kvo 49e jaargang nummer 1 januari 1994

J.E.v.d.Brink

Op weg naar ARMAGEDDON

De laatste ure

Het was de apostel Johannes die het duidelijkst het wezen en het karakter van de antichrist beschreef. Hij waarschuwde in 1 Johannes 2:18 zijn kinderen in het geloof, de pas bekeerden die de juiste weg nog moesten leren kiezen, voor de wolven in schaapskleren. Hij deed dit, omdat 'de laatste ure' was ingegaan, de periode waarin het plan van God om geestelijke mensen te vormen zou worden gerealiseerd. Gelijk zij van hem, van Paulus en andere apostelen gehoord hadden, zou aan het einde van dat uur ook de antichrist worden geopenbaard. Diens parousie of tegenwoordigheid zou worden vooraf gegaan door het 'opstaan' van vele antichristen. Er waren toen al vele 'misleiders' uitgegaan, die de weg begonnen te bereiden voor de grote 'misleider' (2 Joh.7). Uit deze woorden blijkt wel dat de antichrist geen verzamelnaam is maar een persoon: 'de mens der wetteloosheid', 'de valse profeet' van de eindtijd (2 Thess. 2:3;Openb.19:20).

Wie is de antichrist?

In zijn olijfbergrede profeteerde onze Heer over het opstaan van vele valse christussen. Johannes typeerde de vijanden van het evangelie nog scherper met de woorden: antichristen en antichrist. Valse christussen en zogenaamde wereldleraars zijn nog niet noodzakelijk en opzettelijk afkerig van Christus. In het woord antichrist spreekt echter heel duidelijk de vijandschap van 'de tegenstander' van de Gezalfde, dat is van Christus. Verder betekent anti niet alleen 'tegen' maar ook 'in plaats van'. De antichrist 'zet zich in de tempel Gods, om aan zich te laten zien, dat hij een god is'. 'Hij geeft zich voor God uit', dit wil zeggen dat hij het voorwerp van aanbidding wil worden en tevens alle mensen wil inspireren (2 Thess.2:4 Nieuwe Vert. en Brouwer, Openb.22:9). De gemeente van Jezus Christus is de woonstede van God in de geestelijke wereld, maar in de afvallige kerk zal de antichrist heersen, die het persoonlijk instrument van de duivel is en het knooppunt van de wetteloosheid.

Over de antichristen schreef Johannes: 'Ze zijn van ons uitgegaan'. Zo ging het ook met Judas, een discipel van Jezus. Deze werd niet uit de kring van de apostelen gestóten, maar er staat: 'Hij nam dan het stuk brood en vertrok terstond. En het was nacht' (Joh.13:30). Zo verlaten de antichristen ook nu het licht van de ware gemeente om de duisternis in te gaan. Ging ook de satan niet op dezelfde wijze uit het midden des hemels, waar de troon van God is, om een tegenrijk te gaan vormen? Ook voor de antichristen geldt: 'Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël'. De landaard van de antichristen in de natuurlijke wereld en in het byzonder die van de antichrist is van geen enkel belang, evenmin als die van de Paus of andere kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, maar zij behoren tot die categorie uit de christenheid, 'die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave hebben genoten en deel hebben gekregen aan de Heilige Geest en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw hebben gesmaakt, en daarna zijn afgevallen' (Hebr.6:4,5). Wat onze eigen tijd betreft, kunnen ze dus uit onze kringen komen.

Hoe ontstaat bij de antichristen die vijandschap tegen de Zoon van God, zodat zij zelfs begeren Hem opnieuw te kruisigen en tot een bespotting te maken? Het antwoord is: omdat zij ophielden hemels gericht te denken en aards gezind werden. De geest van de antichrist verzet zich in het byzonder tegen Christus vanwege diens zalving met de Heilige Geest, waardoor Hij nu de grote Koning is, die op de troon van God zit, en Hogepriester is in het hemelse heiligdom. Deze geest haat ook allen die dezelfde zalving hebben ontvangen en dus bestemd zijn tot het koning- en priesterschap in de hemelse gewesten. Alleen het aanvaarden van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen dat onze Heer begon te prediken, maakt de christen in zijn denken los van de aarde en tot een waardig hemelburger. Johannes schreef zelfs: 'Wij zullen Hem gelijk zijn' en 'wij zijn uit God'. Waar de geest van de antichrist werkzaam is, wordt tegen deze hemelse positie verzet geboden. De geest van de antichrist is uit de duivel, die aan God wilde gelijk zijn en zijn troon wilde oprichten boven de sterren Gods, beeld van de zonen Gods uit de mensen. Hij wilde zetelen op de berg der samenkomst, die van eeuwigheid bestemd is voor de gezalfden des Heren, voor de gemeente van eerstgeborenen (Jes.14:13,14). De antichristen en de antichrist willen niet dat de gezalfde gemeente in de hemelse gewesten functioneert. Zij willen niet dat de zonen Gods heersen over de engelen. Daarom loochenen deze misleiders dat Jezus Christus in het vlees komende is - zoals er letterlijk in 2 Johannes 7 staat - dus dat Hij telkens in het vlees komt, wanneer zijn volgelingen worden gedoopt met de Heilige Geest en dan hun plaats 'boven' gaan innemen.

