kvo 48e jaargang nummer 12 december 1984

J.E.v.d.Brink

Wat is de mens

Wie was David

In het heiligdom te Jeruzalem zongen de Korachieten vele malen en op vele wijzen lofliederen tot eer van God. Denk maar aan Psalm 48 met zijn verheven aanvang: 'Groot is de Heer'. Het was David die in Psalm 8 niet alleen de majesteit van de Schepper bezong, maar tevens het koor van 'kinderen en kleuters' deed jubelen: groot is de mens, want Gij hebt hem bijna goddelijk gemaakt. Deze verbondskinderen moesten in hun lofzang niet belijden dat zij in Gods ogen klein en onbetekenend waren, maar dat Jahweh in hen zijn eeuwige bedoeling met de mens wilde tot stand brengen. Zij waren immers voorbestemd het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan om daar opgeleid te worden tot koningen en priesters.

Wanneer David het woord 'zuigeling' gebruikt, moet men hierbij niet denken aan een baby in de wieg, maar aan een kind dat naar de gewoonte ongeveer drie jaar of langer werd gezoogd, zoals we dit uit 2 Makkabeeën 7:27 en 1 Samuël 1:24 kunnen opmaken. De profeet Jesaja bestrafte de ongehoorzaamheid van de geestelijke leiders, die zich zo bedronken, dat ze niet in staat waren om het woord van Jahweh te horen. Hij deed dit met de uitroep: 'Wie wil Hij kennis leren en wie wil Hij een openbaring doen verstaan? Hun die van de melk gespeend, aan de borst ontwend zijn?' (Jes.28:9). De profeet zegt hier, dat kinderen van vier of vijf jaar nog de enigen zijn , die er iets van verstaan zouden.

De kleine kinderen werd geen minderwaardigheidsgevoel bijgebracht. Zij zongen niet over 'een zondaar zijn tot de dood' maar over de verheven positie die zij zouden ontvangen. Gelovig en spontaan juichten zij dat de mens met eer en heerlijkheid is gekroond en dat hij gesteld is om te heersen over de werken van Gods handen. In Oud Testamentische bewoordingen bepaalde de profeet-koning de jeugdige zangers bij de zichtbare wereld. Al het geschapene zou onder hun voeten worden gelegd, zoals bijvoorbeeld schapen en runderen, wilde dieren, vogels en vissen. Zij zouden in de natuurlijke wereld van nu de kudden weiden, de roofdieren in vallen brengen, de vogels in netten verstrikken en de vissen zouden hen tot voedsel zijn.

David was geen dagdromer met gebrek aan werkelijkheidszin. Hij werd ook niet misleid door wilde fantasieën, maar vol verwondering en geloof bezong hij de mens in diens opgaande lijn. God is de onvergelijkele hemelkoning maar de mens is zijn onderkoning. God is een bovennatuurlijk wezen en de mens zal tot zijn niveau worden verheven. Ondanks de tegenstanders en de wraakgierige vijanden zal hij zich ontwikkelen en van kracht tot kracht voortgaan. Het leven van David was hier een heerlijk voorbeeld van.

Wie was David eigenlijk vanaf zijn geboorte? Een kind van dubieuze afkomst, in ongerechtigheid geboren, en buiten de wet van God om had zijn onbekende moeder hem ontvangen. Hij was een wilde loot die vanuit de wortel van Isaï en niet uit diens stam was opgekomen. In het gezin van zijn vader werd David gediscrimineerd. Hoewel hij schoon was van uiterlijk en opgroeide tot een musicus, een dichter en een held, was het oordeel van zijn oudste broeder over hem negatief: 'Ik ken uw overmoed en de boosheid van uw hart'. Zijn vader liet hem rustig bij de schapen, toen Samuël een van zijn zonen tot koning moest zalven. Van uit zijn verleden kon David zeggen: wat of wie is de mens, dat Gij naar hem omziet?

Wat was David geworden? Als herder waren niet alleen de schapen en het kleinvee hem onderworpen, maar ook de dieren des velds. Hij doodde immers eigenhandig de leeuw en de beer die zijn kudden bedreigden. Later velde hij met een steen uit zijn slinger de reus Goliath, die de slagordes van de levende God tartte. Toen hij voor koning Saul vluchtte, redde de Here hem uit al zijn noden. Hij werd de grote koning, die met glorie en luister was gekroond. Hij werd bijna goddelijk gemaakt, want hij was op de aarde de vertegenwoordiger van Jahweh. Hij zat 'op de troon des Heren' als een theocratische vorst (1 Kron.28:5 en 29:23)

.

