kvo 49e jaargang nummer 6 juni 1985

J.E.v.d.Brink

H E T _ M O N T A N I S M E

een pinksterbeweging uit de tweede eeuw

De kerk in het Joodse land

Wanneer wij de bakermat van de christelijke kerk zoals deze zich nu vertoont, zouden moeten aanwijzen, is deze niet Jeruzalem, maar Antiochië in Syrië en bovenal Klein-Azië. De kerkgeschiedenis leert ons dat de joods-christelijke kerk het in Palestina niet heeft kunnen bolwerken. Terwijl de Joden na de verwoesting van Jeruzalem overal hun synagogen bleven bouwen, verdwenen de christen-joden geheel uit het gezicht. Zij hebben de breuk met het judaïsme niet aangedurfd. Daardoor verloren zij het zicht op het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, dat van betere dingen spreekt, namelijk van een geestelijk Israël met een nieuw Jeruzalem en een tempel als woonstede van God in de geestelijke wereld.

Het judaïserende christendom is verdwenen en nu domineren in Jeruzalem, Samaria en Galiléa de synagogen en moskeeën. De Islam en de joodse religie worden beiden gekenmerkt door ritualisme en legalisme. Beide (plichten)religies worden van alle kanten omheind met regels en voorschriften, die beveiliging moeten garanderen 'binnen de vierhoeken der wet', want de godsdienstige mens heeft deze bescherming overal en altijd nodig! Omdat de joods-christelijke kerk van haar hemelse hoogte viel en in het judaïsme verstrikt raakte, werd haar hemelse kandelaar van zijn plaats weggenomen.

De kerk in Klein-Azië

Meer nog dan enige andere apostel heeft Paulus gezien dat de tijd der schaduwen voorbij is en dat de tempeldienst met al haar ceremoniën in Christus tot vervulling was gekomen. Daarom heeft hij steeds in al zijn brieven gewaarschuwd tegen de zuurdesem van het judaïsme, waarmee de gemeenten uit de heidenen werden geïnfecteerd. Aan de Keltische Galaten schreef hij over het éne evangelie en over de verdraaiing ervan door de judaïstische propagandisten, die beweerden dat de christenen uit de heidenen de wettische voorschriften in acht moesten nemen om deel te krijgen aan de Messiaanse toekomst. Onder de 'betovering' van hun zelotische zendingsijver namen deze Galaten 'dagen, maanden, vaste tijden en jaren waar', en stonden zij zelfs onder pressie zich te laten besnijden (Gal.1:6-9 ;4:10;6:12).

Ook de apostel Johannes moest namens zijn Heer de gemeenten in Klein-Azië ernstig waarschuwen. De grote gemeente te Efeze had bijvoorbeeld haar eerste liefde tot het evangelie van het Koninkrijk der hemelen verzaakt en was aards gericht geworden. De gemeenten van Smyrna en Filadélfia stonden onder druk van hen, die zeiden Joden te zijn, doch het niet waren. Ook bemerkten zij overal de invloed van het heidendom. Men had in Efeze wel vele toverboeken verbrand, maar we lezen toch nog van magie en astrologie en van het eten van offervlees, waaraan men een okkulte waarde hechtte. Men zocht naar een vermenging van heidendom, jodendom en christendom om tot een oecumenisch denken te geraken. Uit dit verlangen ontsproot het gnosticisme (gnosis is kennis van leven en verlossing), dat onder andere leerde: God die geest is, heeft geen bemoeienis met de materie. De stof is de bron van alle kwaad, omdat zij onder de heerschappij van de boze staat. Daarom is wel de innerlijke, onzienlijke mens goddelijk, maar deze is verbonden met het stoffelijke, zondige vlees. Het goddelijke zou dan streven naar bevrijding, die verleend wordt door Christus, die zelf een schijnlichaam zou gehad hebben. Wanneer dan alle lichtdelen uit de mens verwijderd zijn, verzinkt de stof in het niet en blijft de geestesmens over. Uit deze leer volgt wel dat de mens op aarde nooit de volmaaktheid kan bereiken. Zijn sterven ziet men dan als een bevrijding van het zondige lichaam en een 'doorgang naar het eeuwige leven'. Wij weten echter dat God ook het vlees heeft geschapen en dat Hij zag dat het goed was. Slechts wanneer het vlees tegen de geest begeert, zondigt het. Het gnosticisme leert echter, dat de wereld gemaakt is uit de boze materie en dat zij daarom het toneel is van rampspoed. Zij kan dan niet door de Vader van Jezus Christus geschapen zijn, want deze is enkel goed. Ze zou haar bestaan danken aan Jehova als een lagere demiurg of wereldschepper, die daarom vijandig wordt beoordeeld.

