kvo 49e jaargang nummer 5 mei 1985

J.E.v.d.Brink

van de redactie

P I N K S T E R E N

In de vroege morgen van de Pinksterdag werden de honderdtwintig discipelen uit de bovenzaal, allen innerlijk opgetild naar de hemelse gewesten. Daar vertoefden zij in het Koninkrijk Gods. Op deze wijze kon ook Stéfanus die vol van de Heilige Geest was, getuigen: 'Zie, ik zie de hemelen geopend' (Hand. 7:56)., terwijl van Johannes op Patmos staat, dat hij in vervoering des geestes opklom, teneinde een open deur in de hemel binnen te gaan (Openb.4:1,2).

Er zijn in het leven en in de gemeente van Jezus Christus keerpunten, waar God onverwacht ingrijpt. Keerpunten worden gemarkeerd door bijzondere gebeurtenissen in de natuurlijke of geestelijke wereld. Bij de uitstorting van Gods Geest vernemen de discipelen 'eensklaps' een geruis uit de hemel als van een geweldige windvlaag. Ook verschijnen vurige tongen die zich verspreiden en zich op ieder van hen neerzetten. Het gebed van de gelovigen uit het oude verbond werd verhoord: 'Ach, scheur toch de hemel vaneen en daal neer' (Jes.64:1 Can.vert.).

Met Pinksteren gaat er iets in de geestelijke wereld gebeuren. Het Koninkrijk der hemelen dat door de prediking van Jezus over de discipelen gekomen was, komt nu in hen.

Petrus begreep ogenblikkelijk de situatie, want hij sprak: 'Dit is het!' en citeerde vervolgens de Joëlsprofetie: 'En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen'.

Profeteren, gezichten zien en dromen dromen hebben te maken met het verkeren van de innerlijke mens in de hemelse gewesten. Hij gaat daar horen en zien, ten einde daar ook te kunnen wandelen, strijden en overwinnen. Wie deze bijbelse weg niet gaan wil, wordt door de Heer doof en blind genoemd.

Wij wijzen op twee merkwaardige verschijnselen die het pinkstergebeuren vergezelden, zowel in beeld als in werkelijkheid: Ten eerste horen de discipelen een geluid als van een geweldige gedreven wind. Het gehele huis waarin zij zaten, werd ermee gevuld. Er wás evenwel geen storm, maar hun geestelijk oor functioneerde in de onzienlijke wereld. Zij verstonden ook de betekenis van dit beeld. Zij wisten dat de wind des Geestes opgestoken was. Zij ervaarden een machtige beweging in de geestelijke wereld. Daarom zetten zij de deur van hun levenshuis wagenwijd open, opdat zij gedoopt en vervuld zouden worden met de Heilige Geest. Later werden de discipelen telkens weer opnieuw vervuld met de Heilige Geest, want telkenmale wanneer deze in antwoord op hun gebed Zich verhief, openden zij de deur van hun hart om een nieuwe windvlaag binnen te laten.

De werkelijkheid van hetgeen door de stormwind op de Pinksterdag werd uitgebeeld, was dus dat de Heilige Geest woning in de discipelen maakte. Hij daalde neer in grote kracht en dit maakte hen geschikt om geestelijke mensen te worden, zoals er staat: 'De laatste Adam werd (voor allen die gedoopt zijn in de Heilige Geest) een levend makende geest' (1 Kor.15:45).

De doop met de Heilige Geest in het leven van de gelovige voltrekt zich slechts één keer, maar zo dikwijls deze Geest Zich verheft en tot aktie komt, wordt gesproken van 'vervuld met de Geest'.

In de tweede plaats is er sprake van een gezicht. Er verschenen aan de discipelen tongen 'als' van vuur. In de natuurlijke wereld was er geen vuur en men zou er waarschijnlijk geen foto van hebben kunnen nemen. De honderd twintig zagen dit vuur in een visioen, zoals Petrus, Jakobus en Johannes eenmaal gezamenlijk Jezus met Mozes en Elia in heerlijkheid op de berg zagen (Math. 17:9). Ook dit stemde overeen met de Joëlsprofetie, waarin gesproken werd over 'gezichten zien'.