Wie was Davids zoon?

'Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?' (Stat.vert.) Hierbij denken wij dan ook aan de grote Zoon van David. David was immers een profeet en wist dat God hem onder ede had gezworen een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten. Ook Psalm 8 wijst op de opstanding en de toekomst van Christus (Hand. 2:30,31).

Wie was Jezus? Hij werd in een stal geboren en daar in een voederbak gelegd, omdat voor hem en zijn moeder geen plaats was in de herberg. Hij werd de zoon van de timmerman uit Nazareth genoemd en behoorde tot de armen des volks (2 Cor.8:9). Jesaja profeteerde over Hem: ' Hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht'. Jezus was geen met aardse olie gezalfde koning of priester. Zijn culturele en religieuze vorming liet naar menselijke en godsdienstige maatstaven te wensen over. Hij had nimmer aan de voeten van de grote geleerden als Gamaliël gezeten. De kennis en wijsheid die Hij bezat, vond geen enkele aansluiting bij de kerk van zijn tijd. Er was hier sprake van 'het dwaze Gods'. Hij verkondigde een evangelie van de onzienlijke wereld en daarom hield men Hem voor een verleider of valse profeet, en sprak: 'Heeft soms één van de oversten in Hem geloofd, of van de Farizeeën?' Hoe simpel was zijn prediking van een schuldvergiffenis zonder inspanning en offeranden, maar alleen gericht op het aanvaarden van het Lam Gods dat de zonden der wereld weg zou nemen. Hoe druiste een rechtvaardiging zonder werken der wet, in, tegen het religieuze denken. Hoe weinig sprak zijn geestelijke toekomstverwachting een aards gericht volk aan. Wel een belofte van verlossing uit de hand van al hun haters en toch geen toezegging voor bevrijding van het juk van de politieke overheersers. Met Jezus Christus werd in Sion een steen des aanstoots gelegd en een rots der ergernis. Aan het einde van Jezus 'aardse bediening wees Pilatus op de doornenkroon en op het purperen spotkleed. Om de vernedering en ontluistering van de mishandelde man uit Nazareth te accentueren, sprak de landvoogd tot de joelende menigte met haar aanvoerders: 'Zie de mens!'

Bij voorkeur noemde Jezus Zichzelf de Zoon des mensen. In het bijzonder gold voor Hem in de eerste periode van zijn leven dat God Hem 'bijna goddelijk' had gemaakt. Vóór zijn doop in de Heilige Geest was Hij de mens die naar Gods beeld was geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid. Daarna gold voor hem dat Hij ook naar de gelijkenis van God was. Hij straalde ten volle de heerlijkheid van het goddelijk wezen uit. Toen kon van Hem worden gezegd, dat Hij 'in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht'. Toen was Hij de eerste ware geestelijke mens, die in het Koninkrijk der hemelen wandelde met gezag en macht bekleed. In een ontwikkelingsproces 'werd Hij zoveel machtiger dan de engelen'. Alle hemelwezens moesten Hem huldigen. Hij werd onder de zonen Gods geopenbaard als de enige Zoon van God vanuit de mensenwereld, die de roeping had ontvangen om de zuchtende schepping te bevrijden van de pressie van al haar vijanden. De bedoeling was dat Hij vele zonen Gods tot heerlijkheid zou brengen, opdat God in hen alles in allen zou zijn, zoals ook de heilige engelen geheel en al op God zijn afgestemd, want zij luisteren naar de klank van zijn stem. Zonen Gods worden die mensen, welke hun plaats boven de zonen Gods of aartsengelen hebben ingenomen.

Wie was Jezus? Een mens die Zich een weg baande tot de troon van God en die vanwege zijn lijden en sterven de mogelijkheid schiep dat ook wij onze plaats in het Koninkrijk der hemelen kunnen innemen om mee te helpen de onzienlijke wereld te zuiveren van alle boze geesten. De goddelijke regel is immers: eerst een bevrijde of vernieuwde hemel en daarna een herstelde, vernieuwde aarde.