De christelijke kerk heeft het gnosticisme terecht als een dwaling afgewezen, maar toch heeft zij niet volkomen gebroken met de gedachte dat het vlees zondig zou zijn. Niet het vlees is zondig maar de begeerte die door boze geesten bevrucht wordt, moet gekruisigd worden (Jak.1:15). Men verbrijzelde niet de verleidende geesten als aardewerk, maar trachtte het vlees zelf te kruisigen door onthouding en kastijding. Dit gebeurde dan ostentatief en specifiek binnen de kloostermuren, waar dan wel het 'vrome' vlees werd verzadigd (Col.2).

Het Montanisme

Klein-Azië telde zeer vele kleine gemeenten van christenen uit de heidenen. Enkele bekende plaatsen zijn in dit verband: Pérgamum, Tyatíra, Sardes, Smyrna, Filadélfia, Laodicéa, Colosse, Antiochië, Iconium, Lystra en Derbe. Eusebius vermeldt dat behalve Johannes en Paulus, Petrus arbeidde in Pontus, Galatië, Bithynië, Cappadocië en Asia. Dit schiereiland leverde ook bekende kerkvaders, die de zogenaamde Kleinaziatische school vormden, waarvan de invloed reikte tot in Rome en Gallië. Men oriënteerde zich veelal op de geschriften van de apostel Johannes en paste die dan toe op het praktische leven. Het verval was echter niet meer te stuiten. Nog geen honderd jaar na de prediking van Paulus waren het legalisme en het ritualisme al overal in de kerk doorgedrongen. Hierdoor week het geestelijk leven, en de Heilige Geest, die de levensadem der kerk is, werd geblust. De belangrijke gave der profetie, die de christenen in de geestelijke wereld doet zien en horen, verdween.

Nog eenmaal ontstond in de tweede eeuw in Klein-Azië een opwekkingsbeweging. Montanus, een visionaire profeet uit Frygië, bracht volgens Eusebius de kerk in Ancyra in beroering. In zijn geestesbeweging stelde hij het charisma boven de hiërarchie - de trapsgewijze regering der bisschoppen, priesters en lagere bedienaren - van de kerk. Hij leerde dat de uitstorting van de Heilige Geest, die in het verleden had plaatsgevonden, ook in het heden op de gelovige moest neerdalen. De doop in de Heilige geest was geen incidentele zaak geweest, want een kerkelijk instituut bezit geen Heilige Geest maar wel haar leden, indien zij Hem op bijbelse wijze hebben ontvangen. Zijn opvatting was een levende weergave van het evangelie. Zijn leer was zo zuiver, dat Tertullianus zich bij hem aansloot. Deze kerkvader uit Noord-Afrika wordt vóór Augustinus wel de grootste theoloog genoemd. Het Montanisme werd de eerste grote pinksterbeweging in de kerk. Het deed de fundamenten der dode kerk schudden van Ancyra in Galatië tot in Rome en Noord-Afrika. De strenge levenswijze der Montanisten stelde toen de kerk voor een principiële beslissing. Wilde zij terugkeren naar haar vroegere existentie van heiligheid, of zou ze doorgaan op de weg van geestelijke doodsheid en wereldgelijkvormigheid?

