kvo 49e jaargang nummer 3 maart 1985

Arina Vandenbrink

De MENS en zijn ontwikkelingsproces

Wat is de mens?

Wanneer de mens nadenkt over zijn bestaan, over zijn begin en aan zijn wens om ergens aan te beantwoorden, doet hij iets wat velen vanaf de aanvang der tijden hebben gedaan. Hij stelt zichzelf de vraag: wat is de mens? Dikwijls zal hij echter dit probleem omzeilen, omdat hij geheel in beslag wordt genomen door wat hij tenslotte denkt nodig te hebben om gelukkig te zijn of aan zijn bestemming te beantwoorden. Toen het mijn beurt was om mijzelf dit af te vragen, was dit niet, omdat ik geen kijk op mensen zou hebben, want dat heb ik meestal wel. De mens is echter meer dan wat voor ogen is: een lichaam dat zich verpoost, of actief ergens mee bezig is, of doelloos heen en weer rent. De verschillen komen pas duidelijk aan het licht, als men zich bezighoudt met de onzienlijke mens, met diens diepste wezen en met de relatie tussen zijn lichamelijke en geestelijke verschijningsvorm. De verschillende met elkaar tegenstrijdige en steeds wisselende wijzen van benadering van de mens in psychologische zin geven geen garantie dat men een juist inzicht zou hebben in zijn natuur. Zij zijn eerder een weerspiegeling van bepaalde opvattingen of theorieën. Deze behoren dan weer op hun beurt tot een alles omvattende wereldbeschouwing zoals die van de wetenschap of de religie. Maar de wetenschappelijke theorieën die zich in de onzienlijke kant van de mens verdiepen, houden zich niet bezig met 'harde feiten'. Wij zouden ze evengoed kunnen omschrijven als wetenschappelijke 'veronderstellingen'.

Naar mijn overtuiging geeft alleen de bijbel ons een waarheidsgetrouw en alles omvattend raamwerk, waarin de oorsprong der mensheid wordt gezien, terwijl bij dit begin ook al haar bestemming wordt getoond. Door het hoge doel, dat wij naar het beeld van God zijn geschapen en zijn gelijkenis zullen weerspiegelen, in de eerste plaats op onszelf te betrekken, zal ons leven waardevol worden. Het zal dan niet alleen aan eigen drijfveren beantwoorden maar bovenal aan het verlangen van onze Schepper. Elke andere verklaring over de bestemming van de mens gaat dit zinvolle perspectief voorbij. Waar zij misschien voor de wetenschap nog functioneel zou kunnen zijn, zal zij ons echter nooit tot de waarheid voeren.

Het concrete van het Hebreeuws taalgebruik in de bijbel en de opmerkelijke eenvoud van zijn beschrijvingen der historische feiten, worden vaak als tekenen van inferioriteit gezien, in plaats dat men ze waardeert om hun helderheid in alles omvattende zaken als die van goed en kwaad, van leven en dood en van de hoop op herstel.

Bij de vraag: wat is de mens? is het van groot belang om voor ogen te houden hoe God hem ziet. Ergens in de bijbelsegeschiedenis - na de schepping van de eerste Adam en vóór die van de laatste Adam - was het David, die op profetische wijze - geloof het of niet - de ontwikkeling van de mens beschreef. Hebreeën 2:5-8 geeft de verandering in diens positie zelfs duidelijker aan dan Psalm 8 in onze vertaling. Daar staat: 'Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij naar hem omziet? Gij hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, alle dingen hebt Gij onder zijn voeten geworpen'.

In onze twintigste eeuw wordt het mensbeeld allesbehalve in het licht van God geprojecteerd. Van de wereldbeschouwing der westerse wetenschap hebben wij niet alleen de technologische vruchten geërfd, die ons de duizelingwekkende vorderingen op alle terreinen van het natuurlijke leven hebben opgeleverd, maar ook een meer 'wetenschappelijke' uitleg van de oorsprong aller dingen. De wetenschap zou niet alleen de toekomst beheersen, maar haar zou principieel ook de sleutel van het verre verleden behoren. Aldus werd de evolutietheorie, die in het tweede gedeelte van de negentiende eeuw aan de oppervlakte kwam, hét antwoord. Dit was meer in overeenstemming met het tegenwoordige denken, omdat daarin de wetenschappers uiteindelijk tot overeenstemming waren gekomen aangaande een godsbegrip, dat door de invloedrijke religieuze instituten de vooruitgang scheen te beletten. De evolutie die we eerder memoreerden, is daarom geheel verschillend van de wetenschappelijke evolutietheorie, want de eerste is bedacht door God, de Schepper van de mens. Alvorens wij dan de 'mens Gods' onder de loupe nemen, wil ik u eerst de wetenschapsmens voorstellen, naar wiens visie de god dezer eeuw ons denken wil richten.