Voordat onze Heer de troon van zijn vader David beklom - de troon van Jahweh - horen we het jubelende koor 'van kleine kinderen en zuigelingen' in de tempel van het oude verbond. Het was het laatste reveil in Israël op de dag die de Here had gemaakt, de palmzondag. Daarna werd immers het Koninkrijk Gods van hen weggenomen en aan een nieuw geestelijk Israël geschonken, dat de vrucht ervan zou opleveren. Binnen de muren van de voorhof zong de hoop der toekomst spontaan en door de geest der profetie geleid het loflied: 'Hosanna, de Zoon van David. Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren; Hosanna in de hoogste hemelen. Hosanna, de koning van het Israël Gods'. Dit begrepen de discipelen pas toen Jezus het nieuwe Jeruzalem was binnengetrokken (Joh.12:16).

Wie zijn wij?

Wat is de mens? Wie ben ik? Bij deze laatste vraag bedoelt men meestal te zeggen, dat men tegen een bepaalde situatie niet is opgewassen. Men denkt dan klein van zichzelf. Vele christenen menen dat deze 'nederigheid' aangenaam voor God is. Zij denken dat de hemelse Vader Zich verheugt als zijn kinderen onbetekenend en nietig zijn. Eenmaal zei Elifaz, een vriend van Job, dat de mens zelfs nooit rechtvaardig en rein voor God kan staan. Hij zou niet meer zijn dan een mot, die men tussen de handen doodslaat. Aan wie had Elifaz deze depressieve levensbeschouwing ontleend? Aan de fluisterende stem van een geest, die hem was voorbij gegleden, toen hij diep in de nacht de slaap niet kon pakken. De vage gestalte van deze demon kon hij niet onderscheiden (Job 4:12-21). Omdat diens stem uit de onzienlijke wereld kwam, nam hij klakkeloos aan dat zij van God afkomstig zou zijn. De zwaar beproefde Job bleef echter vasthouden aan zijn gerechtigheid, dus aan zijn grootheid voor God. Aan het einde van het verhaal werd Elifaz bijna een prooi van de boze geesten, omdat hij Job geen ongerechtigheid had kunnen aanpraten. Hoevelen christenen hebben later ook gehoor gegeven aan de leugens van 'vrome' geesten. Daarom hebben zij het hun toekomende koningschap nimmer kunnen ontvangen.

Vanwege de vernieuwing van denken die het evangelie van het Koninkrijk der hemelen in ons teweegbracht, hebben wij evenwel bovenstaande heilloze visie losgelaten. Evenals de profeet Habakuk treden wij op onze hoogten. Ons was geleerd dat wij slechts een druppel zijn aan een emmer en een stofje aan de weegschaal. Maar hiervan rept Jesaja 40 niet. Daar is integendeel sprake van de verlossing van Sion uit de macht der volken, die het beeld zijn van onze geestelijke vijanden. Zij worden door God als klein en nietig geacht en wij mogen in geloof zijn zienswijze overnemen. Wij die de Here verwachten, putten nieuwe kracht uit de gedachte van God. Daarom varen wij omhoog met vleugelen als arenden. Wij lopen, maar wij worden niet moede, wij wandelen, maar worden niet mat.

Het evangelie dat wij prediken, haalt de mens onder de macht van de boze vandaan. Het bevrijdt, verlost, geneest, herstelt en vervult hem met de Heilige Geest, zodat zelfs engelen aan hem onderworpen zijn. Natuurlijk wist de Hebreeënschrijver heel goed dat koning David eenmaal de versregel had gemaakt, dat 'God er weinig aan doet ontbreken dat de mens God is'. Wanneer hij echter in Hebreeën 2:6-8 dit gedeelte uit Psalm 8 citeert, schrijft hij: 'Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij naar hem omziet? Gij hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen'. Wij zouden in onze tijd in plaats van 'iemand heeft ergens betuigd', zeggen 'een vertaling van deze Psalm luidt'. De Hebreeënschrijver citeert immers de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, dat oorspronkelijk in het Hebreeuws werd geschreven. Die vertalers lazen in de oorspronkelijke taal hier voor 'God' het woord 'Elohim', een meervoudsvorm welke ook hemelingen, bovennatuurlijke wezens of engelen kan betekenen. Zo staat bijvoorbeeld in 1 Samuel 28:13, dat de tovenares van Endor tot Saul zegt: 'Ik zie een bovennatuurlijk wezen uit de aarde opkomen'. De Statenvertaling luidt meer letterlijk: 'Ik zie goden (Elohim) uit de aarde opkomen' (Vergelijk ook Ps.29:1, 58:2 en 82:1). Het is daarom begrijpelijk dat de Septuaginta kon vertalen: 'Gij hebt de mens een weinig minder gemaakt dan de engelen. In vers 9 merkt de Hebreeënschrijver nog van terzijde op, dat ook Jezus deze vernedering had ondergaan. Hij was echter aan de boze geesten onderworpen niet vanwege begane zonden, maar 'vanwege het lijden des doods', dus terwille van ons. Tijdens zijn leven beschermden en dienden de heilige engelen Hem en waren de boze geesten Hem wel onderworpen. Tijdens zijn strijd in Gethsémane en zijn kruislijden had de Heilige Geest - zijn God of inspirator, dus ook zijn helper - Hem verlaten. In de lijdenspsalm staat: 'Want nabij is de nood, er is geen helper' of parakleet, zoals het griekse woord luidt (Ps.22;12). In zijn lijden werd Jezus zelfs door de engel des doods overmeesterd. De dood voerde heerschappij over Hem (Rom.6:9). Daarna brak de tijd aan dat Hij 'zoveel machtiger is geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft' (Hebr.1:4). Hij overwon immers na zijn sterven ook de laatste vijand, namelijk de dood.