Irenaeus, bisschop van Lyon, een leerling van Polycarpus, afkomstig uit Klein-Azië, was een felle bestrijder van het gnosticisme. Hij schreef in dit verband omstreeks 185: 'Men spot met de gaven van de Heilige Geest, die in de laatste dagen overeenkomstig de wil van God op het menselijke ras worden uitgestort. Men weigert de uitspraak van het Johannes-evangelie te aanvaarden, dat de Heer beloofde (ook) ons de Trooster te zenden. Men vindt het heel erg dat er leugenprofeten bestaan en daarom accepteert men de gave der profetie niet. Men lijkt dan op hen die graag bevrijd worden van valse broeders en daarom de hele broederschap der gelovigen loochenen'. In zijn boek 'Wanneer werd het evangelie geschreven?' schrijft Tisschendorf, de ontdekker van de Codex-Sinaïticus: 'Het Montanisme was een tegenaanval op het gnosticisme met zijn onwezenlijke, filosofische voortbrengselen, die het eenvoudige geloof in de kerk ondermijnden. Het Montanisme zocht de zaligheid alleen in een rechtstreekse, diepe en spontane acceptatie van de waarheid van Gods Woord'.

Het tijdschrift 'Credo' schreef in het januari-februarinummer van 1985 vanuit zijn gereformeerde visie: 'Het Montanisme was een opwekkingsbeweging, die ongeveer tussen 160 en 170 ontstond in Frygië en die haar naam te danken had aan Montanus. De kerk kon aanvankelijk weinig dwalingen in de beweging opmerken en stond er ietwat onwennig tegenover. Het evangelie werd niet gereduceerd, zoals wél het geval was bij andere sektarische stromingen uit de begintijd, maar het werd helemaal scheef getrokken. Men kan in het Montanisme duidelijk profetische, chiliastische, eschatologische en ascetische trekken aanwijzen. Het profetisme bleek uit de kracht waarmee Montanus zijn openbaring verkondigde. Hij beriep zich daarbij op een rechtstreekse openbaring door middel van de Parakleet, de Trooster, over wie het evangelie van Johannes spreekt. Montanus werd daarbij krachtig gesteund door twee profetessen, Maximilla en Prisca, die zijn opvattingen met gloed verdedigden en hem in feite met hun uitspraken nog overtroffen. Zij namen daarbij soms grote risico's, doordat zij allerlei gewaagde voorspellingen deden, die niet altijd uitkwamen. Maar hun enthousiasme vergoedde veel. En hun boodschap van een spoedig einde drong in verre streken door, zodat hier en daar een bisschop aan het hoofd van zijn kudde de lange reis ondernam naar Frygië, waar het nieuwe Jeruzalem zou neerdalen. Toen er echter weinig wérkelijk veranderde, sloeg het vuur naar binnen en nam de beweging streng ascetische trekken aan: vasten werd een middel om de toekomst te verhaasten. Onthouding in en van het huwelijk werd voorschrift en men meende dat de spanningen die daardoor werden opgeroepen, de mensen vaardiger zouden maken in de kunst van het profeteren. Waarschijnlijk zou de beweging geheel in het vergeetboek zijn geraakt, wanneer niet de bekende Tertullianus de fakkel had overgenomen. Hij kende verschillende profetieën van Montanus en zijn helpsters, maar beriep zich veel meer op zijn eigen onmiddellijke kontakt met de Parakleet'.