De duivel kan niet meer verhinderen dat Christus op de troon van zijn Vader is gezeten, maar hij spant nu al zijn kracht in om te beletten dat wij ook deze troon bereiken. Elke verheven gedachte hieraan wederstaat hij met zijn leugens en dwalingen. Daarom durven vele christenen niet meer te belijden: ik ben uit God, ik zal Hem gelijk zijn en alle dingen zijn mij onderworpen. Zij kunnen alleen zo spreken, wanneer zij het geloofsoog richten op Jezus, die met eer en heerlijkheid is gekroond. Jezus is hen voorgegaan en Hij wil vele zonen tot dezelfde luister brengen. De antichristelijke geest houdt echter de gelovige aan de grond en door hun denken komen zij in Babylon terecht, de stad van de aardsgezinde kerk. Deze geest richt in onze tijd zelfs de aandacht van de pinkstergelovigen op het aardse Jeruzalem in plaats van op het hemelse. Door middel van deze topdwaling sleept de staart van de draak - dat is de valse profeet of de antichrist - een derde van de sterren des hemels mee en werpt die op de aarde (Openb.12:4 en Jes.9:14). Zo worden vele pinksterchristenen weggesleept uit de hemel, waar ze van de hemelse gave eenmaal hadden genoten. Ze komen terecht in het grote Babylon, in het massachristendom dat in zijn religieuze gevoelens geleid wordt door de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven (1 Joh. 2:16).

Babylon is onbruikbaar voor de antichrist

Wanneer door valse, aards gerichte leringen een derde van de sterren des hemels naar 'beneden' wordt gesleept, blijft in de eindtijd toch in dit beeld nog altijd twee derde van de zonen Gods in de hemelse gewesten achter. Wat hun lichaam betreft, vertoeven zij wel op aarde maar naar de innerlijke mens hebben zij een plaats gekregen in de hemelse gewesten in Christus Jezus zijnde (Ef.2:6). Daar worden zij klaar gemaakt voor de eindworsteling tegen de boze geesten in de hemelse gewesten op de dag van de Almachtige.

Wat gebeurt er nu in de eindtijd met de afgevallen kerk, waarvan de leden vleselijk zijn en die buiten de onzienlijke sferen leven? Zij zijn onbruikbaar om de bedoeling van de antichrist in zijn strijd tegen allen die 'in Christus' zijn en in de hemel vertoeven, te realiseren. In deze mens der zonde huist het beest dat uit de afgrond is opgekomen en aan wie de draak zijn grote macht heeft afgestaan (Openb.13:2). Deze geest uit het dodenrijk maakt de antichrist tot een bezetene, die slechts één doel voor ogen heeft: de vernietiging van allen die met de Heilige Geest zijn gezalfd en die tot koningen en priesters in de hemelse gewesten zijn geworden.

Reeds in de Joodse geschriften van het Oude Testament is er sprake van een eschatologische figuur die zich zal ontpoppen als een tegenstander van het volk van God, en die als een voorwereldlijk monster op politiek terrein alle koninkrijken der aarde 'op at, vermaalde en wat overbleef, vertrad hij met zijn poten'. Deze mens bezit dan een ongebreidelde macht, waarmee hij zich keert tegen 'de heiligen van de hoge plaatsen' (Dan.7:7,21,25 St.Vert.). Hij zet deze heiligen onder een geweldige pressie, 'een grote geestelijke verdrukking zoals er nooit is geweest van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal' (Matth.24:21).

Het geestelijk geweld van de antichrist is bedoeld om Gods volk te doen wankelen en hen uit de hemel te halen en op de aarde te werpen. Hij voert dus oorlog tegen de heiligen om hen te overwinnen en hem wordt macht gegeven over elke stam, natie en taal en volk (Openb.13:7). In de natuurlijke wereld kan de antichrist de zonen Gods op aarde wel doden, want hij heeft er de macht toe. Dit lost evenwel zijn probleem niet op, net zomin als toen Jezus werd gedood. Na Golgotha kwam de duivel erachter dat het sterven van de Heer juist de middelijke oorzaak werd dat Hij op de troon van God kwam te zitten en Hem alle heerschappij in hemel en op aarde ten deel viel en ook macht ontving om vele zonen tot heerlijkheid te brengen. De antichrist kan wel het lichaam doden maar niet de innerlijke mens. Hij kan nooit beletten dat de martelaars toch voortleven in het Koninkrijk der hemelen, de troon bereiken en de kroon des levens ontvangen. Wanneer ze op de aarde blijven, worden ze ook niet meer door dwalingen misleid, of door bedrieglijke wonderen verbijsterd, of tot zondige begeerten verleid. Er rest maar één mogelijkheid voor de antichrist om zijn doel te bereiken: hij moet een leger recruteren dat instaat is zich ook naar de hemelse gewesten te verplaatsen, om daar de achtergebleven 'sterren' met geweld te verdrijven, zodat hun plaats in de hemel niet meer zal worden gevonden.