Schepping of evolutie?

De opvatting dat de natuur op de een of andere wijze een kosmische kracht is, die de beperkingen van de fysieke realiteit te boven gaat, doordat ze niet alleen het iniatief is tot het leven, maar ook zijn loop bepaalt, is niet nieuw. Zij is de kerngedachte van de meeste niet-christelijke religies. Charles Darwin (1809-1882) formuleerde dezelfde opvatting in zijn evolutietheorie, welke inhoudt dat er een geleidelijke ontwikkeling is door natuurlijke selectie. Dit zou dan het eerste algemene principe in de biologie zijn. Alle levende wezens, waaronder ook de mens, zijn soort gelijk. Ze zijn niet individueel geschapen maar geëvolueerd uit eenvoudige soorten. Darwin schreef: 'Er is een kracht die te vergelijken is met die van honderdduizend wiggen, die iedere aangepaste soort in de bressen van de economie der natuur tracht te drijven, of liever bressen tracht te maken in het ecologische systeem door het zwakke eruit te stoten'.

Darwin's boek 'On the Origin of Species' (1859) (over de oorsprong der soorten) veroorzaakte een grote opschudding. De stelling in dit boek dat plant en dier door evolutie waren ontstaan, was een regelrechte aanval op de heersende theologische opinie, want in feite had zij de God der schepping vervangen door een natuurlijk proces. Dit houdt in dat de mens niet uniek is, maar gelijkwaardig aan andere dieren. Dit verklaart dat de oppositie tegen Darwins theorie, zelfs die van de wetenschappers, meestal op theologische gronden berustte, want zij vormde een in het oog vallend contrast met de bijbel. De strijd tegen Darwins theorie werd hoofdzakelijk in de biologische sector gevoerd. Men trachtte daarbij aan te tonen dat de natuur en ook haar gedragingen in zichzelf goed zijn. De heersende opvatting van de religieus ingestelde personen werd verwoord door William Paley, toen hij zei, dat het mooie en precieze aanpassingsvermogen bij planten en dieren niet bij toeval was ontstaan, maar er klaarblijkelijk in was gelegd. Deze redenering hield dus rekening met een Ontwerper, die door Paley met God welke almachtig en vol mededogen is, werd geïdentificeerd. Paley's redenering was echter niet sluitend. Darwin toonde hem de duistere kant der natuur, die onverenigbaar is met een barmhartige Schepper. Hij schreef: 'Wat voor boek zal dan een advocaat van de duivel kunnen schrijven over de onhandige, verspillende, verknoeiende, lage en huiveringwekkende werken van de natuur?' Paley had klaarblijkelijk niet het gehele verhaal over de schepping verteld. Wat nog meer sprak, was, dat de bisschop Wilberforce, die zelf van biologie niets afwist maar die terzijde werd gestaan door een bekend zoöloog, in het openbaar werd verslagen door Engelse biologen. Na die tijd heeft de 'Church of England nooit meer Darwins stellingen in het openbaar aangevallen.

De opgave om de traditionele, theologische visie met de evolutieleer te verzoenen, bleef echter liggen. In 1951 sloot paus Pius XII een compromis. Hij gaf de encycliek 'Human generis' ('wat de mens betreft') uit. Hij stelde dat de rooms-katholieken de evolutietheorie mochten aanvaarden als een hypothese over de tot standkoming van het lichaam van de mens, met daarbij de bepaling dat de ziel door God geschapen en ingebracht wordt.