Het Montanisme afgewezen

De kerk gaf antwoord door Montanus als valse profeet te brandmerken. Omstreeks 177 stootte zij deze pinksterman uit haar midden. Onder keizer Constantijn de Grote werd aan Montanisten het houden van godsdienstoefeningen verboden. De Montanisten werden zwaar vervolgd en na de zesde eeuw waren zij zelfs uit Klein-Azië volledig verdwenen. In die tijden leverde het Montanisme ook de meeste martelaars op. We noemen een bekend voorbeeld. In het jaar 202 werd er in Carthago naar aanleiding van een bevel van keizer Septimius Severis een kleine groep christenen in de gevangenis geworpen, zowel slaven als vrijen. Zij behoorden tot de Montanisten. De merkwaardigste van deze gevangenen was een vrouw van 22 jaar, Perpetua geheten. Zij was van aanzienlijke geboorte, was gehuwd en had een kind. Haar vader kwam met haar kindje op de arm om haar tot andere gedachten te bewegen. Tijdens haar gevangenschap kreeg zij verschillende vertroostende visioenen, die haar boven de rauwe realiteit van het lijden uittilden. Tenslotte werd zij met nog vele anderen in de arena voor de wilde dieren geworpen. Onder deze geweldige spanningen breidde het christendom zich snel uit.

De leer van het Montanisme was onmisbaar voor het geestelijk leven, omdat de aanwezigheid van de Heilige Geest met zijn gaven en werkingen als realiteit openbaar werd, maar het had ook de typische fouten en gebreken van de latere pinksterbeweging. Na de verwijdering van deze Heilige Geest-beweging werden al spoedig de fundamenten gelegd van de wereldkerk, het grote Babylon, dat met alle kerken der aarde hoereert en waarvan kan worden gezegd, dat in haar wordt gevonden het bloed van profeten en heiligen.

Toen de christelijke kerk staatskerk werd en het pausdom zich snel ontwikkelde, verdwenen ook de geestelijke begaafdheden. Montanus had de wederkomst van Christus en het daarop volgende duizendjarige rijk als zeer nabij zijnde voorspeld. Had echter ook Paulus niet gesproken 'met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren'? (1 Thess. 4:15). De kerk leerde onder de geestelijke leiding van Augustinus dat na Constantijn de Grote men al in het duizendjarige rijk - dat de bijbel na de komst des Heren situeert - zou leven. Montanus wilde van geen afgesloten woord van God weten, omdat de Heer altijd wil spreken, maar de kerk die hem verweet, dat hij in de geestelijke belevingen en ervaringen de verticale lijn centraal stelde, heeft zelf eeuwen lang de bijbel tot een verboden boek verklaard. De volgelingen van Montanus vastten om de komst des Heren te verhaasten, maar in de kerk werd het vasten tot een dode ceremonie, waarbij de massa het nuttigen van vlees verwisselde met dat van vis. Montanus achtte de ongehuwde staat aanbevelenswaardig, maar reeds het bekende concilie van Nicea in het jaar 325 bekrachtigde het celibaat, dat priesters, monniken en nonnen het huwen verbiedt. 'Heel het christendom werd een strijd om de geboden te volbrengen. Vóór de dood is niemand hiermee klaar en niemand is zeker dat hij in het gericht zal bestaan' (Dr. H.Berkhof-De Jong:'Geschiedenis der kerk').

Het Montanisme is na de zesde eeuw verdwenen, maar wat is er van de kerken in Klein-Azië, die hun aandeel hierin hadden, overgebleven? Het evangelie van het Koninkrijk der hemelen had geen voedingsbodem om te wortelen in een kerk, die geheel op de aarde was gericht. Het Koninkrijk Gods werd in Klein-Azië weggenomen evenals dit gebeurde in de joods-christelijke gemeenten in Palestina en met het jodendom (Matth.21:43). De beschermende engelen der gemeenten in Klein-Azië verdwenen met de kandelaren. Het christendom werd weggevaagd door de Islamitische cycloon, die in Arabië begon op te steken. Ancyra, waar het Montanisme zo'n grote invloed had, is nu Ankara de hoofdstad van het Islamitische Turkije. Daar staan de moskeeën en wordt de moslimseplichtenleer uiteengezet, die op alle levensterreinen haar recht laat gelden. Denk aan de rituele gebeden op de vijf officiële gebedstijden, aan de Hadj, de pelgrimstocht naar Mekka, aan de Ramedan, wanneer de moslim een maandlang vanaf zonsopgang tot zonsondergang zich onthoudt van spijs en drank, terwijl gedurende de nacht nog godsdienst oefeningen worden gehouden. Ook staat dan het huwelijksleven op een laag pitje. Het wetticisme van de Islam heeft dat van de kerk volkomen verdrongen en zo gebeurde dit ook in Noord-Afrika, waar destijds ook zo vele christelijke kerken waren.