Met welke mens zijn wij bezig

Met wie zullen wij ons wat onszelf betreft, nu bezig houden? Met de overweldigde en onderworpen mens? Met ons zondaar zijn tot de dood? Of zijn wij bewust deelgenoot van een hemelse roeping? Dan richten wij het geloofsoog op de apostel en hogepriester van onze belijdenis, de mens Jezus. Hij is nu met 'eer en heerlijkheid gekroond' om in onze tijd vele zonen tot dezelfde heerlijkheid te brengen als Hijzelf bezit. Voor ons trekt Hij uit als de ruiter op het witte paard, overwinnende en om te overwinnen. Wij willen hem als de heerscharen die in de hemel zijn, volgen op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen. De Hebreeënschrijver wijst ons de weg die wij ook in onze tijd moeten bewandelen. Zie niet naar beneden maar naar boven. Na de vergeving van zonden, na de wedergeboorte en na de doop in de Heilige Geest moeten wij ons bezighouden met de opdracht die de verhoogde Meester ons gaf en die een voortzetting is van Gods eigen opdracht aan de mens, namelijk om de kop van de slang te vernietigen. Of zoals Jezus het uitdrukte: boze geesten zullen jullie uitdrijven om ze onder mijn voeten te brengen. Daarna zullen wij als overwinnaars met Hem heersen.

Bij de geboorte van Jezus getuigden de engelen, dat de vrede op aarde komt 'in' of liever 'door' mensen van Gods welbehagen. Van onszelf zijn we niet capabel om in de onzienlijke wereld te regeren. Als wij evenwel de geest van het zoonschap hebben, zullen de engelen ook ons hulde bewijzen. Wij hebben dan immers geen geest van slavernij, maar bevinden ons in de hemelse gewesten als zonen des huizes (Joh.8:35). De Vader heeft aan de mens Jezus alle macht gegeven in hemel en op aarde. In Hem zijnde zoeken wij toegerust te worden, teneinde zijn strijd te strijden, zijn overwinning te behalen en zijn heerschappij te delen. Zo wordt vervuld dat niet aan engelen het toekomende onzienlijke en zienlijke woongebied is onderworpen, maar aan ons (Hebr.2:5). Wees daarom bezig met wat je bent in het grote heilsplan: een mens die bijna goddelijk is en die nu reeds als koning mag heersen in de geestenwereld, zodat hem later ook de aarde volledig zal zijn onderworpen. Houd voor ogen dat je een koning en heer bent, want Jezus is de Koning der koningen en de Heer der heren.

Wat zullen wij nu onze kinderen in de gemeenten leren zingen? Wat voor toekomst hebben zij in deze waanzinnige wereld? Zal het groene gras verbranden, dus een prooi worden van de demonen? Neen, want zij zingen: 'Gezegend is Hij die komt in de naam des Heren'. Jezus belooft aan hen in het byzonder de Helper, de Heilige Geest, die de Vader zendt in zijn naam (Joh.14:26). 'En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien'. Dan zullen er weer spelende kinderen zijn op de pleinen van de stad Gods, die de lof des Heren bezingen en de grootheid van zijn naam (Zach.8:5).

zie voor ander artikelen kvooverz