Het grote Babylon met zijn vleselijke christenen kan hij daartoe niet gebruiken. Hij zal daarom deze stad verwoesten en een nieuwe antichristelijke gemeente stichten, die wél door geestelijke mensen wordt gevormd. Hiertoe kan hij de afvalligen inschakelen, die evenals hijzelf eenmaal met hun geestelijke begaafdheden in de hemelse gewesten functioneerden. Van groot belang is ook voor hem de elite uit de heidense religies, zij die bewust gemeenschap hebben met de geestelijke wereld der demonen en die gewend zijn allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen te verrichten. Hij verzamelt om zich de 'tien' geestelijke koningen, die zich ten oosten van de Eufraat ophouden, en van de opgang der zon komen. De gemeente van de antichrist wordt door middel van het beest dat uit het dodenrijk opkomt en door haar leden een volmaakt spiritistische kerk!

Meegenomen of achtergelaten?

In zijn olijfbergrede vergeleek Jezus de laatste gebeurtenissen in de afgevallen kerk met de tijd van Noach. In het grote Babylon zal er een vleselijk gezind schijnchristendom zijn, waar alleen het natuurlijke leven in stand wordt gehouden: eten, drinken en huwen. Onverwacht komt over dit Babylon een stortvloed van demonen, welke kan worden vergeleken met de zondvloed die allen wegnam. Jezus gaf hiermee een aanwijzing hoe er opnieuw een grote scheiding tussen de mensen zal plaatsgrijpen. Tijdens de zondvloed gingen de goddelozen onder, maar Noach met zijn gezin bleef achter. Dit oordeel wordt dan met enkele voorbeelden geïllustreerd: 'Dan zullen er twee in een veld zijn, één zal aangenomen worden en één achtergelaten worden; twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, één zal aangenomen worden en één zal achtergelaten worden'. Het Griekse woord 'paralambano' kan op verschillende wijzen worden vertaald. In de 'Zes Nederlandse Vertalingen' wordt het overgezet door 'aangenomen', 'meegenomen' en 'opgenomen'. De betekenis van dit werkwoord moet dus uit het verband worden opgemaakt en dan heeft het een ongunstige gevoelswaarde, evenals bijvoorbeeld in de tekst: de onreine geest die uit de mens was gevaren, nam zeven andere geesten mee (Marc.12:45) Het komt dan overeen met het 'wegnemen' van mensen in de dagen van Noach. Wie achterblijft, kan worden vergeleken met Noach en de zijnen. 'Het Nieuwe Testament met commentaar' schrijft in zijn verklaring: 'Bij Mattheüs schijnt 'meegenomen worden' gelijk te zijn met weggesleurd worden. 'Achtergelaten worden' betekent hier onaangeraakt blijven. Soortgelijke betekenis van 'achterblijven' vinden wij ook in de godsspraak: 'Ik heb mij zevenduizend man doen overblijven, die hun knie voor Baäl niet hebben gebogen (Rom.11:14). De mening dat onze Heer de grote scheiding tot stand zal brengen door éérst zijn gemeente tot Zich te nemen, is in strijd met de uitspraak: 'Haal eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden maar brengt het koren bijeen in mijn schuur' (Matth.13:30).

In Mattheüs 24:40,41 sprak Jezus over mensen, die in het natuurlijke leven samen optrekken: twee op een boerderij, twee bij de korenmolen en in Lucas 17:34 wordt aan deze voorbeelden nog toegevoegd: 'Twee zullen op één bed zijn'. De personen die op aarde zo dicht bij elkaar verkeren, zijn in de geestelijke wereld van elkaar gescheiden. De een wordt dan meegesleurd door de verleidende geesten, terwijl de partner 'onaangeraakt' buiten het bereik van de slang blijft. Zo was het met Noach en zijn gezin, dat wel door het water omringd was, maar er toch niet mee in aanraking kwam. Noach en de zijnen werden 'door het water heen gered' (1 Petr.3:2).