Dan zijn er de fundamentalistische groepen, die uitsluitend uitgaan van een letterlijke interpretatie van de bijbel in natuurlijke zin, waaraan ze dan weer het materiaal ontlenen voor stellingen van wetenschappelijke aard. De bijbel echter bedoelt niet een 'waarheid' aan te tonen in wetenschappelijke zin, maar hij gaat uit van een werkelijkheid die niet begrensd wordt door een wetenschappelijke gezichtskring. In feite ging deze werkelijkheidszin niet alleen aan de wetenschappelijke revolutie vooraf, maar hij zal ook deze wetenschappelijke inzichten overleven. De bijbel handelt over zaken die hoger gaan dan die van de wetenschap, want hij geeft aan wat de uiteindelijke zin van het leven is.

Ook vanuit de stellingen en de methodiek van de wetenschap kan men niet bewijzen dat God de schepper is, maar evenmin de biologische theorie van de evolutie weerleggen met haar aanspraken op de daadwerkelijke aanwezigheid van een kosmisch proces. Alles wat we over de evolutieleer kunnen zeggen is, dat zij als theorie functioneel zou kunnen zijn, waar zij de wetenschap in staat stelt natuurlijke gebeurtenissen te begrijpen en te verklaren. Het principe van verandering en toeval in de evolutie maakt het echter onmogelijk biologische gebeurtenissen te voorspellen. Het is daarom moeilijk te geloven dat het leven zoals wij dit kennen, tot aanzijn zou gekomen zijn uitsluitend als gevolg van dit principe van verandering en toeval. De wetenschap heeft haar onderzoek teruggevoerd naar de uiterste grens van het ontstaan der dingen, maar vanwege haar fysische vooroordeel kan zij slechts stoffelijke verbanden ontdekken. Op deze manier werd in de westelijke wereld een scheiding voltrokken tussen religie en wetenschap. Arthur Koestler, een advocaat voor de eenheid tussen wetenschap en religie - bij voorkeur niet de christelijke - noemt deze scheiding desastreus, want volgens hem zijn wetenschap en religie afzonderlijk niet in staat aan de verstandelijke hunkering van de mens te voldoen. De wetenschappelijke theorie zoals hij die ziet, had tot resultaat dat de bestemming van de mens niet langer van 'bovenuit' door een super menselijke wijsheid en wil werd bepaald, maar van 'benedenuit' door sub-menselijke zaken als klieren, genen, atomen, of allerlei andere fysieke mogelijkheden. Darwins theorie van een verandering gedurende een bepaalde tijd - op zichzelf geen nieuw idee - houdt de degradatie in van de status van de mens, want hij gaat ervan uit dat de mens uit de dieren voortkomt, de zogenaamde 'aap-theorie'.

Behalve dat de menselijke waardigheid op die manier wordt bedreigd, doordat hij dierlijke voorouders gehad zou hebben, wordt de mens in het voorportaal geplaatst van een onvermijdelijk kosmisch natuurproces, dat een voorwaarde zou zijn om hem tot hogere niveaus te voeren. Zowel God als de mens worden op deze manier door de natuur geabsorbeerd, maar deze integratie of invoeging zou pas volledig zijn, wanneer de mens zich bewust wordt van de religieuze dimensie van de 'natuur' en zich niet alleen fysiek maar ook verstandelijk eraan onderwerpt. Kortom, 'God' wordt in plaats van de Schepper, door de evolutietheorie en in vele religies gelijkgeschakeld met de natuur. Het is juist deze kracht die de mens vernedert en aanzet om boven zijn fysieke begrenzingen uit te stijgen om tot een ruimer begrip te komen.

Voor ons is het van vitaal belang een aanhanger te zijn van de evolutie welke God in zijn gedachten heeft: niet door toevalligheden maar door de heerlijkheid van God te aanschouwen en op deze wijze te 'veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid' (2 Kor.3:18).

kvo 49e jaargang nummer 4 april 1985

Naar Gods beeld

Het verslag van de schepping zoals dit in Genesis opgetekend is, biedt ons een van de diepste en aangrijpendste beschouwingen over de mens. Het schenkt ons meer dan een theologische speculatie over de 'twee scheppingsverhalen', die vermoedelijk de verschillende tradities binnen het judaïsme weerspiegelen. We worden hier geconfronteerd met de bedoeling van de schepping van de mens, niet alleen met zijn aards perspectief maar bovenal met zijn relatie tot God. Daarom worden er hier geen twee uiteenlopende scheppingsverhalen ten tonele gevoerd, zoals die van 'het ontstaan van hemel en aarde' in Genesis 1-2:4a en een ander dat in Eden begint, vanaf Genesis 2:4b-3:24. Neen, we zien hier twee perspectieven die elkaar aanvullen en niet tegenspreken. Beide tonen ons de tot standkoming van de hemel en de aarde, om te eindigen met de schepping van de mens.