Herleefd Montanisme

In de loop der tijden zien wij telkens sporen van Montanisme in de gemeenschappen, die zich buiten de officiële kerk bewogen. Het herleefde echter op onvergelijkelijke wijze in het begin van onze eeuw. Het ontstond als basis-beweging onder het gewone volk dat het Woord van God lief had en dat terug wilde keren naar de toestand van de allereerste christelijke kerk. De pinksterbeweging werd het grootste reveil aller tijden en verspreide zich na 1906 wereldwijd. In zijn boekje 'Stromingen en Sekten' schreef de hervormde predikant H.Bakker uit Amsterdam in 1924 zeer afwijzend: 'Wie menen mocht, dat de pinksterbeweging, ook wel tongenbeweging genoemd, gloednieuw is, vergist zich. Reeds anderhalve eeuw na Christus dook bijvoorbeeld het Montanisme op'. Dr.G.A.Wumkes, hervormd predikant te Sneek, schreef echter in 1916 in zijn brochure 'Pinksterbeweging voornamelijk in Nederland' de positieve opmerkingen: 'De Pinksterervaring is het enige middel om te komen tot de voltooiing van het Godsrijk. Men moet terug naar de opperzaal. En dit is niet een schrede achterwaarts. De huidige Pinksterdoop leidt tot de eindvervulling van de Joëlsprofetie, die in Jeruzalem slechts ten dele werd vervuld. De laatste dingen zijn echter groter dan de eerste. Het is de tijd van de 'Spade Regen', die voorafgaat aan de wederkomst van Christus'.

Een halve eeuw na de uitstorting van Gods Geest in een kleurlingensamenkomst in de Asuzastreet in Los Angeles, noemde het weekblad 'Time' in het zomernummer van 1958 de pinksterbeweging al 'The third Force in Christendom' ( de derde macht in het christendom naast het rooms-katholicisme en protestantisme). Nu telt deze beweging ongeveer 60 miljoen aanhangers.

De pinksterbeweging die ons zeer lief is, zal haar les uit de kerkgeschiedenis moeten leren. Zij behoort waakzaam te zijn om niet in de dwaling van het Montanisme te vallen, dat het doel trachtte te bereiken door inspanningen en hierdoor het zicht op het Koninkrijk Gods verloor. Zij mag zich niet laten intimideren en van haar hoogte laten voeren door gemeenschap te zoeken met aards gerichte leringen, die het oog niet richten op het hemelse Jeruzalem. Zij moet elke leer afwijzen die haar vervreemdt van een burgerschap in de hemelen en zich bewust blijven dat haar wandel, strijd en erfdeel alleen in de hemelse gewesten zijn. Zij zal met ieder dogma moeten breken, dat het doel van de schepper - de mens tot alle goed werk volmaakt toegerust - te enen male onbereikbaar maakt. Zij zal zich los moeten maken van de eschatologische verwachting, dat de Heer zijn gemeente zal wegnemen, voordat deze haar taak heeft volbracht om een zuchtende schepping te redden. Zij zal mogen uitzien naar een uitbundige werking van de Heilige Geest in de komende tijd, waarvan gezegd kan worden dat de heerlijkheid van het laatste pinksteren groter is dan die van het eerste, en dat de vrucht van de spade regen overvloediger is dan die van de begintijd. Want het koren zal in deze laatste dagen tot volle rijpheid komen. Daar ziet de hemelse Landman naar uit!

'Dit zijn de dagen van het rijpe, gouden graan. Gods Geest daalt neer, de oogsttijd breekt nu aan. Wonderen en teek'nen in het late uur. Verlossing en vervulling, want dit is Pinkstervuur'.

zie voor andere artikelen kvooverz