Het was geen beeld van een smeulend haardvuur, maar er zat beweging in. Het was vuur in aktie, een tafereel zoals men dit ziet wanneer droog hout met lekkende vlammen verbrandt. Er daalde geen massieve vuurbal uit de geestelijke wereld, maar er werden levendige vuurtongen gezien, die zich verdeelden en zich op ieder van hen neerzetten. Deze vlammende tongen waren geen symbool van de verterende werking van boze geesten, maar wel van de lichtglans, aktiviteit en beweeglijkheid van de Heilige Geest.

Ten tijde van Mozes zag het volk een vuurkolom als uitdrukking van de Geest Gods die hen door de woestijn leidde. Mozes zelf zag eenmaal een heilig vuur in een brandend braambos. Ezechiël zag 'brandende vuurkolen als van fakkels, zich bewegende tussen wezens' (Wz.1:13).

In onze tekst zijn de vurige tongen beeld van de Heilige Geest die zich gaat openbaren in tongentaal en profetie. De realisering van dit beeld vinden wij dan in de volgende ervaring: ' En zij begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken'.

In het bovenstaande zien wij dus de beschrijving van twee beelden: dat van een geluid als een hevige windvlaag en dat van vurige tongen. Deze beelden dienden om de discipelen duidelijk te maken wat er gebeurde. Zij verdwijnen, maar de werkelijkheid is blijvend: de doop in de Heilige Geest en het spreken in tongen. Het gaat dus niet om het beeld, maar om de werkelijkheid! Dit is Pinksteren!

Wij maakten reeds duidelijk dat in de uitdrukking 'tongen als van vuur' het woord 'tong' figuurlijk gebruikt wordt. Er is sprake van een vergelijking of een overeenkomst die er bestaat tussen lekkende en beweeglijke vlammen én tongen die zich tijdens het spreken bewegen. In de uitdrukking 'spreken met andere tongen' wordt de tong evenwel aangeduid als spraakorgaan en kan het dus vervangen worden door het woord 'talen'. Zo zeggen de buitenlandse Joden dat zij ieder in hun eigen 'taal' horen spreken.

In de Openbaring wordt het woordje 'glossa' ook meestal weergegeven door 'taal'. We denken hier aan de uitdrukking 'elke stam en taal en volk en natie'. De Statenvertaling, de Leidsevertaling en de Canisiusvertaling hebben daarom 'andere tongen' weergegeven door: andere of verschillende talen.

Wat gebeurde er nu bij de discipelen van Jezus op de Pinksterdag? De Heilige Geest daalde neer en bracht in allen een sluimerend, geestelijk talent in beweging, namelijk het vermogen om in andere talen te kunnen spreken.

Wij kunnen de glossolalie dus definiëren als de geestelijke begaafdheid van de mens om de taal van een inwonende geest over te nemen. Dit betekent dus voor de Christen die bevrijd is van de boze, inwonende machten en in wie de Heilige Geest woont, dat hij de taal van deze Geest kan overnemen. Hij kan deze Geest weliswaar niet met zijn natuurlijk oor beluisteren, maar dat is ook niet nodig. Wij hebben immers zelf ook het vermogen om onhoorbaar in onze eigen taal te denken en zinnen en woorden te vormen. Bij de glossolalie hoort men dus de Heilige Geest 'spreken' en men brengt deze taal in de natuurlijke wereld in klanken over.

Wanneer wij een vreemde taal leren, gebruiken wij ons verstand, maar iedereen weet dat men een taal pas goed leert, wanneer men met de geest ook het taaleigen overneemt. Wie deze laatste begaafdheid mist, zal altijd moeite hebben zich in een vreemde taal uit te drukken. Op deze laatste wijze neemt men bij het spreken in tongen door middel van de eigen geest de taal over, waarvan de Heilige Geest Zich bedient.

Naar gelang iemands vermogen om geestelijk te horen en over te nemen , groter is, en zijn geest zich meer ontwikkelt, naar die mate zal hij zich ook gemakkelijker in tongen kunnen uitdrukken. Hoemeer de Christen in de geestelijke wereld vertoeft en naarmate hij de gemeenschap met God zoekt door de Heilige Geest, des te sneller zal zijn geest zich in de hemelse gewesten ontwikkelen en des te gemakkelijker zal hij de taal van de Heilige Geest uitspreken. De apostel Paulus getuigde daarom, dat hij meer dan andere in tongen sprak. Een navolgenswaardige gewoonte voor ieder geestelijk Christen!

zie voor andere artikelen kvooverz