De onzienlijke Schepper baseerde de principes van de natuurlijke wereld op een hemelse realiteit, namelijk op zijn gedachten en plannen. Deze tonen ons een goed geordend patroon, dat verder reikt dan alleen de uiterlijke verschijningsvorm der dingen. Zo werd bijvoorbeeld het licht dat goed was bevonden, daarna gescheiden van de duisternis, en 'dag' genoemd. God ordende de aarde, opdat zij gewas zou voortbrengen en levende wezens of zielen, ieder naar zijn aard, opdat zij zich dienovereenkomstig zouden gedragen en zich vermenigvuldigen. Als God tenslotte de mens schept, besluit Hij niet opnieuw een levend wezen te scheppen met een 'eigen' aard. Ditmaal is de spanning bijna tastbaar, als God aankondigt: 'Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt' (Gen.1:26). De meervoudsvorm van het persoonlijke voornaamwoord 'ons' in deze context heeft veel vragen opgeworpen. Dit meervoud geeft echter duidelijk te kennen dat God, wanneer Hij zijn plan en bedoeling met de mens ontvouwt, ook de samenwerking aangeeft die hiertoe nodig is. Deze coöperatie zien wij dan in haar hoogste vorm met Jezus Christus.

Met de schepping van de mens was het plan van God nog niet voleindigd, maar zij vormde slechts het begin ervan. Ogenblikkelijk na deze aanvang gaf het woord van God al aan op welke wijze de mens deze samenwerking zou realiseren. In het woordje 'ons' vertrouwde God Zichzelf aan de mens toe. Na deze verklaring van zijn bedoeling met de mens, lezen wij: 'En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem: man en vrouw schiep Hij hen.' (Gen.1:27). Hierna volgt: '...omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppend tot stand had gebracht' (Gen.2:3). De mens die naar Gods 'beeld' geschapen was, wachtte er nog op om naar Gods 'gelijkenis' te worden gemaakt, dus goddelijk. In de schepping wordt niet alleen de liefde van God voor de mens getoond, maar ook zijn zorg voor hem, die Hij niet alleen schiep, maar ook opvoert tot een hoogte, waarop hij een beter begrip krijgt van de plaats die hem rechtens is toegekend.

Allereerst werd de mens een levend wezen of ziel, want er staat: 'Toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem (of levensgeest) in zijn neus (Gen.2:27). Op dat moment begon de Schepper deze levende ziel iets toe te vertrouwen. Hij werd de drager van de gestalte Gods met haar verantwoordelijkheden. In dit proces - terwijl hij de natuur der dieren om hem heen navorste teneinde ze namen te geven - ontdekte Adam dat hij als man alleen was. Uitsluitend nadat hij zich had gerealiseerd dat hij niet alleen uniek was onder de levende wezens, doch ook zonder levensgezellin, formeerde God om Adams verlangen te bevredigen, een vrouw om hem tot hulp te zijn. Hier begon dus de doorwerking van de uitspraak: 'Laat Ons mensen maken'! God formeerde de vrouw naar dezelfde aard als de man, beiden naar Gods beeld, en hierdoor zijn ze ook gelijkwaardige partners. Het feit dat de eerste vrouw uit de man genomen is, onderbouwt het huwelijk, waarin zij naar Gods bedoeling juist door hun verschil in uiterlijk, niet apart zouden leven, maar zich in hun eenwording zouden verheugen.

Vervolgens worden we geconfronteerd met het heersende geloof in de onsterfelijkheid van de menselijke ziel. Hoewel de mens een levende ziel is vanwege de geest des levens die God aan Adam schonk en in hem aan het ganse menselijke geslacht, leert de bijbel toch nergens dat de mens zelf onsterfelijk zou zijn.

