomen is om de Wet (Torah) en de profeten te vervullen. In wezen is dat identiek. Het vervullen van de Schrift is het vervullen van alle gerechtigheid; die twee zijn één (Matth.5:17). Want de Torah (de vijf boeken van Mozes) en de profeten vormen één magistraal getuigenis van: de tsedaqah, de gerechtigheid Gods. Hierop sluit aan de uitspraak van Jezus in vers 20: 'Want Ik zeg u, indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan'. Nu gaan we dit woord ook op een nieuwe wijze verstaan. Wat is overvloedige gerechtigheid? Dat is een grenzeloos opkomen voor de broeders. En dat is inderdaad meer dan wat de farizeeën opbrengen, want zij trekken een grens. Zij behartigen alleen de belangen van hun eigen groep en voor de anderen geldt: vervloekt is dat volk dat de wet niet kent. Maar jezus gaat weer terug naar de oorspronkelijke zin van de Torah en Hij zegt: jij zult het anders doen, jij laat je niet inperken, jouw gerechtigheid zal overvloedig zijn, onbegrensd.

| Overvloedige gerechtigheid: grenzeloos opkomen voor de broeder |

Geen aalmoes

In dit verband is het ook zo tekenend, wat we horen aan het begin van Mattheüs 6. 'Ziet toe, dat gij uw gerechtigheid niet doet voor de mensen' (dat wil zeggen voor het oog van, voor het front van). De Statenvertaling heeft hier: uw aalmoes. Het Hebreeuws heeft namelijk geen woord voor aalmoes. In de loop van de tijd heeft dat de kleur gekregen van liefdadigheid, neerbuigend iets geven aan die arme stakker die daar zit te bedelen. Het Hebreeuws gebruikt in plaats van aalmoes: gerechtigheid. Een mens geeft geen aalmoes aan een stakker, neen, een mens doet gerechtigheid aan zijn broeder. Zo wordt op unieke wijze tot uitdrukking gebracht: de ander is niet minder dan ik, integendeel, hij is mijn gelijkwaardige partner.

Deel hebben aan Gods gerechtigheid

Wanneer we de lijn door de Schriften heen nog even doortrekken, komen we bij Paulus en dan denk ik aan die diepgaande uitspraak in de tweede Korinthe-brief: 'Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem' (5:21). Tot zonde gemaakt: uitgestoten door allen, niet meer herkend, buitengesloten als een eenzame, een vreemdeling voor wie niemand broeder wil zijn, opdat Hij zou worden gerechtigheid Gods, opdat Hij zou worden een broeder voor allen. Een broeder voor de mens die zijn broeders verspeeld heeft. Zo is Jezus op unieke wijze de tsaddiq geworden, de rechtvaardige. De mens die instaat voor de verloren broeder. De rechtvaardige is de mens die zijn plaats inneemt in de geschiedenis en die op zijn specifieke manier op de geschiedenis inwerkt. Jezus werd gerechtigheid voor ons. Maar dat niet alleen, het gaat verder, of beter gezegd: daar ligt nog meer in besloten, namelijk dat wij gerechtigheid worden in Hem. Met andere woorden: De uitwerking van Gods ontferming is dat wij rechtvaardigen worden. Mensen die broeder zijn voor de ander. Dat is niet iets extra's, in de trant van: we zijn rechtvaardigen maar nu moeten die rechtvaardigen zich ook nog eens een keer als broeders gaan gedragen. Dat is een noodlottige gedachtengang, want dan splitsen we het evangelie op en dan splitsen we de mens op.

| Gerechtigheid: geen aalmoes aan een stakker, maar bijstand aan een gelijkwaardige partner |

Dan beroven we de naam 'rechtvaardige' van zijn kracht en inhoud. Het doel is: opdat wij gerechtigheid zouden worden. Let er op dat er niet staat: gerechtigheid hebben. Het is niet een bezit, dat we kunnen koesteren. De Schrift denkt helemaal niet in termen van bezit. Het gaat er niet om dat we iets hebben, maar dat we iets worden. Gods naam is niet: Ik heb wat Ik heb, maar Ik zal zijn die Ik zijn zal. God kweekt geen bezitters, geen consumenten, God vormt broeders. We worden niet gerechtigheid zonder meer, maar gerechtigheid Góds. Dat wil zeggen dat wij een weg worden waarlangs God recht kan doen aan hen die Hem niet zien. Als jij Gods gerechtigheid bent, dan ben je een boom waarvan het loof niet verwelkt, dus een boom die altijd schaduw biedt. Zo immers zal de rechtvaardige zijn volgens Psalm 1. 'Mijn gerechtigheid is nabij', zegt God (het NBG vertaalt: mijn zege is nabij, Jes.51:5). Dat houdt in: mijn armen zullen de volken richten, of rechtzetten. Ze zullen zien dat er een God is die om hen geeft.

Zo is Gods weg. Een mens wordt gerechtigheid, waarachtigheid Gods. Dan ervaart een ander: ik heb een broeder ontmoet. Een mens stond voor mij op en greep mijn hand.

zie voor andere woord voor woord studie: Goedertierenheid.

zie voor andere artikelen kvooverz