Op de vraag der discipelen hoe en waar dit alles plaatsvinden zou, luidde het antwoord: 'Waar het lichaam is, daar zullen ook de gieren zich verzamelen', of 'waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen' (Matth.24:28,Luk.17:37). Er is een regel in de natuurlijke wereld: de aasgieren komen op de lijken die op het slagveld liggen, af. Zij scheuren er de stukken af om mee te nemen. Het dode lichaam wordt altijd aan de ontbinding prijsgegeven. Jezus neemt deze wet over voor de geestelijke wereld. Wanneer iemand zijn gemeenschap met God verliest, raakt hij geestelijk in de dood en wordt hij een prooi van de destructieve machten. In de zichtbare wereld kan zo'n mens nog doorleven zoals een bloem die van de stengel is afgesneden, maar nimmermeer vruchtdraagt. Hetzelfde zien wij bij de afgevallen kerk gebeuren. Wanneer zij aards gericht wordt en het hemels Koninkrijk verlaat, wordt zij een prooi van de machten der duisternis. In de zichtbare wereld kan dan zo'n instituut nog eeuwen lang bestaan, maar wat het Koninkrijk Gods dat in de hemel is, verlaat, is ten dode opgeschreven.

In openbaring 18 wordt meegedeeld, dat Babylon, het dode lichaam des Heren, 'een woonplaats is geworden van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte'. In plaats van 'schuilplaats' hebben vele vertalingen in de marge of in de tekst 'gevangenis' staan. De verbasterde kerk houdt de demonen vast. In haar wordt 'eerst' het onkruid verzameld, en wanneer alles bijeen vergaderd is, komt de tijd van de oogst. Tot het overblijfsel van Gods volk, dat zich nog in deze stad bevindt, wordt gezegd: 'Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen'. Dan vallen de gieren de vleselijk gezinde kerk aan en roven al haar heerlijkheid: 'Al wat kostelijk en schitterend was, is voor haar verloren en het zal nooit meer gevonden worden'. De antichrist en zijn tien koningen haten de geestelijk onmachtige hoer, eten haar vlees en verbranden haar met vuur. Zij beroven haar van een eeuwenoude cultuur en religieuze rijkdom, en maken haar geestelijk tot een puinhoop. Van haar kinderen kan worden opgemerkt, dat 'het groene gras', haar ongeheiligd zaad, zal verbranden, bijvoorbeeld door pornografie, drugsverslaving of oosterse religies (Openb. 17:16,8:7). De antichrist laat Babylon 'vallen', omdat de vleselijke gezindheid van haar inwoners voor hem van geen enkel nut zal zijn in de zware strijd die hem wacht tegen het leger Gods in de hemelse gewesten. Zij die wel openstaan voor een 'hogere' opleiding sleurt hij mee om ze bij zijn gemeente te voegen.

Babylon is niet een bepaalde aanwijsbare kerkgemeenschap, maar een aards gerichte denkwereld die in het christendom is binnengedrongen, waarbij de dingen die boven zijn, niet meer worden bedacht. Natuurlijk werken deze visies door in aardse kerkformaties, even zo goed als de leer van het Koninkrijk der hemelen in verschillende gemeenten wordt gepredikt.

Tot hen die in de oogsttijd nog in Babylon vertoeven, maar die wel afkerig zijn van haar zonden en okkulte praktijken, komt de waarschuwing bij monde van de zonen Gods, om hun aards gerichte leerstellingen los te laten. De vermaning wordt evenals in het begin van de kerkgeschiedenis gehoord: 'Gaat uit Jeruzalem, verlaat Babylon'. Het is de laatste oproep tot een orthodoxie die een rommelzolder van leringen der vaderen bezit, die het leven blokkeren, en tot een judaïstisch fundamentalisme dat zich bezig houdt met een politieke strijd in het Midden-Oosten. Wanneer echter de Eufraat, de geestelijke scheidingsrivier opdroogt, worden ze overstroomd door de okkulte godsdiensten uit het Verre-Oosten. Zij worden vermaand hun aandacht te richten op het 'midden' des hemels, waar de troon van God is. Dan kunnen zij ook nog worden opgenomen in het leger Gods, dat zich gereed houdt voor de eindslag in het geestelijke Armageddon. Deze 'bijbelgetrouwe' christenen, die echter de sleutels van het Koninkrijk der hemelen missen, worden anders meegesleurd door een demonische vloedgolf, die in de laatste ure over de gehele wereld zal gaan 'om hen te verzoeken, die op de aarde wonen' en niet in de hemel hun burgerschap hebben (openb.3:10). Aan de afvallige, aards gerichte kerk wordt vervuld: 'En een sterke engel nam een steen op als een grote molensteen en wierp hem in de zee (vloedgolf) , zeggende: Zó zal Babylon met geweld geworpen worden, de grote stad, en zij zal nooit meer gevonden worden' (openb.18:21).

Zie voor andere artikelen kvooverz