Het duurde niet lang of God begon Adam, die niet alleen onschuldig maar ook in velerlei opzicht onwetend was, in de hem toebehorende omgeving van de hof van Eden, te onderrichten aangaande het 'leven' en 'de kennis van goed en kwaad'. Dit laatste zou hem naar de dood voeren, en daarom wilde de Here niet, dat de mens zich hiermee inliet, of van de vrucht van deze kennis zou eten. De mens had geen volmaakt leven in zichzelf, maar moest leren dat hij er slechts van verzekerd kon zijn, indien hij in Gods woord bleef. Wat de boom van kennis van goed en kwaad betrof, waarschuwde de Here God de mens met de woorden: 'Ten dage dat gij daarvan eet, zult gij sterven' (Gen.2:17). Dit is dan precies wat er ook gebeurde. Zoals we weten, vielen Adam en Eva niet ogenblikkelijk dood ter aarde, maar de openbaring van de dood was veel subtieler. De onmiddellijke ervaring van de dood was een vervreemding, de eenheid op het menselijke vlak was verstoord door de nieuwe gewaarwording der aanwezigheid van het kwaad onder hetgeen men alleen als goed had gekend.

God had de mens op het kwaad opmerkzaam gemaakt, maar niet gewild dat hij er bij betrokken zou worden. Het binnendringen van het kwaad in het domein van het vlees - denk ook aan de overweldigde slang - was een bedreigende ervaring voor de mens. Adam en Eva voelden zich na de val zelfs kwetsbaar in elkaars aanwezigheid. Dit alles was evenwel ondergeschikt aan hun vervreemding van God. Dit is dan de dood waaraan de mens werd onderworpen en die uiteindelijk de scheiding van de ziel met het lichaam zou veroorzaken, wanneer de ziel, het levensbeginsel van de mens - het lichaam niet langer in stand kan houden. Dit is de eerste dood. Tenzij de relatie met de levende God hersteld wordt, zal hij ook delen in de tweede dood, die zijn beslag zal krijgen ten tijde van het laatste oordeel (Openb.20:14,15). In verband hiermee sprak Jezus: 'En wees niet bevreesd voor hen, die wél het lichaam doden, maar de ziel niet kúnnen doden; weest veeleer bevreesd voor hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel' (Matth. 10:28).

Waar Gods aanwezigheid de ontwikkeling van de mens stimuleerde, zodat deze ongehinderd de uitdagingen kon opnemen, die op zijn weg kwamen om zijn groei te bevorderen en hem klaar te maken voor zijn uiteindelijke, goddelijke bestemming, liet de duivel zijn ontwrichtende invloed gelden teneinde het beeld van God te verstoren. Hij deed dit door de mens het geloof op te dringen, dat hij een alternatieve, snellere weg kon aanbieden om als God gelijk te zijn, namelijk door kennis te hebben van goed en kwaad. Voor de mens betekende deze weg de dood en niet het leven, want hij voerde van God af. Vanaf zijn ongehoorzaamheid kende de mens goed en kwaad, niet alleen in zijn gedachten maar hij werd er door omringd.

De mens als heerser over alle levende wezens was gevallen en had de schepping met zich meegesleurd in zijn val. In plaats zich aan God te onderwerpen en zijn woord te bewaren, hadden Adam en Eva het oor geleend aan een slang en op geestelijk niveau aan de duivel zelf. Op deze manier hadden zij aan diens woorden meer waarde toegekend dan aan die van God. In onze dagen neemt de wetenschap een hoge vlucht zonder dat zij enige beperkingen of begrenzingen accepteert, hetzij van fysieke hetzij van morele aard. Desondanks is de kernvraag betreffende het doel van het menselijk leven binnen het wetenschappelijk klimaat van onze tijd een groter raadsel dan ooit tevoren. De mens als beelddrager Gods is slechts dan betekenisvol, wanneer hij wordt gezien in het licht van zijn Maker. Als formeerder van de mens heeft de Schepper hem het gode gelijk zijn toegedacht. Hij noemt immers de geestelijk volwassen mensen, zijn zonen. Daarom zal alle streven van de mens om zijn eindbestemming te vinden door middel van de wetenschap, zijn status, zijn relaties, zijn kinderen, of via welke andere dingen ook, nutteloos zijn, ja zelfs tot slavernij voeren, want zijn uiteindelijke volmaking is door Jezus Christus in God.

Naar Gods gelijkenis

Er is een tekst in de bijbel, die mij de ogen opende voor een schriftuurlijk verstaan van de mens en waarover ik sindsdien vaak heb gemediteerd. Hij geeft namelijk het essentiële verschil aan tussen de twee vertegenwoordigers van de mensheid. Paulus noemt ze beiden 'Adam', het Hebreeuwse woord voor 'mens'. Dit woord herinnert ons eraan dat God in de beginne de mens van stof uit de aardbodem formeerde. Adama betekent immers aarde (Gen.2:17). Wanneer Paulus evenwel hun werkelijke betekenis voor de mens onderscheidt, zegt hij: 'De eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest (1 Cor.15:45). Waar de eerste Adam niet alleen de representant is, maar ook de verwekker van de aardse, natuurlijke of anders gezegd zielse mens, zo brengt Christus door zijn woord en Geest de hemelse geestelijke mens voort. Er is evenwel een onverwisselbare orde in dit evolutie proces van de mens: eerst het natuurlijke en daarna het geestelijke. De geestelijke mens komt echter niet automatisch uit de natuurlijke voort. Beiden, zowel de eerste als de laatste Adam, vonden hun begin uitsluitend in de wil van God. Het unieke van Jezus, de Zoon van God, is, dat zelfs zijn natuurlijke afkomst niet uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God was (Joh.1:13). In tegenstelling tot de eerste Adam maakte Jezus het waar, dat er nooit een verschil was tussen Gods wil en de zijne, want Hij hield vast aan God en aan diens woord.

Het natuurlijke levensprincipe van de mens is zijn ziel of de menselijke geest. Deze aanduidingen zijn tijden lang door elkaar gebruikt. Zo wordt bijvoorbeeld bij het Hebreeuwse gebruik van parallellisme in het 'Magnificat' (de lofzang van Maria) geest en ziel naast elkaar gebruikt. Maria zegt daar: 'Mijn ziel maakt groot de Here, en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland' (Luk.1:46). Dus vormen ziel en geest in de Hebreeuwse gedachtengang een eenheid, en niet een samenstel van aparte delen. Deze eenheid wordt ook niet bij het sterven verbroken, want zij betekent het wezen van de mens.

Zoals we al eerder zagen, is de mens van Gods kant gezien, dood in zichzelf, want zijn levensprincipe, zijn ziel, bleef niet in de sfeer van de levende Geest van God vertoeven. Dit raakt precies de kern van de leer, die Jezus in zijn onderwijzingen uitdroeg. In de onzienlijke wereld stérft de innerlijke mens niet of houdt niet op te bestaan, maar hij is wel dood, dat is uit de sfeer van God. Daarom kon Jezus zeggen: 'Ik ben gekomen, opdat zij léven en overvloed hebben' (Joh.10:10). Met andere woorden: Jezus kwam om onze ziel van de dood te redden. Zijn verlossende kracht is evenwel niet beperkt tot slechts de zielesector, maar zij betreft de ganse mens, zelfs zijn lichaam.

Tot dusver komt alles wat we zien dat Christus ons aanbiedt, namelijk leven en welzijn, in vele opzichten overeen met onze natuurlijke verlangens. Daarin schijnt de boodschap van Jezus aan te sluiten bij de heersende denkwijzen. Niets is echter meer misleidend dan deze voorstelling van zaken, want hoewel wij in het vlees zijn, wordt ons per definitie geleerd niet naar het vlees te wandelen of door het vlees verlokt te worden. Jezus propageert juist niet de gewoonte om in het natuurlijke leven alle dingen - leven en overvloed - naar ons toe te halen. Hij zegt zelfs van het egoïsme: 'Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het behouden' (Luk.9:24). Jezus spreekt over een weg van verlossing, die niet zo voor de hand ligt en die zelfs in de sfeer van het vlees gezien, juist ervaren wordt als het verlies van leven en zelfs sterven kan betekenen. Het leven, nauwkeuriger gezegd het 'eeuwige' leven, dat aangeboden wordt, is een leven in geloof door de geest. Daarom sprak Jezus tegen Nicodémus, dat men om het principe van God te zien werken, allereerst wederom geboren moest worden in de geestelijke wereld.

De uitdrukkingen 'uit de geest geboren worden' en 'door de geest groeien naar de volwassenheid' betekenen dat men de werkingen van het vlees doodt. Iemands leven (ziel) en zijn levensstijl zijn ofwel geïdentificeerd met de Geest van God en dan is men een geestelijk mens, of men leeft in het vlees en richt zijn zinnen op de dingen van het vlees. Het betekent in essentie dat deze twee levensstijlen tegenover elkaar staan en niet tegelijkertijd kunnen worden aangehangen. Niet het zichtbare lichaam staat tegenover de geest, maar de gezindheid van het vlees. Indien men zijn zinnen op het vlees richt, zal men vanwege deze gezindheid onderworpen zijn aan de wet van de boze, die zijn expressie vindt in zondige werken. Daarom willen wij dood zijn voor de heerschappij van het vlees, teneinde naar ziel en geest te leven. Dit beelden we uit door de waterdoop. Ook zullen wij, wanneer wij het Koninkrijk Gods binnengaan, of met andere woorden wederom geboren worden, de doop in de Heilige Geest ontvangen op ons geloof, overeenkomstig de belofte des Vaders. Zo keren wij weer terug in de sfeer van God. Dankzij de Heilige Geest blijven wij niet passief in het geestelijk Koninkrijk, maar Hij biedt ons de mogelijkheid om geestelijk volwassen te worden, teneinde in dit Koninkrijk te kunnen functioneren. Wij mogen de Heilige Geest ook de geest van het zoonschap noemen. Wanneer wij hem ontvangen, is Hij inderdaad ónze Geest (Rom.8:15).

In zijn brieven laat Paulus ons zien dat het proces dat naar de geestelijke volwassenheid voert, een afstraling is van het leven van Christus. Hij schrijft: 'Door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers indien wij delen in zijn lijden, is dat ook om te delen in zijn verheerlijking' (Rom.8:15-17).

Het volgende dat wij willen memoreren, is, dat de mens Gods die met hem geïdentificeerd wordt, moet beschouwd worden als een ongedeeld wezen, in wie men desondanks toch geest, ziel en lichaam onderscheidt (1 Thess.5:23). Ze zijn elementen van een ordelijk, goed functionerend geheel. Zo'n harmonie zien wij ook in het leven van Jezus Christus, hetgeen bewijst dat 'zoon des mensen' en 'zoon van God' geen twee tegenstrijdige en exclusieve naturen zijn. Integendeel zal de mens als 'beeld' van God slechts herstel vinden door Jezus Christus, en alleen in Hem zijnde, ook de 'gelijkenis' van God zijn.

Zelfs onder de gelovigen zijn er dwazen, die niet beseffen dat ook als de mens met de Geest is begonnen, er voor hem geen toekomst is, indien hij de volmaaktheid wil bereiken met het vlees (Gal.3:3). Wanneer wij ons dan in het heerlijke plan van God verblijden, willen we genoeg werkelijkheidszin bezitten aangaande de toestand, waarin we op het ogenblik verkeren. De schrijver van de Hebreeën-brief maakt als het ware bij de profetische uitspraak van David een aantekening in de marge. Hij schrijft: ' Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want bij dit: alle dingen hem onderworpen, heeft Hij niets uitgezonderd, dat hem niet onderworpen zou zijn. Doch thans zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn; maar wij zien Jezus... (Hebr.2:8,9).

Ondanks het feit dat ons natuurlijk lichaam zal delen in de herstellende invloed van de Geest van God in ons leven, is zijn wezen vergankelijk, dat is aan bederf onderhevig. Het zal evenwel de kracht van God in de hoogste mate ervaren, wanneer bij de komst des Heren de overblijvenden in een punt des tijds veranderd worden. Laten wij ons verheugen in de dingen, die God voor ons bestemd heeft om Hem gelijk te worden. Het is niet alleen maar een veronderstelling van onze kant, dat wij ondanks onze tekortkomingen de goddelijke natuur deelachtig zullen worden, maar in deze vreugde drukken wij tevens de wens uit om volledig door de Geest Gods geleid te worden, teneinde als zonen Gods geopenbaard te worden (Rom.8:14).

De mens is de glorie van God, het werkstuk waarin Hij Zich verheugt en zijn heerlijkheid openbaart!

zie voor andere artikelen kvooverz